id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.421 Rolnummer: A. 230078/XIV-38254 Zaak: Arrest 251421 - Varia (openbaar ambt) - 06/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 06:26 Fiche Arrest nr 251.421 van 6 september 2021 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.421 van 6 september 2021 in de zaak A. 230.078/XIV-38.254 In zake : Jean UIJTDEBROEKS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen kantoor houdend te 1000 Brussel Egmont 1 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 27 januari 2020, strekt tot de cassatie van de beslissing van 17 december 2019 met kenmerk V/C/680306-475-18 van de Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.698 van 12 maart 2020. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.254-1/10 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 16.15 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker die militair is, dient op 2 februari 2016 een aanvraag i n tot het bekomen van een invaliditeitspensioen voor de letsels ingevolge de feiten die hem op 18 november 2015 zijn overkomen. 3.2. Bij beslissing van 26 april 2017 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) staat de Commissie voor Vergoedingspensioenen deze aanvraag toe. De Commissie voor Vergoedingspensioenen stuurt het dossier niet naar de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (hierna: de GGD) zodat er geen invaliditeitspercentage wordt toegekend. XIV-38.254-2/10 3.3. Tegen deze beslissing hebben zowel verzoeker als de minister beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen (hierna: de beroepscommissie). 3.4. Op 17 december 2019, om de redenen in het bijgevoegde bijzonder verslag, verklaart de beroepscommissie (1.) het beroep van de minister ontvankelijk en gegrond, (2.) vernietigt de aanvankelijk bestreden beslissing, (3.) oordeelt dat de feiten overkomen aan verzoeker op 18 november 2015, zich niet hebben voorgedaan “door de dienst”, (4.) beslist dat de ingeroepen letsels “niet onder de toepassing vallen van de Samengeordende Wetten op de Vergoedingspensioenen” en (5.) verwerpt tot slot de op 2 februari 2016 door verzoeker ingediende aanvraag tot het bekomen van een vergoedingspensioen. Deze beslissing wordt in het bijzonder verslag als volgt verantwoord: “De Commissie verantwoordt de door haar getroffen beslissing inzake [verzoeker] op onderstaande gronden. Betrokkene heeft op 02.02.2016 een aanvraag tot het bekomen van een vergoedingspensioen ingediend voor de letsels ingevolge de feiten hem overkomen op 18.11.2015. Artikel 1, §2 SWVP bepaalt: ‘De aanvragers moeten door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst … en door de dienst …’. Inzake vergoedingspensioenen bestaat er geen wettelijk vermoeden van arbeidsongeval. De aanvrager moet niet alleen bewijzen dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de dienst, maar hij moet eveneens bewijzen dat er een concreet verband bestaat tussen het schadelijk feit en de uitoefening van de militaire dienst. De enkele hoedanigheid van militair volstaat niet als bewijs van het bestaan van een dergelijk verband. Arrest RvSt. nr. 175.876 van 17.10.2007 en arrest RvSt. nr. 180.322 van 03.03.2008. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de dader van de steekpartij op 18.11.2015 de echtgenoot is van de poetsvrouw in de horecazaak van de echtgenote van [verzoeker]. De dader vermoedde overspel. Om die reden heeft de dader gepoogd het slachtoffer te doden. De steekpartij is ingegeven door persoonlijke redenen ten gevolge van de werkzaamheden van het slachtoffer in de horecazaak en is volkomen vreemd aan de uitoefening van de militaire dienst. XIV-38.254-3/10 Het is niet bewezen dat de agressor niet zou hebben toegeslagen op een ander ogenblik. Het schadelijk feit heeft zich niet voorgedaan door de dienst.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen 4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de Samengeordende Wetten op de Vergoedingspensioenen, goedgekeurd bij het besluit van de Regent van 5 oktober 1948 ‘houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen’ (hierna: de SWVP) en de schending van het reglement DGJM-REG-ACCINC-001 van 10 maart 2016. Volgens verzoeker aanvaardt de beroepscommissie dat verzoeker zijn verwondingen heeft opgelopen gedurende de dienst doch betwist ze ten onrechte dat de verwondingen werden opgelopen door de dienst. Verzoeker verwijst naar de parlementaire handelingen betreffende de SWVP die volgens verzoeker “nochtans duidelijk genoeg zijn”. Daarin wordt gesteld: “[d]oor de dienst moet als vaststaand beschouwd worden van het ogenblik af dat een kwetsuur of gebrekkigheid gelegen is in de omstandigheid die ontwijfelbaar (stellig) verband houdt met de uitvoering van de militaire dienst, op voorwaarde, wel te verstaan, dat de oorzaak niet aan de wil, aan een schuld of aan een klaarblijkelijke onvoorzichtigheid van de betrokkene te wijten is” (Parl. Hand. Senaat, 1934-1935, 04 jul 34, 145) en “[d]e uitdrukking door de dienst moet niet op een beperkende wijze worden uitgelegd.” (Parl. Hand. Kamer, 1934-1935, 17 mei 34, 1487). Verzoeker stelt dat hij zijn verwondingen heeft opgelopen “tijdens de dienst alsook door de dienst”. Verzoeker zet uiteen dat de arbeidsweg gelijkgesteld wordt met de uitoefening van een door een hogere overheid bevolen of een door een reglement voorgeschreven activiteit. Hij wijst op het reglement DGJM-REG-ACCINC-001 van 10 maart 2016 waarin de begrippen “door het feit van de dienst” en “op de arbeidsweg” worden verduidelijkt in de paragrafen 105 en 106 ervan. Er wordt tevens XIV-38.254-4/10 uitdrukkelijk in bepaald dat “[d]e begrippen in dienst en door het feit van de dienst niet noodzakelijk identiek dezelfde betekenis [hebben] als gelijkaardige begrippen uit de materie van de arbeidsongevallen en van de vergoedingspensioenen (zie §§ 401 en 402). Paragraaf 401 van reglement DGJM-REG-ACCINC-001 van 10 maart 2016 is wat de arbeidsweg in verband met militaire pensioenen betreft, “zeer duidelijk”. Die paragraaf bepaalt dat “[m]et het oog op de toepassing van de wetten op de vergoedingspensioenen een arbeidsweg, zoals gedefinieerd in paragraaf 106, [wordt] gelijkgesteld met de uitoefening van een door een hogere overheid bevolen of een door een reglement voorgeschreven activiteit.” In paragraaf 106 wordt het begrip “op de arbeidsweg” als volgt bepaald: “[h]et begrip op de arbeidsweg omvat het normale traject dat een personeelslid van Defensie aflegt om zich van woon-/verblijfplaats of de plaats waar hij de maaltijden gebruikt te begeven naar de plaats van het werk en omgekeerd. De plaats van het werk is de plaats van uitoefening van de dienst, [zijnde] een prestatie die het personeelslid van Defensie verricht op bevel van de bevoegde overheid of in toepassing van een wettelijke of reglementaire bepaling.” Het begrip normale traject sluit elke vrijwillige omweg of overdreven lange onderbreking zonder voldoende of onwettige reden uit. Verzoeker geeft enkele voorbeelden met verwijzing naar rechtspraak en besluit dat “het duidelijk [is] dat in casu een lekke band (veroorzaakt door een persoon die verzoeker later neersteekt met een mes) als een situatie van overmacht dient te worden beschouwd”. Vervolgens wijst verzoeker erop dat (
- i)Defensie het incident in het verslag betreffende het incident de gebeurtenis heeft gekwalificeerd als een ‘incident tijdens woon-werkverkeer’ dat dus heeft plaatsgevonden op de arbeidsweg en (
- ii)de Militaire Commissie van Geschiktheid en Reform (hierna: de MCGR) verzoeker medisch definitief ongeschikt heeft verklaard voor de militaire dienst wegens een ongeval gebeurd tijdens en door toedoen van de dienst. De beroepscommissie kan daaraan niet voorbijgaan. Tot slot meent verzoeker dat hij op het ogenblik dat het incident plaatsvond op weg was naar zijn werkplaats en dus onderweg was voor het uitoefenen van zijn militaire dienst. Wat telt is het effectieve tijdstip waarop de dader verzoeker heeft aangevallen, namelijk toen verzoeker op weg was naar de kazerne voor de uitvoering van zijn militaire dienst, m.a.w. door de militaire dienst. Noch het feit dat hij deze arbeidsweg diende te XIV-38.254-5/10 onderbreken om een lekke band te herstellen, noch de motieven in hoofde van de dader doen hieraan afbreuk. De aanvankelijk bestreden beslissing oordeelde dan ook terecht dat de door verzoeker ingeroepen letsels en verwondingen onder toepassing van de SWVP vallen. In zijn memorie van wederantwoord zet verzoeker nog uiteen dat de Raad van State als cassatierechter vermag te oordelen of de beroepscommissie de juridisch juiste kwalificatie gegeven heeft aan de vastgestelde feiten, namelijk of deze al dan niet verband houden met de dienst. De beroepscommissie geeft overigens een andere kwalificatie aan de vastgestelde feiten als de Commissie voor Vergoedingspensioenen in de aanvankelijk bestreden beslissing had gedaan. Verzoeker vraagt de Raad van State om te oordelen dat de beroepscommissie in de bestreden beslissing uit de door haar vastgestelde feiten niet kon besluiten tot het ontbreken van een dienstverband tussen de door haar vastgestelde feiten en het dienstverband. 5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de vaststelling van het bestaan van een verband met de dienst tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid behoort van de feitenrechter, te dezen de beroepscommissie. Deze commissie is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de militaire overheden nopens het voorhanden zijn van een dienstverband of aan militaire reglementen zoals het inwendig reglement van 10 maart 2016. De beroepscommissie heeft de aanvraag verworpen omdat de schade niet werd veroorzaakt “door het feit van de dienst”. Zij stelt dat de beroepscommissie dienvolgens geen uitspraak heeft gedaan over het “in secundaire orde” opgeworpen middel of het schadelijk feit zich heeft voorgedaan tijdens de dienst. De feiten die verzoeker aanhaalt om te bewijzen dat het schadelijk feit zich gedurende de dienst heeft voorgedaan, zijn niet relevant in deze zaak omdat de beroepscommissie dit niet heeft behandeld. Het standpunt van verzoeker dat indien het schadelijk feit is gebeurd “tijdens de dienst” het dan ook automatisch door het feit van de dienst moet zijn, vindt volgens de verwerende partij geen steun in de rechtspraak. Met verwijzing naar rechtspraak besluit de verwerende partij dat de XIV-38.254-6/10 oorzaak van het schadelijke feit moet worden gezocht in de uitoefening van uitbating van het café, wat vreemd is aan de militaire dienst en dus niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van de SWVP. Beoordeling 6. Verzoeker voert in essentie aan dat hij de verwondingen heeft opgelopen “tijdens de dienst alsook door de dienst” omdat ze plaats vonden op de arbeidsweg en dit volgens verzoeker wordt gelijkgesteld met de uitoefening van een door een hogere overheid bevolen of een door een reglement voorgeschreven activiteit. 7. Krachtens artikel 1, tweede lid, van de SWVP moeten “[d]e aanvragers door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst, (…) en door de dienst (…).” 8. De vereiste van het oorzakelijk verband tussen het schadelijk feit en de dienst vindt haar oorsprong in artikel 7 van de wet van 23 november 1919 ‘op de militaire pensioenen’. Voortgaande op de uitleg die de minister van Landsverdediging daaromtrent in het parlement heeft gegeven naar aanleiding van de wijziging van die wet bij de wet van 13 juli 1934, was het de bedoeling de vereiste van het verband met de dienst niet restrictief te interpreteren doch “in een breeden geest” op te vatten (Parl. Hand., Kamer, 17 mei 1934, p.1487). Niettemin werd aangenomen dat een ongeval slechts kon worden beschouwd als zijnde veroorzaakt “door de dienst” wanneer de oorzaak van het letsel gelegd kon worden in een omstandigheid die stellig verband hield met de uitvoering van de militaire dienst, op voorwaarde dat die oorzaak niet kan worden toegerekend aan de wil, een fout of een manifeste nalatigheid in hoofde van de betrokkene (vrije vertaling van: “dès lors que la cause d’une blessure ou infirmité se place dans une circonstance qui comporte relation certaine avec l’exécution du service militaire, à condition, bien entendu, que cette cause ne soit imputable ni à la volonté, ni à une faute, ni à XIV-38.254-7/10 une imprudence manifeste de l’intéressé”) (Parl. Hand. Senaat, 4 juli 1934, p. .1045). 9. De vaststelling van het bestaan van een verband met de dienst behoort tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, te dezen de beroepscommissie. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de feiten treden. Hij kan enkel nagaan of de beroepscommissie uit de door haar vastgestelde feiten in de bestreden beslissing wettig tot de conclusie is kunnen komen dat de oorzaak van het letsel volkomen vreemd is aan de uitoefening van de militaire dienst omdat deze is ingegeven door persoonlijke redenen ten gevolge van de werkzaamheden van het slachtoffer in de horecazaak. 10. Het door verzoeker aangevoerde middel steunt op de miskenning door de bestreden beslissing van artikel 1, tweede lid, van de SWVP zoals de Raad van State die bepaling heeft uitgelegd. Het strekt er aldus toe vastgesteld te zien dat de bestreden beslissing, door aan te nemen dat de steekpartij cq. het door hem opgelopen letsel vreemd is aan de uitoefening van de militaire dienst, zonder rekening te houden met het feit dat de steekpartij op de arbeidsweg plaatsvond, de genoemde bepaling van de SWVP onjuist heeft toegepast. 11. Met de bestreden beslissing wordt de aanvraag verworpen omdat het schadelijk feit zich niet heeft voorgedaan “door de dienst” omdat, naar het oordeel van de commissie “[u]it de stukken in het dossier blijkt dat de dader van de steekpartij op 18.11.2015 de echtgenoot is van de poetsvrouw in de horecazaak van de echtgenote van [verzoeker]. De dader vermoedde overspel. Om die reden heeft de dader gepoogd het slachtoffer te doden. De steekpartij is ingegeven door persoonlijke redenen ten gevolge van de werkzaamheden van het slachtoffer in de horecazaak en is volkomen vreemd aan de uitoefening van de militaire dienst. Het is niet bewezen dat de agressor niet zou hebben toegeslagen op een ander ogenblik.” XIV-38.254-8/10 12. De bestreden beslissing vermeldt niet of het letsel opgelopen werd tijdens of gedurende de dienst. Om recht te hebben op een vergoedingspensioen moet de aanvrager aantonen dat zijn letsel is ontstaan “door de dienst” of “door het feit van de militaire dienst”. De enkele hoedanigheid van militair volstaat niet als bewijs van het bestaan van een dergelijk verband. De aanvrager van een vergoedingspensioen moet bewijzen dat het letsel waarvoor hij een pensioen aanvraagt, een verband toont met het feit van de militaire dienst of, nog, het uitoefenen van de militaire dienst door de militair. De steekpartij vond volgens verzoeker – steunend op documenten die deel uit- maken van het administratief dossier en vervolgens van het rechtsplegingsdossier bij de beroepscommissie –, plaats op weg van de woonplaats naar het werk. Het begrip “arbeidsweg” betreft het normale traject dat een rechthebbende van Defensie aflegt om zich van zijn woonplaats of verblijfplaats naar de plaats van het werk te begeven en omgekeerd, en wordt om die reden gelijk gesteld met de uitoefening van de militaire dienst, zijnde een door een hogere overheid bevolen of door een reglement voorgeschreven activiteit. De beroepscommissie heeft in de bestreden beslissing bij de beoordeling of het letsel al dan niet verband houdt met de militaire dienst geen rekening gehouden met deze aangevoerde feiten en elementen. Bijgevolg werd er geen correcte toepassing van artikel 1, tweede lid, van de SWVP gemaakt. Het eerste middel is in de hiervoor aangegeven mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van de bestreden beslissing. XIV-38.254-9/10 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 17 december 2019 van de Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen met kenmerk V/C/680306-475-18. 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. 3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.254-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div