← België

Arrest 251504 - Bewakingsondernemingen - 16/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.504 Rolnummer: A. 233044/VII-41037 Zaak: Arrest 251504 - Bewakingsondernemingen - 16/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-27 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 07:05 Fiche Arrest nr 251.504 van 16 september 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.504 van 16 september 2021 in de zaak A. é.044/VII-41.037 In zake: Luc DE BECKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 februari 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 24 december 2020 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker niet langer voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: wet van 2 oktober 2017) en de “nog geldige identificatiekaart wordt […] ingetrokken en de [aangevraagde] kaart [….] wordt geweigerd”. VII-41.037-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Vermeire, die loco advocaat Ria Hens verschijnt voor verzoeker en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is werkzaam in de private veiligheidssector. 3.
  6. Op 29 januari 2020 stemt hij in met een veiligheidsonderzoek bedoeld in artikel 65 van de wet van 2 oktober
  7. Dat onderzoek brengt aan het licht dat verzoeker bij vonnis van 7 september 2018 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Turnhout, de gunst van de opschorting van de uitspraak tot veroordeling bekwam, met een proefperiode van vijf jaar, voor de overtreding van de artikelen 461, 463, eerste lid, en 464 van het Strafwetboek. Uit het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden blijkt tevens dat verzoeker door de politierechtbank te Antwerpen op 23 maart 2015 werd veroordeeld wegens een VII-41.037-2/8 snelheidsovertreding en op 14 februari 2008 wegens een verkeersovertreding. Voorts blijkt dat hij bij vonnis van 28 november 2001 van de correctionele rechtbank te Antwerpen de gunst van de opschorting van de uitspraak tot veroordeling heeft verkregen, met een proefperiode van vijf jaar, voor een overtreding op de hormonenwetgeving, de aflevering van geneesmiddelen zonder registratie en het onwettig uitoefenen van de geneeskunde. 3.
  8. De Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden is van oordeel dat verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarden van de wet van 2 oktober 2017 en dat een procedure tot intrekking of inhouding van de identificatiekaart moet worden aangevat. 3.
  9. Verzoeker wordt bij brief van 1 juli 2020 in kennis gesteld van de mogelijke intrekking van zijn identificatiekaart en hij wordt uitgenodigd om zijn verweermiddelen in te dienen. Vervolgens dient verzoeker op 31 juli 2020 zijn verweermiddelen in. 3.
  10. Op 28 oktober 2020 wordt verzoeker gehoord. 3.
  11. De minister van Binnenlandse Zaken neemt op 24 december 2020 de thans bestreden beslissing waarin wordt vastgesteld dat verzoeker niet langer voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober
  12. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Artikel 70 van de bewakingswet bepaalt dat ik, teneinde mijn appreciatiebevoegdheid in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarde uit te oefenen, kan beschikken over gegevens van gerechtelijke en bestuurlijke aard. Deze gegevens dienen mij toe te laten te beoordelen of de betrokkene, naast de minimale objectieve wettelijke voorwaarden, ook voldoet aan de veiligheidsvereiste. Deze vereiste houdt in dat betrokkene geen feiten mag hebben begaan die twijfel kunnen doen rijzen betreffende zijn algemene ingesteldheid of die tegenindicaties van het gewenste profiel uitmaken zelfs indien ze niet hebben geleid tot enige veroordeling op strafrechtelijk vlak. Er dient immers een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten VII-41.037-3/8 bekeken worden op vlak van de veiligheidsvoorwaarden en op strafrechtelijk vlak. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling, die zoals in casu werd afgerond met de gunstmaatregel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van vijf jaar, kunnen een weigering/intrekking rechtvaardigen wanneer ze bekeken worden in het kader van de veiligheidsvoorwaarden. Uw stelling als dat uw uittreksel strafregister ‘blanco’ zou zijn, en als dat mijn administratie geen kennis had mogen krijgen van de opschortingsmaatregel, is dan ook in het geheel niet correct. Artikel 268 van de wet private veiligheid bepaalt trouwens dat, voor de verificatie van de persoonsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 61, 6° (veiligheidsvoorwaarden), mijn administratie een rechtstreekse toegang heeft tot het centraal strafregister. In dit artikel staan tevens de uitzonderingen opgesomd op deze toegang. Opschortingsmaatregelen staan hier niet als exceptie bij vermeld zodanig dat ervan kan uitgegaan worden dat mijn administratie hier wel degelijk kennis van kon nemen. Ik kan derhalve nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokken wel over de juiste ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen tot het beroep van bewakingsagent binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid. De wetgever verleende mij bijgevolg een bijzondere appreciatiebevoegdheid van feiten die door de bewakingsagent begaan werden. - Met betrekking tot het vaststaand karakter van het weerhouden feit, kan het volgende opgemerkt worden: Uit het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen de dato 7 september 2018 inzake ‘huisdiefstal’ blijkt dat de feiten bewezen zijn. U genoot evenwel de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van vijf jaar. De rechtbank verwees hiervoor uitdrukkelijk naar uw jarenlange tewerkstelling in de bewakingssector en de nalatige houding van het slachtoffer. Ook tijdens uw verhoor ten burele van de administratie ontkende u de feiten niet. De bewakingsagenten dienen zich in de uitoefening van hun functie ten allen tijde respectvol en waardig te gedragen ten aanzien van hun medeburgers/werkgevers. Uit het verloop van de gebeurtenissen kan worden afgeleid dat u meende dat u onheus werd behandeld en dat u recht had op verschillende vergoedingen. Het zich onrechtmatig toe-eigenen van betalingen van klanten die voor uw werkgever bedoeld waren - ter compensatie van vergoedingen waar u nog recht op zou hebben gehad - toont een ingesteldheid aan die niet overeenstemt met deze van een goede en integere bewakingsagent. Indien u van mening was dat u nog recht had op bepaalde financiële vergoedingen, had u moeten trachtten deze via de geijkte (rechterlijke) weg te recupereren. U koos er echter eenvoudigweg voor om de aan u gedane betalingen door klanten niet door te storten maar die integendeel, als een soort ‘borgsom’, achter de hand te houden. Het dient te worden opgemerkt dat de houding van het slachtoffer in casu geen enkele afbreuk doet aan de ernst van de door u gepleegde feiten. U had VII-41.037-4/8 uiteraard het recht niet om op deze manier de situatie ‘te willen oplossen’. Uw handelen doet ernstig twijfelen aan uw capaciteiten als bewakingsagent, dewelke op elk ogenblik loyaal en bonafide dient te zijn. U heeft een weinig integere houding aan de dag gelegd om op deze manier een eenvoudig burgerrechtelijk geschil te hebben willen oplossen. Daarnaast bepaalt de wet private veiligheid dat een bewakingsagent het nodige respect aan de dag moet leggen voor de grondrechten van de medeburgers (in casu het eigendomsrecht). Het (om welke reden dan ook) achterhouden van gelden die toebehoren aan de werkgever, maakt wel degelijk een huisdiefstal uit. Ook de rechtbank benadrukte dat de feiten getuigen van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van uw werkgever. Een bewakingsagent die het vertrouwen dermate heeft geschaad, kan onmogelijk nog genieten van het vertrouwen dat ik, in mijn hoedanigheid van Minister van Binnenlandse Zaken, in hem moet kunnen stellen en wordt niet langer in staat geacht om een functie als bewakingsagent correct en integer uit te oefenen. Elke persoon die tewerkgesteld wenst te worden binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid dient in elke situatie het nodige respect te vertonen ten overstaan van elk andere persoon. […] Uit bovenstaande blijkt dat de feit[en] bewezen zijn, en mij tevens zeer ernstig voorkomen. Bovendien is het vonnis van [zeer] recente datum

(2018)én kreeg u de maximumperiode van 5 jaar opgelegd. Tot slot wijs ik erop dat u reeds tot twee keer toe (in 2011 én 2014) het voorwerp uitmaakte van een veiligheidsonderzoek, die toen weliswaar op een voor u gunstige wijze werden afgerond. Blijkbaar heeft u uit deze ‘waarschuwingen’ onvoldoende lessen uit getrokken. Rekening houdend met het voorgaande ben ik dan ook van oordeel dat u actueel niet meer over de kenmerken beschikt die nochtans de kwaliteiten van een bewakingsagent bepalen. In dit dossier dien ik rekening te houden met de ernst van de weerhouden feiten en ben ik tevens van oordeel dat het algemeen belang primeert op uw individuele of financiële belangen. Het lijkt mij omwille van bovenvermelde redenen te risicovol om u (verder) toe te laten tot de delicate sector van de private en bijzondere veiligheid”. IV. Schorsingsvoorwaarden
  1. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-41.037-5/8 Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoeker
  2. In zijn verzoekschrift geeft verzoeker de volgende uiteenzetting omtrent de spoedeisendheid van de zaak: “Verzoeker kan ingevolge de bestreden beslissing geen enkele activiteit als bewakingsagent meer uitoefenen. Een behandeling van het beroep in de procedure tot nietigverklaring zou te laat komen om de schadelijke gevolgen, minstens een ernstig nadeel, van de bestreden beslissing te voorkomen. Verzoeker verliest omwille van de bestreden beslissing immers ten eerste inkomsten. Hierdoor worden zijn belangen rechtstreeks geschaad. Hij verliest tevens zijn functie bij de bewakingsondernemingen die voor hem een identificatiekaart hadden aangevraagd. Deze bewakingsondernemingen zullen hem bij gebrek aan identificatiekaart moeten vervangen. De verdere ontwikkeling van de loopbaan van verzoeker als bewakingsagent komt hierdoor ernstig in het gedrang. Het vinden van een nieuwe betrekking zal door de huidige omstandigheden (coronacrisis) immers zeer ernstig worden bemoeilijkt”. Beoordeling
  3. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. VII-41.037-6/8 Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een -voortdurende- tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
  4. De thans bestreden beslissing kan gewis een negatieve impact hebben op het inkomen van verzoeker. Echter blijkt uit de gegevens van de zaak dat hij in hoofdzaak een pensioen geniet als gewezen militair en dat de activiteiten als bewakingsagent slechts als bijverdienste worden uitgeoefend. Verzoeker toont niet op overtuigende wijze aan dat het financiële nadeel ten gevolge van de bestreden beslissing een zodanige nadelige impact heeft dat zonder uitstel uitspraak moet worden gedaan over de wettigheid van de bestreden bestuurshandeling. Evenmin kan worden aangenomen dat de vernietiging van de bestreden beslissing te laat zou komen opdat verzoeker terug zou kunnen solliciteren voor een functie bij een bewakingsonderneming.
  5. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet aangetoond.
  6. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-41.037-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.037-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.504 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.393 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.