← België

Arrest 251507 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.507 Rolnummer: A. 230677/VII-40818 Zaak: Arrest 251507 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-27 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 07:06 Fiche Arrest nr 251.507 van 16 september 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.507 van 16 september 2021 in de zaak A. 230.677/VII-40.818 In zake : Guido JACOBS woonplaats kiezend te 2140 Borgerhout Gitschotellei 327 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yana Paulovich kantoor houdend te 1050 Brussel Roger Lallemandlaan 13, bus 4 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Birgit Creemers kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 22 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0669 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 17 maart 2020 in de zaak 1819-RvVb-0519-A. VII-40.818-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 juli
  3. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. De stad Antwerpen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 januari
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 september
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt en advocaat Birgit Creemers, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.818-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Bij besluit van 13 december 2018 verleent de provincie Antwerpen aan de stad Antwerpen een omgevingsvergunning “voor de regularisatie van wijzigingen aan een buurtlokaal”. 3.
  8. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoeker tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Ontvankelijkheid van de tussenkomst van de stad Antwerpen Exceptie Guido Jacobs 4.
  9. Guido Jacobs argumenteert dat de stad Antwerpen eerder kennis had van het ingestelde cassatieberoep dan het schrijven die zij heeft ontvangen “waarbij zij, nadat de voorafgaande maatregelen waren uitgevoerd, nog zou zijn uitgenodigd om tussen te komen”. Het verzoek tot vrijwillige tussenkomst is bijgevolg “onontvankelijk wegens laattijdigheid”. Hij betoogt tevens dat het door de stad Antwerpen ingeroepen belang een onwettig belang is. Beoordeling 4.
  10. Het bestreden arrest verklaart het verzoek tot tussenkomst van de stad Antwerpen ontvankelijk. De stad Antwerpen is bijgevolg een bij de zaak voor de RvVb betrokken partij die bij toepassing van artikel 26 van het cassatieprocedurebesluit mag tussenkomen. Zij heeft zodoende het bij artikel 21bis van de gecoördineerde VII-40.818-3/16 wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) vereiste belang bij de oplossing van de zaak door de cassatierechter. 4.
  11. Overeenkomstig artikel 52, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State samengelezen met de artikelen 26, 41, 43 en 49 van het cassatieprocedurebesluit dient het verzoekschrift tot tussenkomst te worden ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de beschikking bedoeld in artikel 48 van het cassatieprocedurebesluit. Op verzoek van de auditeur-verslaggever werd op 15 december 2020 een afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid alsook van het verzoekschrift bezorgd aan de stad Antwerpen. Met een verzoekschrift van 11 januari 2021, verzoekt de stad Antwerpen erom in het aanhangig gemaakte geding te mogen tussenkomen. Het verzoek tot tussenkomst is derhalve tijdig ingediend. Het feit dat de stad Antwerpen voor de datum van 15 december 2020 feitelijke kennis had van het aanhangig gemaakte geding doet de in voormelde bepalingen van het cassatieprocedurebesluit bepaalde termijn om tussen te komen niet eerder ingaan. 4.
  12. De excepties van onontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst worden verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker 5.
  13. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), VII-40.818-4/16 de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het burgerlijk wetboek, de artikelen 4.2.14, § 2, en 5.1.3, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het derde middel van verzoeker waarin volgens verzoeker werd aangevoerd dat de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing uitspraak doet over een nieuwe functie wat niet het voorwerp is van de aanvraag, en wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de gemeente behoort. In de uiteenzetting van dat middel bij de RvVb heeft verzoeker, met verwijzing naar de concessieovereenkomst, aangevoerd dat er sprake is van een functiewijziging, en dat ten onrechte werd geoordeeld dat de functie in overeenstemming is met parkgebied. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de RvVb voorbij gaat aan de kritiek betreffende de bevoegdheid van de deputatie, en de kritiek dat de deputatie bij de toetsing aan de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming een verkeerde toepassing van de regelgeving heeft gemaakt. Door verzoekers kritiek te kwalificeren als kritiek op een ‘overtollig motief’ is de RvVb voorbijgegaan aan zijn rechtsbezwaren. Volgens verzoeker kan een motief maar als ‘overtollig’ worden aangemerkt indien wordt aangetoond dat het bestuur ook zonder dat motief tot dezelfde conclusie had moeten komen. Het betreft geen ‘overtollig’ motief. Er werd wel degelijk getoetst aan de gewestplanbestemming. Op grond van die toetsing werd beslist de vergunning onder welbepaalde voorwaarden te verlenen. De eindbeslissing werd gedetermineerd door die beoordeling. Omdat er bijgevolg geen sprake kan zijn van een ‘overtollig’ motief is er sprake van een gemis aan motivering. Verzoekers kritiek werd niet beantwoord. Er is ook sprake van een verkeerde kwalificatie van het begrip ‘overtollig motief’ en de bewijskracht van het deputatiebesluit werd miskend. VII-40.818-5/16 In een tweede middelonderdeel voert verzoeker vooreerst aan dat de RvVb de bewijskracht van de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing miskent. De nieuwe functies waarvan verzoeker in zijn verzoekschrift melding had gemaakt, zitten vervat in de concessieovereenkomst waar ook de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing naar verwijst. Ook in de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen zit de betreffende concessieovereenkomst vervat. De bewijskracht van die beslissing wordt eveneens miskend. Niet de burgerrechtelijke aspecten zijn aan de orde zoals de RvVb oordeelt, maar wel de nieuwe functies die de overheden aan de betrokken constructies toekenden en waarover werd geoordeeld. De RvVb heeft ook aan de concessieovereenkomst zelf een uitlegging gegeven die niet verenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen ervan. Uit de concessieovereenkomst blijken de nieuwe functies van de betrokken constructie, waar ook verzoeker in zijn kritiek op heeft gewezen. Er wordt door het bestreden arrest eveneens een verkeerde uitleg gegeven aan de bewoordingen van de bij de RvVb aangevoerde rechtskritiek. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de RvVb doet aan substitutie van motieven. De RvVb heeft namelijk de motieven van de bestreden vergunningsbeslissing vervangen door een eigen gedachtegang. De bestreden vergunningsbeslissing vermeldt dat de constructie in het vergunningenregister is opgenomen als een ‘kaartershuis voor senioren’, en gaat vervolgens met verwijzing naar de concessieovereenkomst uit van een nieuwe functie als ‘buurthuis’. Met betrekking tot die nieuwe functie wordt vermeld dat die nieuwe functie onder bepaalde voorwaarden verenigbaar kan worden geacht met de gewestplanbestemming van ‘parkgebied’. In zijn eigen gedachtegang heeft de RvVb het over een “huidige, eerder hedendaagse, invulling van het ‘buurtlokaal’” die moet worden beschouwd als in overeenstemming met de toenmalige functie onder de noemer van ‘ontspanningslokaal’. Aldus miskent de RvVb de bewijskracht van de bestreden vergunningsbeslissing. Tevens maakt de RvVb een verkeerde toepassing van de artikelen 5.1.3, § 2, VCRO en 4.2.14, § 2, VCRO met betrekking tot het vermoeden van vergunning, doordat het bestreden arrest in verhullende terminologie een ‘hedendaagse invulling’ als ‘buurtlokaal’, in overeenstemming acht met een niet benoemde ‘toenmalige functie’ onder de VII-40.818-6/16 noemer ‘ontspanningslokaal’ terwijl verzoeker er op had gewezen dat het begrip ‘functie’ moet gelezen worden in het licht van de betekenis die in de VCRO daaraan wordt gegeven (namelijk feitelijk gebruik). In een vierde middelonderdeel voert verzoeker strijdigheid van motieven aan. Het arrest stelt enerzijds dat de toetsing aan de gewestplanbestemming overbodig is om niet te moeten ingaan op de opgeworpen rechtsbezwaren, terwijl anderzijds wordt gesteld dat het wel degelijk relevant is te weten of het geheel nog bestaanbaar blijft met de gewestplanbestemming van parkgebied. Omdat de kritiek met betrekking tot de verkeerde toepassing van de regelgeving betreffende de toetsing aan de gewestplanbestemming niet beantwoord werd, is er ook een gemis aan motivering. Beoordeling 5.
  14. Uit artikel 14, § 2, RvS-wet volgt dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om uitspraak te doen over cassatieberoepen die worden ingesteld “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”. Het middel dat “onbevoegdheid”, “overschrijding van rechtsmacht” en “kwalificatie-fout” aanvoert, voert geen overtreding van de wet of de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen aan zoals vereist in voormelde wetsbepaling. Het middel dat “onbevoegdheid”, “overschrijding van rechtsmacht” en “kwalificatie-fout” aanvoert, is onontvankelijk. 5.
  15. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. VII-40.818-7/16 Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en artikel 6 EVRM zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen en beginselen schendt. Het middel dat een verkeerde toepassing van artikel 5.1.3, § 2, en 4.2.14, § 2, VCRO aanvoert, omschrijft niet duidelijk de geschonden rechtsregel in deze decretale bepalingen en zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest deze rechtsregels miskent. Het middel dat de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, artikel 6 EVRM en de artikelen 5.1.3, § 2, en 4.2.14, § 2, VCRO aanvoert, is onontvankelijk. 5.
  16. De Raad van State mag als cassatierechter niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen. Hij mag enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre verzoeker aanvoert dat de deputatie de vergunningsaanvraag wel heeft getoetst aan de gewestplanbestemming, op grond van die toetsing werd beslist de vergunning onder voorwaarden te verlenen, de vergunningsbeslissing gedetermineerd werd door die beoordeling, en verzoekers kritiek daarom niet kan worden verworpen als zijnde kritiek op een overtollig motief, noopt het middel de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van VII-40.818-8/16 de feitelijke beoordeling van de RvVb. Als cassatierechter is de Raad van State daartoe niet bevoegd en is het middel bijgevolg onontvankelijk. Het eerste middel, in zoverre ontvankelijk, wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden. 5.
  17. Wat betreft de stelling van verzoeker dat de RvVb door zijn kritiek te kwalificeren als kritiek op een ‘overtollig motief’ voorbijgaat aan zijn rechtsbezwaren, stelt de Raad van State vast dat het bestreden arrest bij de beoordeling van het derde middel verwijst naar de beoordeling van het tweede middel waar wordt overwogen “dat de verwerende partij de toets aan de gewestplanbestemming niet hoefde te doen voor het buurtlokaal waarop het vermoeden van vergunning rust. In dat licht bekeken is de gedane toets een overtollig motief”. Met dat oordeel geeft de RvVb aan dat het bestuur ook zonder dat motief tot dezelfde conclusie was gekomen voor wat het buurtlokaal betreft. De toetsing van de vergunningsaanvraag aan de gewestplanbestemming hoefde volgens de RvVb niet te gebeuren. In zoverre een ‘gemis aan motivering’ en de miskenning van de bewijskracht van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing wordt aangevoerd, mist het eerste middelonderdeel bijgevolg feitelijke grondslag. 5.
  18. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de RvVb die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet. Bij de beoordeling van het tweede middel stelt de RvVb vast dat in “het arrest van de [RvVb] van 10 maart 2020 met nummer RvVb-A-1920-0651 werd geoordeeld dat het college van burgemeester en schepenen redelijkerwijze VII-40.818-9/16 het vermoeden van vergunning heeft kunnen weerhouden met betrekking tot dit gebouw en de functie als ontspanningslokaal”, dat het “vermoeden van vergunning […] zowel op de constructie, meer bepaald op de oprichting als op de bestemming/functie [slaat] waarvoor het werd opgericht”, dat “de huidige, eerder hedendaagse, invulling van het ‘buurtlokaal’ moet beschouwd worden als in overeenstemming met de toenmalige functie, onder de noemer van ‘ontspanningslokaal’” en dat “[i]n de mate dat de verzoekende partij ter zake verwijst naar de inhoud van de concessieovereenkomst om daaruit de functie van het lokaal af te leiden, […] de Raad op[merkt] dat elke discussie over de omvang en naleving van de concessieovereenkomst een burgerrechtelijke aangelegenheid is waarover de Raad niet bevoegd is zich uit te spreken”. Bij de beoordeling van het derde middel verwijst de RvVb ter weerlegging van verzoekers kritiek in verband met een beweerde nieuwe functie naar de aangehaalde bespreking van het tweede middel, herhaalt de RvVb met betrekking tot de concessieovereenkomst dat “[w]at partijen in een concessieovereenkomst overeengekomen zijn evenals het al dan niet naleven van de hiermee samenhangende uitbatingsvoorwaarden […] een burgerrechtelijk aspect [betreft] waarover de Raad niet kan oordelen”. De RvVb oordeelt verder dat verzoeker “aldus niet gevolgd [kan] worden in [zijn] betoog dat er sprake is van een zonevreemde functiewijziging”. Deze beoordeling betreft de feitelijke en/of juridische gevolgen die de RvVb trekt uit de concessieovereenkomst en de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing die verwijst naar die concessieovereenkomst. De RvVb kan met deze beoordeling de bewijskracht van genoemde akten niet miskennen. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 5.
  19. Bij de beoordeling van het derde middel oordeelt de RvVb dat “[w]aar de verwerende partij in de bestreden beslissing de overeenstemming van de functie van het gebouw als buurthuis met de parkfunctie beoordeelt, moet vastgesteld worden dat de verwerende partij hier geen oordeel velt over een VII-40.818-10/16 ‘nieuwe functie’ of een vergunningsplichtige functiewijziging in de zin van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen […]”, maar dat zij wel “de verenigbaarheid [beoordeelt] van de functie van het gebouw met inbegrip van de te regulariseren luifel met de bestemming van het parkgebied, vertrekkende van het reeds vastgestelde vermoeden van vergunning voor zover de oprichting van het gebouw als de functie, met name als ontspanningslokaal”. Het derde middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest uitgaat van een nieuwe functie als buurthuis, mist feitelijke grondslag. Het derde middelonderdeel dat de schending van de bewijskracht van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing aanvoert, wordt om de in randnummer 5.
  20. aangevoerde reden verworpen. 5.
  21. Het bestreden arrest oordeelt: - enerzijds dat “de verwerende partij de toets aan de gewestplanbestemming niet hoefde te doen voor het buurtlokaal waarop het vermoeden van vergunning rust. In dat licht bekeken is de gedane toets een overtollig motief”, - anderzijds dat de toetsing van het geheel aan de gewestplanbestemming relevant is om “de aanbouw van de luifel als toebehoren bij een vergund geacht lokaal” te beoordelen. Door aldus een onderscheid te maken tussen de constructie waarop het vermoeden van vergunning rust, en de luifel als toebehoren bij die constructie, is het bestreden arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd. Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd. Het vierde middelonderdeel wordt verworpen. 5.
  22. Het eerste middel wordt verworpen. VII-40.818-11/16 B. Tweede middel Standpunt van verzoeker 5.
  23. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 6 EVRM, de rechten van verdediging, artikel 89 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVVb van het zevende middel dat verzoeker in de toelichtende nota bij de RvVb heeft opgeworpen, waarin hij erop heeft gewezen dat noch de formele vergunningsaanvraag noch het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos tijdens de inzage van het ‘e-dossier’ ter griffie beschikbaar waren. Volgens verzoeker zijn beide documenten determinerend voor de beoordeling van de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing. Verzoeker stelt dat de RvVb het middel van verzoeker verwerpt op grond van de motivering dat hij niet aanvoert dat het middel de openbare orde raakt, dat het middel niet werd ingeroepen in het inleidend verzoekschrift, dat verzoeker niet verantwoordt dat het ingeroepen middel hem niet bekend was op het ogenblik van het inleiden van de procedure, en dat het loutere feit dat hij pas lopende de procedure inzage nam van het elektronisch dossier niet aanvaard kan worden als nieuw gegeven. Verzoeker stelt dat de vaststelling van het ontbreken van stukken in het administratief dossier pas mogelijk is na het neerleggen ervan, en dus nadat het verzoekschrift al is ingediend. Inzage in het administratief dossier betreft een aspect van de rechten van verdediging en van het beginsel van de wapengelijkheid, en moet verzoeker de mogelijkheid bieden om met kennis van zaken het verzoekschrift, in het licht van het gevoerde verweer, verder toe te lichten en desnoods een nieuw middel te formuleren. Met de gegeven motivering beantwoordt de RvVb verzoekers grieven niet, en wordt een verkeerde uitleg gegeven aan de bewoordingen van het verzoekschrift. Het arrest is dan ook niet in rechte gemotiveerd. De motivering schendt eveneens de waarborgen op een eerlijk proces. VII-40.818-12/16 Beoordeling 5.
  24. In zoverre een schending wordt aangevoerd van artikel 89 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, laat verzoeker na de rechtsregel in deze bepaling duidelijk te omschrijven en uiteenzetten op welke wijze het bestreden arrest deze rechtsregel heeft miskend. In zoverre een schending van deze bepaling wordt aangevoerd, is het middel onontvankelijk. 5.
  25. De aangevoerde schending van de rechten van verdediging betrekt verzoeker op de aan hem verleende inzage van het administratief dossier. Het middel is in zoverre niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg onontvankelijk. 5.
  26. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “een verkeerde uitleg aan de bewoordingen in het aangevoerde middel van het verzoekschrift” geeft, gaat uit van een andere rechtsopvatting. VII-40.818-13/16 5.
  27. Het bestreden arrest verwerpt het zevende middel van verzoeker op volgende gronden: “Dit bijkomend zevende middel werd niet ingeroepen in het inleidend verzoekschrift. De Raad kan geen rekening houden met latere bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van de middelen zoals uiteengezet in een toelichtende nota, wanneer blijkt dat deze reeds in het inleidend verzoekschrift hadden kunnen verwoord worden en dus niet aangemerkt kunnen worden als nieuwe gegevens. De verzoekende partij stelt niet, noch verantwoordt op enige wijze, dat het nieuw ingeroepen middel haar niet bekend kon zijn op het ogenblik van het inleiden van de procedure. Het loutere feit dat ze pas lopende de procedure inzage nam het elektronisch dossier op de griffie kan niet aanvaard worden als ‘nieuw gegeven’. De verzoekende partij voert evenmin aan dat het nieuwe middel de openbare orde zou raken. Voor zover het middel de openbare orde zou raken, moet de Raad dit in voorkomend geval ambtshalve onderzoeken, tenzij het aanvoeren van dat middel door de verzoekende partij een duidelijke schending van de loyale procesvoering uitmaakt en als een substantiële tekortkoming moet beschouwd worden van het normale en behoorlijke verloop van het procedureverloop. De toelichtende nota, hoewel het een weerwoord bevat op wat de tussenkomende partij in haar schriftelijke uiteenzetting stelt, bevat ter zake geen verduidelijking van haar aanvankelijke middelen, maar wel een niet-geldige uitbreiding van het inleidend verzoekschrift. De Raad ziet ook geen reden om in dit verband zelf toepassing te maken van zijn ambtshalve bevoegdheden zoals voorzien in artikel 89 van het Procedurebesluit”. Het middel dat een gemis aan motivering aanvoert, mist feitelijke grondslag. 5.
  28. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “aldus motiverend, de waarborgen op een eerlijk proces” schendt, zet niet uiteen op welke wijze de verwerpingsmotieven het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 EVRM, miskennen. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 5.
  29. Het tweede middel wordt verworpen. VII-40.818-14/16 C. Derde middel Standpunt van verzoeker 5.
  30. Verzoeker voert “onbevoegdheid [aan] (samen gelezen met de schending van artikelen 42 en 57 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 - thans het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en de schending van het rechtstaatbeginsel en de notie van een eerlijk proces zoals o.m. vervat in artikel 6 EVRM”. Verzoeker zet uiteen dat de administratieve procedure met het oog op het verkrijgen van een omgevingsvergunning ter regularisatie van de bouwovertredingen van de stad Antwerpen, niet rechtsgeldig werd aangevat en gevoerd. Een formele regularisatieaanvraag van het daartoe bevoegde orgaan van de stad Antwerpen ontbreekt namelijk in het dossier. Bij gebrek aan een geldige aanvraag was de deputatie onbevoegd om een uitspraak te doen over een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning. De RvVb heeft nagelaten dit aspect te onderzoeken en om ambtshalve (de problematiek raakt immers de openbare orde) een middel daaromtrent op te werpen. Beoordeling 5.
  31. Verzoeker zet het middel voor het eerst uiteen in de toelichtende memorie. Hij toont niet aan dat hij dat niet in het verzoekschrift tot cassatie kon doen zoals vereist in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit. 5.
  32. Het middel is bijgevolg onontvankelijk. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-40.818-15/16
  34. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.818-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.507 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.