id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.440 Rolnummer: A. 234432/IX-9930 Zaak: Arrest 251440 - Examens (onderwijs) - 09/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 06:37 Fiche Arrest nr 251.440 van 9 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.440 van 9 september 2021 in de zaak A. 234.432/IX-9930 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Angelique Van de Meirssche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS REGIO HALLE ANNUNTIATEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 31 augustus 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Heilig-Hartcollege te Halle van 17 augustus 2021 waarbij het aan XXXX toegekende oriënteringsattest C wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2021, om 10.30 uur. IX-9930-1/20 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van de Meirssche, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste jaar van de derde graad sociale en technische wetenschappen (TSO) in het Heilig-Hart college te Halle. 3.
- Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een algemeen totaal van 51,7%, met jaartekorten voor natuurwetenschappen (34,8%), sociale wetenschappen (41,6%), wiskunde (47,8%) en geschiedenis (49,9%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest C toe. Zijn advies luidt: “Andere studierichting, inlichtingen inwinnen over bso (verzorging). Raadpleeg CLB.” Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad. Verzoekster stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. IX-9930-2/20 3.
- Op 17 augustus 2021 bevestigt de beroepscommissie het C-attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “5.
- De volgende jaar tekorten werden behaald: - Wiskunde: 47,8 % - Natuurwetenschappen: 34,8 % - Sociale wetenschappen: 41,6 % - Geschiedenis: 49,9% Motivering jaartotaaltekort voor wiskunde: Vanaf DW1 wordt vastgesteld dat de resultaten zeer nipt zijn, en nadien sterk dalend. Het resultaat van DW2 werd als zorgwekkend aangeduid: diverse studietips werden gegeven. Na examen 1 wordt vastgesteld dat de basis ontbreekt en de functies onvoldoende gekend zijn. Examen 2 is onvoldoende: het gebrek aan inzicht om de gestudeerde leerstof correct toe te passen wordt bevestigd. Motivering jaartotaaltekort voor Natuurwetenschappen: Vanaf DW1 wordt vastgesteld dat de leerling moeite heeft om de leerstof toe te passen. De leerling werd erop gewezen dat er meer aandacht moet worden besteed aan het kennen van moeilijke woorden en kunnen toepassen van definities. Examen 1 bevestigt dat het niet lukt om de leerstof inzichtelijk toe te passen. Tevens wordt vastgesteld dat de leerling maar naar 1 van de 4 online vragenuurtjes is geweest. Dit werd niet rechtgezet bij examen
- Meerdere leerplandoelstellingen werden niet bereikt. Motivering jaartekort voor Sociale Wetenschappen: Voor het kerstexamen werd 38% gehaald, en werd reeds geadviseerd een andere richting te volgen. DW4 (36%) en juni-examen (35%) bevestigt het probleem. De klassenraad motiveert het behaalde C-attest: - Er zijn ernstige tekorten voor algemene vakken en voor bepaalde richtingspecifieke vakken, zowel voor wat betreft het dagelijks werk als proefwerk; - Deze tekorten zijn gespreid over verschillende evaluatiebeurten; - De resultaten vertonen een onvoldoende positieve evolutie in de loop van het schooljaar. De klassenraad haalt de volgende oorzaken aan van dit zwakke eindresultaat: - De studie-inzet van de leerling is voldoende maar weinig effectief; - De aanleg van de leerling is onvoldoende om de studies in de gevolgde richting verder te zetten; - Er is ontoereikend inzicht verworven in de leerinhouden op diverse vlakken - Er werden heel wat pogingen tot remediëring ondernomen, evenwel zonder blijvend effect (mondelinge en schriftelijke IX-9930-3/20 aanmoediging/aansporing van de leerling, individuele gesprekken, bijkomende uitleg, besprekingen testen/proefwerken, aanbieden bijkomende oefeningen/taken, studiebegeleiding (Bijsprong)). 5.
- De raadsman van de leerling, de moeder van de leerling en de leerling zelf werden gehoord op de zitting van 17 augustus
- De moeder van de leerling wijt het mislukken van de leerling aan volgende factoren: - ‘De school zou de leerling onvoldoende maatregelen hebben aangeboden in functie van de noden van de leerling; poging tot remediëring waren niet succesvol, er was onvoldoende bijkomende uitleg van de vakleerkrachten, onvoldoende aanbod van bijkomende oefeningen, onvoldoende studiebegeleiding.’ De elementen van het dossier spreken dit tegen. Er werd vanuit de school wel degelijk voldoende studiebegeleiding aangeboden, meer bepaald: Voor het vak wiskunde: Cursusmateriaal (zowel blanco als ingevulde versie leerkracht) was online beschikbaar op smartschool. Er werden extra oefeningen aangeboden via smartschool. Er werden bookwidgets voor extra oefeningen aangeboden. Er werden individuele gesprekken gevoerd met de leerling, die werd aangespoord en aangemoedigd om de lessen in te studeren en te herhalen. Er werden regelmatige toetsen afgenomen. Desondanks werden de leerplandoelstellingen (bvb. het verschil uitleggen tussen essentiële begrippen en principes, berekeningen maken van essentiële zaken, oplossen van vraagstukken, problemen herkennen en analyseren). Voor het vak natuurwetenschappen: De correcte oplossingen werden overlopen bij teruggave van verbeterde toetsen. De leerling werd aangemoedigd om samenvattingen te maken en om regelmatig te studeren. Uit de stukken blijkt tevens dat bijlessen werden gegeven (‘Bijsprong’, zoals blijkt uit het logboek). Ook voor dit vak werden essentiële leerplandoelstellingen niet bereikt (zoals correct toelichten van essentiële materies en processen, toelichten van experimentele waarnemingen, verschillen tussen essentiële elementen toelichten, essentiële structuren herkennen en onderscheiden); het overgrote deel van de doelstellingen werd niet behaald. Voor het vak geschiedenis: Mondelinge en schriftelijke aanmoedigingen. Er werd bijkomende uitleg gegeven tijdens en na de lessen. Na ieder deel van de cursus werd uitgelegd wat moest gekend, gekund of geweten zijn. Er werden taken en schema’s gegeven die de grote lijnen van de cursus duidelijk maakten. Ook voor dit vak werden essentiële leerplandoelstellingen niet gehaald: toepassing van sleutelbegrippen, het leggen van verbanden, het IX-9930-4/20 verwoorden van de grote ontwikkelingslijnen van de geschiedenis, koppelen van nieuwe inzichten aan bestaande inzichten, herkennen. Voor het vak sociale wetenschappen: Cursusmateriaal, oefeningen en toepassingen waren online beschikbaar op smartschool. Er zijn individueel gesprekken geweest met de leerling. Er werden regelmatig toetsen gehouden over kleinere gehelen. De verbeterde toetsen met de correcties waren beschikbaar op smartschool. De leerling werd zeer regelmatig aangemoedigd om de toetsen opnieuw te maken en te vergelijken met de verbetersleutel tot wanneer de toetsen perfect konden gemaakt worden. Sedert 1 september: in elke les werden tips gegeven hoe te studeren. Ook de laatste week voor de examenreeks werd nadrukkelijk tijd gemaakt in de lessen voor vragen over de leerstof, voor bespreking en uitwerking van de vragen van het examen, voor wat belangrijk is en wat niet, voor de beste manier van studeren, voor hoe het zichzelf controleren na het studeren, enz….. Er was een systematische klassikale bespreking van de juiste antwoorden op toetsen, en van belangrijke vragen die de leerling kan verwachten op toetsen en op het examen. Desondanks werden essentiële doelstellingen niet behaald. Uit de verslagen van de studiebegeleiding blijkt dat de leerling deze begeleiding wel degelijk heeft gekregen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de leerling algemene studiebegeleiding (planning) door ILB heeft afgewezen: de leerling gaf aan dat zij deze hulp niet nodig had. De beroepscommissie besluit bijgevolg dat wel degelijk diverse en gepaste maatregelen werden voorgesteld en toegepast, in functie van de specifieke noden van de leerling, met oog op het bekomen van betere studieresultaten. Desondanks is gebleken dat de negatieve evolutie niet kon gekeerd worden, integendeel zelfs, er kan verwezen worden naar de slechte examenresultaten van juni
- De bewering dat de leerling onvoldoende zou gesteund zijn geworden door de school, wordt tegengesproken door bovenstaande vaststellingen. - De moeder stelt: ‘Het afstandsonderwijs had een negatieve invloed’: De school heeft wel degelijk ingespeeld op deze uitzonderlijke omstandigheden. Door het feit dat er in 2020 in het vierde jaar geen examens werden georganiseerd, werd door de klassenraad mild georiënteerd: er werden geen B-attesten gegeven, maar bepaalde leerlingen, net zoals XXXX, werden sterk aangeraden om van richting te veranderen. In het kader van het afstandsonderwijs werd bovendien begeleiding aangeboden: onder meer werden online oefeningen en inhaallessen georganiseerd. - De moeder van de leerling stelt: ‘Op de vraag af te wijken van de examenregeling (in toepassing van het vierde corona-decreet) werd niet ingegaan’: IX-9930-5/20 Voor alle leerlingen wordt evenwel meer tijd voorzien tijdens de examens, dit om iedereen de gelegenheid te geven om in alle rust het proefwerk te kunnen maken. Dit gold eveneens voor de leerling. Er werden weliswaar geen extra maatregelen meer voorzien door de school, maar er werd wel degelijk rekening gehouden met de sticordimaatregelen waar de leerling voor in aanmerking kwam. De raadsman van de leerling stelt op de hoorzitting dat de punten van het dagelijks werk beter zijn dan deze van de examens, en verklaart dat dit komt doordat de leerling vooral moeite heeft om op de gegeven tijd de examens in te vullen, m.a.w. doordat zij te weinig tijd heeft. De beroepscommissie kan deze uitleg niet aanvaarden: uit de diverse evaluaties volgt dat het aannemelijk is dat het niet het gebrek aan tijd is dat de slechtere examenresultaten verklaart, maar wel de ontoereikende capaciteit om grotere hoeveelheden leerstof verwerkt te krijgen. - M.b.t. het pestgedrag waarnaar wordt verwezen: Het pestgedrag werd door de school wel degelijk aangepakt (ondermeer door de samenwerking met het CLB). Er was weliswaar een onmogelijkheid om van groep te veranderen, en dit omwille van de coronamaatregelen ([in] samenspraak met de preventie-adviseur werd beslist de leerlingen niet van ‘bubbel’ te veranderen), maar dit neemt niet weg dat het CLB actief is tussengekomen en dat er wel degelijk ondersteuning werd verleend door de school. - Op de hoorzitting verklaarde de raadsman van de leerling dat de cijfers over het ganse jaar een stijgende lijn vertonen en dat er dus een positieve evolutie merkbaar is. Deze stelling wordt tegengesproken door de elementen van het dossier. Immers uit de elementen van het dossier blijkt dat de tekorten gespreid zijn over meerdere evaluatiebeurten en dit zowel voor wat betreft het [dagelijks] werk als de examens. Voor natuurwetenschappen en sociale wetenschappen, toch belangrijke vakken, kan men zeker niet spreken van een significante stijgende lijn in de resultaten. Voor sociale wetenschappen is er voor wat betreft de examens zelfs een negatieve trend. Een stijging kan wel vastgesteld worden voor wiskunde en geschiedenis, maar deze resulteert nog steeds in ernstige tekorten voor beide vakken (natuurwetenschappen: 34,8% en sociale wetenschappen: [41,6]%). De examenreeks van juni 2021 was zeer zwak, het totaal behaalde resultaat was negatief. De vaststelling blijft dat voor alle vakken waarin tekorten worden genoteerd, een groot aantal leerplandoelstellingen niet werden bereikt. De lage cijfers weerspiegelen ernstige lacunes in de beheersing van de leerplandoelstellingen en wijzen op een gebrekkig inzicht in de leerstof. Het feit dat er een nipt positief jaartotaal werd behaald, doet geen afbreuk aan deze vaststellingen. IX-9930-6/20 5.
- Besluit: Voor de beroepscommissie is het dus duidelijk dat de leerling de richting niet aan kan: de beheersing van de basisleerstof […] is dermate onvoldoende […] dat men moet stellen dat de tekorten niet met bijkomende proeven op te lossen zijn. Er dient op gewezen te worden dat: - er meerdere en substantiële examentekorten zijn en zelfs tekorten op de totale examenreeks; - er ernstige tekorten zijn voor de richting-specifieke vakken; - de tekorten zich gespreid over het gehele schooljaar voordoen, ondanks diverse bijsturingen en aanmoedigingen. Gelet op deze elementen is de beroepscommissie van oordeel dat de leerling niet bekwaam moet worden geacht om zijn studies in de richting STWA verder te zetten. Een tweede zittijd en herexamen wordt niet opportuun geacht, gelet op de meerdere en ernstige tekorten op de examens, en de tekorten gespreid over het ganse schooljaar. Op de vraag om de leerling alsnog te delibereren en te laten overgaan naar een volgend schooljaar, gecombineerd met een waarschuwing en volgkaarten voor de vakken sociale en natuurwetenschappen, – zoals op de hoorzitting door de moeder van de leerling werd gevraagd –, wordt niet ingegaan, omdat dit geen oplossing zal bieden voor het fundamentele probleem van de leerling; gelet op de vastgestelde ernstige lacunes in de beheersing van de leerplandoelstellingen en het gebrekkig inzicht in de leerstof, valt te vrezen dat laten overgaan van de leerling onder de gevraagde modaliteiten meer negatieve gevolgen zal meebrengen (omdat het probleem van de leerling in kwestie niet het gebrek aan voldoende inzet is, maar een fundamenteel gebrek aan inzicht in de aangeboden leerstof, dat niet kan weggewerkt worden door het overzitten van het jaar).” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9930-7/20 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist terecht niet dat is voldaan aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster put een enig middel uit de schending van artikel 136/2 van de Codex Secundair Onderwijs, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster betoogt dat uit de overweging dat het probleem van verzoekster is “een fundamenteel gebrek aan inzicht in de aangeboden leerstof” en dat dit “niet kan weggewerkt worden door het overzitten van het jaar” blijkt dat de beroepscommissie haar C-attest met een B-attest heeft verward. De bestreden beslissing zou de gevolgde TSO-richting uitsluiten. Vervolgens voert verzoekster aan dat de beroepscommissie niet afdoende heeft geantwoord op haar grief dat “het afstandsonderwijs een negatieve invloed heeft gehad”. In de bestreden beslissing wordt weliswaar verwezen naar “online extra oefeningen en inhaallessen”. Verzoekster leidt uit de klasgemiddelden doorheen het jaar echter af dat het afstandsonderwijs moeizaam is verlopen. Die resultaten doen bij verzoekster ook vragen rijzen over de lesmethodiek en de representativiteit van de cijfers. Verzoekster kreeg onvoldoende bijkomende maatregelen ten gevolge van de coronacrisis. Er werden geen andere maatregelen getroffen. IX-9930-8/20 Verzoekster spreekt voorts van een gebrekkige begeleiding door de school. Zij kon, bij wijze van sticordimaatregel, aanspraak maken op “extra tijd op toetsen en examens”. Maar die extra tijd tijdens de examens zou haar nooit zijn vergund. Verzoeksters profiel – zij beschikt over een zogenaamd multidisciplinair verslag – geeft haar ook recht op aanvullende maatregelen. Ook die heeft zij nooit gekregen. Van een individueel begeleidingsplan is evenmin sprake. Als er al sprake was van remediëringsmaatregelen, werden die voor de ganse klas georganiseerd. De studiebegeleiding van de interne leerlingenbegeleiding betrof dan weer een weerbaarheidstraining en géén algemene planningsbegeleiding. In de bestreden beslissing leest verzoekster dat de beroepscommissie een evolutie ziet in de resultaten van wiskunde en geschiedenis, maar dat er nog altijd sprake zou zijn van “ernstige tekorten”. Die tekorten zijn echter beperkt, vindt verzoekster. Bovendien scoort zij voor wiskunde goed voor dagelijks werk en voor geschiedenis was zij voor het tweede examen net geslaagd. Verzoekster noemt het onredelijk om haar bijkomende proeven te weigeren, omdat uit het dossier blijkt dat haar “de gevraagde extra tijd niet [werd] verleend” en andere maatregelen niet werden aangeboden. De tekorten zijn voornamelijk te situeren bij de examens. Ook de coronapandemie en het afstandsonderwijs moeten in rekening worden gebracht. Zij vindt die weigering eveneens onredelijk omdat “diverse andere leerlingen” wél bijkomende proeven of vakantietaken kregen. Tot slot voert verzoekster nog aan dat de bestreden beslissing niet de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State vermeldt en aan haar moeder werd betekend, hoewel in de beslissing zelf is opgenomen dat de beslissing aan verzoekster zou worden betekend. IX-9930-9/20 Beoordeling 7.
- De verwerende partij werpt op dat een algemene uiteenzetting met “verschillende losstaande feitelijke argumentaties” geen ontvankelijk middel is. Zij mist de volgens haar vereiste precisie om de rechtsregels en -beginselen waarvan de schending is aangevoerd concreet te betrekken op de bestreden beslissing. 7.
- Verzoekster voert in haar enige middel de schending aan van diverse bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur. Die bepalingen en beginselen identificeert zij uitdrukkelijk. In de daaropvolgende toelichting bij het middel brengt zij die bepalingen en beginselen soms expliciet in verband met de wijze waarin zij de schending ervan gelegen ziet. Dat is – zelfs volgens de verwerende partij – alvast zo wat de schendingen van artikel 136/2 van de Codex Secundair Onderwijs en het redelijkheidsbeginsel betreft. Dat verzoekster dat niet even uitdrukkelijk doet voor álle door haar geschonden geachte bepalingen en beginselen, verhindert dan weer niet dat voor eenieder duidelijk is en moet zijn dat wanneer verzoekster aanvoert, bijvoorbeeld, dat bepaalde door haar aangevoerde grieven geen antwoord hebben gekregen in de beslissing van de beroepscommissie, dit middelonderdeel ziet op de door haar aangevoerde schending van de formelemotiveringswet van 29 juli
- Of nog, wanneer zij vragen stelt bij de representativiteit van de cijfers, dat dit de materiëlemotiveringsplicht aangaat. De exceptie van de verwerende partij vertoont een té verregaande vorm van formalisme en mist ernst. 8.
- De overweging dat het “fundamenteel gebrek aan inzicht in de aangeboden leerstof […] niet kan weggewerkt worden door het overzitten van het IX-9930-10/20 jaar”, staat tussen haakjes. Ze lijkt voor de bestreden beslissing verre van determinerend te zijn, noch lijkt ze ermee strijdig. De betrokken overweging lijkt immers te moeten worden gekaderd in het advies van de delibererende klassenraad om zich nader te informeren over de studierichting ‘verzorging’ in BSO en in de overtuiging van de beroepscommissie dat verzoekster “een fundamenteel gebrek aan inzicht” heeft, zodat zelfs bij overzitten van hetzelfde jaar in dezelfde studierichting TSO volgens haar geen heil is te verwachten. De beroepscommissie beschikt echter enkel over het C-attest als evaluatiemaatregel voor een leerling die het jaar niet met vrucht heeft afgewerkt en zij vermag nu eenmaal niet, zo lijkt, het overzitten van het eerste jaar van de derde graad aan bijkomende clausuleringen verbinden. 8.
- Verzoeksters kritiek op deze niet-determinerende en niet bindende overweging kan hoe dan ook niet tot vernietiging – en dus ook niet tot schorsing – leiden. In die mate is het middel niet ernstig. 9.
- Wat voor de beroepscommissie wél doorslaggevend was om te besluiten tot een C-attest, blijkt de “meerdere en substantiële examentekorten […] en zelfs tekorten op de totale examenreeks”, de “ernstige tekorten voor de richting-specifieke vakken” en het feit dat “de tekorten zich gespreid over het gehele schooljaar voordoen, ondanks diverse bijsturingen en aanmoedigingen”. 9.
- Verzoekster laat inderdaad vier jaartekorten optekenen, onder meer voor de beide profielbepalende vakken – natuurwetenschappen (34,8%) en sociale wetenschappen (41,6%) – en ook voor wiskunde (47,8%). 9.
- De motivering van het al dan niet slagen van een leerling ligt in de eerste plaats besloten in de behaalde studieresultaten, in dit geval uitgedrukt in de punten. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. IX-9930-11/20 Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot de weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht, wordt er voorts van uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. 9.
- Van een verzoekende partij die dit vermoeden van deskundigheid aan het wankelen wil brengen en aan de representativiteit van de toegekende punten wil doen twijfelen, mag op het eerste gezicht worden verwacht dat zij concrete gegevens en argumenten ter zake aanbrengt. Verzoekster brengt dit vermoeden van deskundigheid prima facie echter niet aan het wankelen door alleen te verwijzen naar enkele – weliswaar ondermaatse – klasgemiddelden. De beroepscommissie heeft voor die lage klasgemiddelden overigens een verklaring gegeven die niet van iedere redelijkheid ontdaan lijkt. In het voorgaande schooljaar heeft de school mild georiënteerd en geen B-attesten toegekend, alleen “sterk aangeraden” om een andere richting te kiezen. Als een dergelijk advies door de leerlingen niet wordt opgevolgd – zoals ook in het geval van verzoekster – dan lijkt het in de lijn van de verwachtingen te liggen dat dit IX-9930-12/20 sporen nalaat in de cijfers van die leerlingen, en – wanneer het een aantal leerlingen van eenzelfde klas betreft – bij uitbreiding in het klasgemiddelde. 9.
- Uit wat voorafgaat volgt op het eerste gezicht dat verzoekster de door haar behaalde jaartekorten niet overtuigend in vraag stelt. Daaruit volgt dan weer dat verzoekster voor die vakken waarvoor zij niet een voldoende jaarresultaat behaalt, de leerplandoelstellingen ook niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing door de beroepscommissie naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort lijkt dan ook in de regel als motivering voor die vaststelling te volstaan. De opgetekende jaartekorten onderbouwen, zo lijkt, de vaststelling dat de leerling het jaar niet met vrucht heeft beëindigd. 9.
- Verzoekster citeert uit de bestreden beslissing dat de beroepscommissie een stijging vaststelt voor de vakken wiskunde en geschiedenis. Met de conclusie dat dit toch nog aanleiding geeft tot ernstige tekorten, leest verzoekster op het eerste gezicht verkeerd dat dit geschiedenis en wiskunde zou betreffen. De beroepscommissie verwijst daar uitdrukkelijk naar natuurwetenschappen en sociale wetenschappen. 9.
- In die mate is het middel dus evenmin ernstig. 10.
- Verzoekster kan in de huidige stand van de rechtspleging de representativiteit van de behaalde cijfers evenmin weerleggen door de verwijzing naar de “negatieve invloed” van het afstandsonderwijs of de begeleiding tijdens de coronapandemie. 10.
- In haar beroepschrift blijft verzoekster op het eerste gezicht erg op de vlakte bij wat die “negatieve invloed” volgens haar concreet inhield. Zij IX-9930-13/20 beschrijft dat de lessen “[g]edurende één week […] online [werden] gegeven en de volgende week vond de toets plaats”. Zij betoogt ook dat “voor sommige lessen […] de leerlingen zonder begeleiding de leerstof [moesten] verwerken omdat de leerkracht niet actief afstandsonderwijs gaf”. Verzoekster doet aldus niets méér dan beschrijven wat voor omzeggens alle leerlingen van de tweede en derde graad van het secundair onderwijs gold voor het grootste gedeelte van het voorbije schooljaar, namelijk halftijds afstandsonderwijs. Waar zij aanhaalt dat in “sommige lessen” de leerstof zonder begeleiding moest worden verwerkt, laat zij na precies aan te geven welk vak of welke vakken dit betrof en om welke leerstof het precies ging. Zij lijkt die grief met andere woorden op geen enkele wijze in verband te brengen met haar concrete situatie, meer bepaald de jaartekorten die eerst de delibererende klassenraad en – na hem – de beroepscommissie ertoe hebben gebracht aan haar een C-attest toe te kennen. 10.
- Dat “[d]e omstandigheden omwille van corona […] moeilijk [waren]” is een vaststelling die ook de verwerende partij niet betwist. Maar dat maakt van die enkele vermelding geen magisch woord waardoor, als bij toverslag, tekorten in slaagcijfers en C-attesten in A-attesten kunnen worden omgezet. Verzoekster heeft ook die grief, zoals gezien, op het eerste gezicht niet concreet gemaakt. Het antwoord van de beroepscommissie dat de school wel degelijk begeleiding heeft aangeboden in de vorm van “online oefeningen en inhaallessen”, lijkt in die omstandigheden dan ook te volstaan. Verzoekster betwist overigens die extra begeleiding niet. 10.
- Ook in die mate is het middel niet ernstig. IX-9930-14/20 11.
- Verzoekster merkt meermaals op dat haar onvoldoende begeleiding, geen remediëringsmaatregelen, laat staan een individueel begeleidingsplan is aangeboden. 11.
- Daargelaten de vraag of dit argument van verzoekster in feite juist is, faalt het in rechte. Immers kan, wat ter staving ervan door verzoekster wordt aangewend, mogelijk aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor een minder gunstig resultaat, maar vermag dat niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of de leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat indien een leerling de school terecht verwijt geen opmerkingen in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen passende begeleidingsmaatregelen of remediëringsmaatregelen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding van verzoekster tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is gepresteerd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft zij het schooljaar niet met vrucht beëindigd, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden. 11.
- Ten overvloede kan nog het volgende worden opgemerkt. 11.
- Uit de stukken die verzoekster zelf bijbrengt, blijkt dat verzoekster als sticordimaatregel kreeg toegekend: “Meer tijd bij dagelijkse toetsen indien dat het lesgebeuren niet belemmert”. Dat document is door verzoekster en haar moeder ondertekend. IX-9930-15/20 Verzoekster lijkt dus geen aanspraak te kunnen maken op “extra tijd […] tijdens de examens”, zoals zij nochtans beweert. Bovendien heeft de beroepscommissie in de bestreden beslissing erop gewezen dat “[v]oor alle leerlingen […] meer tijd [werd] voorzien tijdens de examens, dit om iedereen de gelegenheid te geven om in alle rust het proefwerk te kunnen maken”. Dat betwist verzoekster niet, zo lijkt. Verzoekster hééft dus extra tijd gekregen en zij maakt voorts geenszins duidelijk welk nadeel zij ervan heeft ondervonden dat ook haar medeleerlingen bij de examens meer tijd hebben gekregen. Overigens – en geheel ten overvloede – stelt de verwerende partij op de terechtzitting niet onterecht de vraag wat het nut van extra tijd bij de examens is, als het probleem een gebrek aan inzicht in de leerstof is. Verzoekster weerlegt vooralsnog niet de overweging van de beroepscommissie “dat het niet het gebrek aan tijd is dat de slechtere examenresultaten verklaart, maar wel de ontoereikende capaciteit om grotere hoeveelheden leerstof verwerkt te krijgen”. 11.
- De kritiek van verzoekster dat zij – “[g]elet op [haar] profiel” en het multidisciplinair verslag – ook op andere, aanvullende maatregelen aanspraak had moeten kunnen maken, komt prima facie dan weer te laat. Als zij van oordeel is dat bijkomende maatregelen nodig waren, dan is het op het moment van vaststelling van de nood daartoe dat verzoekster had moeten reageren. Niet nadat het schooljaar is afgewerkt en de resultaten – en dan vooral de jaartekorten – definitief zijn vastgesteld. 11.
- In de bestreden beslissing wordt ten slotte op omstandige wijze uiteengezet welke studiebegeleiding voor de vakken wiskunde, natuurwetenschappen en sociale wetenschappen aan de leerlingen werd aangeboden. Verzoekster spreekt die vaststellingen niet tegen. Zij voert ook niet aan, maakt minstens niet aannemelijk dat de aangeboden begeleiding niet kon IX-9930-16/20 volstaan. De grief dat de studiebegeleiding in klasverband werd aangeboden – en dus niet aan haar individueel – valt eenvoudigweg niet te begrijpen. Verzoekster verduidelijkt namelijk op geen enkele manier in welke mate haar dat zou hebben benadeeld. Zij wijst voorts geen bepaling aan die haar enig “recht op bijles” zou verschaffen in het algemeen, of voor bepaalde vakken in het bijzonder. 11.
- Ook in die mate is het middel niet ernstig. 12.
- Verzoekster vindt dat het van onredelijkheid getuigt dat zij geen bijkomende proeven of vakantietaken kreeg toegekend, terwijl dit voor “diverse andere leerlingen” wel mogelijk was. 12.
- In dat verband dient erop gewezen dat in de beoordeling van het al dan niet slagen van een leerling met het individuele leerlingdossier rekening moet worden gehouden en met de individuele context van elke leerling afzonderlijk. Dat de ene leerling wél “gedelibereerd” wordt voor een tekort en de andere een bijkomende proef wordt toegestaan, terwijl nog een andere een vakantietaak krijgt, bewijst dus niet ipso facto een ongeoorloofde, onredelijke evaluatie van verzoekster. Het komt er voor haar dus op aan om aan de Raad van State meer concrete aanwijzingen te verschaffen, voorbij de enkele vaststelling dat andere leerlingen wel uitgestelde proeven mochten (of moesten) afleggen – bijvoorbeeld door aan te tonen dat zij aan een andere beoordelingsmaatstaf is onderworpen dan andere leerlingen zonder dat daarvoor een deugdelijke verantwoording bestaat. Indachtig ook dat de deskundigheid en objectiviteit van de examinatoren wordt verondersteld, behoort het met andere woorden aan verzoekster die aanvoert dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit vermoeden in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan het wankelen te brengen. IX-9930-17/20 Daarin slaagt verzoekster vooralsnog niet; zij blijft erg vaag en maakt haar verwijten op geen enkel ogenblik concreet. Zij laat na nog maar de minste indicatie aan te leveren dat haar situatie vergelijkbaar zou zijn met die van de “diverse andere leerlingen”. 12.
- In die mate is het middel dus evenmin ernstig. 13.
- Verzoekster voert ook aan dat de weigering om bijkomende proeven toe te kennen “onredelijk” is, precies omdat haar geen “extra tijd” bij de examens werd verleend en omdat de “coronapandemie” en het “afstandsonderwijs” niet in rekening werden gebracht. Zoals gezien, lijkt verzoekster van dat alles niet het bewijs te leveren. Verzoekster heeft de overweging van de beroepscommissie niet weerlegd dat álle leerlingen – en zij ook dus – net omwille van de sanitaire toestand en de gevolgen ervan voor het onderwijs, meer tijd hebben gekregen om de examens op te lossen. Bovendien toont een snelle blik op het jaarrapport van verzoekster aan dat de tekorten voor de twee profielbepalende vakken – natuurwetenschappen en sociale wetenschappen – zich allesbehalve alleen in de examens voordoen. Voor natuurwetenschappen behaalde verzoekster alleen voor DW1 een slaagcijfer (55,7%) en voor sociale wetenschappen scoorde verzoekster alleen voor DW1 en DW3 een voldoende (58,7% respectievelijk 55%). Alle andere scores liggen – vér – beneden 50%. De totaalscore voor dagelijks werk is voor de beide vakken beneden 50%. Waarom met de kritiek van verzoekster dat geen andere aanvullende maatregelen voor haar werden genomen, geen rekening kan worden gehouden, is ook al hiervóór gebleken. IX-9930-18/20 13.
- Het oordeel van de beroepscommissie dat het probleem van verzoekster een gebrek aan inzicht in de leerstof betreft, lijkt dan ook niet van iedere redelijkheid ontdaan en wordt vooralsnog door verzoekster niet ontkracht. Ook in die mate is het middel niet ernstig. 14.
- De wijze van betekening en de al dan niet vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State brengt de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang, zo lijkt. Wat de vermelding van de beroepsmogelijkheid betreft, bestaat de (enige) sanctie erin dat een beroepstermijn slechts na verloop van vier maanden op gang komt. Verzoekster maakt voorts geenszins duidelijk in welke mate de betekening van de bestreden beslissing, niet formeel aan haarzelf, maar aan haar moeder – die over haar exclusief het ouderlijk gezag uitoefent, die in het bevolkingsregister op hetzelfde adres is ingeschreven en die in de huidige procedure als haar wettelijke vertegenwoordiger optreedt – haar heeft benadeeld. 14.
- In die mate is het middel evenmin ernstig.
- De conclusie is dat het enige middel in al zijn onderdelen niet ernstig is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9930-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9930-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.440 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.