id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.397 Rolnummer: A. 234352/IX-9924 Zaak: Arrest 251397 - Reglementen (justitie) - 30/08/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-08-31 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 251.397 van 30 augustus 2021 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 251.397 van 30 augustus 2021 in de zaak A. 234.352 /IX-9924 In zake: Luc VAN DEN BOSSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 augustus 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het Koninklijk besluit van 24 juni 2021 (B.S. van 30 juni 2021) tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 […], van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 […], in het bijzonder artikel 3 ervan, voor zover het betrekking heeft op artikel 44 van de wet van 20 december 2020 en in de mate dat in dat wetsartikel artikel 61quinquies, § 4 van het Wetboek van IX-9924-1/16 Strafvordering [...] is opgenomen (en aldus voorziet in de mogelijkheid tot een schriftelijke procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij een beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies, §3 Sv.)”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021, om 9.30 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vande Lanotte, loco advocaat Walter Van Steenbrugge, en advocaat Esther Theyskens, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Daisy Daniels en Patrik De Maeyer, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-9924-2/16 III. De gegevens van de zaak Regelgevend kader 3.
- Luidens artikel 61quinquies, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan onder meer de inverdenkinggestelde de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. Dit artikel luidt als volgt: “§
- De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. §
- Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoekshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht. De onderzoeksrechter doet uitspraak op straffe van nietigheid van zijn beschikking uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing. §
- De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek. §
- Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 61quater, §
- §
- Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn (vermeerderd met vijftien dagen), kan de verzoeker zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig artikel 61quater, §
- §
- De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp (toezenden of neerleggen) vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.” IX-9924-3/16 Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de in artikel 61quinquies, § 2, tweede lid, Sv bepaalde termijn vermeerderd met 15 dagen, kan de verzoeker zich aldus luidens § 5 van dit artikel 61quinquies tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig artikel 61quater, § 6, Sv. Het uitblijven van een beslissing binnen de wettelijke termijn dient immers te worden beschouwd als een afwijzing van het verzoek. Dit artikel 61quater, § 6, Sv bepaalt: “Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procedure verloopt overeenkomstig § 5, derde tot zesde lid.” Artikel 61quater, § 5, derde tot zesde lid, Sv, luidt: “De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat. De griffier stelt de verzoeker en zijn advocaat per faxpost of bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting. De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord.” 3.
- Artikel 44 van de wet van 20 december 2020 ‘houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ (hierna: wet van 20 december 2020) bepaalde oorspronkelijk : “In afwijking van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling tot 31 maart 2021 de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk behandelen. Voor zover de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat schriftelijk IX-9924-4/16 opmerkingen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, worden deze onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, overgemaakt aan de andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak.” De memorie van toelichting vermeldt bij dit artikel (art. 35 in het ontwerp) (Parl. St. Kamer, 2020/2021, doc 55 1668/001, 22 ): “Het artikel in ontwerp herneemt artikel 2 van het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van COVID-
- Het betreft de beroepen ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling, in toepassing van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van Strafvordering. De procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling kan voor de bepaalde duur, namelijk tot en met 31 maart 2021, schriftelijk verlopen. Voor die gevallen wordt uitdrukkelijk voorzien dat voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak de procureur-generaal, de verzoeker of zijn advocaat schriftelijk hun opmerkingen kunnen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling. In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State werd in de ontwerptekst van KB nr. 3 toegevoegd dat de schriftelijke opmerkingen, die aan de kamer van inbeschuldigingstelling zijn overgemaakt, onverwijld en via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, worden overgemaakt aan de andere partijen, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak. Deze precisering werd in het artikel in ontwerp hernomen. Aan de kamer van inbeschuldigingstelling wordt de discretionaire bevoegdheid gelaten om te beoordelen of zij de zaak zal behandelen, dan wel of zij de partijen in de zaak meer tijd geeft, opdat tegenspraak in de procedure gewaarborgd blijft.” De afdeling wetgeving heeft bij dit artikel (art. 40 in het voorontwerp) geen bijzondere opmerkingen gemaakt (Ibid., 114). Luidens artikel 81 van deze wet van 20 december 2020 kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder meer de datum bedoeld in dit artikel 44 “aanpassen teneinde rekening te houden met de duurtijd van de maatregelen genomen met het oog op de strijd tegen de IX-9924-5/16 COVID-19-pandemie”. De memorie van toelichting merkt bij dit artikel (artikel 63 in het ontwerp) het volgende op (Ibid., 44) op: “Dit artikel voorziet in de mogelijkheid voor de Koning om de datum voorzien in de artikelen 5, 7, 8, 11, 16 tot 20, 35 tot 39, 41 tot 46, 47, 49, 55, 57 en 61 te wijzigen, wat de datum is waarop sommige van de maatregelen voorzien in deze wet eindigen. Het is eveneens mogelijk dat de COVID-19-pandemie vóór 31 maart 2021 afloopt, in welk geval het gerechtvaardigd zou zijn om het einde van deze uitzonderlijke maatregelen te vervroegen.” Eerder was in de algemene toelichting (Ibid., 23 e.v.) onder meer het volgende opgemerkt: “Dit wetsontwerp strekt ertoe zowel tijdelijke als structurele maatregelen te nemen in het kader van de strijd tegen de coronaviruspandemie. Om de verspreiding van het virus tegen te gaan, moeten fysieke contacten en ontmoetingen van mensen worden vermeden wanneer zij niet absoluut noodzakelijk zijn. Dit ontwerp moet toelaten om, onafhankelijk van soepele of strenge maatregelen, ons op een andere manier te organiseren zodat we de impact en risico’s van het virus maximaal kunnen beperken. Het is gedurende de laatste maanden gebleken dat het enorm moeilijk is om de evolutie van de besmettingen en de daaruit volgende maatregelen te voorspellen. Justitie is een essentiële dienst en moet ten allen tijde de dienstverlening blijven verzekeren. Waar mogelijk werden interne processen aangepast om te kunnen voldoen aan de zes gouden regels. We stappen af van het principe dat we maatregelen nemen afhankelijk van de concrete maatregelen die door de overheid worden opgelegd. We nemen hoofdzakelijk maatregelen om te kunnen voldoen aan de zes gouden regels en in het bijzonder de gouden regels hou afstand en beperk nauwe contacten. We voorzien dan ook dat de tijdelijke maatregelen zullen moeten aanhouden tot we de coronacrisis volledig onder controle hebben. Daarom stellen we voor om per kwartaal een evaluatie te doen en te starten met maatregelen met een voorlopige eindduur op 31 maart
- We laten tevens de mogelijkheid aan de Koning om de duurtijd van de maatregelen aan te passen, afhankelijk van de situatie. De meeste tijdelijke maatregelen zouden dus moeten kunnen gelden tot we over een vaccin beschikken dat voldoende is uitgerold waardoor een versoepeling van maatregelen mogelijk wordt. […].” Ook bij dit artikel (art. 89 in het voorontwerp) heeft de afdeling wetgeving geen bijzondere opmerkingen gemaakt (Ibid., 73). IX-9924-6/16 3.
- Bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 maart 2021 ‘tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ werd onder meer in dit artikel 44 de datum “31 maart 2021” vervangen door “30 juni 2021”. Dit koninklijk besluit werd, met beroep op de dringende noodzakelijkheid en artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, niet voor advies aan de afdeling wetgeving voorgelegd. 3.
- Bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 juni 2021 ‘tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ werd onder meer in dit artikel 44 de datum “30 juni 2021” vervangen door “30 september 2021”. Over dit ontwerp werd een advies binnen vijf dagen gevraagd. In advies 66.523/1-2 van 11 juni 2021 heeft de afdeling wetgeving bij dit artikel geen opmerkingen gemaakt. 3.
- Dit artikel 3 is de bestreden bepaling, voor zover het betrekking heeft op artikel 44 van de wet van 20 december 2020 en in de mate in dit artikel 44 de artikelen 61quater, § 6, en 61quinquies, § 5, Sv zijn opgenomen. IX-9924-7/16 Concrete feitelijke gegevens 4.
- Verzoeker heeft de hoedanigheid van inverdenkinggestelde en maakt, samen met anderen, het voorwerp uit van de eindvordering van het openbaar ministerie van 6 april 2021 tot regeling van de rechtspleging en verwijzing naar de correctionele rechtbank. Volgens het verzoekschrift werd de zaak met het oog op de regeling van de rechtspleging vastgesteld ter zitting van de raadkamer van 16 juni
- 4.
- Verzoeker diende via zijn raadslieden op 15 juni 2021 overeenkomstig artikel 61quinquies Sv een verzoekschrift in bij de onderzoeksrechter om acht bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen, waardoor de regeling van de rechtspleging van rechtswege werd geschorst (overeenkomstig artikel 127, §3 Sv). 4.
- Bij beschikking van 15 juli 2021 wijst de onderzoeksrechter dit verzoek af. 4.
- Verzoeker stelde via zijn raadslieden op 30 juli 2021 overeenkomstig artikel 61quinquies, §4, Sv tegen de beschikking van de onderzoeksrechter middels een verklaring ter griffe van de rechtbank van eerste aanleg hoger beroep in bij de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent. 4.
- Op 13 augustus 2021 ontvangt verzoeker via telefax een bericht van de griffier van de kamer van inbeschuldigingstelling dat “de kamer van inbeschuldigingstelling […] in deze zaak [beslist heeft] tot toepassing van de schriftelijke behandeling conform artikel 44 van de wet van 20 december 2020 […], zoals gewijzigd bij artikel 2, tweede lid, van het Koninklijk Besluit van 29 maart 2021 en zoals gewijzigd bij artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 24 juni 2021 […]”. Vervolgens wordt vermeld dat verzoeker zijn eventuele IX-9924-8/16 schriftelijke bemerkingen ten laatste op 6 september 2021 moet doen toekomen op de griffie en tegelijkertijd meedelen aan het ambt van de procureur-generaal, alsook: “Op de terechtzitting van 7 september 2021 zal de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak zonder debat in beraad nemen, tenzij de procureur-generaal op de voormelde terechtzitting om een uitstel verzoekt teneinde schriftelijk te antwoorden op de tijdig meegedeelde schriftelijke bemerkingen van de appellant. In dat laatste geval wordt de behandeling van de zaak uitgesteld naar een datum die door de griffier onmiddellijk ter kennis van de appellant en zijn advocaten wordt gebracht. […].” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9924-9/16 VI. De uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
- Met betrekking tot de spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid zet verzoeker het volgende uiteen: “Zoals supra aangegeven, vermeldt het schrijven van de griffier van de kamer van inbeschuldigingstelling van 13 augustus 2021 dat de terechtzitting zonder mondeling debat in toepassing van het bestreden besluit in casu zal doorgaan op 7 september 2021 (behoudens andersluidend verzoek van het openbaar ministerie en dus buiten enige mogelijke tussenkomst van verzoeker). Gelet op het normale tijdsverloop van een procedure tot gewone schorsing van tenuitvoerlegging bij Uw Raad (vgl. artikel 17, §5 van de gecoördineerde wetten op Uw Raad), kan een dergelijke procedure verzoeker geen soelaas brengen. Bovendien zou de onmogelijkheid voor verzoeker om ter zitting aanwezig te zijn of vertegenwoordigd te worden door zijn raadslieden en om zijn verdediging mondeling voor te dragen een onherroepelijke schending van zijn fundamentele rechten inhouden (zie infra randnummer 12). Verzoeker heeft namelijk na de gebeurlijke verwerping van zijn beroep door de kamer van inbeschuldigingstelling geen mogelijkheid meer om opnieuw een verzoekschrift tot bijkomend onderzoek in te dienen bij de onderzoeksrechter (artikel 127, §3 Sv.).” Verzoeker stelt meer algemeen dat hij er een actueel en persoonlijk belang bij heeft dat zijn beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling behandeld wordt op een gewone terechtzitting, waarop hijzelf en zijn advocaten aanwezig kunnen zijn en het woord kunnen voeren, het tegensprekelijk debat met het openbaar ministerie kunnen aangaan en de gebeurlijke vragen van de zetel kunnen beantwoorden, dit alles bij toepassing en ter vrijwaring van zijn fundamentele rechten van verdediging. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van IX-9924-10/16 verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond.
- Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Die elementen moeten blijken uit het verzoekschrift zelf en kunnen niet worden aangevuld met nieuwe gegevens die worden aangebracht in latere geschriften, waarin het toepasselijke procedurereglement overigens niet voorziet, of die mondeling ter terechtzitting worden uiteengezet.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. IX-9924-11/16 Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voorts een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
- De gegevens, aangebracht in een schorsingsvordering, moeten dus dermate duidelijk zijn dat het bij de eerste lezing en op korte tijd meteen aannemelijk is dat de aangevoerde middelen tot nietigverklaring zullen leiden, zonder dat een doorgedreven onderzoek van die middelen noodzakelijk is. In een schorsingsprocedure die, zoals de huidige, is ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is zulks des te meer het geval, omdat het onderzoek van de Raad van State in die procedure uiterst snel moet kunnen verlopen. Voorts moeten zowel het belang van de verzoekende partij als het bestaan van de elementen die de spoedeisendheid en de versnelde summiere uitzonderingsprocedure verantwoorden, concreet en duidelijk uit het ingediende verzoekschrift blijken.
- Met zijn summiere uiteenzetting toont verzoeker niet aan dat zijn belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate nadelig worden aangetast dat hij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten.
- De algemene verwijzing in het verzoekschrift naar “de onmogelijkheid voor verzoeker om ter zitting aanwezig te zijn of IX-9924-12/16 vertegenwoordigd te worden door zijn raadslieden en om zijn verdediging mondeling voor te dragen een onherroepelijke schending van zijn fundamentele rechten inhouden (zie infra randnummer 12) en dat verzoeker na de gebeurlijke verwerping van zijn beroep door de kamer van inbeschuldigingstelling geen mogelijkheid meer heeft om opnieuw een verzoekschrift tot bijkomend onderzoek in te dienen bij de onderzoeksrechter (artikel 127, §3 Sv.).” volstaat daartoe niet. De “onherroepelijke schending van zijn fundamentele rechten” verwijst immers veeleer naar het enig middel in de mate dit steunt op de schending van artikel 6.1 en 6.3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en van het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid, zoals in het verzoekschrift zelf ook wordt bevestigd door de verwijzing naar de uiteenzetting van het beweerd ernstig middel. De aangevoerde onwettigheid van de bestreden regeling kan echter niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend is. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk de voorwaarde of de onwettige beslissing de verzoekende partij gebeurlijk in een zodanig urgente toestand doet belanden dat zelfs een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure nog te laat dreigt te komen, is, zoals al opgemerkt, van de eerste voorwaarde te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. Verzoeker blijft er toe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk te maken. Het feit dat afbreuk zou zijn gedaan aan een grondrecht toont niet op zich aan dat er sprake is van een voldoende ernstig nadeel zodanig dat het resultaat van de procedure ten gronde – of zelfs de gewone schorsingsprocedure – niet kan worden afgewacht. In de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid in het verzoekschrift ontbreekt in dat kader elke verdere concrete onderbouwing.
- Samen gelezen met de uiteenzetting van het belang lijkt bedoeld dat verzoeker meent dat hij en zijn raadslieden aanwezig moeten kunnen zijn en het woord voeren, dan wel het tegensprekelijk debat met het openbaar ministerie kunnen aangaan en de gebeurlijke vragen van de zetel kunnen beantwoorden. IX-9924-13/16
- In die uiteenzetting is niet concreet onderbouwd waarom de nadelen verbonden aan het feit dat dit alles niet mogelijk is in het kader van de schriftelijke behandeling van verzoek tot bijkomend onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling noodzakelijk inhoudt dat zijn rechten van verdediging “onherroepelijk” zijn aangetast. Verzoeker voegt daaraan weliswaar toe “in dit stadium van de procedure”. Hij lijkt daarbij voorbij te gaan aan het beginsel, dat voortvloeit uit de rechtspraak van het EHRM in strafzaken, dat de verschillende fases van de procedures bekeken moeten worden als één geheel waarbinnen de rechten van verdediging moeten worden gerespecteerd zodat bij de beoordeling of een specifiek recht vervat in artikel 6 EVRM werd nageleefd de vraag moet worden gesteld of de schending de eerlijkheid van de gehele procedure in het gedrang brengt.
- Uit de tekst van artikel 44 van de wet van 20 december 2020 kan voorts worden afgeleid dat de kamer van beschuldigingstelling, zoals in het huidige geval, oordeelt of het verzoekschrift schriftelijk kan worden behandeld, zoals, zodat het beweerde nadeel veeleer voortvloeit uit die beslissing. Indien die beslissing de rechten van verdediging van verzoeker zou aantasten, lijkt dit veeleer een grief die opgeworpen zou moeten en zou kunnen worden in het kader van de strafprocedure en voor de daartoe bevoegde rechter en dit is niet de Raad van State. Evenmin blijkt prima facie dat volgens dit artikel 44 bij een schriftelijke behandeling het openbaar ministerie wel aanwezig is en verzoeker niet, hetgeen zijn meest concrete grief ook in het enig middel lijkt te zijn wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM. Het tegendeel lijkt veeleer voort te vloeien uit het genoemde artikel 44 waarin precies wordt afgeweken van in het bijzonder artikel 61quater, § 5 Sv, dat bepaalt dat ter zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord. In het genoemde artikel 44 wordt zelfs uitdrukkelijk voorzien dat, zowel de procureur-generaal, als de verzoeker en zijn advocaat, schriftelijk hun opmerkingen kunnen bezorgen die “onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, [worden] overgemaakt aan de IX-9924-14/16 andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen”. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling beslist de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk te behandelen, lijkt die behandeling en derhalve ook elke reactie die daarop nog volgt op het eerste gezicht door middel van schriftelijke opmerkingen te moeten verlopen.
- Mocht te dezen in het kader van de schriftelijke behandeling de procureur-generaal toch aanwezig zijn, zoals verzoeker lijkt af te leiden uit de kennisgeving van de griffie, lijkt dit voort te vloeien uit de toepassing van dit artikel 44 en niet rechtstreeks uit die bepaling zelf, laat staan het bestreden besluit, en is dit opnieuw een grief die veeleer voor te leggen is aan de bevoegde justitiële rechter in het kader van de strafprocedure. Verzoeker gaat ook voorbij aan de mogelijkheden die hij ook in het kader van de schriftelijke behandeling van zijn zaak heeft via het indienen van schriftelijke opmerkingen, in het bijzonder om in die opmerkingen te argumenteren waarom volgens hem een terechtzitting voor de kamer van inbeschuldigingstelling nodig is, en aldus de ingeroepen nadelen vermijden. Uit de rechtspraak van het EHRM, het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie blijkt prima facie dat ook de kamer van inbeschuldigingstelling moet waken over de naleving van de rechten van verdediging.
- Aldus is de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid in het verzoekschrift niet voldoende concreet aangetoond en is niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, §1 en § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat reeds om de vordering tot schorsing te verwerpen. VII. Besluit
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. IX-9924-15/16 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig augustus tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Eric Brewaeys IX-9924-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.397 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div