id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.420 Rolnummer: A. 227993/XIV-38039 Zaak: Arrest 251420 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-10 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-11 06:25 Fiche Arrest nr 251.420 van 6 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.420 van 6 september 2021 in de zaak A. 227.993/XIV-38.039 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Helsen kantoor houdend te 2640 Mortsel Pieter Reypenslei 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.500 van 19 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.353 van 11 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.039-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 15.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Jan Helsen verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker dient op 5 november 2015 een verzoek om internationale bescherming in. De verwerende partij beslist op 7 september 2017 dat verzoeker niet als vluchteling kan worden erkend en niet in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Op 6 oktober 2017 tekent verzoeker tegen de voornoemde beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest XIV-38.039-2/12 van 19 maart 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een eerste middel, dat hij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 3 van het internationaal verdrag van 20 november 1989 inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK), van artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van overweging 33 en artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 22bis van de Grondwet, van artikel 57/1, § 4, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 9 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 14 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’ (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003), van de materiëlemotiveringsplicht, van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van “de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker citeert artikel 3 van het IVRK en voert aan dat in toepassing van het hoger belang van het kind een aantal procedurele waarborgen XIV-38.039-3/12 werden ingebouwd, waarvoor hij verwijst naar artikel 9 van de voogdijwet en artikel 25 van richtlijn 2013/
- Het verzoek om internationale bescherming wordt geregistreerd door de dienst MINTEH, thans de cel Kwetsbaarheid, die bevoegd is voor deze registratie maar niet voor het verhoor van een niet-begeleide minderjarige. Volgens verzoeker moet het verhoor door de dienst Vreemdelingenzaken in principe worden afgenomen door een specifiek daarvoor opgeleide persoon binnen de cel Kwetsbaarheid. Deze procedurele waarborgen moeten ervoor zorgen dat kinderen, die specifieke beschermings- en bijstandsnoden hebben, correct worden voorbereid, geadviseerd en begeleid. De noodzaak hiervan wordt ook in de richtlijnen van het UNHCR uiteengezet. Hoewel het duidelijk is dat een minderjarige in elke stap van de procedure recht heeft op bijstand, werd deze elementaire regel volgens verzoeker met de voeten getreden en werd een fiche ‘Niet begeleide minderjarige vreemdeling’ (hierna: fiche NBMV) ingevuld zonder de bijstand van een voogd, advocaat of vertrouwenspersoon. Verzoeker laat gelden dat deze fiche tijdens de procedure telkens de reden blijkt te zijn om zijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Door de procedurele waarborgen – in casu met de voeten getreden tijdens het eerste en, zo blijkt achteraf, het beslissende stadium van de asielprocedure – naast zich neer te leggen, schendt het bestreden arrest volgens verzoeker het hoger belang van het kind in samenhang met de voogdijwet en richtlijn 2013/
- Zowel de verwerende partij als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toetsen elke latere verklaring af aan de fiche NBMV. Verzoeker was op dat ogenblik radeloos en verward en hij heeft reeds uiteengezet dat hij schrik had om te vertellen dat hij lid was geweest van de Taliban. Dit was een terechte en begrijpelijke angst, doch met de juiste begeleiding was verzoeker ongetwijfeld eerder tot het inzicht gekomen dat liegen niets oplost. Hij vindt het hemeltergend dat de verwerende partij en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de procedurele waarborgen van minderjarigen, vastgelegd in talloze wetteksten, koninklijke besluiten en verdragen, enkel met woorden belijden, maar ze in concreto negeren en als irrelevant beschouwen. Dat de fiche NBMV een doorslaggevende rol speelde, wordt volgens verzoeker benadrukt in het bestreden arrest, waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen XIV-38.039-4/12 er expliciet op wijst dat “verzoeker niet kan gevolgd worden dat hij geen tegenstrijdige verklaringen aflegde”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de verwerende partij menen dat de ongeloofwaardigheid van verzoeker onomstotelijk vaststaat op basis van de fiche die werd opgesteld zonder enige bijstand aan verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat bovendien nog verder door verzoekers ongeloofwaardigheid omwille van de verklaringen in de fiche NBMV zover door te trekken dat hem geen subsidiaire bescherming wordt toegekend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch de verwerende partij twijfelt aan verzoekers herkomst, maar zijn ongeloofwaardigheid, die wordt afgeleid uit een document dat uit de procedure dient te worden verwijderd, meer bepaald de fiche NBMV, maakt dat verzoeker ook op dit punt wordt gestraft. Beoordeling
- Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de materiëlemotiveringsplicht, zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan over een beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker geeft niet aan welke algemene rechtsbeginselen hij geschonden acht met het bestreden arrest. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 heeft betrekking op de omstandigheden waarin het gehoor van de minderjarige dient plaats te vinden op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verzoeker geeft niet aan op welke wijze deze bepaling kan zijn geschonden met het bestreden arrest vermits zijn kritiek enkel is gericht tegen de XIV-38.039-5/12 wijze waarop de fiche NBMV werd ingevuld en het gebruik van deze fiche bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Verzoekers kritiek dat de fiche NBMV ten onrechte werd ingevuld zonder de bijstand van een voogd heeft geen betrekking op het bestreden arrest. Een schending van artikel 9 van de voogdijwet kan derhalve niet dienstig worden opgeworpen. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij het “begrijpelijk” acht dat hij aanvankelijk loog over zijn lidmaatschap van de Taliban, heeft zijn kritiek betrekking op de feitelijke beoordeling van de zaak. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Het eerste middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- De fiche NBMV maakt deel uit van het administratief dossier en vervolgens van het rechtsplegingsdossier bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Geen van de door verzoeker aangehaalde nationale en inter- of supranationale bepalingen, voor zover deze laatste althans rechtstreekse werking in het Belgische recht hebben, verbiedt op algemene wijze dat een fiche NBMV mede wordt betrokken bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. Het belang van het kind als een essentiële overweging houdt immers niet in dat het de enige overweging zou mogen vormen bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming en dat ieder stuk of element dat tot een afwijzing van dat verzoek zou kunnen leiden, buiten beschouwing dient te worden gelaten. In het bestreden arrest wordt omstandig en concreet uiteengezet waarom de fiche NBMV te dezen niet uit de beoordeling van dat verzoek wordt geweerd, meer bepaald waarom verzoekers rechten niet worden geschonden door dat stuk mee in aanmerking te nemen. Verzoeker gaat eraan voorbij dat de fiche NBMV bij zijn eerste contact met de bevoegde autoriteiten is opgesteld, dus vooraleer een voogd kon worden aangesteld of een raadsman kon worden toegewezen. XIV-38.039-6/12 Verzoekers algemene kritiek, die in wezen is beperkt tot de stelling dat een fiche NBMV hoe dan ook niet in de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming mag worden betrokken, faalt in die mate naar recht. Minstens laat verzoeker na ook maar enige concrete tegenstrijdigheid aan te wijzen die op de fiche NBMV zou zijn gesteund en enig element aan te reiken waaruit kan blijken dat het mede in aanmerking nemen van die fiche te dezen afbreuk zou doen aan zijn rechten. Het eerste middel is in die mate ongegrond.
- Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een tweede middel, dat hij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van de materiëlemotiveringsplicht, van de artikelen 39/2, 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet, van artikel 1.A van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag), van artikel 15 van richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95), van artikel 46 van richtlijn 2013/32 en van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). XIV-38.039-7/12 Verzoeker voert aan dat in de aanvankelijk bestreden beslissing na grondig onderzoek zijn herkomst niet in twijfel wordt getrokken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist in het bestreden arrest wel verzoekers herkomst en heeft zijn nood aan internationale bescherming ten opzichte van Paktia niet onderzocht omdat verzoeker manifest en bewust misleidende verklaringen zou hebben afgelegd over andere elementen van zijn asielrelaas. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus het beginsel fraus omnia corrumpit toegepast hoewel dit geen toepassing vindt binnen het asielrecht. Er valt niet in te zien waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich baseert om op basis van verklaringen over andere elementen verzoekers herkomst in twijfel te trekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan zelf geen onderzoek voeren naar de feiten. Verzoeker merkt op dat de goede trouw van een verzoeker om internationale bescherming niet als voorwaarde wordt gesteld voor de erkenning als vluchteling of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Vermits geen twijfel bestaat over verzoekers herkomst, diende het risico op ernstige schade op basis van de veiligheidssituatie te worden onderzocht. Doordat dit niet is gebeurd, acht verzoeker het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 46 van richtlijn 2013/32 en artikel 13 van het EVRM geschonden. Beoordeling
- Zoals reeds vastgesteld bij de behandeling van het eerste middel, is de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op het bestreden arrest. Een schending van artikel 13 van het EVRM betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag XIV-38.039-8/12 beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Verzoeker laat echter na dit te doen. Verzoeker kan niet op ontvankelijke wijze een schending van artikel 46 van richtlijn 2013/32 en artikel 15 van richtlijn 2011/95 inroepen vermits deze geen rechtstreekse werking hebben en hij niet aanvoert dat de genoemde bepalingen niet, niet volledig of niet correct zouden zijn omgezet in het Belgische recht.
- Krachtens de devolutieve werking van het in artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde beroep neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis van de zaak in haar geheel. Dat hij over geen eigen onderzoeksbevoegdheid beschikt, houdt slechts in dat hij zich uitsluitend vermag te steunen op het rechtsplegingsdossier, dit zijn de processtukken met in beginsel het administratief dossier en in voorkomend geval de nieuwe gegevens die de partijen met toepassing van artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet hebben meegedeeld en het schriftelijk advies bedoeld in artikel 57/23bis, tweede lid, van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de behandeling van die beroepen niet gebonden door de vaststellingen of de motieven uit de bij hem aangevochten beslissing, noch door de standpunten van de partijen. Hij mag zich een eigen appreciatie vormen van de voorliggende stukken en tot een andere kwalificatie komen dan de commissaris-generaal, voor zover daarbij het recht van verdediging, waarvan recht op tegenspraak deel uitmaakt, wordt gerespecteerd. Te dezen werd in de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de verblijfplaats van verzoekers vader en familieleden reeds overwogen dat verzoekers algemene geloofwaardigheid enorm wordt geschaad omdat uit het geheel van zijn verklaringen blijkt dat hij niet heeft voldaan aan de samenwerkingsplicht, dat verzoeker gelet op die onduidelijkheden geen zicht biedt XIV-38.039-9/12 op de werkelijke verblijfssituatie van zijn familieleden, dat verzoeker het voor de commissaris-generaal onmogelijk heeft gemaakt om in te schatten waar zijn familieleden zouden wonen en of zij in een veilig gebied van Afghanistan wonen of er op zijn minst een sterke affiniteit mee hebben, dat de gedane vaststellingen erop wijzen dat verzoekers familieleden mogelijk in Kabul verblijven en niet (meer) in Paktia en dat verzoeker “door deze zaken te ontkennen en te verzwijgen […] geen zicht [geeft] op [zijn] werkelijke familiesituatie en […] het CGVS niet toe[laat] om [zijn] beschermingsnood te analyseren”. Anders dan verzoeker voorhoudt, werd dus reeds in de aanvankelijk bestreden beslissing op zijn minst getwijfeld aan de opgegeven verblijfplaatsen zodat het niet mogelijk werd geacht verzoekers beschermingsnood te analyseren. In het bestreden arrest wordt vastgesteld “dat verzoeker volhardt dat hij afkomstig is uit het dorp Soliki behorend tot het district Mirzaka van de provincie Paktia” doch er wordt opgemerkt “dat in de [aanvankelijk] bestreden beslissing omstandig werd gemotiveerd dat geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen over de verblijfplaatsen en -omstandigheden van zijn familieleden”. Ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar de medewerkingsplicht op grond waarvan correcte en coherente verklaringen mogen worden verwacht, onder meer over relevante familieleden en over plaats(en) van eerder verblijf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert en volgt de in de aanvankelijk bestreden beslissing gemaakte beoordeling. Hij vervolgt dat “het manifest en bewust misleidende karakter van verzoekers verklaringen hierover […] er dan ook toe [leidt] dat evenmin geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen over zijn herkomst”, dat verzoeker het bestaan van een nood aan internationale bescherming in concreto moet aantonen en daarbij niet kan volstaan met een loutere verwijzing naar de situatie in een bepaald land of een bepaalde regio en dat verzoeker ook een verband moet aantonen tussen die situatie en zijn persoon doch dat verzoeker, gelet op het voorgaande, daarbij in gebreke blijft. XIV-38.039-10/12 Met die beoordeling is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid niet te buiten gegaan.
- Verzoekers kritiek dat het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit in het geheel niet van toepassing zou zijn in het asielrecht, faalt naar recht. De Raad van State heeft wel reeds geoordeeld dat een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de verwerping van een beslissing tot weigering van een verzoek om internationale bescherming niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van het voornoemde beginsel, enkel omdat in de aanvankelijk bestreden beslissing bedrog werd vastgesteld in hoofde van een verzoeker. Te dezen wordt in het bestreden arrest echter geen toepassing gemaakt van het beginsel fraus omnia corrumpit doch wordt enkel vastgesteld dat verzoeker het bestaan van een nood aan internationale bescherming niet aannemelijk maakt vermits hij enkel verwijst naar de situatie in een bepaald land of regio, zonder een verband aan te tonen tussen deze situatie en zijn persoon.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.039-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.039-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.