id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.448 Rolnummer: A. 234443/IX-9931 Zaak: Arrest 251448 - Examens (onderwijs) - 09/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 06:41 Fiche Arrest nr 251.448 van 9 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.448 van 9 september 2021 in de zaak A. 234.443/IX-9931 In zake: Marco FAICT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Janna Bauters kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Gentstraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 24 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Erasmusatheneum te Deinze van 24 augustus 2021, waarbij aan Marco Faict een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2021, om 12.00 uur. IX-9931-1/14 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Janna Bauters, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste jaar 1A, basisoptie Latijn in het Erasmusatheneum te Deinze, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 24 van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op het einde van het schooljaar vallen er jaartekorten op te tekenen voor wiskunde (43,6%), natuurwetenschappen (48,4%) en Engels (49,4%). Daarentegen is verzoeker geslaagd voor Frans (57,2%), geohistorica (52,6%), levensbeschouwing (80%), Latijn (52,2%), lichamelijke opvoeding (87,6%), STEAM (60%) en Nederlands (61,8%). De conclusie van de delibererende klassenraad luidt op het rapport: IX-9931-2/14 “Dit rapport geeft enkele goede cijfers weer, maar helaas ook een aantal slechte resultaten. Tijdens de lessen werk je dan wel heel goed mee, maar het loopt mis bij de verwerking en de voorbereiding van de leerstof thuis. Op deze manier kan je niet over naar 2A. Je kan op basis van leeftijd de overstap maken naar 2B. Als je in de A-stroom wil blijven; zal je je eerste jaar over moeten doen. Ook dan is het belangrijk goed na te denken over je basisopties.” In de notulen van de delibererende klassenraad wordt het oriënteringsattest C nog als volgt gemotiveerd: “Je behaalt gedurende het gehele schooljaar onvoldoende resultaten voor Wiskunde, Natuurwetenschappen en Engels. Bijkomend heb je tekorten voor Geohistorica en Latijn. Je bent ingegaan op de aangeboden remediëring en hebt je daarvoor ingezet. Maar je gebrek aan basiskennis heeft als gevolg dat je in het volgende jaar (2A) geen kans van slagen hebt. Mits meer werken thuis lijkt overzitten (lA) de enige mogelijkheid om een voldoende stevige basis voor volgende jaren op te bouwen. Je hebt voldoende basis om, op basis van leeftijd, over te stappen naar 2B.” Een vraag om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen wordt door de directeur afgewezen. Met een brief van 30 juni 2021 deelt hij uitvoerig aan verzoeker zijn argumenten daarvoor mee. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 24 augustus 2021 bevestigt de beroepscommissie het C-attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie heeft deze beslissing genomen op basis van de volgende motieven: • De beroepscommissie is van mening dat Marco onvoldoende basis heeft om in 2A te starten. • De beroepscommi[s]sie stelt vast [dat] er te weinig gebruik gemaakt is van de aangeboden remediëring. Daarenboven was er onvoldoende feedback op de communicatie hierover van de school. • Marco heeft nood aan structuur voor zijn schoolcarrière.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende IX-9931-3/14 noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker put een enig middel uit de schending “van artikelen 38, 39 §4 en bijlage 3bis van het besluit van de Vlaamse Regering [van 19 juli 2002] betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs [hierna: ‘organisatiebesluit’], alsook van artikel 123/15, bijlage 3bis van de Codex Secundair Onderwijs, gekoppeld aan een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder een schending van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel gekoppeld aan een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van [de] bestuurshandelingen”. Volgens verzoeker voldoet de uiterst summiere motivering van de bestreden beslissing “evident” niet aan de formelemotiveringsplicht. Temeer nu de beroepscommissie beslist een oriënteringsattest C toe te kennen, had zij haar oordeel omstandig moeten motiveren. Uit de motivering kan geenszins worden afgeleid waarom de beroepscommissie de mening is toegedaan dat verzoeker “onvoldoende basis heeft om in 2A te starten”, noch waarom zij oordeelt dat het IX-9931-4/14 gegeven dat er “weinig” gebruik zou zijn gemaakt van de remediëring, dient te leiden tot een C-attest. De beroepscommissie overweegt ten slotte dat hij nood heeft aan structuur voor zijn schoolcarrière, maar motiveert op geen enkele wijze waarom een C-attest deze structuur zou bieden in die mate dat een A-attest dit niet zou kunnen. Verzoeker gaat uitvoerig in op de thuissituatie die moet verklaren waarom de communicatie met de school moeizaam verliep en in het bijzonder de berichten op Smartschool niet werden gelezen. Hij wijst erop dat die thuissituatie thans is verbeterd: het enkele feit dat deze procedure wordt gevoerd getuigt van deze gewijzigde omstandigheid en een grotere betrokkenheid om zijn schoolsituatie op te volgen. Een nader onderzoek door de beroepscommissie naar de basiskennis per vak, alsook het zich vergewissen van de huidige thuissituatie, was in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel noodzakelijk. De beroepscommissie heeft nagelaten om de vakleerkrachten te horen waarbij verzoeker een tekort had. Het is evenwel de vakleerkracht zelf die het best geplaatst is om een oordeel te vormen over de voldoende, dan wel onvoldoende basis om 2A aan te vatten. Bovendien beschikt de verwerende partij over de mogelijkheid om de leerling in kwestie bijkomende proeven of opdrachten op te leggen. Daarenboven werd ook het rechtmatig gewekte vertrouwen van verzoeker geschonden, zodat de bestreden beslissing ook een schending inhoudt van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In een gesprek op 8 juni 2021 tussen verzoeker en de leerbegeleidster, die ook intern lid is van de beroepscommissie, werd hem immers meegedeeld dat hij een A-attest zou ontvangen. Dit heeft bij verzoeker een onterechte verwachting gewekt. Indien hij had geweten dat op dat ogenblik het A-attest “aan een dun draadje hing”, had hij “indien nodig wellicht bijkomende inspanningen geleverd om te bewijzen dat hij het A-attest ook waard is”. IX-9931-5/14 Verzoeker merkt op dat de decretale grond waarop de bestreden beslissing steunt, niet blijkt uit de bestreden beslissing zelf. Meer nog: de bestreden beslissing verwijst nergens naar de formele regelgeving waarop het besluit is gestoeld. Verzoeker wijst erop dat het C-attest luidens artikel 39, § 4, van het organisatiebesluit in het eerste leerjaar alleen toegekend wordt in uitzonderlijke gevallen. Nergens uit het bestreden besluit blijkt in welke mate en waarom de situatie van verzoeker een “uitzonderlijk geval” is dat een C-attest rechtvaardigt. Voorts merkt verzoeker op dat hij geen C-attest conform bijlage 3bis van het organisatiebesluit heeft ontvangen waarop staat dat hij het eerste jaar zonder vrucht heeft beëindigd. Het bestreden besluit vermeldt dit evenmin. Dit schendt rechtstreeks artikel 39, § 4, van het organisatiebesluit. Uit de artikelen 38 en 39 van het organisatiebesluit samengenomen, zo besluit verzoeker, blijkt duidelijk dat het niet volledig bereiken van alle doelstellingen opgenomen in het leerplan, geen afdoende grond is om een C-attest toe te kennen. De regelgever heeft specifiek en énkel voor het eerste jaar ingeschreven dat een C-attest enkel gerechtvaardigd is in uitzonderlijke gevallen. Net omdat de nieuw aan te meten werkattitude in dat eerste jaar nog moet worden gevormd en het eerste jaar om die reden geen voldoende maatstaf vormt om een dermate ingrijpende beslissing te nemen, met uitzondering van de “uitzonderlijke gevallen”. De tekorten die verzoeker haalt zijn evenwel nipt en de andere punten compenseren dit ruimschoots, waardoor niet kan worden ingezien waarom zijn situatie als een “uitzonderlijk geval” zou moeten worden beschouwd. Minstens blijkt dit niet uit de bestreden beslissing.
- In haar nota met opmerkingen merkt de verwerende partij op dat de studieresultaten zoals weergegeven in de vier rapporten, op geen enkele manier inhoudelijk worden betwist. Uit de rapporten blijkt een sterke terugval in studieresultaten, ook voor de vakken waarvoor op jaarbasis geen onvoldoende IX-9931-6/14 wordt behaald. Verzoeker sluit het jaar af met vijf vakken waarvoor hij in de tweede jaarhelft een onvoldoende behaalt, waaronder ook twee jaartekorten. Onder andere voor wiskunde uit het basispakket van de A-stroom wordt een onvoldoende behaald. Voor dat vak werd doorheen het jaar geen enkel voldoende resultaat behaald. De rapportresultaten vormen dan ook de grondslag voor het motief dat verzoeker onvoldoende basis heeft om in 2A te starten. De beroepscommissie heeft in normale omstandigheden niet tot taak om het werk van de vakleerkrachten over te doen, indien de resultaten vaststaan en de tekorten voldoende duidelijk omschreven zijn. Het administratief dossier bevat de noodzakelijke gegevens om de leerling te beoordelen. Bijkomende proeven zijn dan ook niet noodzakelijk. Problemen in de thuissituatie, die volgens verzoeker de studieresultaten verklaren, doen geen afbreuk aan de leerachterstand op basis waarvan het C-attest is gegeven. Hij heeft niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt en wordt niet bekwaam geacht zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar. De oorzaken daarvan kunnen deze vaststelling niet beletten. Verzoeker stelt – terecht – dat een C-attest in het eerste leerjaar van de eerste graad slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden opgelegd. Hij toont echter niet aan dat in het Erasmusatheneum het C-attest gewoonlijk, buiten uitzonderlijke gevallen, wordt opgelegd. Hij tracht in artikel 39, § 4, van het organisatiebesluit te lezen dat een soort formalisme werd ingevoerd. Dat is niet het geval. Indien de motieven van de klassenraad en de beroepscommissie duidelijk maken dat een C-attest het juiste deliberatieresultaat is, dan moet niet afzonderlijk gemotiveerd worden dat het om een “uitzonderlijk geval” gaat. Hoe deze bepaling een afwijking voorziet van het opleggen van een C-attest in de andere leerjaren, waar het ook enkel in uitzonderlijke gevallen wordt opgelegd, is niet duidelijk. Bovendien dient het uitzonderlijk karakter gelezen te worden in samenhang met artikel 39, § 2, van het organisatiebesluit. IX-9931-7/14
- Op de terechtzitting verwijst de verwerende partij naar de omstandige commentaren van de delibererende klassenraad en de directeur. Wat de beroepscommissie nog daaraan kan toevoegen is haar geheel onduidelijk. Zij merkt op dat het eerste jaar een groeicyclus vormt, waarbij het belangrijk is niet enkel te kijken naar de jaarresultaten maar ook naar de resultaten van de laatste periode. Beoordeling
- Voor zover verzoeker de schending van het vertrouwensbeginsel aanvoert, is het middel niet ernstig. Volgens wat is te lezen in de brief van de directeur, is op 8 juni 2021 met verzoeker een gesprek gevoerd rond studiekeuze tijdens hetwelk “motiverend” werd gesproken om “indien de tekorten weg konden gewerkt worden voor wiskunde en Engels” een optie binnen 2A te bekijken. Ook werd toen een interessetest afgenomen. Verzoeker weerspreekt dit niet. Welnu, zoals de directeur ook schreef, is een gesprek over een mogelijke studiekeuze niet gelijk te stellen met een A-attest en loopt dit niet vooruit op de latere beslissing van de klassenraad. Nog minder kan zo een gesprek een verontschuldiging vormen om na te laten “indien nodig wellicht bijkomende inspanningen” te leveren.
- Volgens verzoeker ontbreekt in de bestreden beslissing de vermelding van de rechtsgrond. Uit het verzoekschrift valt af te leiden dat hij de toepasselijke bepalingen zeer wel kent, zodat niet valt in te zien welk nadeel hij hierdoor heeft geleden. IX-9931-8/14 In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk en is het dus niet ernstig.
- Het staat buiten betwisting dat de klassenraad en vervolgens de beroepscommissie aan verzoeker een C-attest hebben toegekend. Dat hij dit attest niet conform het voorgeschreven model heeft ontvangen tast de wettigheid van de beslissing op het eerste gezicht niet aan, noch blijkt in de huidige stand van de procedure dat verzoeker hiervan een nadeel heeft ondervonden bij het opstellen van zijn verzoekschrift. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
- De delibererende klassenraad heeft verzoeker niet geslaagd verklaard. Zoals de verwerende partij opmerkt, stelt verzoeker de behaalde resultaten op zich niet in vraag. Hij erkent dat de thuissituatie één van de oorzaken is van zijn zwakke resultaten. Er valt dan op het eerste gezicht niet in te zien waarom de beroepscommissie vakleerkrachten zou moeten horen of uitgestelde proeven opleggen om ontbrekende gegevens te achterhalen. Verzoeker stelt wel dat hij in de toekomst beter kan, maar ontkracht niet de over het voorbije jaar toegekende punten. Het verwijt aan de beroepscommissie dat zij bijkomende onderzoeksmaatregelen moest nemen onder de vorm van horen van leerkrachten of opleggen van bijkomende proeven is niet ernstig.
- Artikel 39 van het organisatiebesluit, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 2018 ‘houdende sommige maatregelen betreffende de modernisering van het secundair onderwijs’, luidt voor zoveel als hier van belang: “Art.
- §
- Als oriënteringsattesten worden onderscheiden: het oriënteringsattest A, het oriënteringsattest B en het oriënteringsattest C. §
- Het oriënteringsattest A kan worden toegekend in alle leerjaren, met uitzondering van het tweede leerjaar en derde leerjaar van de derde graad. IX-9931-9/14 Het attest vermeldt dat de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd in de school in kwestie en bijgevolg tot het volgende leerjaar mag worden toegelaten. In het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan het oriënteringsattest A ook remediëring in het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B opleggen of de toegang tot een of meer basisopties of pakketten van de basisopties van het tweede leerjaar A of het tweede leerjaar B uitsluiten. Als remediëring wordt opgelegd, is het zowel een recht als een plicht voor de leerling, ongeacht de school van inschrijving. […] §
- Het oriënteringsattest B kan worden toegekend in alle leerjaren, met uitzondering van het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs, en het tweede leerjaar en derde leerjaar van de derde graad. […] §
- Het oriënteringsattest C kan worden toegekend in alle leerjaren, met uitzondering van het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs. In het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B kan het oriënteringsattest C alleen toegekend worden in uitzonderlijke gevallen. […]”
- Anders dan de verwerende partij opmerkt, lijkt de overheid aldus enkel voor het eerste leerjaar van de eerste graad aan te geven dat het C-attest “alleen toegekend [kan] worden in uitzonderlijke gevallen”. Deze toevoeging is er overigens gekomen bij voormeld besluit van 1 juni 2018 en kadert dus in de zogenaamde “modernisering” van de eerste graad van het secundair onderwijs. Het organisatiebesluit definieert niet nader wat onder “uitzonderlijk” moet worden verstaan. Wat ook de achtergrond is van deze bepaling – verzoeker geeft een uitleg die niet van redelijkheid is ontbloot – en wat dus de aard is van het “uitzonderlijk” karakter mag voorlopig onbesproken blijven. Wat vooralsnog wel minstens duidelijk lijkt, is dat in het eerste leerjaar niet dezelfde maatstaf geldt voor de toekenning van een C-attest als het geval is in andere leerjaren – zo niet lijkt deze nieuwe regel zonder enige betekenis. Volgens de verwerende partij ligt in die nieuwe regel geen “soort formalisme” besloten. Dat neemt niet weg, zo lijkt, dat een leerling die in de beroepsprocedure uitdrukkelijk vraagt waarom zijn geval “uitzonderlijk” is en IX-9931-10/14 daartegen argumenten aanbrengt, mag verwachten dat uit de beslissing blijkt dat die argumenten mee in overweging zijn genomen en dat hij in de beslissing kan lezen waarom ze de beroepscommissie niet hebben kunnen overtuigen.
- Welnu, in zijn bezwaarschrift heeft verzoeker voor de beroepscommissie opgeworpen dat een C-attest voor het eerste leerjaar van de eerste graad enkel in uitzonderlijke gevallen mag worden toegekend. Hij heeft er daarenboven op gewezen dat de overheid bepaalt dat leerlingen de eindtermen pas op het einde van de eerste graad moeten behalen. Daaromtrent heeft hij opgemerkt dat het jaar overdoen demotiverend is, gelet op zijn leeftijd en dat de thuissituatie het voorbije schooljaar zeer moeilijk was maar ondertussen is gestabiliseerd. 16.
- De hiervóór aangehaalde motivering die de beroepscommissie heeft veruitwendigd is niet enkel summier; ze laat in het geheel niet toe te achterhalen of de beroepscommissie die argumenten in haar beoordeling heeft betrokken. Alleszins kan verzoeker geen antwoord erop lezen in de bestreden beslissing. 16.
- De verwerende partij wijst thans op de jaartekorten en de vakcommentaren op de rapporten. Volgens haar volstaan die gegevens voor de beroepscommissie om te concluderen dat verzoeker “onvoldoende basis heeft om in 2A te starten”. Gewis heeft verzoeker jaartekorten voor drie vakken. Kunnen die tekorten in de regel een C-attest onderbouwen, dan geeft dit nog geen inzicht waarom de beroepscommissie het behalen van de eindtermen op het einde van de eerste graad uitgesloten acht en waarom zij zich voor een uitzonderlijk geval geplaatst ziet dat een C-attest in het eerste leerjaar kan verantwoorden. Nu verzoeker voor de basisoptie Latijn geslaagd is, is des te minder vanzelfsprekend dat hij ongeschikt is voor de A-stroom en mocht verzoeker daarover meer uitleg verwachten. Zoals de verwerende partij overigens in haar nota zelf aangeeft, kan ook een A-attest met verplichte remediëring worden toegekend, of een A-attest dat IX-9931-11/14 de toegang tot een of meer basisopties of pakketten van de basisopties van het tweede leerjaar A uitsluit. In de “gemoderniseerde eerste graad” is ook meer ruimte voor remediëring dan voorheen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij wil overstappen naar de basisoptie economie-voetbal. Of de beroepscommissie die mogelijkheid heeft onderzocht in het licht van de behaalde resultaten, valt evenmin te achterhalen. 16.
- De verwerende partij wijst erop dat de evolutie van de punten voor een aantal vakken in dalende lijn zat – onder meer voor Latijn een tekort in periode 2 – maar in de bestreden beslissing is dit motief niet te lezen. Een post factum gegeven uitleg kan niet in aanmerking worden genomen, des te minder als ze niet aan de beroepscommissie kan worden toegeschreven. 16.
- In de motivering is nog te lezen dat de beroepscommissie vaststelt dat te weinig gebruik is gemaakt van de aangeboden remediëring en dat er onvoldoende feedback was op de communicatie hierover van de school. Dit lijkt op het eerste gezicht geen motief dat op zichzelf een oriënteringsattest C kan staven, laat staan in het eerste leerjaar. Het spoort op het eerste gezicht ook niet met de notulering door de klassenraad (“Je bent ingegaan op de aangeboden remediëring en hebt je daarvoor ingezet”). Het is hoe dan ook slechts een vaststelling. In de nota met opmerkingen merkt de verwerende partij terecht op dat een oorzaak voor een falen de vaststelling van dit falen niet kan beletten. Nu de beroepscommissie niettemin tóch hierop alludeert in de motivering, mocht worden verwacht dat zij ingaat op de uitleg die verzoeker gaf over de te verwachten opvolging en omkadering thuis tijdens het volgende schooljaar in het kader van zijn argument dat hij twee jaar tijd heeft om de doelen van de basisvorming te verwerven en dat de studiebekrachtiging in principe – behoudens “uitzonderlijke gevallen” – op het einde van de graad volgt. In dat verband is nog op te merken dat een aantal vakcommentaren waaraan de verwerende partij refereert, uitdrukkelijk signaleren dat verzoekers houding en werkzaamheid in de klas is wat moet zijn, maar dat het thuis lijkt mis te lopen met voorbereiding of verwerking van de lessen en dat dit ook de conclusie was van de delibererende klassenraad. IX-9931-12/14 16.
- Als de beroepscommissie als motief schrijft dat verzoeker “nood [heeft] aan structuur voor zijn schoolcarrière”, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat zij daarmee bedoelt dat de school in het tweede leerjaar A niet voor structuur kan zorgen. Vooralsnog wordt aangenomen dat zij met die opmerking verwijst naar de nood aan structuur in de thuisomgeving. Op de terechtzitting noemt de raadsman van de verwerende partij dit een “tip aan de ouders”. Deze “tip” kan een evaluatiebeslissing niet onderbouwen. Ook hier geldt dat de beroepscommissie, door deze “tip” te geven, niet aantoont of zij rekening heeft gehouden met het argument van verzoeker dat die structuur er ondertussen is gekomen en waarom dat volgens haar niet kan overtuigen. 16.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de beroepscommissie niet afdoende heeft geantwoord op het bezwaarschrift van verzoeker, voor zover hij betwist een in artikel 39 van het organisatiebesluit bedoeld “uitzonderlijk geval” te zijn aan wie een C-attest wordt toegekend. In die mate is het middel ernstig.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Erasmusatheneum te Deinze van 24 augustus 2021, waarbij aan Marco Faict een oriënteringsattest C wordt toegekend. IX-9931-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9931-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.448 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div