id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.489 Rolnummer: A. 227025/X-17402 Zaak: Arrest 251489 - Plannen van aanleg - 14/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 06:58 Fiche Arrest nr 251.489 van 14 september 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.489 van 14 september 2021 in de zaak A. 227.025/X-17.402 In zake :
- Eric VAN DORPE
- Christine ALMEY
- Katrien VAN DORPE
- de LV VAN DORPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Marc D’Hoore kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD TIELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Vanden Berghe en Arne Devriese kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 11 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 6 september 2018 van de gemeenteraad van de stad Tielt tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan voor de Neringenstraat te Tielt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.402-1/9 Verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Vandenbroucke, die loco advocaten Gregroy Vermaercke en Marc D’Hoore verschijnt voor verzoekers, en advocaat Frank Vanden Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De Neringenstraat verbindt de dorpskernen van Kanegem en Aarsele, die allebei deelgemeenten van de stad Tielt zijn. De bestaande weg bestaat uit een kasseibaan waaraan ten westen een ongeveer twee meter brede geasfalteerde strook (hierna: de westelijke asfaltstrook) paalt. De westelijke asfaltstrook is van de kasseibaan afgescheiden met een volle witte lijn en wordt gebruikt door fietsers. Verzoekers zijn eigenaar van meerdere percelen die palen aan de oostzijde van de Neringenstraat.
- Op 5 juli 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Tielt voor de Neringenstraat een ontwerp van rooilijnplan en een ontwerp van onteigeningsplan voorlopig vast. X-17.402-2/9 5.
- Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 25 juli tot 24 augustus
- 5.
- Tussen 25 juli en 24 augustus 2018 worden zes bezwaarschriften ingediend. Op 24 augustus 2018 stellen verzoekers een bezwaarschrift op, dat zij met een aangetekende zending van 27 augustus 2018 verzenden. 5.
- In verzoekers’ bezwaarschrift wordt een uittreksel uit het ontwerp-rooilijnplan opgenomen en wordt onder meer het volgende gesteld: “Het dossier ligt ter inzage bij de bevoegde diensten van de Stad Tielt gedurende het openbaar onderzoek van 25 juli 2018 tot en met 24 augustus
- […] Het valt op geen enkele wijze te verantwoorden waarom een aanpassing van de rooilijn […] op de voorgestelde wijze zich zou opdringen: de voorgenomen plannen - heraanleg Neringenstraat met fietspad - kunnen immers perfect binnen de grenzen van de actuele rooilijnen gerealiseerd worden […]. […] [Het is] te gek voor woorden dat men het bestaande fietspad aan de westelijke zijde nu plots wil verplaatsen naar de oostelijke zijde van de Neringenstraat, waarvoor men […] de rooilijn aanzienlijk wenst op te schuiven […].” 6.
- Bij besluit van 6 september 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Tielt het rooilijnplan voor de Neringenstraat definitief vast. Dit is het bestreden besluit. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober
- 6.
- Het bestreden besluit verschuift de oostelijke rooilijn verder naar het oosten zodat er ruimte komt voor een ongeveer twee meter breed tweerichtingsfietspad en – langs het overgrote deel van dit fietspad – een ongeveer één meter brede groenstrook palend aan de kasseibaan. 6.
- Zoals uitdrukkelijk wordt bevestigd in de overwegingen van het bestreden besluit, wordt enkel het rooilijnplan vastgesteld en niet het X-17.402-3/9 onteigeningsplan. De gemeenteraad beslist de procedure voor de vaststelling van een onteigeningsplan stop te zetten om minnelijke onderhandelingen met de eigenaars “maximale slaagkans te bieden”. IV. Onderzoek van de middelen A. Het tweede en het derde middel Uiteenzetting de middelen 7.
- Het tweede middel en het derde middel zijn genomen uit de schending van het motiverings-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het tweede middel is ook genomen uit de schending van artikel 3 van het Vlaamse Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 (hierna: het onteigeningsdecreet) juncto artikel 16 van de Grondwet. 7.
- Volgens verzoekers is er geen afdoende en draagkrachtige verantwoording terug te vinden voor de voorgenomen innemingen van privé-eigendom. Meer bepaald wijzen zij er op dat zij in hun naar aanleiding van het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift aangevoerd hebben dat op geen enkele wijze is aangetoond dat het fietspad niet binnen de grenzen van de actuele rooilijnen gerealiseerd kan worden. Hierop is in de bestreden beslissing geantwoord met de nietszeggende standaardmotivering dat de suggestie van verzoekers niet opweegt tegen de voordelen van het ontwerp-rooilijnplan. 7.
- Verzoekers merken op dat zij in hun bezwaarschrift hebben gewezen op het ministerieel besluit van 30 mei 2000 tot bescherming van de Neringenstraat als monument (hierna: het beschermingsbesluit). Het door de verwerende partij gegeven antwoord, dat zij de binnen het tracé van de westelijke asfaltstrook gelegen “zomerweg” in zijn oorspronkelijke staat zal herstellen, is niet-afdoende en intern tegenstrijdig, daar de toekomstige “zomerweg” eigenlijk gewoon een versmalde grasberm zal zijn, waarvan elk nuttig gebruik door fietser, paard of kar onmogelijk is. X-17.402-4/9
- In hun memorie van wederantwoord voegen verzoekers toe dat het herstel van de “zomerweg” een van de belangrijke doelstellingen van het bestreden besluit is.
- In hun laatste memorie stellen verzoekers dat het niet is omdat de “zomerweg” as such niet vermeld is in het beschermingsbesluit, dat hij niet onder dit besluit zou ressorteren. Beoordeling
- In hun bezwaarschrift hebben verzoekers voorgesteld om het fietspad niet aan de oostzijde van de Neringenstraat te voorzien, maar wel aan de westzijde, binnen de bestaande rooilijnen. Dit voorstel komt er op neer dat het tweerichtingsfietspad het tracé van de westelijke asfaltstrook zou (blijven) volgen. Ter weerlegging van verzoekers bezwaarschrift heeft de verwerende partij toegelicht dat zij de rooilijnen wijzigt om tegelijk de twee volgende doelstellingen te realiseren:
(1)het voorzien van een verhard en maximaal vrijliggend – dit is een door een groenstrook van de kasseibaan afgescheiden – tweerichtingsfietspad en
(2)het mogelijk maken van het herstel van het vroegere uitzicht van de “zomerweg” door het asfalt uit te breken en er terug een onverharde berm van te maken. Daarmee heeft de verwerende partij afdoende laten begrijpen waarom het voorstel van verzoekers niet is gevolgd. Door de beperkte breedte van de westelijke asfaltstrook valt immers niet in te zien hoe daarin tegelijkertijd de twee voornoemde doelstellingen gerealiseerd zouden kunnen worden.
- Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is in het beschermingsbesluit enkel sprake van de kasseibaan en niet van enige “zomerweg”. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in de beschrijving van de Neringenstraat in de inventaris van het bouwkundig erfgoed vermeld wordt dat er destijds binnen het tracé van de westelijke asfaltstrook een X-17.402-5/9 “zomerweg” lag, dit is een onverharde berm. Door het aanbrengen van asfaltverharding heeft deze “zomerweg” zijn oorspronkelijke uitzicht verloren. Het is dan ook niet onterecht dat de verwerende partij heeft aangenomen dat door het uitbreken van het asfalt het vroegere uitzicht van de “zomerweg” hersteld wordt. Zelfs als met verzoekers wordt aangenomen dat elk nuttig gebruik van deze berm door fietser, paard of kar onmogelijk zal zijn, volgt uit die omstandigheid niet dat het op verzoekers’ bezwaarschrift gegeven antwoord – met de woorden van het verzoekschrift – “intern tegenstrijdig” zou zijn. Verzoekers maken hun stelling dat de verwerende partij het beschermingsbesluit zou hebben miskend niet aannemelijk.
- Verzoekers overtuigen er niet van dat er geen deugdelijke verantwoording zou zijn voor de wijziging van de rooilijnen van de Neringenstraat of dat de aangevoerde rechtsregels anderszins zouden zijn geschonden.
- De middelen worden verworpen. B. Het eerste middel Het aangevoerde middel 14.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 17, 18 en 31 tot 34 van het onteigeningsdecreet juncto artikel 9, § 2, van het decreet van 8 mei 2009 ‘houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen’ (hierna: het rooilijnendecreet), evenals van het motiverings-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 14.
- In het middel wordt er op gewezen dat de bekendmaking van het openbaar onderzoek louter gebeurd is overeenkomstig het toenmalig artikel 9 van het rooilijnendecreet. Daar dit openbaar onderzoek te dezen ook betrekking had op een ontwerp van onteigeningsplan diende die bekendmaking, krachtens het onteigeningsdecreet, evenwel uit twee delen te bestaan. Meer bepaald moest ook worden aangekondigd dat het voorlopig onteigeningsbesluit, met inbegrip van de X-17.402-6/9 projectnota en het ontwerp-onteigeningsplan, ter inzage lag. Dat is evenwel niet gebeurd, zodat de aankondiging van het openbaar onderzoek niet voldoet aan het onteigeningsdecreet. Verzoekers vervolgen dat hun rechten van verdediging werden geschonden, nu het dossier hen tijdens het openbaar onderzoek niet ter beschikking gesteld werd en er dus ook niet duidelijk uit opgemaakt kon worden dat het eigenlijk een “dubbel” openbaar onderzoek was. Gelet op de onwettigheid van het openbaar onderzoek, kon in het bestreden besluit niet geoordeeld worden dat verzoekers’ bezwaarschrift onontvankelijk was wegens vermeende laattijdigheid.
- In hun memorie van wederantwoord voegen verzoekers toe dat zij niet de mogelijkheid kregen om met kennis van zaken hun bezwaren te laten gelden. De verwerende partij is nalatig geweest en heeft hun rechten van verdediging geschonden door hen pas na het openbaar onderzoek het elektronisch dossier te bezorgen.
- In hun laatste memorie benadrukken verzoekers dat in de huidige digitale tijden de elektronische kennisname hét geijkte kanaal is om ingelicht te worden over de stukken van het administratief dossier. Beoordeling
- De schending van de modaliteiten inzake de organisatie van het openbaar onderzoek kan enkel met goed gevolg worden ingeroepen door wie aantoont dat hij door de betreffende schending is benadeeld.
- Verzoekers betwisten niet dat bij (de aankondiging van) het openbaar onderzoek het rooilijnendecreet gerespecteerd is en dat – zoals het toenmalig artikel 9 van dit decreet voorschrijft – het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ter inzage is gelegd in het gemeentehuis. Zoals blijkt uit de inhoud ervan (randnr. 5.3), hadden verzoekers bij het opmaken van hun bezwaarschrift kennis van de met de rooilijnen verband X-17.402-7/9 houdende stukken. Het blijkt niet dat zij zouden zijn benadeeld door het enkele feit dat hen op dat moment nog geen elektronische versie van deze stukken was overgemaakt.
- Zoals hiervoor is gebleken (randnrs. 10 en 11), wordt verzoekers’ bezwaarschrift in het bestreden besluit ten gronde beantwoord. Verzoekers hebben dus geen enkel nadelig gevolg ondervonden van het feit dat hun bezwaarschrift in het bestreden besluit als laattijdig is bestempeld.
- Nu de verwerende partij de procedure voor de vaststelling van een onteigeningsplan heeft stopgezet en er geen onteigeningsplan is vastgesteld, zijn verzoekers evenmin benadeeld door de beweerde schending van het onteigeningsdecreet bij de aankondiging van het openbaar onderzoek.
- De conclusie is dat het middel niet tot de vernietiging kan leiden.
- Het middel wordt verworpen. V. Kosten
- Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 “tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand”, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
- Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.402-8/9
- Verzoekers worden elk voor een vierde verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De door verzoekers onterecht betaalde bijdrage van 60 euro wordt aan hen terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-17.402-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.489 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div