id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.518 Rolnummer: A. 234469/IX-9934 Zaak: Arrest 251518 - Examens (onderwijs) - 17/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 07:10 Fiche Arrest nr 251.518 van 17 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.518 van 17 september 2021 in de zaak A. 234.469/IX-9934 In zake: Roya MOHAMMADI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2021 waarbij het beroep van Roya Mohammadi ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 134 op 240 punten behaalde en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9934-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2021, om 11.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een IX-9934-2/22 onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2021 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2021). IX-9934-3/22 Luidens artikel 49 van dat reglement bestaat het examenonderdeel ‘generieke competenties’ uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. De desbetreffende proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “vragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. 3.
- Verzoekster neemt op 6 juli 2021 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 68 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 66 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 134 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 135 op 240 punten. De examencommissie besluit dat verzoekster niet gunstig gerangschikt is om te worden toegelaten tot de beoogde opleiding. 3.
- Verzoekster stelt op 30 juli 2021 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement 2021 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. IX-9934-4/22 Verzoekster vraagt in haar beroepschrift om vraag 2 van de CLEAR-toets en vraag 10 van de VAARDIG-toets “buiten beschouwing” te laten, haar voor die vragen “het maximum aantal punten” toe te kennen, haar vervolgens gunstig te rangschikken voor het toelatingsexamen en “zodoende te worden toegelaten tot de opleiding geneeskunde”. Zij voert daartoe aan (met weglating van de voetnoten): “
- De examencommissie schendt bij de redactie van het toelatingsexamen arts van 6 juli 2021 en bij de beoordeling van de antwoorden het zorgvuldigheids-, en redelijkheidsbeginsel en artikel 27, vierde lid, 1° Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts van 2 februari 2018 (hierna: het besluit), juncto artikel 49 en 52 Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021 (hierna: het reglement). De vragen 2 CLEAR en 10 VAARDIG zijn onzorgvuldig, c.q. onduidelijk en dubbelzinnig geformuleerd, zodat niet buiten elke redelijke twijfel kan worden bepaald welke antwoord als enige het (meest) juiste is. De beoordeling en het toegekende resultaat zijn kennelijk onredelijk. Vraag 2 CLEAR (stuk 2)
- Artikel 27, vierde lid, 1° van het besluit juncto artikel 49 en 52 van het reglement bepaalt dat er per vraag slechts één antwoordmogelijkheid correct is. Wat betreft de CLEAR-test stelt artikel 49 van het reglement het volgende: ‘Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.’
- De vragen moeten binnen een beperkte tijdsspanne van 2 minuten tot maximaal 2 minuten en 30 seconden worden beoordeeld (1 uur en 30 minuten voor 40 vragen). Dit eist des te meer dat de opgave en de antwoordmogelijkheden duidelijk en ondubbelzinnig zijn, zodat de examinandi op grond van alle relevante gegevens van de vraag en met in het achterhoofd de CLEAR-criteria, snel het meest correcte antwoord kunnen geven. Het intuïtief aanvoelen van de ‘kleur’ van de casus (opgave én antwoorden) speelt daarbij een rol. De antwoordmogelijkheden liggen neer in een geschreven tekst, hetgeen betekent dat de nuancering die zich onder meer uitdrukt in de intonatie van de mondelinge communicatie en in de non-verbale houding, niét in het antwoord kan worden weergegeven. IX-9934-5/22 Dit maakt het in principe onmogelijk om zonder meer te stellen dat één antwoord, i.c. het antwoord A, het meest voldoet aan de vraagstelling. Het [kan] niet boven elke redelijke twijfel worden vastgesteld dat het antwoord D niet de meest gewenste weg is om in de aangegeven hypothese tot de juiste communicatie te komen.
- In de casus wordt aangegeven dat de regels van de keuken vaker niet dan wel zijn nageleefd. Er is meermaals herhaald dat dit moet veranderen. Ook wordt Ilsan nu echt boos op hetzelfde moment dat Timur binnenkomt. De woorden ‘echt boos’ duiden hier op een spanningsveld binnen de situatie. Een hevige emotie zoals boosheid/woede zou in deze aanleiding kunnen geven tot een conflictscenario, in het kader van de CLEAR-principes moet men dit net vermijden.
- Antwoordmogelijkheid A: ‘Niet afgewassen ... daar word ik boos over ... hoe zit dat met onze afspraken?’ De reactie van Ilsan situeert zich in een context van een terugkomend probleem, en wekt boosheid/woede op. Het antwoord laat Ilsan uitdrukkelijk zijn boosheid/woede uitspreken: ‘daar word ik boos over’. Dit samen met het gegeven uit de tekst dat Ilsan echt boos is, kan dan worden gezien als heel confronterend en/of kwaad in het bijzijn van Raoul. Daardoor kan Timur een verdedigende houding aannemen. Een dergelijk antwoord zou in strijd zijn met de CLEAR-principes. De beletseltekens worden daarenboven ook in de context van de boosheid gezien en zouden daarbij ook meer aanleiding geven tot het creëren van een conflictsituatie. De kans om zo een constructief gesprek aan te gaan waarbij waardigheid bewaard blijft, is echter aanzienlijk minder dan bij een geheel open vraag (zoals antwoord D). Zodoende voldoet antwoord A in eerste instantie niet aan de vooropgestelde CLEAR-principes die deelnemers naar het meest juiste antwoord zouden moeten gidsen. Antwoord A sluit zo inhoudelijk niet, minstens niet op de meest evidente wijze aan op de objectief en neutraal gelezen vraagstelling. De vraag 2 bevat onduidelijkheid en dubbelzinnigheid. Opgave en antwoord moeten in de als geheel te lezen vraag correcter en nauwkeuriger op elkaar zijn afgestemd. De examenvragen moeten door de examencommissie echter op een zorgvuldige wijze worden opgesteld, ‘niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het werkingsreglement ‘toelatingsexamen arts en tandarts 2017’ slechts één correct antwoord kunnen krijgen.’
- De manier waarop verzoekende partij vraag 2 heeft gelezen, zoals supra uiteengezet, is rechtmatig. Zij maakt enkel gebruik van de bestaande gegevens in de tekst en de uitdrukkelijk geschetste context door de tekst zelf. Een element daarvan is het gebruik van het beletselteken in het antwoord A. Dit teken heeft meerdere functies […], hetgeen betekent dat het op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd in het spreken en het lezen. IX-9934-6/22 Dit schept een bijkomende verwarring, onduidelijkheid, dubbelzinnigheid in het antwoord. In de context van de aangegeven boosheid van Ilsan, is het voor de examinandus moeilijk om de tekens te lezen. De lezing van de verzoekende partij is per definitie even juist, dit is aansluitend bij de vraagstelling als deze van de redacteur van de vraag. Om die reden wijst de verzoekende partij op de kleur die elk woord en elk teken van een geschreven tekst in haar geheel krijgt.
- Antwoordmogelijkheid D: ‘Waarom kom jij onze afspraken over de keuken niet na?’ Het antwoord wordt gezien als een oprechte en directe bevraging in open vorm van de houding van Timur, met name waarom hij de afspraken opnieuw niet is nagekomen. Het antwoord biedt aan Timur de ruimte en de mogelijkheid om zichzelf te verantwoorden of zijn standpunt te delen zonder enige ‘confrontatie’ zoals in antwoord A. Zo kan het een constructief gesprek worden dat de verstandhouding zal bevorderen. Dit antwoord D sluit niet uit dat emoties besproken kunnen worden, er is ruimte en geduld om dit later indien gewenst nog te doen. Hiermee wordt antwoord D gezien als het antwoord dat het meeste kans biedt op een constructief gesprek conform de CLEAR-principes. Ook in de hypothese dat antwoordmogelijkheid A voldoende pertinentie in zich zou dragen, valt het nog niet redelijk in te zien, zoals uiteengezet, waarom antwoordmogelijkheid D als minder aansluitend bij de vraagstelling moet worden beschouwd. Het verwerpen van het antwoord D is kennelijk onredelijk, het miskent de onzorgvuldigheid van de vraagstelling en van de legitimiteit van het gegeven antwoord. Vraag 10 VAARDIG (stuk 3)
- De vraag kan niet als valabel worden beschouwd door het gebrek aan concrete gegevens. Men kan niet alleen op basis van het evenveel vertoeven [in] de buitenlucht besluiten dat een groep in vergelijking met de andere groep een gemiddelde behoefte heeft die hoger ligt. Er zijn namelijk meer gegevens nodig over de groep mensen om een concreet antwoord te concluderen, zoals het geslacht, de leeftijd, het aantal personen in een groep, de genexpressie en of er eventueel aandoeningen zijn met mogelijke invloed op de aanmaak van vitamine D. Het gebrek aan gegevens creëert dubbelzinnigheid. De formulering van de vraag is bovendien onduidelijk en dubbelzinnig, Hoe en op basis van welke criteria de mensen in de categorieën ‘donkere huidskleur’ en ‘blekere huidskleur’ worden geclassificeerd is ongekend. En waar zou men de kinderen van ‘donkere’ en ‘blekere’ ouders classificeren? De vraag zou onomstotelijk zijn moest er een onderscheid zijn op basis van de verschillende huidtypen (bijvoorbeeld huidtype 1 in vergelijking met huidtype 6). Ook zijn er meer gegevens nodig over de groepen mensen in een populatie. Op basis van de gegeven informatie kan men enkel speculeren welk antwoord juist is. Speculatie brengt derhalve ook dubbelzinnigheid met zich mee. De examenvragen moeten echter op een zorgvuldige wijze worden opgesteld, ‘niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het IX-9934-7/22 werkingsreglement ‘toelatingsexamen arts en tandarts 2017’ slechts één correct antwoord kunnen krijgen.’ De examencommissie zondigt tegen deze zorgvuldigheidsnorm. Besluit Voor wat betreft vraag 2 CLEAR De examencommissie schendt bij de redactie van het examen en bij de beoordeling van het antwoord het zorgvuldigheids-, en redelijkheidsbeginsel en artikel 27, vierde lid, 1° Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts van 2 februari 2018, juncto artikel 49 en 52 Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021: - Doordat het antwoord A de CLEAR-principes schendt. Dit antwoord bezit geen pertinentie als het meest aansluitend bij de vraagstelling. - Doordat er niet slechts één antwoord als (meest) juist kan worden aangeduid. In dit geval kan in redelijkheid niet worden gezegd waarom antwoord D niet als meest passende antwoordmogelijkheid kan worden beschouwd. - Doordat de verantwoorde en legitieme wijze waarop de verzoekende partij de vraag heeft beantwoord de onduidelijkheid en dubbelzinnigheid van de vraag aantoont. In casu baseerde verzoekende partij zich enkel op de beschikbare gegevens uit de tekst. Voor wat betreft vraag 10 VAARDIG De examencommissie schendt bij de redactie van het examen dezelfde beginselen en bepalingen: - Doordat het onmogelijk is om op basis van de opgegeven gegevens één van de vier antwoordmogelijkheden te kiezen. In casu kan de vraag niet worden opgelost op basis van de beschikbare gegevens. Men kan niet alleen op basis van het evenveel vertoeven [in] de buitenlucht besluiten dat een groep in vergelijking met de andere groep een gemiddelde behoefte heeft die hoger ligt. Bijkomende informatie is noodzakelijk om de vraag correct en vlot op te lossen. Het gebrek hieraan zorgt voor onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en zodoende gerede twijfel in hoofde van verzoekende partij. - Doordat de vraag niet duidelijk is en dubbelzinnigheid met zich meebrengt. In casu wordt geen onderscheid gemaakt op basis van huid- typen. Het is vervolgens onduidelijk hoe en op basis van welke criteria mensen in de categorieën ‘donkere huidskleur’ en ‘bleke huidskleur’ worden ingedeeld. Dergelijke informatie is noodzakelijk om een correct en vlot antwoord te geven zonder dat er een gerede twijfel ontstaat in hoofde van verzoekende partij.” 3.
- Op 25 augustus 2021 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij een score van 134 op 240 punten behaalt en niet gunstig gerangschikt is, wordt bevestigd. IX-9934-8/22 Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De beroepsinstantie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. U motiveert uw beroep ten gronde met argumenten die de exameninhoud betreffen van het onderdeel Generieke competenties. U formuleert met name inhoudelijke argumenten ten aanzien van vraag 2 uit CLEAR en vraag 10 uit VAARDIG. De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen in vraag stelt, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen. Vervolgens wijst de beroepsinstantie erop dat de CLEAR-toets een specifiek format volgt. Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling. Ook het Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021 geeft duidelijk aan dat er bij CLEAR slechts één juist antwoord is. Artikel 49 van het Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021 bepaalt met name […]: CLEAR (…) De deelnemers krijgen 15 vragen. Sommige vragen vertrekken van een situatie waarmee een adolescent in aanraking kan komen, bijvoorbeeld in familie- of vriendenkring, in schoolverband, tijdens een stage of studentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub. Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts IX-9934-9/22 één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling. Een laatste algemene opmerking betreft de vermeende willekeur van de CLEAR-toets. Het is er de examencommissie niet om te doen om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is. Met deze overwegingen als achtergrond gaat de beroepsinstantie dieper in op de inhoudelijke argumenten bij de vragen die u betwist. Voor elke betwiste vraag wordt uiteengezet waarom het door de examencommissie aangeduide juiste antwoord inderdaad het best beantwoordt aan de vraagstelling en waarom de andere antwoordmogelijkheden, inclusief het door de deelnemer gekozen antwoord, fout zijn. De beroepsinstantie komt na onderzoek van de betwiste vragen tot de hiernavolgende conclusie. Vraag 2 CLEAR: Hieronder vindt u de casus met alle antwoordmogelijkheden. Antwoord D is het juiste antwoord. Een groep vrienden heeft samen een studentenwoning gehuurd. Samen vormen ze een gezellige bende en zorgen ze voor de nodige ontspannende momenten terwijl ze elkaar ook steunen in de studies. Timur is de grappigste van de groep en tegelijk is hij ook begaan met iedereen. Aan het begin van het academiejaar hebben ze goede afspraken gemaakt om de gemeenschappelijke ruimtes en vooral de keuken netjes te houden. Maar de goede voornemens worden niet altijd in de praktijk gebracht. Het gebeurt wel vaker dat gebruikte borden en bestek gewoon op het keukenblad blijven staan. Het is al meermaals herhaald dat dit moet veranderen. Ilsan en Raoul hebben er een zware dag op zitten met trainingen in hun sportopleiding en willen nu rustig het avondmaal klaarmaken. Maar voor ze daaraan kunnen beginnen zijn ze verplicht om eerst nog de afwas te doen, restanten van de maaltijd die Timur en enkele van zijn klasgenoten vroeger op de avond hebben genuttigd. Ilsan wordt nu echt boos. Timur komt net met een kwinkslag de keuken binnen. Met welke reactie maakt Ilsan het meest kans op een constructief gesprek? A. Waarom kom jij onze afspraken over de keuken niet na? IX-9934-10/22 Kritiek op de persoon (‘jij’) is niet constructief om een open gesprek over de situatie in de keuken aan te gaan. De ‘waarom vraag’ komt ook beschuldigend over. B. Met grappen en grollen maak je onze irritatie over de vuile troep niet ongedaan! Richt zich niet op starten van een constructief gesprek over de situatie in de keuken. Dit is eerder een ‘kwinkslag’ C. Is dat de manier waarop je onze vriendschap ziet? Deze reactie is persoonsgericht in plaats van de focus op storend gedrag te leggen. Daardoor minder uitnodigend voor een constructief gesprek. D. Niet afgewassen... daar word ik boos over... hoe zit dat met onze afspraken? Reactie die zich richt op het storend gedrag en zijn impact en opent de deur naar een constructief gesprek over de samen gemaakte afspraken. Vertrekt ook vanuit het eigen perspectief in plaats van de andere te beschuldigen. De deelnemer schuift ‘Waarom kom jij onze afspraken over de keuken niet na?’ naar voor als juist antwoord. Een waarom-vraag blijft evenwel niet bij de feiten en gaat ervan uit dat er een reden is voor het gedrag, in casu het niet nakomen van de afspraken. Dit wordt in de communicatieleer beschouwd als riskant, in zoverre zulke vraag als beschuldigend of kwetsend ervaren wordt. De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft. Vraag 10 VAARDIG: U geeft aan dat de vraag onvoldoende informatie bevat om deze vraag te beantwoorden. Het klopt dat verschillende factoren een impact kunnen hebben [op] de individuele leden van deze populatie. De vraag peilt echter eenvoudigweg naar een algemene trend: welk effect heeft huidskleur op de nood aan vitamine D? Het precieze huidtype is hier bijvoorbeeld dan ook niet relevant voor het beantwoorden van de vraag. Net zoals bij alle andere vragen geldt ook hier dat men enkel rekening dient te houden met de informatie die gegeven wordt in de tekst. Enerzijds wordt aangegeven dat ‘hoe donkerder de huid, hoe moeilijker het UV-licht in de huid doordringt’, anderzijds wordt aangegeven dat UV-licht nodig is om zelf vitamine D aan te maken. Hieruit blijkt dat mensen met een donkerdere huidskleur in vergelijking met mensen met een blekere huidskleur minder vitamine [D] aanmaken in de huid en dus meer vitamine D zullen moeten innemen. Dit impliceert dat hun nood aan vitamine D hoger is, en dus dat zowel de gemiddelde behoefte aan vitamine D als de aanbevolen hoeveelheid vitamine D hoger liggen. De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft. De beroepsinstantie stelt vast dat de deelnemer er niet in slaagt om de validiteit van de aangehaalde vragen in vraag te stellen. De beroepsinstantie besluit dat de betrokken examenvragen wel degelijk zorgvuldig en eenduidig zijn opgesteld en slechts één juist antwoord hebben. Het examen werd aldus op een zorgvuldige manier opgesteld en geëvalueerd. Er is geen sprake van enige IX-9934-11/22 schending van het zorgvuldigheids- of het redelijkheidsbeginsel, noch van een schending van artikel 27, vierde lid, 1° Besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts juncto artikel 49 en 52 Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts
- Het middel is ongegrond.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van artikel 27, vierde lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018), juncto de artikelen 49 en 52 van het werkings- en examenreglement 2021, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster bekritiseert vraag 2 van de CLEAR-toets en vraag 10 van de VAARDIG-toets. IX-9934-12/22 Zelf vat zij in haar inleidend verzoekschrift haar kritiek op voormelde examenvragen als volgt samen: “Besluit voor wat betreft vraag 2 CLEAR
- De bestreden beslissing schendt de gezegde wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur: - Doordat het antwoord A de CLEAR-principes schendt. Dit antwoord bezit geen pertinentie als het meest aansluitend bij de vraagstelling. - Doordat er niet slechts één antwoord als (meest) juist kan worden aangeduid. In dit geval kan in redelijkheid niet worden gezegd waarom antwoord D niet als meest passende antwoordmogelijkheid kan worden beschouwd. - Doordat de verantwoorde en legitieme wijze waarop de verzoekende partij de vraag heeft beantwoord de onduidelijkheid en dubbelzinnigheid van de vraag aantoont. I.c. baseerde verzoekende partij zich enkel op de beschikbare gegevens uit de tekst. - Doordat de motieven de beslissing inhoudelijk niet kunnen dragen en de motieven van het beroepschrift niet afdoende weerleggen. - Doordat de beslissing niet steunt op een zorgvuldig onderzoek van de examenvraag en het antwoord, en in redelijkheid niet tot het afwijzen van het antwoord van de verzoekende partij kan leiden. Besluit voor wat betreft vraag 10 VAARDIG
- De bestreden beslissing schendt de gezegde wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur: - Doordat het onmogelijk is om op basis van de opgave één van de vier antwoordmogelijkheden te kiezen. I.c. kan de vraag niet worden opgelost op basis van de beschikbare gegevens. Men kan niet alleen op basis van het evenveel vertoeven [in] de buitenlucht besluiten dat een groep in vergelijking met de andere groep een gemiddelde behoefte heeft die hoger ligt. Bijkomende informatie is noodzakelijk om de vraag correct en vlot op te lossen. Het gebrek hieraan zorgt voor onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en zodoende gerede twijfel in hoofde van verzoekende partij. - Doordat de vraag niet duidelijk is en dubbelzinnigheid met zich meebrengt. I.c. wordt geen onderscheid gemaakt op basis van huidtypen. Het is vervolgens onduidelijk hoe en op basis van welke criteria mensen in de categorieën ‘donkere huidskleur’ en ‘bleke huidskleur’ worden ingedeeld. Dergelijke informatie is noodzakelijk om een correct en vlot antwoord te geven zonder dat er een gerede twijfel ontstaat in hoofde van verzoekende partij. - Doordat de examencommissie na afloop van het examen van mening is dat er toevoegingen dienen te gebeuren aan de vraagstelling: ‘De vraag peilt echter eenvoudigweg naar een algemene trend’. In de opgave wordt hoegenaamd geen melding gemaakt van een peiling naar een algemene tendens. De examencommissie als beroepsinstantie vermeldt echter uitdrukkelijk dat dit wel het doel was. Tevens wordt uitdrukkelijk vermeld dat studenten diepgaander moeten redeneren. IX-9934-13/22 - Doordat de motieven de beslissing inhoudelijk niet kunnen dragen en de motieven van het beroepsschrift niet afdoende weerleggen. - Doordat de beslissing niet steunt op een zorgvuldig onderzoek van de examenvraag en het antwoord, en in redelijkheid niet tot het afwijzen van het antwoord van de verzoekende partij kan leiden.” Beoordeling
- Verzoekster betwist de geldigheid van twee vragen van het examenonderdeel ‘generieke competenties’ van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 6 juli 2021, namelijk vraag 2 van de CLEAR-toets en vraag 10 van de VAARDIG-toets.
- Er dient vooreerst op te worden gewezen dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de examencommissie. Zo mag hij, onder meer, niet in de plaats van de examencommissie oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie. Hij mag enkel nagaan of de examencommissie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
- Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het besluit van de IX-9934-14/22 Vlaamse Regering van 2 februari 2018 en in het werkings- en examenreglement 2021, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. Wil verzoekster dit vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. 9.
- Vraag 2 van de CLEAR-toets luidt: “Een groep vrienden heeft samen een studentenwoning gehuurd. Samen vormen ze een gezellige bende en zorgen ze voor de nodige ontspannende momenten terwijl ze elkaar ook steunen in de studies. Timur is de grappigste van de groep en tegelijk is hij ook begaan met iedereen. Aan het begin van het academiejaar hebben ze goede afspraken gemaakt om de gemeenschappelijke ruimtes en vooral de keuken netjes te houden. Maar de goede voornemens worden niet altijd in de praktijk gebracht. Het gebeurt wel vaker dat gebruikte borden en bestek gewoon op het keukenblad blijven staan. Het is al meermaals herhaald dat dit moet veranderen. Ilsan en Raoul hebben er een zware dag op zitten met trainingen in hun sportopleiding en willen nu rustig het avondmaal klaarmaken. Maar voor ze daaraan kunnen beginnen zijn ze verplicht om eerst nog de afwas te doen, restanten van de maaltijd die Timur en enkele van zijn klasgenoten vroeger op de avond hebben genuttigd. Ilsan wordt nu echt boos. Timur komt net met een kwinkslag de keuken binnen. Met welke reactie maakt Ilsan het meest kans op een constructief gesprek? Antwoord ‘Niet afgewassen … daar word ik boos over … hoe zit dat met onze afspraken?’ ‘Is dat de manier waarop je onze vriendschap ziet?’ ‘Met grappen en grollen maak je onze irritatie over de vuile troep niet ongedaan!’ ‘Waarom kom jij onze afspraken over de keuken niet na?’” Volgens de correctiesleutel van de examencommissie is het eerste antwoord het juiste antwoord. 9.
- Verzoekster heeft haar kritiek op deze vraag, namelijk dat ze onduidelijk is en niet toelaat met zekerheid uit te maken of het eerste antwoord wel IX-9934-15/22 het juiste antwoord is, al in een eerdere fase van het geschil aan de beroepsinstantie voorgelegd. De beroepsinstantie heeft er in de bestreden beslissing al op gewezen dat “de CLEAR-toets een specifiek format volgt. Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling”. De beroepsinstantie heeft daaraan toegevoegd dat het “de examencommissie [er] niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn IX-9934-16/22 vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is”. 9.
- Met voorgaande overwegingen “als achtergrond” heeft de beroepsinstantie voor het eerste zo-even vermelde antwoord aangegeven waarom het juist is en voor de andere antwoorden waarom ze als fout moeten worden aangerekend. Wat het eerste – als ‘juist’ aangemerkte – antwoord betreft, heeft de beroepsinstantie overwogen wat volgt: “Reactie die zich richt op het storend gedrag en zijn impact en opent de deur naar een constructief gesprek over de samen gemaakte afspraken. Vertrekt ook vanuit het eigen perspectief in plaats van de andere te beschuldigen.” Over het antwoord dat verzoekster op het examen als ‘juist’ had aangeduid – “Waarom kom jij onze afspraken over de keuken niet na?” – heeft de beroepsinstantie toegelicht wat volgt: “Kritiek op de persoon (‘jij’) is niet constructief om een open gesprek over de situatie in de keuken aan te gaan. De ‘waarom vraag’ komt ook beschuldigend over.” En voorts nog: “Een waarom-vraag blijft evenwel niet bij de feiten en gaat ervan uit dat er een reden is voor het gedrag, in casu het niet nakomen van de afspraken. Dit wordt in de communicatieleer beschouwd als riskant, in zoverre zulke vraag als beschuldigend of kwetsend ervaren wordt.” 9.
- Die zienswijze van de beroepsinstantie is op het eerste gezicht niet onredelijk te noemen. IX-9934-17/22 Verzoekster toont alvast het tegendeel niet aan. Zij betoogt alleen dat in de bestreden beslissing “concrete gegevens” ontbreken ter staving van de stelling dat de door haar aangestipte reactie in de communicatieleer als riskant wordt beschouwd omdat de desbetreffende vraag als beschuldigend of kwetsend wordt ervaren. Daarmee lijkt verzoekster op zoek te zijn naar de motieven van de motieven. Zij kan daarvoor evenwel geen steun vinden in de door haar als geschonden aangevoerde bepalingen en beginselen. 9.
- Verzoekster grijpt voorts vooral de in de opgave vermelde “boosheid” van één van de personages van de casus aan om het antwoord van de beroepsinstantie op de korrel te nemen. In tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, lijkt haar opvatting daarover in de bestreden beslissing wel degelijk te zijn ontmoet én ontkracht. De beroepsinstantie heeft er immers op gewezen dat het feit dat deze ‘boze’ reactie “vanuit het eigen perspectief” vertrekt “in plaats van de andere te beschuldigen” – dit laatste gebeurt volgens de beroepsinstantie in de reactie die door verzoekster wordt voorgestaan – “het meest kans” biedt op een constructief gesprek. Bovendien lijkt verzoekster uit het oog te verliezen dat de zogenaamde boosheid in de casus zelf is verwerkt – niet in het antwoord alleen – en derhalve (mede) het uitgangspunt van het antwoord dient te vormen. De casus en de feitelijkheden die erin zijn opgenomen, lijken dan weer bezwaarlijk zelf in strijd te kunnen zijn met de zogenaamde CLEAR-principes. 9.
- Verzoekster betoogt wel, maar toont op het eerste gezicht niet aan waarom de “beletseltekens” in het door de examencommissie als ‘juist’ aangemerkte antwoord “meer aanleiding [zouden] geven tot het creëren van een conflictsituatie”. IX-9934-18/22 Evenmin slaagt verzoekster erin, zo lijkt, ervan te overtuigen dat het gebruik van deze tekens “verwarring, onduidelijkheid, dubbelzinnigheid” zou teweegbrengen. Waarom er “[i]n de context van de aangegeven boosheid” een andere betekenis aan zou moeten of kunnen worden gegeven dan een voor de hand liggende pauze tussen de verschillende frasen, maakt zij niet duidelijk. Door er een andere betekenis aan te geven, lijkt zij op grond van een ongeoorloofde assumptie een eigen, subjectieve invulling aan de casus te geven. 9.
- In de bestreden beslissing is, zoals sub 9.3 vermeld, ook verduidelijkt waarom het door verzoekster aangeduide antwoord niet constructief is, beschuldigend werkt en dus niet “het meest kans” biedt op een constructief gesprek over de situatie. Daaruit volgt op het eerste gezicht dat het wel degelijk “minder aansluitend” is bij de vraagstelling. Daarmee lijkt de argumentatie van verzoekster daaromtrent voldoende weerlegd. Verzoekster slaagt er prima facie niet in van enige onredelijkheid of onzorgvuldigheid te overtuigen. 9.
- Verzoekster kan het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie en in het bijzonder van de experten inzake communicatie op het eerste gezicht niet aan het wankelen brengen door de verklaringen voor te leggen van drie artsen die haar stelling delen. Die verklaringen wijzen er hoogstens op, zo lijkt, dat leken inzake communicatie een andere mening toegedaan kunnen zijn, maar niet dat het oordeel van de experten inzake communicatie onjuist of onzorgvuldig zou zijn, laat staan dat de beslissing van de beroepsinstantie op dat vlak onredelijk zou zijn. 10.
- Wat vraag 10 van de VAARDIG-toets betreft, heeft verzoekster haar kritiek ook al aan de beroepsinstantie voorgelegd. IX-9934-19/22 Die heeft daarop geantwoord als volgt: “Het klopt dat verschillende factoren een impact kunnen hebben [op] de individuele leden van deze populatie. De vraag peilt echter eenvoudigweg naar een algemene trend: welk effect heeft huidskleur op de nood aan vitamine D? Het precieze huidtype is hier bijvoorbeeld dan ook niet relevant voor het beantwoorden van de vraag. Net zoals bij alle andere vragen geldt ook hier dat men enkel rekening dient te houden met de informatie die gegeven wordt in de tekst. Enerzijds wordt aangegeven dat ‘hoe donkerder de huid, hoe moeilijker het UV-licht in de huid doordringt’, anderzijds wordt aangegeven dat UV-licht nodig is om zelf vitamine D aan te maken. Hieruit blijkt dat mensen met een donkerdere huidskleur in vergelijking met mensen met een blekere huidskleur minder vitamine [D] aanmaken in de huid en dus meer vitamine D zullen moeten innemen. Dit impliceert dat hun nood aan vitamine D hoger is, en dus dat zowel de gemiddelde behoefte aan vitamine D als de aanbevolen hoeveelheid vitamine D hoger liggen.” 10.
- Die motivering weerlegt verzoekster niet door te stellen dat uit de opgave niet duidelijk blijkt dat slechts naar een “algemene tendens” wordt gepeild. Wat relevant is, zo lijkt, is of de betwiste vraag ondubbelzinnig oplosbaar is op grond van de gegevens die in de opgave ter beschikking zijn gesteld. Als de kritiek van verzoekster zo moet worden begrepen dat voor een diepgaandere analyse méér gegevens hadden moeten worden verstrekt, dan had die vaststelling voor haar het signaal moeten zijn dat geen diepgaandere analyse werd verwacht, maar – zoals in de bestreden beslissing wordt aangegeven – slechts naar een “algemene trend” werd gepeild. Verzoekster laat in haar bezwaarschrift bij de beroepsinstantie en haar verzoekschrift voor de Raad van State blijken er goed van op de hoogte te zijn dat de vragen van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts moeten kunnen worden opgelost aan de hand van de in de opgave verstrekte gegevens en dat slechts één antwoord ‘juist’ kan zijn. Zij moest dan ook weten dat zij geen bijkomende veronderstellingen te IX-9934-20/22 maken had en geen extra informatie nodig had voor het beantwoorden van deze vraag. Verzoekster lijkt derhalve voor deze examenvraag te zijn vertrokken van de verkeerde vooronderstelling dat van haar een diepgaandere analyse werd verwacht. Zij weerlegt in de huidige stand van de rechtspleging niet dat de vraag wel degelijk oplosbaar was met de gegevens die voorhanden waren. Zij beweert overigens niet dat het door de examencommissie als ‘juist’ beschouwde antwoord, fout zou zijn. 10.
- Verzoekster stelt dat het van onzorgvuldigheid getuigt dat niet werd gemeld dat alleen naar een “algemene tendens” werd gepeild. Zoals zo-even vermeld, overtuigt zij op dat vlak op het eerste gezicht niet.
- Het enige middel is in genen dele ernstig.
- Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9934-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9934-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.518 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.