← België

Arrest 251455 - Tucht (openbaar ambt) - 10/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.455 Rolnummer: A. 233486/XIV-38675 Zaak: Arrest 251455 - Tucht (openbaar ambt) - 10/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 06:43 Fiche Arrest nr 251.455 van 10 september 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.455 van 10 september 2021 in de zaak A. é.486/XIV-38.675 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5373 BERINGEN/HAM/TESSENDERLO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 april 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de meergemeentezone Beringen-Ham-Tessenderlo van 24 februari 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.675-1/29 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 juni 2021, om 14.20 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5373 Beringen/Ham/Tessenderlo. 3.
  5. Met het inleidend verslag van 1 april 2020, betekend aan verzoeker op 6 april 2020, stelt het politiecollege, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om voor de erin vermelde feiten, verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  6. Verzoeker wordt gehoord op 8 mei 2020 en dient een verweerschrift in. 3.
  7. Op 14 mei 2020 neemt de hogere tuchtoverheid een voorlopige beslissing tot voorstel van zware straf na verweer. Daarin wordt voorgesteld de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen aan verzoeker. XIV-38.675-2/29 3.
  8. Op 19 mei 2020 wint de hogere tuchtoverheid het in artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) bedoelde advies van de procureur des Konings in. 3.
  9. Op 4 juni 2020 verleent de procureur des Konings Limburg, afdeling Hasselt, advies, dat op 5 juni 2020 wordt bezorgd aan de lokale politiezone. 3.
  10. Op 9 juni 2020 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het voormelde advies van de procureur des Konings is vermeld onder de referenties van het dossier. In het voorstel is voorts vermeld onder de rubriek “voorstel tot zware tuchtstraf”: “Gelet op het advies van de procureur des Konings die na kennisname en ontvangst van het tuchtdossier en het geformuleerde voorstel van het politiecollege de feiten als ernstig bestempelt en het voorstel van het ontslag van ambtswege gunstig adviseert.” Op dezelfde dag wordt het “voorstel van zware tuchtstraf” aan verzoeker betekend. Uit de aanhef van het betekende document blijkt dat er geen bijlagen aan het document zijn toegevoegd. Tegen dit voorstel dient verzoeker een voorstel tot herover- weging in bij de Tuchtraad. 3.
  11. In zijn advies van 12 januari 2021 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde dat de tuchtoverheid afziet van een straf gelet op het verval van de tuchtvordering op basis van artikel 38sexies van de tuchtwet. XIV-38.675-3/29 Ter zake stelt de Tuchtraad in zijn advies het volgende: “
  12. Verval van de tuchtvordering op grond van art. 38sexies Tuchtwet Onder de hoofding ‘voorgestelde straf’ werpt de verzoeker op dat hij niet in kennis werd gesteld van de adviesaanvraag aan de procureur des Konings, het ontvangstbewijs van afgifte aan het parket van de voorlopige beslissing van zware straf noch van het advies van de procureur des Konings. Tevens werpt de verzoeker op dat geen voorstel van straf maar een beslissing, voorlopig genomen, aan de procureur des Konings werd overgemaakt. Beoordeling door de Tuchtraad Artikel 24, tweede tot en met het vierde lid van de tuchtwet luidt: […]. In het tuchtdossier, zoals het voorligt voor de Tuchtraad, bevinden zich de volgende stukken (zoals vermeld op de inventaris van de tuchtoverheid) met betrekking tot het advies van de procureur des Konings: Stuk 27: voorlopige beslissing voorstel van zware straf na verweer - bijgevoegd document voor adviesaanvraag procureur; Stuk 28: aanvraag d.d. 19/05/2020 tot advies inzake tuchtdossier [verzoeker] gericht aan de procureur des Konings; Stuk 29: ontvangstbewijs d.d. 19/05/2020 houdende het ontvangst van het document voorlopige beslissing van zware straf na verweer en het bijhorende tuchtdossier met een actuele stand van zaken; Stuk 30: bericht met e-mail d.d. 5/06/2020 houdende het advies van de procureur des Konings; Stuk 31: Advies van 4 juni 2020 van de procureur des Konings in het kader van artikel 24 van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Uit het voorliggende voorstel van zware straf d.d. 9 juni 2020, zoals het voorligt in het tuchtdossier onder stuk 33, blijkt:
  13. dat wel onder de hoofding
  14. Referenties onder het laatste punt verwezen werd naar het advies van de procureur des konings d.d. 4/06/2020;
  15. dat op pagina 25/26, vierde paragraaf verwezen werd naar dit advies volgens dewelke de feiten als ernstig dienden bestempeld te worden en het ontslag van ambtswege gunstig geadviseerd werd.
  16. niet dat uit dit advies aan voormeld voorstel van zware straf toegevoegd werd. Integendeel blijkt uit de vermelding bovenaan rechts dat er geen bijlagen aan het voorstel werden gevoegd. De Tuchtraad onderlijnt hier art. 24, vierde lid dat expliciet voorziet dat het advies van de procureur des Konings dient toegevoegd te worden aan het voorstel van zware straf van de hogere tuchtoverheid. De vraag die zich vervolgens stelt is welke sanctie op dat verzuim dient toegeschreven te worden. De Tuchtraad is van oordeel dat dit tevens een substantiële vormvereiste is waardoor de termijn van artikel 38sexies van de tuchtwet, verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, blijft doorlopen. Het mededelen van het voorstel van zware straf zonder dat advies van de procureur des Konings is niet rechtsgeldig en doet de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn doorlopen. Vermits aldus het advies niet toegevoegd werd aan het voorstel van zware straf en ook nergens uit blijkt dat dit alsnog werd medegedeeld binnen die vervaltermijn, bedragende 65 dagen te rekenen vanaf de kennisname van het inleidend verslag XIV-38.675-4/29 door de verzoeker op 6 april 2020 (nu het tuchtdossier - waarvan dit advies wel deel uitmaakte - pas op 23 juni 2020 aan de Tuchtraad werd overgemaakt) dient de sanctie van artikel 38sexies van de tuchtwet toegepast te worden. Het niet-naleven van de verplichting tot tijdige mededeling van de genomen beslissing, wordt immers gesanctioneerd door artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet: in dat geval wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste werden gelegd. Uit wat voorafgaat volgt dat het advies conform artikel 24 van de tuchtwet moet worden gevoegd bij het voorstel van zware straf en meegedeeld aan de betrokken politieambtenaar bij het mededelen van het voorstel om een zware straf uit te spreken. Een mededeling van het voorstel van straf zonder dat advies is op het eerste gezicht niet rechtsgeldig en zal in dat geval niet beletten dat de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn blijft lopen. (zie RyS, van 11 juli 2019 245.156, Nicolaï LEYS). Aldus wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die verzoeker ten laste werden gelegd.” 3.
  17. De hogere tuchtoverheid formuleert op 22 januari 2021 haar intentie om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Op 18 februari 2021 dient verzoeker een aanvullend schriftelijk verweer in. 3.
  18. De hogere tuchtoverheid beslist op 24 februari 2021 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-38.675-5/29 V. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  20. Verzoeker voert in het enige middel onder meer de schending aan van artikel 38sexies juncto artikel 24, vierde lid van de tuchtwet, doordat de verwerende partij voorafgaand aan de bestreden beslissing een voorstel van zware tuchtstraf heeft overgemaakt aan verzoeker zonder hierbij het advies van de procureur des Konings te voegen, terwijl overeenkomstig artikel 24, vierde lid, van de tuchtwet dat advies moet worden toegevoegd aan het voorstel van zware tuchtstraf en overeenkomstig artikel 38sexies van de tuchtwet, de hogere tuchtoverheid het betrokken personeelslid tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven in kennis dient te stellen van haar beslissing. Deze beslissing ingeval van adviesvereiste vanwege de procureur des Konings dient uiterlijk 65 dagen na kennisgeving van het inleidend verslag aan verzoeker te worden meegedeeld. Wanneer geen enkele beslissing werd genomen binnen de voornoemde termijn, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die verzoeker ten laste gelegd worden. Het inleidend verslag werd aan verzoeker ter kennis gebracht op 6 april 2020 zodat de verwerende partij dus tot en met 10 juni 2020 de tijd had om verzoeker tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven in kennis te stellen van haar voorstel tot zware tuchtstraf met inbegrip van het advies van de procureur des Konings. De verwerende partij heeft nagelaten zulks te doen binnen de vervaltermijn en wordt dan ook geacht te hebben afgezien van de vervolging voor de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd. Verzoeker licht voorts toe dat de redeneringen van de verwerende partij in de bestreden beslissing met verwijzing naar het normdoel en het recht van verdediging volkomen irrelevant zijn. Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State en het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State is het voegen van het advies van de procureur des Konings bij de kennisgeving van het voorstel van zware tuchtsanctie vereist opdat de XIV-38.675-6/29 betrokken politieambtenaar met kennis van zaken zou kunnen afwegen of een verzoek tot heroverweging wordt ingediend, en opdat kan worden geverifieerd of een dergelijke zware tuchtsanctie met kennisname en advies van het parket werd getroffen. Het gaat dus om een substantiële vormvereiste die verder gaat dan het louter bewaren van het recht van verdediging van de betrokken politieambtenaar doch tevens het correct verloop van een zware tuchtprocedure bewaakt. De vaststelling dat de politieambtenaar de beslissing tot het instellen van een vordering tot heroverweging diende te maken op een ogenblik dat hij geen kennis had van dit advies en het zogenaamde voorstel tot zware tuchtstraf (dat in realiteit geen “voorstel” maar een daadwerkelijke straf inhoudt) hem niet rechtsgeldig werd betekend, is wel degelijk problematisch. Voorts miskent volgens verzoeker de verwerende partij de essentie van het arrest van de Raad van State van 11 juli
  21. Die ligt niet bij de vraag of tijdig advies van de procureur des Konings werd ingewonnen, doch wel of tijdig een rechtsgeldige betekening voorlag van het zogenaamde “voorstel” tot het opleggen van zware tuchtsanctie in de zin van artikel 24, vierde lid en artikel 38sexies van de tuchtwet. Voorts is het argument in de bestreden beslissing dat verzoeker voor de indiening van het verzoek tot heroverweging kennis had of kon nemen van het advies van de procureur des Konings manifest foutief en wordt het ook tegengesproken door de chronologie zoals uiteengezet door de verwerende partij in de bestreden beslissing. Pas op 25 augustus 2020, zijnde meer dan twee maanden na de indiening van het verzoek tot heroverweging en pas aan de vooravond van de hoorzitting bij de Tuchtraad, heeft de verwerende partij aan verzoeker het advies van de procureur des Konings overgemaakt via e-mail. Verzoeker heeft dan ook voor de indiening van het verzoek tot heroverweging geen kennis kunnen nemen van het advies van de procureur des Konings. De verwijzingen in het “voorstel tot zware tuchtstraf” dat verzoeker op 9 juni 2020 ontving volstaan in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij beweert, niet. Het advies had verzoeker in de mogelijkheid moeten stellen om te begrijpen om welke redenen een adviesverlenende instantie zich al dan niet aansluit bij het voorstel van de tuchtoverheid. Dit is slechts mogelijk wanneer verzoeker effectief in kennis is gesteld van dit advies en dus niet enkel kennis heeft van het feit dat advies werd ingewonnen zoals de XIV-38.675-7/29 verwerende partij klaarblijkelijk meent. Voorts betwist verzoeker omstandig het standpunt dat het toevoegen van het advies van de procureur des Konings geen substantiële of op nietigheid voorgeschreven vormvereiste zou betreffen en wijst hij erop dat het voorstel tot zware tuchtstraf bedoeld in artikel 38sexies van de tuchtwet reeds een definitieve tuchtstraf betreft.
  22. De verwerende partij benadrukt vooreerst in haar nota dat in de concrete omstandigheden van de zaak, de vraag kan worden gesteld welk belang verzoeker bezit nu hij tijdig een verzoek tot heroverweging indiende en kennis had of minstens kon nemen van het advies van de procureur des Konings. Voorts verwijst de verwerende partij uitdrukkelijk naar haar motieven en middelen opgenomen in de bestreden beslissing, die wat de weerlegging van de argumentatie inzake de artikelen 24 en 38 van de tuchtwet betreft, volgens haar als volledig herhaald moeten worden aangezien. Voorts blijft zij op haar standpunt dat de toevoeging van het advies aan de beslissing geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste uitmaakt, noch substantieel is, zodat het niet toevoegen ervan aan het voorstel van straf na verweer, de wettigheid of rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing niet aantast en zulks in tegenstelling tot het niet aanvragen van het advies, wat een substantiële verplichting uitmaakt. Het kennis kunnen nemen van de inhoud van het advies door verzoeker en het mede betrekken van het advies door de hogere tuchtoverheid onder voorwaarde dat het wordt verleend, is wel substantieel, doch deze voorwaarden zijn vervuld. Op geen enkele wijze toont verzoeker aan dat zijn belangen zijn geschaad en op geen enkele wijze is het recht van de verdediging ooit in het gedrang geweest. Voorts wijst de verwerende partij erop dat het feit dat het advies niet was gevoegd bij de aan verzoeker betekende beslissing, door verzoeker kon worden vastgesteld op het ogenblik van de betekening, zijnde op 9 juni
  23. Het feit dat het advies, waarvan wel melding wordt gemaakt en waarvan de inhoud is opgenomen in de motivering, niet was gevoegd, heeft XIV-38.675-8/29 verzoeker niet belet om een verzoek tot heroverweging in te dienen op 16 juni
  24. Evenmin heeft verzoeker het nodig geacht om deze stukken op te vragen bij de hogere tuchtoverheid, ondanks het feit dat een kopie van het voorstel van straf werd opgevraagd en afgeleverd en ondanks het feit dat het dossier ter inzage lag en kosteloos een afschrift van het volledige tuchtdossier kon worden bekomen. Het niet opvragen van het advies alhoewel verzoeker vaststelde (kon en moest vaststellen) dat het niet gevoegd was bij de betekening en rekening houdende met het feit dat het advies was opgenomen in de beslissing, toont volgens de verwerende partij aan dat de voeging van het stuk bij de beslissing voor verzoeker niet essentieel was, zo niet had hij het kunnen of moeten opvragen. Door dit niet te doen, heeft hij als het ware afstand gedaan om uit deze niet-toevoeging rechten te putten en/of eraan rechtsgevolgen m.b.t. de wettigheid van de mededeling/betekening van de beslissing en/of van de beslissing te koppelen. Voorts stelt artikel 38sexies van de tuchtwet dat de beslissing moet worden betekend, maar die bepaling stelt nergens dat de beslissing samen met het advies moet worden betekend. Artikel 24 van de tuchtwet vermeldt nergens een betekening. Het stelt enkel dat het advies moet worden toegevoegd. Uit artikel 24 van de tuchtwet kan niet worden afgeleid dat bij de kennisgeving/betekening overeenkomstig artikel 38sexies van de tuchtwet, naast de beslissing van het definitief voorstel van zware tuchtstraf, ook het stuk, inhoudende het advies van de procureur des Konings, moet worden toegevoegd om te kunnen komen tot een rechtsgeldige betekening of mededeling van de beslissing. Artikel 38sexies van de tuchtwet voorziet geen op straffe van nietigheid voorgeschreven substantiële formaliteit die vervuld moet worden. Een miskenning van een substantiële vorm kan daarenboven slechts tot nietigheid aanleiding geven indien de belanghebbende hierdoor in zijn rechten is geschaad en een nadeel heeft geleden. De verwerende partij wijst er voorts op dat voor de beoordeling van het weerhouden tweede tuchtfeit, geen advies van de procureur des Konings XIV-38.675-9/29 is vereist omdat dit tuchtfeit geen betrekking heeft op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. Alleszins, wat de betekening betreft van de beslissing aangaande dit tuchtfeit, was het toevoegen van het stuk inhoudende het advies van de procureur des Konings niet vereist om redenen dat dergelijk advies niet nodig is. Tegen de beoordeling van tuchtfeit nummer 2 is geen middel ontwikkeld. De verwerende partij betwist voorts dat er een direct verband is tussen de artikelen 24, vierde lid en 38sexies van de tuchtwet. Artikel 24 van de tuchtwet zegt niets over een betekening. De verwerende partij koppelt de in artikel 24, vierde lid, van de tuchtwet voorziene toevoeging niet los van de vervaltermijn voorzien in artikel 38sexies van de tuchtwet: beide artikelen verwijzen niet naar elkaar en zijn niet “gekoppeld”. Artikel 24, vierde lid, van de tuchtwet vermeldt enkel het toevoegen van het advies aan het voorstel van zware tuchtstraf en artikel 38sexies van de tuchtwet vermeldt de mededeling van de door de hogere tuchtoverheid genomen beslissing zonder vermelding dat de hogere tuchtoverheid bij de betekening van haar beslissing het advies van de procureur des Konings (op straffe van nietigheid) moet toevoegen. Artikel 38sexies van de tuchtwet vermeldt dat de mededeling door de hogere tuchtoverheid van haar beslissing slechts kan geschieden na kennisname van de adviezen of bij ontstentenis ervan na de adviestermijn, maar stelt nergens dat de mededeling van haar beslissing op straffe van nietigheid van de betekening moet vergezeld zijn van het advies van de procureur des Konings. Wanneer de afdeling Wetgeving van de Raad van State in het advies nr. 31.320/2 de zienswijze inzake het voorstel van tuchtstraf en de betekening ontwikkelt, doet de afdeling dat enkel binnen het kader van het recht van verdediging. Beweren zoals verzoeker doet, dat het voorstel van straf na verweer en na advies van de procureur des Konings, een definitieve beslissing uitmaakt is onjuist nu deze beslissing slechts definitief zou kunnen worden in het geval dat de termijn voor de heroverweging verstreken is en binnen die termijn geen verzoek tot heroverweging is ingediend. Op het ogenblik dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing, inhoudende het voorstel van straf neemt, is deze beslissing geenszins een definitieve beslissing. XIV-38.675-10/29 De bewering dat verzoeker geen kennis heeft kunnen nemen van het advies van de procureur des Konings voor het indienen van het verzoek tot heroverweging is volgens de verwerende partij volstrekt onjuist. Niet alleen heeft verzoeker in de aan hem betekende beslissing kennis kunnen nemen van het advies van de procureur des Konings, daarenboven heeft verzoeker op 10 juni 2020 contact opgenomen met de hogere tuchtoverheid zodat hij op dat ogenblik, indien daartoe nood bestond, het advies had kunnen opvragen. Verzoeker had kennis van de inhoud van het advies daar het uitdrukkelijk werd opgenomen in de beslissing. Verzoeker was dan ook in de mogelijkheid om de redenen te analyseren van de procureur des Konings waarbij deze zich aansloot bij het voorstel van de tuchtoverheid. Stellen dat dit enkel mogelijk is door kennisname van de brief van de procureur des Konings aan de hogere tuchtoverheid, is volstrekt onjuist. Geen enkele wettelijke bepaling stelt dat het advies van de procureur des Konings wordt meegedeeld aan verzoeker door overmaking van een kopie van de brief bevattende het advies. De wijze waarop de hogere tuchtoverheid reageerde op verzoeken van verzoeker tot mededeling van stukken, toont aan dat mits de minimale inspanning om het verzoek te richten, verzoeker het stuk had kunnen bekomen. Alleszins staat vast dat verzoeker een verzoek tot heroverweging heeft ingediend, kennis hebbende van de inhoud van het advies van de procureur des Konings, maar zonder in het bezit te zijn van een kopie van de brief van de procureur des Konings. Beoordeling Exceptie wat het belang betreft bij het middel Uiteenzetting van de exceptie
  25. De verwerende partij stelt zich de vraag welk belang verzoeker nog heeft nu, samengevat, hij tijdig een verzoek tot heroverweging indiende en kennis had, minstens kon nemen van het advies van de procureur des Konings. XIV-38.675-11/29 XIV-38.675-12/29 Beoordeling
  26. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad van State brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van de artikelen 24 en 38sexies van de tuchtwet, doordat niet binnen de in artikel 36sexies bepaalde vervaltermijn het advies van de procureur des Konings is meegedeeld, zodat de verwerende partij geacht werd af te zien van vervolging en de tuchtvordering dus vervallen was. Die schending kan, zo ernstig bevonden, een invloed hebben op de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid om alsnog een zware tuchtstraf op te leggen en op het eruit volgende verval van de tuchtvordering. Aldus heeft verzoeker belang bij het middel. Het standpunt van de verwerende partij dat verzoeker tijdig een verzoek tot heroverweging heeft kunnen indienen en kennis kon nemen en heeft genomen van het advies van de procureur des Konings, maakt volkomen abstractie van dat gegeven en doet derhalve geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker belang heeft bij het middel. XIV-38.675-13/29
  27. Verzoeker heeft op het eerste gezicht belang bij het middel in de mate dat het hierna wordt onderzocht. De exceptie wordt in deze stand van het geding verworpen. De ernst van het middel
  28. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending van de artikelen 24 en 38sexies van de tuchtwet aan. In deze stand van het geding wordt het middel enkel vanuit dat oogpunt onderzocht.
  29. Artikel 24, tweede tot vierde lid van de tuchtwet luiden: “Art.
  30. […] Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. Voor de overige personeelsleden van de federale politie is het advies van de federale procureur of zijn gemachtigde vereist. De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken. De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.” In de toelichting bij het wetsvoorstel dat de tuchtwet is geworden, is in de algemene toelichting het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1965-1, 2-3): “[…] De krachtlijnen van het ontwerp, opgesteld binnen de voormelde context, zijn dan ook de volgende: […] 10° ten slotte creëert het ontwerp een betrokkenheid voor die overheden waaraan geen bestraffingsbevoegdheid is toegekend maar wiens mening, gelet op hun verantwoordelijkheden, niet zomaar over het hoofd kan worden gezien: de adviesbevoegdheid toegekend, naargelang het geval, aan de minister van Justitie XIV-38.675-14/29 en de procureur des Konings, moet in dat raam worden begrepen.” alsook in de artikelsgewijze toelichting (p. 13): “Dit artikel schetst de adviesbevoegdheden. Het betreft, naargelang het geval, de minister van Justitie en de bevoegde procureur des Konings in de tuchtprocedures op een wijze die rekening houdt met hun respectieve verantwoordelijkheden. Hun eventuele adviezen moeten binnen een termijn van twintig dagen worden verstrekt. […].” Artikel 24 van de tuchtwet werd gewijzigd door artikel 8 van de wet van 31 mei 2001 ‘tot wijziging van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 31 mei 2001). In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de wet van 31 mei 2001 is geworden, is het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50-1173/001, 7): “Artikel 24, derde lid, van dezelfde wet moet eveneens worden gewijzigd, gelet op het ontwerp tot wijziging van de procedure voor zware tuchtstraffen, met name de opheffing van de terugzetting in graad. Terwijl alle voorstellen van zware tuchtstraffen in de wet van 13 mei 1999 inderdaad aan de tuchtraad worden voorgelegd, beoogt dit wetsontwerp dat de voorstellen van zware straffen aanvankelijk aan het betrokken personeelslid zouden worden overgemaakt. Deze laatste heeft dan een recht op beroep bij de tuchtraad tegen het voorstel van zware straf. Die procedurewijziging verplicht de hogere tuchtoverheid om haar voorstel te richten tot het personeelslid dat het voorwerp is van de tuchtprocedure. Overeenkomstig het advies nr. 31.320/4 van de Raad van State wordt artikel 8 van dit ontwerp gewijzigd. Het advies van de in het ontworpen artikel 24 van de wet genoemde overheden is bovendien een element dat ter kennis moet worden gebracht van het personeelslid voordat de straf wordt uitgevaardigd; het personeelslid moet binnen tien dagen na de kennisgeving van het advies een memorie kunnen indienen.” Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de Raad van State, afdeling Wetgeving, inzake het artikel 24 van de tuchtwet zoals het werd gewijzigd door het voorontwerp van wet dat de wet van 31 mei 2001 werd, het volgende advies verleende (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50-1173/1, 37): XIV-38.675-15/29 “[…] Het voorstel van straf waarnaar verwezen wordt, is het in artikel 38sexies genoemde voorstel. Zoals in de opmerkingen over dat artikel is aangegeven, gaat het in werkelijkheid echter gewoon om een straf, en niet om een voorstel van straf Het advies van de in het ontworpen artikel 24 genoemde overheden is bovendien een element dat ter kennis moet worden gebracht van het personeelslid voordat de straf wordt uitgevaardigd; het personeelslid moet binnen tien dagen na de kennisgeving van het advies een memorie kunnen indienen […].”
  31. Artikel 38sexies van de tuchtwet luidt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, (of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen,) wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.” In het voornoemde advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, is ter zake het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50- 1173/1, 38): “
  32. Het eerste lid bepaalt dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing ter kennis brengt van het betrokken personeelslid, dat ‘beroep kan instellen’. Die beslissing wordt vervolgens ‘voorstel van tuchtstraf’ genoemd. Het tweede lid bepaalt dat, wanneer geen ‘beroep wordt ingesteld’ de hogere XIV-38.675-16/29 tuchtoverheid haar definitieve beslissing ter kennis brengt van het personeelslid. Tevens wordt gepreciseerd dat die kennisgeving pas kan plaatsvinden nadat kennis is genomen van de adviezen die genoemd zijn in het ontworpen artikel 24 of, indien geen zodanig advies is uitgebracht, op zijn vroegst de dag na het verstrijken van de termijn na afloop waarvan ervan uitgegaan wordt dat de betrokken overheid geen aanvullend advies meer wil formuleren. Die werkwijze is onaanvaardbaar. Zij wekt immers de indruk dat de tuchtoverheid de tuchtstraf nog kan wijzigen na te hebben vastgesteld dat geen beroep is aangetekend. De tuchtstraf die overeenkomstig het eerste lid aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht, is geen voorstel van straf, maar een straf. Op basis van die straf beslist de betrokkene of hij al dan niet het beroep waarin het ontworpen artikel 39 voorziet, instelt, dat geen eigenlijk beroep is, maar een verzoek tot heroverweging gericht aan de overheid die de straf heeft uitgevaardigd. […].
  33. Bovendien moeten, zoals is opgemerkt aangaande het ontworpen artikel 24, de in dat artikel bedoelde adviezen ingewonnen worden voordat de tuchtoverheid overeenkomstig het eerste lid haar beslissing neemt, en moeten die adviezen bij die beslissing worden gevoegd.”
  34. Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de hogere tuchtoverheid, alvorens zij een personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van, in het voorliggende geval, de procureur des Konings. Luidens het vierde lid ervan, moet dat ingewonnen advies aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid worden toegevoegd. Dat is het in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet bedoelde voorstel van zware tuchtstraf (Cfr. het hiervoor aangehaalde advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50 1173/001, 37), zijnde één van de drie beslissingen die de hogere tuchtoverheid op grond van het artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet kan nemen en die “op grond van het volledige dossier en van het verweer” wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet moet de hogere tuchtoverheid die beslissing over de tuchtvordering, in beginsel binnen een termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer, ter kennis brengen van de betrokken politieambtenaar. Dit is een vervaltermijn. Op het overschrijden van die termijn volgt de sanctie bedoeld in artikel 38sexies, vierde lid: de hogere tuchtoverheid wordt in een dergelijk geval geacht af te zien XIV-38.675-17/29 van verdere vervolging van de betrokkene. De vervaltermijn betreft voorts een beslissings- en kennisgevingstermijn. Artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet voorziet in twee mogelijkheden om die termijn van vijftien dagen te verlengen. Eén daarvan is de te dezen toepasselijke mogelijkheid de termijn te verlengen “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid.” Daarin is bepaald dat de procureur des Konings en de minister van Justitie hun advies verlenen binnen de 20 dagen na de verzending door de tuchtoverheid, van het voorstel van zware tuchtstraf. De schending van artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet, tast noodzakelijk de rechtsgeldigheid van de definitieve tuchtbeslissing aan: is de vervaltermijn verstreken, dan wordt immers de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste werden gelegd en is haar tuchtbevoegdheid derhalve vervallen. De tuchtstraf die overeenkomstig het eerste lid aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht, is voorts geen “voorstel van straf”, maar een daadwerkelijke straf en dus een beslissing. Op basis van die straf beslist de betrokkene of hij al dan niet het verzoek tot heroverweging instelt. De omstandigheid dat, zoals de verwerende partij lijkt te stellen, die beslissing nog niet definitief is op het ogenblik dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing neemt doet hieraan geen afbreuk en belet inzonderheid niet dat die tijdig moet worden meegedeeld op straffe van (van rechtswege) verval van de tuchtvordering.
  35. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet een regeling bevat inzake het meedelen van de beslissing van de hogere tuchtoverheid - de zware straf - en dat uit artikel 24, laatste lid, van de tuchtwet volgt dat aan die (aldus aan verzoeker) mee te delen beslissing het ingewonnen advies moet worden toegevoegd. Het ingewonnen advies maakt bijgevolg een (verplichtend) onderdeel uit van het mee te delen voorstel van straf. Beide XIV-38.675-18/29 bepalingen sluiten derhalve bij elkaar aan. Het advies vormt aldus een substantieel onderdeel van de aan betrokkene, binnen de overeenkomstig artikel 36sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn, mee te delen beslissing. Een mededeling van het voorstel van straf zonder het ingewonnen advies is op het eerste gezicht onregelmatig en derhalve niet rechtsgeldig. Hoewel in de regel een gebrek in de kennisgeving van een beslissing de wettigheid van de beslissing niet aantast, heeft te dezen het niet of gebrekkig mededelen van de beslissing wel rechtsgevolgen: een dergelijke gebrekkige mededeling zal immers niet beletten dat de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn blijft lopen. Die vangt immers aan na afloop van de termijn van dertig dagen - desgevallend zoals in casu verlengd overeenkomstig artikel 36sexies, tweede lid, van de tuchtwet - waarover de betrokkene beschikt om zich te verweren tegen het inleidend verslag en eindigt op de dag van de mededeling van de genomen beslissing dan wel na het verstrijken van de vervaltermijn. De bewijslast dat de kennisgeving regelmatig is gebeurd, rust op de hogere tuchtoverheid, die ter zake het risico draagt van een onregelmatige mededeling.
  36. De omstandigheid dat artikel 38sexies van de tuchtwet niet op straffe van nietigheid voorziet in een mededeling van het voorstel van tuchtstraf te samen met het advies van de procureur des Konings en artikel 24 van de tuchtwet niets zegt over een betekening, leidt niet tot een andere opvatting. De vervaltermijn bedoeld in artikel 38sexies is ingesteld in het voordeel van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid, zodat op het eerste gezicht het feit dat die bepaling niet expliciet de verplichting opneemt ook het advies mede te betekenen indien dit werd ingewonnen, moet worden geïnterpreteerd in het voordeel van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid. Dit houdt prima facie in dat uit de opbouw van de artikelen 24 en 36sexies van de tuchtwet - waaruit het bij elkaar aansluiten van beide bepalingen blijkt - volgt dat artikel 36sexies van de tuchtwet aldus moet worden uitgelegd dat niet alleen de beslissing aangaande het voorstel XIV-38.675-19/29 om een zware tuchtstraf op te leggen moet worden meegedeeld binnen de in die bepaling voorgeschreven vervaltermijn, maar ook het ingewonnen advies van de procureur des Konings dat op grond van artikel 24 van de tuchtwet aan dat voorstel moet worden toegevoegd. Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat de verwerende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, die faalt in rechte.
  37. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker op 6 april 2020 kennis heeft genomen van het inleidend verslag (zie supra, punt 3.2.). Conform artikel 38quater van de tuchtwet beschikte hij over een termijn van dertig dagen om verweer in te dienen. Op grond van artikel 38sexies van de tuchtwet beschikte de tuchtoverheid vervolgens over een termijn van vijftien dagen om het voorstel van zware tuchtstraf, te samen met het ingewonnen advies, aan verzoeker te betekenen. Die termijn werd, conform artikel 38sexies van de tuchtwet verlengd met de in artikel 24 van de tuchtwet bepaalde termijn van twintig dagen om het advies van de procureur des Konings te bekomen. De laatste nuttige dag om tijdig en rechtsgeldig het voorstel van zware tuchtstraf, met het erbij gevoegde onderwijl ingewonnen advies van de procureur de Konings, aan verzoeker mee te delen was aldus 10 juni
  38. De mededeling van het voorstel van zware tuchtstraf aan verzoeker op 9 juni 2020 zonder dat het advies van de procureur des Konings was toegevoegd, is op grond van wat voorafgaat niet geldig gebeurd en heeft derhalve de nog lopende vervaltermijn niet stopgezet. Niet blijkt dat ten laatste op die vervaldatum het advies van de procureur des Konings aan verzoeker was meegedeeld, zodat op het eerste gezicht de tuchtvervolging was vervallen, zodat de bestreden beslissing het artikel 36sexies, van de tuchtwet, geïnterpreteerd in de zin als hiervoor is vastgesteld, miskent. De substantiële vormvereiste om het in artikel 24 van de tuchtwet bepaalde advies mee te delen binnen de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn, kan te dezen op het eerste gezicht niet op XIV-38.675-20/29 rechtsgeldige wijze worden hersteld door het laattijdig overmaken van het advies in de loop van de procedure voor de Tuchtraad, vermits dat in elk geval niet kan leiden tot een tijdige betekening van het voorstel van zware tuchtstraf en tot het beletten dat na de vervaltermijn “de hogere tuchtoverheid geacht [wordt] af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd worden.” Het devolutief karakter van het onderwijl door verzoeker ingediende verzoek tot heroverweging leidt niet tot een andere conclusie: de procedurele tekortkoming die de hogere tuchtoverheid prima facie heeft begaan en een belangrijke implicatie heeft op de tuchtbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van een zware straf, kan op het eerste gezicht niet meer in een later stadium worden rechtgezet of hersteld door de Tuchtraad noch door de hogere tuchtoverheid.
  39. De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, raakt allereerst op het eerste gezicht, het niet tijdig mededelen van het advies, verzoeker wel in zijn rechten en leidt hij erdoor een nadeel. De miskenning van de betwiste vormvereiste vitieert inzonderheid de rechtsgeldigheid van de mededeling van het voorstel van straf aan verzoeker, zoals bepaald in artikel 38sexies van de tuchtwet, en belet dit verzuim dat de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn stopt met lopen indien die mededeling – zoals te dezen – niet is gedaan binnen de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn. Het verzuim belet aldus dat de tuchtprocedure voortgang vindt. De argumenten van de verwerende partij dat verzoeker niet in zijn rechten is miskend en inzonderheid niet in zijn recht van verdediging, zijn aldus op het eerste gezicht niet relevant, nu het verzuim prima facie tot rechtsgevolg heeft dat de voorliggende tuchtprocedure geen voortgang meer mocht vinden. XIV-38.675-21/29 Voorts rust op een tuchtrechtelijk vervolgde persoon niet de plicht er over te waken dat de hogere tuchtoverheid handelt in overeenstemming met het recht en om, desgevallend, de nodige initiatieven te nemen indien dat niet zo zou zijn. Vooreerst mag een tuchtrechtelijk vervolgde persoon bij het stellen van procedurehandelingen tijdens de tuchtprocedure, uitgaan van het vermoeden dat het overheidsoptreden in overeenstemming is met het recht. Hij mag aldus aannemen dat de mededeling van het voorstel tot straf door de tuchtoverheid als essentiële stap in de aanhangige tuchtprocedure, gebeurt overeenkomstig de ter zake geldende regelgevende bepalingen en dat de verwerende partij zelf waakt over het wettig stellen ervan. Voorts heeft een tuchtrechtelijk vervolgde persoon op grond van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, het recht om vrij zijn verdediging te organiseren zoals hij dat verkiest. Dit houdt in dat hij aldus in het bijzonder beschikt over het recht om stil te zitten in de eigen zaak (Arbitragehof 25 januari 2001, nr. 4/2001, punt B.5.5.). In de mate dat de verwerende partij doet gelden dat verzoeker - door het advies van de procureur des Konings niet op te vragen hoewel hij volgens haar kon en moest vaststellen dat het niet was gevoegd bij de betekening van het voorstel van straf - aantoont dat hij de voeging van het stuk niet essentieel acht, zodat hij “als het ware afstand [heeft] gedaan om uit deze niet-toevoeging rechten te putten en/of eraan rechtsgevolgen m.b.t. de wettigheid van de mededeling/betekening van de beslissing en/of van de beslissing op zich te koppelen”, maakt zij derhalve in het licht van de hiervoor aangehaalde principes, prima facie niet aannemelijk dat het enkele feit dat verzoeker het gebrek in de betekening volgens haar kon vaststellen en herstellen, op zich moet doen besluiten dat verzoeker “als het ware afstand [heeft] gedaan” van zijn recht. Dit verweer faalt derhalve op het eerste gezicht naar recht. Al kan de verwerende partij voorts worden bijgevallen in haar standpunt dat geen bepaling oplegt dat de kennisname van het advies moet gebeuren door het meedelen van een afschrift van de brief bevattende het advies, belet zulks evenwel niet dat de hogere tuchtoverheid het risico draagt van haar keuze om dat niet op die wijze te doen. In het licht hiervan doet de verwerende XIV-38.675-22/29 partij niet blijken noch maakt zij aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid voor het verstrijken van de vervaltermijn, kennis had gegeven aan verzoeker van de inhoud en van de motieven van het advies. Anders dan wat de verwerende partij lijkt te beweren, blijkt zulks op het eerste gezicht niet uit het aan verzoeker meegedeelde voorstel van zware straf. Uit de lezing van dat voorstel blijkt immers dat het advies enkel is vermeld in de referenties en dat in het corpus ervan enkel is gesteld dat de procureur des Konings “na kennisname en ontvangst van het tuchtdossier en het geformuleerde voorstel van het politiecollege,” de feiten als ernstig bestempelt en het voorstel van het ontslag van ambtswege gunstig adviseert (zie supra, punt 3.7.). Hieruit blijkt op het eerste gezicht enkel dat verzoeker kennis heeft van het bestaan van een ongunstig advies en de draagwijdte ervan, doch zulks lijkt op het eerste gezicht niet te volstaan opdat kan worden besloten dat verzoeker daadwerkelijk kennis had van de inhoud en de motieven - op grond van artikel 24 van de tuchtwet moet het advies van de procureur des Konings immers gemotiveerd zijn - van het advies ten laatste bij het verstrijken van de in artikel 36sexies van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn.
  40. Het argument van de verwerende partij dat alleszins voor het tuchtfeit nummer 2 het toevoegen van het advies niet nodig was, leidt te dezen evenmin tot een ander besluit. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij “in navolging van het oordeel van de Tuchtraad”, aan verzoeker volgende tuchtvergrijpen ten laste legt: “1) in de periode mei-juni 2019 het eigenhandig te hebben opgesteld en te hebben uitgeschreven van verhoorbladen van slachtoffers en te hebben voorzien van onder meer een valse handtekening en onjuiste datum en uur en de voeging ervan bij 6 processen-verbaal verband houdende met vandalisme aan voertuigen op 27-28 oktober 2018; 2) op 6/12/2019 zich op een volstrekt ongepaste en onrespectvolle wijze te hebben geuit in bewoordingen die als een bedreiging kunnen worden omschreven; 3a) niet het nodige gevolg te hebben gegeven aan een aantal gerechtelijke en administratieve stukken, waaronder 10 processen-verbaal, een dossier met 13 brieven van een advocatenkantoor, een gevonden identiteitskaart en een gevonden parkeerkaart voor mindervaliden; 3b) het niet tijdig hebben opgemaakt, afgewerkt en overgemaakt van de processen- XIV-38.675-23/29 verbaal m.b.t. de feiten van 28 oktober 2018.” Het onder punt 1) samengevatte tuchtvergrijp heeft betrekking op het opstellen door verzoeker van verhoorbladen van slachtoffers. Op het eerste gezicht houdt dat aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp verband met zijn politionele ambtsplichten bij het opsporen en vaststellen van misdrijven. Het is derhalve in deze stand van het geding niet voor redelijke betwisting vatbaar dat het voorzien van verhoorbladen van slachtoffers van “onder meer een valse handtekening en onjuiste datum en uur en de voeging ervan bij 6 processen- verbaal houdende vandalisme aan voertuigen”, rechtstreeks betrekking heeft op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie zoals bedoeld in artikel 24 van de tuchtwet. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt overigens niet dat hierover ter zake enige betwisting lijkt te bestaan. De verwerende partij heeft overigens het vereiste advies ingewonnen. De vaststelling dat de adviesverplichting bestaat voor het feitenonderdeel 1, volstaat op het eerste gezicht om te besluiten dat het advies van de procureur des Konings overeenkomstig artikel 24 van de tuchtwet moest worden ingewonnen. De omstandigheid dat, naar de verwerende partij betoogt, voor het tuchtfeit 2 geen advies van de procureur des Konings vereist is, is ter beoordeling van het bestaan van de adviesverplichting op het eerste gezicht niet relevant, nu blijkt dat de tuchtstraf steunt op de feiten in zijn geheel. De omstandigheid dat verzoeker tegen de beoordeling in de bestreden beslissing van tuchtfeit nummer 2 geen middel ontwikkelt is om dezelfde reden evenmin ter zake. Uit wat voorafgaat, blijkt dat het advies moet worden ingewonnen voor de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. De kritiek van de verwerende partij die uitgaat van een andere opvatting, faalt derhalve.
  41. Het verweer, tot slot, waarbij de verwerende partij in haar nota uitdrukkelijk verwijst naar “de motivering en middelen opgenomen in de XIV-38.675-24/29 bestreden beslissing,” hierbij stellende dat de in de bestreden beslissing “opgenomen motieven, in het bijzonder voor wat betreft de weerlegging van de argumentatie door verwerende partij m.b.t. artikel 24 en 38 TW, […] als volledig herhaald [moeten] worden aanzien, nu verzoekende partij dezelfde argumenten aan uw Raad voorlegt”, houdt in wezen in dat het aan de Raad van State wordt overgelaten nader te bepalen of al wat inzake de voorliggende problematiek in de bestreden beslissing is uiteengezet - zijnde prima facie meer dan acht bladzijden - wel degelijk kan worden betrokken op het onderzoek van het middel zoals het in concreto in het verzoekschrift is ontwikkeld en om, na dit onderzoek, te analyseren of die argumenten geen dubbel gebruik, aanvulling en dergelijke meer vormen met wat de verwerende partij als verweer wel in de nota heeft uiteengezet. Een dergelijk onderzoek overlaten aan de Raad van State is op zijn minst onverzoenbaar met het prima facie-onderzoek dat het administratief kort geding kenmerkt. Er wordt daarom niet op ingegaan.
  42. Uit wat voorafgaat, volgt dat het enige middel in de aangegeven mate ernstig is. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  43. Verwijzend naar rechtspraak van de Raad van State, voert verzoeker aan dat de loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van aard is om de dreigende schade te vermijden bestaande in de aantasting van de eer en reputatie en carrièremogelijkheden binnen de politie. Dit geldt des te meer wanneer het bestreden ontslag om tuchtredenen de beroepsgeschiedenis negatief kleurt en ernstige morele schade tot gevolg heeft. Verzoeker voert voorts aan dat de ernst van de opgelegde sanctie - het ontslag van ambtswege - een dusdanige impact heeft op de beroepsuitoefening en de beroepsmatige reputatie van verzoeker, dat de loutere nietigverklaring op zich onvoldoende is om een daadwerkelijk rechtsherstel te bieden, nu het louter verder verstrijken van de tijd XIV-38.675-25/29 elke vorm van terugkeer binnen het korps verder onmogelijk maakt. Het dagdagelijks bevestigd zien van het tuchtrechtelijk verweten gedrag in de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zorgt ervoor dat dergelijke terugkeer onder normale omstandigheden onmogelijk wordt gemaakt.
  44. De verwerende partij betwist de vereiste van de spoedeisendheid niet. Beoordeling
  45. Zoals sub 4 hiervoor in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.” In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
  46. De bestreden beslissing berokkent verzoeker onmiskenbaar een morele schandvlek en imagoschade die ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden indien verzoeker zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Het is immers aannemelijk dat het bestreden ontslag om tuchtredenen gesteund op feiten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een gerechtelijke opdracht, verzoekers beroepsgeschiedenis negatief kleurt en een ernstige schandvlek op hem legt, alsook dat de aldus door de tenuitvoerlegging van het ontslag om tuchtredenen veroorzaakte morele schade, onherroepelijk dreigt te worden indien verzoeker zou dienen te wachten XIV-38.675-26/29 op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan.
  47. Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. XIV-38.675-27/29 VII. Conclusie
  48. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Rechtsplegingsvergoeding
  49. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  50. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de meergemeentezone Beringen-Ham- Tessenderlo van 24 februari 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
  51. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.675-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.675-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.455 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.