id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.564 Rolnummer: A. 234507/IX-9939 Zaak: Arrest 251564 - Examens (onderwijs) - 21/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-21 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 07:29 Fiche Arrest nr 251.564 van 21 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.564 van 21 september 2021 in de zaak A. 234.507/IX-9939 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2021 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij 149 op 240 punten behaalde en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9939-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2021, om 12.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en IX-9939-2/11 wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2021 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2021). IX-9939-3/11 Luidens artikel 49 van dat reglement bestaat het examenonderdeel ‘generieke competenties’ uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. De desbetreffende proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “vragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. 3.
- Verzoekster neemt op 6 juli 2021 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 93 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 56 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 149 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 135 op 240 punten. Verzoekster behaalt evenwel niet de helft van de punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en is dus niet geslaagd. 3.
- Verzoekster stelt op 30 juli 2021 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement 2021 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. IX-9939-4/11 Verzoekster voert in haar beroepschrift verscheidene argumenten aan. Zij betwist onder meer examenvraag 12 van het examenonderdeel ‘CLEAR’. Zij voert in dat verband aan wat volgt: “Vraag 12: eigen gevoel Deze vraag vraagt welke van de volgende uitspraken enkel een eigen gevoel weergeeft? Jaloezie of ijverzucht is een gemoedstoestand of emotie waarbij men datgene wenst te krijgen wat een ander reeds heeft gekregen, of wenst dat de ander datgene niet had. Dit kan zowel om materie, eigenschappen als om relaties gaan. (voetnoot 2: https://nl.wikipedia.org/wiki/Jaloezie_(gevoel)) Zo lezen we ook in ‘Book Two of Aristotle’s ‘Rhetoric’: This theory says that the emotions are: • Anger, opposite calmness (not feeling excited) • Friendship, is where people have a bond of joy and will come together and have fun • Fear, opposite courage (having courage in the face of fear) • Shame, opposite confidence (shame: how one feels about one’s past bad actions or thoughts; shamelessness: one does not feel shame, but others think one should) • Kindness (benevolence), opposite cruelty (kindness: when people are good to other people) • Pity (when people feel sorry for other people) • Indignation (feeling angry because something is not fair, such as unde- served bad fortune) • Envy, jealousy (pain when people have something that one wishes for oneself) Emoties en gevoelens worden vaak door elkaar gebruikt. Het is makkelijk ze te verwisselen en dat is best verwarrend. Ondanks hun sterke verwantschap is er een verschil tussen emoties en gevoelens. Gevoel in psychologische zin is een innerlijke (positieve of negatieve) beleving van een bepaalde gebeurtenis. Dit kan een specifieke externe prikkel uit de omgeving zijn, maar ook een interne gebeurtenis zoals een gedachte of een beeld dat wij in ons oproepen. Een gevoel kan echter ook ‘spontaan’ optreden, zoals bij een bepaalde stemming. Een gevoel is wel omschreven als de bewuste reflectie van een emotie. Of, anders gezegd: het is de expliciete beleving van de lichamelijke reacties die tijdens een emotie automatisch worden opgeroepen. Vermoedelijk treden gevoelens (volgens deze definitie) vooral op bij mensen, omdat zij beschikken over een sterk ontwikkelde prefrontale cortex. Dit gebied in de hersenen lijkt vooral een rol te spelen bij de bewuste beleving van prikkels uit de omgeving, waaronder dus ook affectieve prikkels. Men vermoedt dat hierbij een circuit in de hersenen betrokken is, dat loopt van limbisch systeem naar de prefrontale cortex. (voetnoot 3: nl.wikipedia.org/wiki/Gevoel) IX-9939-5/11 Dit wil zeggen dat gevoel kan opgeroepen worden zowel door externe prikkels bv je niet goed voelen in een groep als wel een interne prikkels. Dit wil zeggen dat de drie overige antwoorden van deze vraag als correct zouden kunnen beoordeeld worden. Het ‘juiste’ antwoord ‘ik ben jaloers’ is geen gevoel maar een emotie wat verwarring zaaide en zou dus niet juist mogen zijn waar de andere antwoorden echt verwijzen naar een eigen gevoel.” 3.
- Op 25 augustus 2021 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing over haar niet-slagen, wordt bevestigd. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het eerste en het tweede middel 5.
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, “[d]oordat verzoekster mag verwachten dat er een pertinent antwoord volgt op haar ernstige grieven zoals zij deze heeft geformuleerd in het kader van haar beroep en verzoekster tevens mag verwachten dat een beslissing wordt gebaseerd op correcte feiten”, “[t]erwijl de bestreden IX-9939-6/11 beslissing op een cruciale grief van verzoekster in het geheel geen afdoende antwoord geeft”. Verzoekster stelt dat haar beroep bij de beroepsinstantie “als voornaamste voorwerp” had, “de bezwaren die zij had over 6 van de 15 CLEAR-vragen, nl. de vragen 1, 2, 6, 10, 12 en 14”. Zij erkent vervolgens dat “voor de meeste vragen een gedetailleerd antwoord gegeven werd in de bestreden beslissing”. Verzoekster is echter van oordeel dat haar grieven met betrekking tot vraag 12 van het examenonderdeel ‘CLEAR’ “compleet onbesproken” zijn gebleven. Zij wijst erop te hebben uiteengezet dat ‘jaloezie’ geen gevoel, maar een emotie is en dat het door de examencommissie als ‘juist’ aangemerkte antwoord – “ik ben jaloers” – dus onmogelijk correct kon zijn. De beroepsinstantie heeft deze argumentatie volledig genegeerd; er wordt in de bestreden beslissing alleen verwezen naar de vraag en gesteld dat deze eenduidig is. Daarmee wordt het aangevoerde argument niet weerlegd. 5.
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster doet in dat verband gelden dat, wanneer zou worden aangenomen dat de beroepsinstantie haar grief omtrent vraag 12 van het examenonderdeel ‘CLEAR’ wel degelijk heeft ontmoet, dit antwoord “niet correct is en de beslissing bijgevolg niet kan dragen”. De beroepsinstantie “poneert” volgens haar “iets” “zonder enige gegronde motivering of bewijsvoering”. Beoordeling
- Verzoekster heeft voor de beroepsinstantie verschillende argumenten aangevoerd om haar examenresultaat te betwisten. Die argumenten hadden onder meer betrekking op de “Statistische correctheid” van het IX-9939-7/11 examenonderdeel ‘CLEAR’, de stelling dat “de beperkte set van vragen en de strikte beoordeling van juist of [fout] nooit een goed inzicht kan verschaffen in de vaardigheden die beoogd worden” en geluidsoverlast tijdens het examen. Verzoekster heeft ook inhoudelijke kritiek geformuleerd op de vragen 1, 2, 6, 10, 12 en 14 van het examenonderdeel ‘CLEAR’. Verzoekster erkent in haar vordering dat zij “voor de meeste vragen een gedetailleerd antwoord” heeft teruggevonden in de bestreden beslissing. Alleen voor vraag 12 van het examenonderdeel ‘CLEAR’ volstaat het antwoord van de beroepsinstantie volgens verzoekster niet. 7.
- Vraag 12 van het examengedeelte ‘CLEAR’ luidt als volgt: “Welke van volgende uitspraken geeft enkel een eigen gevoel weer? Antwoord • ‘Ik voel me opgenomen in de groep.’ • ‘Ik voel me gewaardeerd.’ • ‘Ik ben jaloers.’ • ‘Ik ben populair.’” Volgens de correctiesleutel van de examencommissie is het derde antwoord ‘ik ben jaloers’ het juiste antwoord. 7.
- Verzoekster heeft haar kritiek op deze vraag al in een eerdere fase van het geschil aan de beroepsinstantie voorgelegd. Die kritiek komt er wezenlijk op neer dat ‘jaloezie’ geen ‘gevoel’, maar een ‘emotie’ is en zodoende niet het juiste antwoord op de betrokken vraag kan vormen. Verzoekster is echter van oordeel dat de beroepsinstantie die grief niet heeft beantwoord. 7.
- Wanneer een kandidaat die deelneemt aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts in het kader van het georganiseerd administratief beroep bezwaren opwerpt, mag die erop rekenen dat zijn bezwaren door de IX-9939-8/11 beroepsinstantie in de beslissing worden betrokken en dat, wanneer het om wezenlijke, fundamentele en ernstige grieven gaat, die ook in de beroepsbeslissing formeel aandacht krijgen. In de huidige stand van de rechtspleging moet worden aangenomen dat de beroepsinstantie het argument van verzoekster wel degelijk heeft ontmoet. Zij is namelijk van oordeel dat de vraag eenduidig is en dat enkel het door de examencommissie als ‘juist’ aangemerkte antwoord – “ik ben jaloers” –aan een eigen gevoel refereert. Dat impliceert dat de beroepsinstantie ervan uitgaat dat ‘jaloezie’ wel degelijk een gevoel is. 7.
- De vraag rijst of verzoekster een nog uitdrukkelijker antwoord op haar grief mocht verwachten. Daartoe is vereist, zo lijkt, dat de kritiek wezenlijk, fundamenteel en ernstig is. Verzoekster doet wezenlijk gelden dat ‘jaloezie’ geen gevoel, maar een emotie is. Daargelaten of verzoekster terecht van dat onderscheid gewag vermag te maken, dient vastgesteld dat zij voor haar stelling hoofdzakelijk verwijst naar webpagina’s van ‘wikipedia.org’. Eerder dan dat de kandidaten voor het beantwoorden van de vragen van het examenonderdeel ‘CLEAR’ nood zouden hebben aan enige “kennis” van dergelijke op het eerste gezicht onwetenschappelijke bronnen, lijken zij erop te (moeten) kunnen vertrouwen dat de in de examenvragen voorkomende terminologie in haar spraakgebruikelijke betekenis mag en moet worden begrepen. Zo omschrijft Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal de term ‘jaloezie’ als: “knagend gevoel van verdriet of spijt om het goede dat een ander heeft, krijgt, kan of weet te bereiken enz. terwijl men het zelf zou willen hebben, krijgen, kunnen, bereiken, enz.”, of nog, “gevoel van afgunst ten opzichte van de blijken van genegenheid of liefde voor een derde van IX-9939-9/11 degene die men liefheeft en/of met wie men een relatie heeft.” Aldus moet, op het eerste gezicht, ‘jaloezie’ als een gevoel worden beschouwd. De door verzoekster geformuleerde kritiek vertoont prima facie derhalve niet de vereiste ernst om haar aanspraak te laten maken op een meer doorgedreven, versterkte motiveringsplicht, die verder zou reiken dan wat thans reeds in de bestreden beslissing vermeld staat en er minstens impliciet uit kan worden afgeleid.
- Uit wat voorafgaat volgt op het eerste gezicht tevens dat verzoekster evenmin overtuigt van de in het tweede middel aangevoerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Wil een verzoekende partij de Raad van State ervan overtuigen dat getwijfeld moet worden aan de ernst van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – dan lijkt van haar vooralsnog te moeten worden verwacht dat zij heel precieze en concrete gegevens aanlevert die zulks aantonen. Verzoekster brengt, zo lijkt, het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie niet aan het wankelen door alleen te beweren dat de examencommissie en de beroepsinstantie stellingen zouden “poneren […] zonder bewijsvoering”, zonder zelf enige ernstige toelichting te verstrekken waarom het antwoord van de examencommissie niet juist zou zijn.
- Beide middelen zijn niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING IX-9939-10/11
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9939-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.