id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.478 Rolnummer: A. 234468/IX-9933 Zaak: Arrest 251478 - Examens (onderwijs) - 14/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 06:53 Fiche Arrest nr 251.478 van 14 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.478 van 14 september 2021 in de zaak A. 234.468/IX-9933 In zake: Luca DERREVEAUX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: DON BOSCO ONDERWIJSCENTRUM VZW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Don Bosco Onderwijscentrum vzw waarbij aan Luca Derreveaux een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering voor het ASO, Techniek Wetenschappen (TSO), Industriële Wetenschappen (TSO), Biotechnische Wetenschappen (TSO) en Chemie (TSO). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9933-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2021, om 11.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling van het tweede leerjaar van de tweede graad van de studierichting Wetenschappen (ASO) in het Don Boscocollege te Kortrijk. 3.
- Bij het einde van het schooljaar behaalt verzoeker de volgende jaarresultaten: - Frans: 81,3%; - Nederlands: 63,3%; - Wiskunde: 31,8%; - Fysica: 37,6%; - Engels: 50,3%; - Aardrijkskunde: 72,5%; - Biologie: 45,8%; IX-9933-2/15 - Chemie: 39,4%; - Duits: 41%; - Geschiedenis: 57%; - Godsdienst: 53%; - Lichamelijke opvoeding: 93%; - Muzikale opvoeding: 51%; - Totaal: 55%. De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor het ASO. Hij verleent “een gunstig advies tot het overzitten van het leerjaar”, maar adviseert tevens “een TSO-richting die aansluit bij [verzoekers] interesses en talenten”. Ter motivering van zijn beslissing vermeldt de delibererende klassenraad: “Luca heeft onvoldoende kennis en vaardigheden verworven om te kunnen slagen in een derde graad ASO. Luca behaalde niet de leerplandoelstellingen voor wiskunde, fysica, biologie, chemie en Duits. Er is een negatieve evolutie.” 3.
- Na overleg met de vader van verzoeker beslist de schooldirecteur op 1 juli 2021 dat de delibererende klassenraad niet opnieuw zal worden samengeroepen. 3.
- Op 9 juli 2021 stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. Hij steunt dit beroep op “onderstaande redenen”: “● Zo ligt er geen motivering voor waarom de richtingen Economie-Talen en Humane Wetenschappen niet mogelijk zou kunnen zijn, aangezien de tekorten zich situeren in de wetenschappelijke en wiskundige vakken. ● Het tekort voor Duits kan een clausulering Humane Wetenschappen ook niet rechtvaardigen. ● Luca is bereid bijkomende proeven af te leggen voor het vak Duits. IX-9933-3/15 ● Luca behaalde 64% voor het jaar 2019-2020 (3e middelbaar), zonder enig tekort. ● Luca’s wiskundeleraar is in februari vervangen door een beginnende leraar zonder pedagogische opleiding, waarover veel ouders en leerlingen hebben geklaagd.” In een schrijven van 12 juli 2021 aan de voorzitter van het schoolbestuur voegt hij “nog motieven toe aan het dossier” en zet hij zijn grieven nader uiteen. 3.
- Op 20 augustus 2021 beslist de beroepscommissie, ingesteld door het schoolbestuur, dat het beroep ontvankelijk is en “dat het evaluatieresultaat van de delibererende klassenraad van 28 juni 2021 wordt gewijzigd in het afleveren van [een] B-attest met clausulering voor ASO, Techniek Wetenschappen (TSO), Industriële Wetenschappen (TSO), Biotechnische Wetenschappen (TSO), Chemie (TSO)”. Zij steunt die beslissing op de volgende motieven: “* Luca heeft jaartekorten voor wiskunde 5 u (31,8%), fysica 2 u (37,6%), biologie 2 u (45,8%), chemie 2 u (39,4%), Duits 1 u (41%). Hij behaalt dus voor 12 uren minder dan 50%. Voor geen enkel van deze vakken werd er een positieve evolutie in de resultaten vastgesteld. * Voor de taalvakken behaalde Luca voor Frans 81% (als Franstalige), Nederlands 63,3%, Engels 50,3%, Duits 41%. * De tekorten situeren zich dus voornamelijk in de wetenschappelijke vakken en wiskunde. Ook voor de taalvakken Engels en Duits behaalde Luca geen sterke resultaten. Vele vakken in de derde graad ASO bouwen verder op de basis van de tweede graad. Die ontbreekt bij Luca voor een groot aantal vakken. Ook heel wat TSO-richtingen vereisen een sterke basis voor wiskunde, wetenschappen en talen. * Luca wil Humane wetenschappen volgen in de derde graad. Vele vakken in de richting Humane wetenschappen hebben dezelfde eindtermen en leer- plandoelstellingen als in de andere ASO-richtingen. Hierdoor is er geen garantie op succes in de richting Humane wetenschappen. Daarbij zal Luca ook de leerstof voor cultuur- en gedragswetenschappen, 5 lesuren gedurende 2 jaren in de tweede graad, moeten bijwerken. * Indien Luca Economie-Moderne talen wil volgen, moet hij economie inhalen en zijn de slaagkansen voor talen (met o.a. Duits) gering. * Luca is voor 7 van de 11 vakken op de examens van juni niet geslaagd, wat ook wijst op een probleem om grote gehelen te verwerken. In de derde graad IX-9933-4/15 ASO en in bepaalde TSO-richtingen, nemen de studiepakketten met grotere leerstofgehelen, veel toe. * In de derde graad ASO neemt zelfstandig werk toe en moet Luca het leerproces meer zelf in handen nemen. * Uit het dossier en de zitting blijkt dat Luca zeker niet altijd blijk gegeven heeft van een volgehouden inzet. Hij heeft ook de hem geboden kansen tot studiebegeleiding onvoldoende aangegrepen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert aan dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, aangezien hij ten gevolge van de bestreden beslissing tijdens het huidige schooljaar zijn normale studieloopbaan niet zal kunnen voortzetten. Wanneer hij met een gewone schorsingsvordering “recht zou halen”, dan zal het A-attest of aangepaste B-attest hem de facto niet meer kunnen dienen, aangezien het op een bepaald moment onmogelijk wordt om nog alle verloren tijd in te halen. Zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zo vervolgt hij, zou hij een onomkeerbaar nadeel lijden, dat bovendien ernstig is, omdat hij niet alleen een schooljaar zou verliezen, maar bovendien “met dit alles gekraakt wordt in zijn fragiliteit waarvan gans dit dossier getuigt”. De verloren tijd is reeds aan het lopen IX-9933-5/15 en moet te allen koste worden beperkt, opdat een mogelijk positieve beslissing van een A-attest nog zin zou hebben. Verzoeker betoogt voorts dat de bestreden beslissing hem op 25 augustus 2021 werd betekend en hij het voorliggende verzoekschrift “niet in strijd […] met de diligentie” heeft ingediend.
- De verwerende partij doet in haar nota gelden dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet wordt aangetoond. Zij stelt dat het feit dat het verzoekschrift dertien dagen (versta: twaalf dagen) na de kennisneming van de beslissing van de beroepscommissie is ingediend, “op zichzelf het uiterst dringend noodzakelijk karakter van de vordering in hoofde van verzoekende partij [weerlegt]”. Beoordeling
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigende verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat met een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden afgewend. Voorts kan bezwaarlijk worden betwist dat verzoeker op 6 september 2021, de twaalfde dag nadat de bestreden beslissing hem is betekend, met gepaste voortvarendheid zijn vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld. Aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve voldaan. IX-9933-6/15 VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt vooreerst dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op de cruciale vraag die hij in het kader van de beroepsprocedure heeft opgeworpen, namelijk “welke zeer overtuigende motieven er zijn die aantonen dat [zijn] kansen […] om te slagen in het volgende leerjaar Humane Wetenschappen zo miniem zijn”. Van enige pertinente en draagkrachtige motivering die een gedegen antwoord geeft op de voormelde vraag, is volgens hem geen sprake. Hij stelt dat hij in de bestreden beslissing louter een verwijzing naar de tekorten leest, evenals de vage en algemene bewering dat vele vakken in de studierichting Humane Wetenschappen dezelfde eindtermen en leerplandoelstellingen hebben als in de andere ASO-richtingen en dat er hierdoor geen garantie op succes is. Volgens verzoeker dient er evenwel geen garantie op succes te zijn, maar wel “een verregaande quasi zekerheid dat [hij] geen slaagkansen heeft in het gewenste jaar”. Hij argumenteert dat weliswaar wordt aangehaald dat hij een zwakke basis zou hebben voor bepaalde vakken, maar dat nochtans slaagcijfers voorliggen en op geen enkele wijze wordt uitgelegd of aannemelijk gemaakt dat hij voor deze vakken dergelijke slaagcijfers niet meer zou kunnen behalen in een volgend jaar. De leerstofgehelen worden misschien wel groter, maar hij zal veel minder tijd moeten spenderen aan de vakken waarmee hij het moeilijk had en die ten koste gingen van zijn andere vakken. De beroepscommissie negeert volledig, aldus verzoeker, het aspect dat de vakken waarop hij tekorten behaalde enorm aan belang en uren inboeten in Humane Wetenschappen en het feit dat Duits wegvalt, blijft onbesproken. Verzoeker benadrukt ook nog dat de bestreden beslissing een disproportioneel gewicht toekent aan zijn examenresultaten, terwijl in de tweede graad een gelijk gewicht wordt toegekend aan de examens en het dagelijks werk. IX-9933-7/15 Verzoeker besluit daaruit dat de beroepscommissie zijn grieven niet zorgvuldig heeft onderzocht, waardoor de bestreden beslissing tevens het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. Hij voegt eraan toe dat niet kan worden aangenomen dat een zorgvuldige beroepscommissie in dezelfde omstandigheden zou nalaten te antwoorden op de grieven van een student en zijn ouders. Hij leidt eruit af dat “de beslissing tot het toekennen van een B-attest manifest kennelijk onredelijk is”. Verzoeker haalt ten slotte de argumentatie aan van zijn beroepschrift van 12 juli 2021 en hij stelt dat niettegenstaande hij de beroepscommissie uitdrukkelijk heeft gevraagd om met de verschillende aangevoerde grieven rekening te houden, de bestreden beslissing geen spoor vertoont hoe deze grieven mee in de beslissing betrokken zijn of waarom ze niet doorslaggevend zouden kunnen zijn.
- De verwerende partij antwoordt in haar nota vooreerst dat “de verzoekende partij niet argumenteert over een schending van de formele motiveringsplicht” en zij “hierop dus niet [ingaat]”. Wat de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, doet zij gelden dat de motieven van de bestreden beslissing “kenbaar en gekend, feitelijk juist en draagkrachtig” zijn, wat wil zeggen dat ze de beslissing rechtens dragen en verantwoorden. Het tegendeel wordt volgens haar niet concreet aangetoond. Zij brengt voorts in herinnering dat de motivering van een attesteringsbeslissing in eerste instantie en in principe op voldoende wijze blijkt uit de punten van het rapport, die geacht worden op een competente en correcte wijze te zijn toegekend en die in dit geval op zich meer dan overtuigend zijn voor een clausulering. Volgens de verwerende partij is de kwalitatieve beoordeling van de studieresultaten in de voorliggende zaak begrijpbaar, volledig en duidelijk. Daarnaast zal het gebrek aan een positieve studiehouding bij verzoeker nefast zijn voor het toekomstige slagen in de derde graad van een ASO-opleiding. Daarenboven, zo vervolgt de verwerende partij, is IX-9933-8/15 er geen aangetoond oorzakelijk verband tussen de beweerde onvoldoende remediëring en de constant lage en verminderende punten. Noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing op objectief aanneembare redenen gegrond moet zijn, noch de uitdrukkelijke motiveringswet, waarvan de schending niet wordt ingeroepen, leggen aan het bestuur de verplichting op om alle grieven of middelen van het administratief beroep afzonderlijk te beantwoorden. De bestreden beslissing vermeldt alle juridische en feitelijke elementen die eraan ten grondslag liggen. Ze heeft zich de essentiële documenten en gegevens van het leerlingendossier en van de overwegingen van de delibererende klassenraad eigen gemaakt en er een geëxpliciteerd standpunt over ingenomen. De verwerende partij besluit dat uit de bestreden beslissing blijkt dat een beredeneerde en overtuigende motivering voorligt over de kansen van de betrokken leerling om te slagen voor het volgende leerjaar van het ASO en bepaalde richtingen van het TSO, waaruit blijkt dat die kansen miniem zijn. Daarbij moet niet worden aangetoond dat de leerling met zekerheid niet zal slagen of dat slagen quasi onmogelijk is. Met betrekking tot de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel argumenteert de verwerende partij dat de beroepscommissie de stukken die door de delibererende klassenraad in aanmerking werden genomen, nauwkeurig heeft onderzocht. Voorts deed volgens haar de school wat nodig is om de negatieve resultaten van de leerling te verhelpen. Het prospectief onderzoek bij het toekennen van het B-attest blijkt onomstotelijk uit de bestreden beslissing, waar wordt gewezen op het fundamenteel niet halen van de leerplandoelstellingen voor meerdere essentiële vakken en het gebrek aan inzet en engagement bij het studeren. Deze elementen zijn correct beoordeeld in functie van de slaagkansen voor het komende schooljaar. De bestreden beslissing antwoordt ook uitdrukkelijk op verzoekers grief betreffende de clausulering voor Humane Wetenschappen. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, wijst de verwerende partij erop dat een bestuur over een discretionaire appreciatiebevoegdheid beschikt, wat betekent dat er enkel een schending van het IX-9933-9/15 voornoemde beginsel kan zijn wanneer een kennelijk onredelijke beslissing is genomen. In dit geval kan volgens de verwerende partij, gelet op de gegevens van het dossier, niet worden gesuggereerd dat eender welke andere normale, voorzichtige en vooruitziende beroepscommissie tot een kennelijk andere beslissing zou zijn gekomen. De concrete kwantitatieve tekorten, het gebrek aan inzet en twee jaar achterstand ten aanzien van de richting Humane Wetenschappen laten volgens de verwerende partij geen ruimte voor een andere beslissing. Beoordeling
- Voor zover verzoeker in zijn enige middel doet gelden dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op zijn cruciale vraag aan de beroepscommissie “welke zeer overtuigende motieven er zijn die aantonen dat [zijn] kansen […] om te slagen in het volgende leerjaar Humane Wetenschappen zo miniem zijn” en dat ze geen pertinente en draagkrachtige motivering bevat die een gedegen antwoord geeft op die vraag en de door hem aangevoerde grieven, lijkt verzoeker, anders dan de verwerende partij het ziet, te appelleren aan een schending van de formelemotiveringsplicht die op de beroepscommissie rust.
- De bestreden beslissing kent aan verzoeker bij het einde van het tweede leerjaar van de tweede graad van de studierichting Wetenschappen van het ASO een oriënteringsattest B toe waarbij alle studierichtingen van het ASO worden geclausuleerd, evenals de studierichtingen Techniek Wetenschappen, Industriële Wetenschappen, Biotechnische Wetenschappen en Chemie van het TSO.
- Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ “dat de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd in de school in kwestie en bijgevolg tot het volgende leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen of onderverdelingen”. Artikel 38, 1°, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling “met vrucht” het IX-9933-10/15 tweede leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Die definitie van een B-attest lijkt te impliceren dat de motivering van een dergelijk attest de redenen moet kenbaar maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot welbepaalde studierichtingen moet worden ontzegd. Het aanvechten van het B-attest in de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in het B-attest zorgvuldig te verantwoorden.
- Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie een “prospectief” – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, heeft de leerplandoelstellingen globaal “in voldoende mate” bereikt en wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van de leerling – of van zijn ouders – van studiekeuze. De delibererende klassenraad of de beroepscommissie kan op grond van de zwakke studieresultaten een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een B-attest toekent evenwel, verkiest in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. IX-9933-11/15 Een inschatting van de toekomstige studies van een leerling verdraagt geen vage of oppervlakkige beoordeling. Een beroepscommissie moet haar prospectieve beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet in verband kan brengen met de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden. 14.
- In dit geval steunt de bestreden beslissing wezenlijk op de jaartekorten die verzoeker heeft behaald voor wiskunde, fysica, biologie, chemie en Duits. De beroepscommissie stelt dat “[v]ele vakken in de derde graad ASO [verder] bouwen […] op de basis van de tweede graad” en dat die basis bij verzoeker voor een groot aantal vakken ontbreekt. Specifiek met betrekking tot de wens van verzoeker om de studierichting Humane Wetenschappen te volgen in de derde graad, overweegt de beroepscommissie: “Vele vakken in de richting Humane wetenschappen hebben dezelfde eindtermen en leerplandoelstellingen als in de andere ASO-richtingen. Hierdoor is er geen garantie op succes in de richting Humane Wetenschappen. Daarbij zal Luca ook de leerstof voor cultuur- en gedragswetenschappen, 5 lesuren gedurende 2 jaren in de tweede graad, moeten bijwerken.” 14.
- De vastgestelde jaartekorten van verzoeker “voornamelijk in de wetenschappelijke vakken en wiskunde” doen op het eerste gezicht de inschatting van de beroepscommissie begrijpen dat verzoeker, niettegenstaande hij geacht wordt het leerjaar met vrucht te hebben beëindigd, geen redelijke slaagkansen kunnen worden toegemeten in studierichtingen die op die vakken voortbouwen en ze nog verder ontwikkelen. IX-9933-12/15 De bestreden beslissing gaat evenwel geheel voorbij aan de argumentatie van verzoeker in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie dat “het gewicht voor de vakken waar een tekort voor werd behaald aanzienlijk lichter is in de richting Humane Wetenschappen dan de huidige richting Wetenschappen”. Uit de door verzoeker voorgelegde vergelijking van lessenroosters, die door de verwerende partij als zodanig niet wordt betwist, blijkt dat de vakken biologie, fysica en chemie in de studierichting Humane Wetenschappen niet meer tot het lessenpakket behoren, net zo min als het vak Duits, en dat het aantal uren wiskunde van vijf naar drie uren wordt teruggebracht. De beroepscommissie doet in de bestreden beslissing niet in het minst op een gemotiveerde wijze blijken, steunend op concrete en objectieve gegevens van het leerlingendossier, dat een prospectief onderzoek haar tot het besluit brengt dat verzoeker ook in de derde graad van de studierichting Humane Wetenschappen geen redelijke slaagkans heeft. De bestreden beslissing stelt zonder meer dat “er geen garantie op succes [is] in de richting Humane Wetenschappen”. Daargelaten dat een dergelijke “garantie” nooit voorhanden kan zijn en het bestaan van een redelijke slaagkans volstaat, is de kwestieuze conclusie van de beroepscommissie hoe dan ook niet met uitdrukkelijk tot uiting gebrachte, afdoende, pertinente en draagkrachtige motieven onderbouwd. De omstandigheid dat verzoeker de leerstof voor cultuur- en gedragswetenschappen zou moeten bijwerken, betreft een feitelijke vaststelling, maar toont niet aan dat er in het leerlingendossier van verzoeker objectieve gegevens te vinden zijn die aannemelijk maken dat dit een horde betreft die door verzoeker redelijkerwijze niet kan worden genomen. De bestreden beslissing gaat in dit verband geheel voorbij aan het argument van verzoeker in zijn beroepschrift dat door het wegvallen of verminderen van het aantal uren van de vakken waarop hij een jaartekort behaalde, “veel tijd [vrijkomt] die [hij] indien nodig kan spenderen aan het bijwerken van vakken die behoren tot de nieuwe richting”. IX-9933-13/15 Daarbij aansluitend doet verzoeker in zijn verzoekschrift niet ten onrechte gelden dat “[d]e leerstofgehelen […] misschien wel groter [worden], maar [hij] anderzijds ook veel minder tijd [zal] moeten spenderen aan de vakken waarmee hij het moeilijk had en die ten koste gingen van zijn andere vakken”. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt helemaal niet dat de beroepscommissie die schijnbaar voor de hand liggende afweging heeft gemaakt. Dezelfde opmerking lijkt te moeten worden gemaakt ten aanzien van de overweging van de bestreden beslissing dat verzoeker in de derde graad meer zelfstandig werk te wachten staat en hij het leerproces meer zelf in handen zal moeten nemen. Alleszins brengt de beroepscommissie in de bestreden beslissing geen enkel motief aan, geput uit het leerlingendossier, dat ervan zou kunnen overtuigen dat verzoeker redelijkerwijze daartoe niet bij machte zal zijn. De overweging van de bestreden beslissing, ten slotte, dat verzoeker “niet altijd blijk gegeven heeft van een volgehouden inzet” en “de hem geboden kansen tot studiebegeleiding onvoldoende [heeft] aangegrepen”, doet geen afbreuk aan hetgeen zo-even werd vastgesteld. 14.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing niet afdoende doet blijken van het prospectief onderzoek dat de toekenning van een B-attest vereist, en dat ze alzo geen afdoende antwoord geeft op de door verzoeker terecht als cruciaal aangemerkte vraag welke overtuigende motieven aannemelijk maken dat zijn kansen om te slagen voor het volgende leerjaar van de studierichting Humane Wetenschappen redelijkerwijze verwaarloosbaar zijn. Aldus wordt tekortgedaan aan de formelemotiveringsplicht.
- Het enige middel is in zoverre ernstig.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten IX-9933-14/15 zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Don Bosco Onderwijscentrum vzw waarbij aan Luca Derreveaux een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering voor het ASO, Techniek Wetenschappen (TSO), Industriële Wetenschappen (TSO), Biotechnische Wetenschappen (TSO) en Chemie (TSO). Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9933-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.478 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.