← België

Arrest 251566 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.566 Rolnummer: A. 226040/XIV-37803 Zaak: Arrest 251566 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 07:30 Fiche Arrest nr 251.566 van 22 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.566 van 22 september 2021 in de zaak A. 226.040/XIV-37.803 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Julien Wolsey en Ronald Fonteyn kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 augustus 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 207.236 van 26 juli 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.024 van 4 oktober
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.803-1/16 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021, om 15:20 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paul Heyvaert, die loco advocaten Julien Wolsey en Ronald Fonteyn verschijnt voor verzoekster, en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster dient op 24 januari 2014 een aanvraag om machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Zij wordt op 2 februari 2015 gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor de duur van 12 maanden. De verwerende partij beslist op 15 maart 2016 om de geldigheidsduur van deze machtiging te verlengen met 2 jaar. XIV-37.803-2/16 3.
  6. Verzoekster vraagt op 10 januari 2018 via de gemeente Londerzeel een verlenging van de geldigheidsduur van de voornoemde machtiging tot verblijf. Op 14 februari 2018 beslist de verwerende partij dat “aan dit verzoek tot verblijfsverlenging geen gunstig gevolg kan worden gegeven”. Op 21 februari 2018 neemt de verwerende partij tevens een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verzoekster. Verzoekster stelt op 19 april 2018 tegen deze twee beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 26 juli 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het (oud) Burgerlijk Wetboek en van de bewijskracht van het administratief dossier. Verzoekster voert aan dat de motivering van het bestreden arrest in strijd is met het administratief dossier aangezien volgens haar uit geen enkel stuk blijkt dat zij haar aanvraag tot verlenging van de machtiging tot verblijf in het Nederlands zou hebben gedaan en niet in het Frans. XIV-37.803-3/16
  8. Verzoekster voegt in de memorie van wederantwoord toe dat zij haar aanvraag mondeling in het Frans heeft gedaan en dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de diensten van de gemeente Londerzeel haar aanvraag in het Frans hebben opgesteld. Beoordeling
  9. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest dat de voor hem aangevochten beslissing van 14 februari 2018 “geen antwoord vormt op verzoeksters, in het Frans opgestelde, aanvraag van 24 januari 2014 om, met toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, tot een verblijf in het Rijk te worden gemachtigd”, doch “een antwoord op haar aanvraag van 10 januari 2018, die met behulp van de administratieve diensten van de gemeente Londerzeel in het Nederlands werd opgesteld, om tot een verder verblijf in het Rijk te worden gemachtigd”. Verzoeksters aanvraag van 10 januari 2018, die tot de beslissing van de verwerende partij van 14 februari 2018 heeft geleid, blijkt inderdaad in het Nederlands te zijn opgesteld. Verzoekster duidt geen element in het administratief dossier aan waaruit kan blijken dat zij haar aanvraag van 10 januari 2018 in het Frans zou hebben ingediend. Met de enkele bewering dat zij haar aanvraag mondeling in het Frans zou hebben geformuleerd doch dat deze door de gemeente Londerzeel in het Nederlands zou zijn opgesteld, maakt zij dan ook geen schending aannemelijk van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek zoals deze golden bij de uitspraak van het bestreden arrest, noch van de bewijskracht van het administratief dossier.
  10. Het eerste middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. XIV-37.803-4/16 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoekster werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 41, 42 en 58 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet). Verzoekster voert aan dat de motivering van het bestreden arrest in strijd is met artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet omdat zij zich steeds in het Frans tot de verwerende partij heeft gewend en het niet relevant is dat haar laatste bij de gemeente Londerzeel in het Frans geformuleerde aanvraag het voorwerp heeft uitgemaakt van een door de gemeente Londerzeel in het Nederlands opgesteld verslag.
  12. Verzoekster voegt in de memorie van wederantwoord toe dat de omstandigheid dat de ambtenaar van de gemeente Londerzeel haar aanvraag in het Nederlands heeft opgesteld niet wegneemt dat de verwerende partij zich tot verzoekster diende te richten in de taal die verzoekster voor al haar aanvragen heeft gebruikt, daarbij inbegrepen de taal die verzoekster heeft gebruikt voor de aanvraag tot verlenging van haar machtiging tot verblijf, zijnde het Frans. Beoordeling
  13. Verzoekster verwijst in het opschrift van het middel naar de artikelen 42 en 58 van de bestuurstaalwet doch zij komt hierop nergens terug in de uiteenzetting van het middel.
  14. Artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet bepaalt dat de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruikmaken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. XIV-37.803-5/16 Uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat verzoekster niet de vaststelling uit het bestreden arrest ontkracht dat zij zich van het Nederlands heeft bediend voor de aanvraag om haar verblijfstitel te verlengen, aanvraag die heeft geleid tot de beslissing van de verwerende partij van 14 februari
  15. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook op wettige wijze vaststellen dat de verwerende partij het Nederlands diende te gebruiken voor deze beslissing. Dat verzoekster voordien het Frans zou hebben gebruikt voor een eerdere aanvraag die tot een andere beslissing heeft geleid, doet hieraan geen afbreuk.
  16. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  17. Verzoekster werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het (oud) Burgerlijk Wetboek en van de bewijskracht van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoekster voert aan dat, anders dan in het bestreden arrest wordt aangenomen, noch uit de beslissing van de verwerende partij van 14 februari 2018 noch uit het medisch verslag waarop die beslissing is gesteund kan worden afgeleid “waarom [de verwerende partij] oordeelde dat er belangrijke gewijzigde omstandigheden zijn”.
  18. Verzoekster voegt in de memorie van wederantwoord toe dat in de voornoemde beslissing en het voornoemde medisch verslag niet wordt verwezen naar het al dan niet ingrijpend karakter van de gewijzigde medische omstandigheden. XIV-37.803-6/16 Beoordeling
  19. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat in de voor hem bestreden beslissing van 14 februari 2018 wordt verwezen naar de artikelen 9ter en 13 van de vreemdelingenwet, naar artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 ‘tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het koninklijk besluit van 17 mei 2007) en naar een advies van een ambtenaar-geneesheer, dat in de beslissing van 14 februari 2018 wordt vastgesteld dat de omstandigheden op grond waarvan eerder een verblijfsmachtiging om medische redenen werd toegekend niet langer bestaan, dat hierbij werd nagegaan of de verandering van deze omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft en dat tevens wordt gemotiveerd dat niet langer blijkt dat verzoekster lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor haar leven of voor haar fysieke integriteit of aan een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in haar land van herkomst of het land waar zij gewoonlijk verblijft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarnaar in de beslissing van 14 februari 2018 expliciet wordt verwezen en dat samen met deze beslissing ter kennis van verzoekster werd gebracht zodat de inhoud ervan moet worden geacht deel uit te maken van de motivering van de voornoemde beslissing, verder wordt toegelicht dat geen enkel bewijs voorligt dat verzoekster niet kan reizen en wordt aangegeven dat de vereiste medische zorgen in Rwanda beschikbaar en toegankelijk zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de ambtenaar-geneesheer erop wijst dat in tegenstelling tot vroeger Darunavir (Prezista) ondertussen wel beschikbaar is in Rwanda en dat de vraag naar de beschikbaarheid van Filgrastim (Neupogen) niet meer actueel is vermits verzoekster geen neutropenie meer vertoont. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mist verzoeksters kritiek als zou uit het medisch advies niet blijken waarom de ambtenaar-geneesheer van oordeel is dat er sprake is van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter XIV-37.803-7/16 hebben, dan ook feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst daarbij naar de inhoud van het advies van de ambtenaar-geneesheer van 13 februari 2018 en stelt nog vast dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat verzoekster weet om welke redenen de ambtenaar-geneesheer het niet langer nodig achtte dat zij tot een verder verblijf om medische redenen zou worden gemachtigd. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aangeeft waarom hij van oordeel is dat uit de beslissing van 14 februari 2018 en het daaraan voorafgaand medisch advies de redenen blijken op grond waarvan de verwerende partij heeft beslist dat er belangrijke gewijzigde omstandigheden zijn met een ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee een betekenis heeft gegeven aan die beslissing en het advies dat strijdig is aan de bewoordingen of de inhoud ervan.
  20. Het derde middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoekster werpt in een vierde middel de schending op van artikel 62, § 2, van de vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Zij citeert de motivering uit punt 3.2.2.2 van het bestreden arrest en voert aan dat in de beslissing van de verwerende partij van 14 februari 2018 met uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 wordt gesteld “dat de omstandigheden op grond waarvan de machtiging oorspronkelijk werd toegestaan niet langer bestaan, of dat deze zodanig zijn gewijzigd dat de machtiging niet langer nodig is […], waarbij werd nagegaan of de verandering van deze omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft”. Anders dan in het bestreden arrest wordt XIV-37.803-8/16 aangenomen, blijkt noch uit de beslissing van 14 februari 2018 noch uit het medisch verslag waarop die beslissing is gesteund “waarom [de verwerende partij] oordeelde dat er belangrijke gewijzigde omstandigheden zijn”.
  22. Verzoekster blijft er in de memorie van wederantwoord bij dat uit geen enkel motief van de beslissing van 14 februari 2018, ook niet impliciet, blijkt waarom de gewijzigde omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter hebben. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 al dan niet een bijzondere motiveringsplicht inhoudt, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoekster niet oordelen dat de beslissing van 14 februari 2018 aan de formelemotiveringsplicht voldoet zonder dat in deze beslissing wordt uitgelegd waarom de gewijzigde omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben. Beoordeling
  23. Artikel 62 van de vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de beslissing van de verwerende partij de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. Uit de behandeling van het derde middel supra blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aangeeft waarom hij van oordeel is dat uit de beslissing van 14 februari 2018 en het daaraan voorafgaand medisch advies de redenen blijken op grond waarvan de verwerende partij heeft beslist dat er belangrijke gewijzigde omstandigheden zijn. Met de kritiek dat uit die beslissing en dat advies integendeel niet zou blijken waarom de verwerende partij XIV-37.803-9/16 tot de vereiste ingrijpende en niet-voorbijgaande gewijzigde omstandigheden heeft besloten, toont verzoekster geen schending aan van de inhoud en de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht doch vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van het al dan niet afdoende karakter van de formele motivering van de beslissing van 14 februari
  24. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  25. Verzoekster werpt in een vijfde middel de schending op van de artikelen 10, 11 en/of 191 van de Grondwet, van artikel 13, § 3, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet en van artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei
  26. Verzoekster verwijst naar de beslissingen van de verwerende partij van 14 en 21 februari
  27. Zij voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 13, § 3, van de vreemdelingenwet en artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 heeft geschonden door te oordelen dat de verwerende partij, alvorens te beslissen over een verlenging van een machtiging tot verblijf, niet hoeft na te gaan of de wijziging van de omstandigheden op grond waarvan die machtiging tot verblijf werd toegestaan, een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter vertoont, behalve in het geval dat een einde wordt gesteld aan de verblijfsmachtiging vóór het verstrijken van de geldigheidsduur ervan. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 bevat immers de criteria om te bepalen of een vreemdeling die gemachtigd was om in het Rijk te verblijven op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, niet langer aan de voorwaarden voldoet, ongeacht de datum waarop de verblijfsmachtiging een einde neemt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon volgens verzoekster aldus niet oordelen dat de verwerende partij niet gehouden was om te oordelen waarom XIV-37.803-10/16 er sprake zou zijn van belangrijke gewijzigde omstandigheden omdat geen einde werd gesteld aan de verblijfsmachtiging vóór het verstrijken van de geldigheidsduur ervan.
  28. Verzoekster stelt in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij in de memorie van antwoord niet tegemoetkomt aan de in het middel opgenomen kritiek. Beoordeling
  29. Uit de behandeling van het derde middel supra blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de verwerende partij in haar beslissing van 14 februari 2018 duidelijk aangeeft dat en waarom de omstandigheden op grond waarvan eerder een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet werd toegekend niet langer bestaan en dat de verwerende partij (dan wel de ambtenaar-geneesheer in zijn advies waarop de verwerende partij haar beslissing heeft gesteund) hierbij ook heeft onderzocht of de verandering van deze omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. De overweging in het bestreden arrest “dat verweerder de verblijfsmachtiging die aan verzoekster werd toegekend niet heeft beëindigd voor het verstrijken van de geldigheidsduur ervan en dat de eerste bestreden beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten [is] in de zin van artikel 13, § 3, eerste lid 2° van de vreemdelingenwet” kan, al zou zij onwettig zijn, niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt meteen daarna immers dat “verweerder […] daarenboven wel degelijk – zoals reeds gesteld en ondanks het feit dat hiertoe in casu geen reglementaire verplichting lijkt te bestaan – duidelijk [heeft] aangegeven waarom hij van oordeel was dat er nadat in het verleden een verblijfsmachtiging om medische redenen werd toegestaan er niet meer diende te worden ingegaan op verzoeksters vraag om haar tot een verder verblijf in het Rijk te machtigen en uiteengezet waarom hij oordeelde dat er belangrijke gewijzigde omstandigheden zijn”. XIV-37.803-11/16 Verzoeksters kritiek richt zich tegen een motief dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed.
  30. Het vijfde middel is niet-ontvankelijk en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Verzoekster werpt in een zesde middel de schending op van de artikelen 2, 3, 13 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 10, 11, 13 en /of 191 van de Grondwet en van de artikelen 9ter en 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet. Verzoekster voert aan dat zij op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 2 juli 2018 een nieuw medisch attest heeft overgelegd dat aangeeft dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoekster een reëel risico op onmenselijke en vernederende behandelingen en een gevaar voor haar leven in de zin van de artikelen 2 en 3 van het EVRM zou lopen indien zij naar haar land van herkomst zou worden verwijderd. Verzoekster acht de in het huidige middel aangehaalde bepalingen geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geweigerd over te gaan tot een onderzoek ex nunc van het ter terechtzitting overgelegde attest. In ondergeschikte orde vraagt verzoekster een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, meer bepaald of artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet de artikelen 10, 11, 13 en 191 van de Grondwet schendt aangezien de annulatierechter die gevat wordt voor een beroep tegen een weigering tot verlenging van een verblijfsmachtiging op grond van artikel 13 van de vreemdelingenwet, geen ex nunc onderzoek uitvoert, terwijl de rechter in volle rechtsmacht op grond van artikel 39/2, § 1, van de XIV-37.803-12/16 vreemdelingenwet dit wel kan wanneer een verzoeker een schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
  32. Verzoekster voegt in de memorie van wederantwoord toe dat zij de schending van de artikelen 10, 11, 13 en/of 191 van de Grondwet en van de artikelen 13 en 14 van het EVRM niet eerder kon opwerpen aangezien het nieuwe medisch attest dateert van na het indienen van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zij merkt verder op dat in het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 95/2008 van 26 juni 2008 geen antwoord wordt gegeven op de thans voorgestelde vraag. Ten overvloede besluit verzoekster dat, indien het medisch attest in aanmerking zou zijn genomen door de eerste rechter, noodzakelijkerwijze een andere beoordeling had moeten worden gemaakt.
  33. Ter terechtzitting verwijst verzoekster nog naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 april in de zaak C-149/19, H.A. tegen België. Ten gevolge van dit arrest acht zij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof niet meer actueel en vraagt zij een prejudiciële vraag te stellen, ook aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Beoordeling
  34. In zijn arrest nr. 186/2019 van 20 november 2019 heeft het Grondwettelijk Hof omtrent een quasi identieke prejudiciële vraag geoordeeld dat artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2, 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Grondwettelijk Hof heeft in dat arrest gesteld dat “het beroep tot vernietiging dat, overeenkomstig artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980, kan worden ingesteld tegen een beslissing tot verwerping van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, geen daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (is)”, daarbij onmiddellijk preciserend dat “het Europees XIV-37.803-13/16 Hof voor de Rechten van de Mens (...) herhaaldelijk (heeft) geoordeeld dat ‘het geheel van de door het interne recht geboden beroepen kan voldoen aan de vereisten van artikel 13, zelfs wanneer geen enkele daarvan op zich daaraan helemaal beantwoordt’”. Wat het onderzoek betreft van het geheel van beroepsmogelijkheden waarover de vreemdeling beschikt wiens verblijfsmachtiging om medische redenen geweigerd wordt “met inbegrip van de beroepen die het mogelijk maken zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van een maatregel tot verwijdering naar een land waar, luidens de grief die zij aanvoeren, te hunnen aanzien een risico bestaat dat artikel 2 of artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou kunnen worden geschonden”, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de persoon wiens aanvraag voor een machtiging tot verblijf om medische redenen, ingediend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, is verworpen en wiens medische toestand sinds de instantie haar beslissing heeft genomen, is geëvolueerd, een daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geniet. Gelet op wat voorafgaat, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord en het zegt voor recht dat artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet schendt. Door te weigeren de nieuwe elementen omtrent verzoeksters medische toestand in aanmerking te nemen en aldus te weigeren een onderzoek ex nunc van haar medische situatie te doen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid gerespecteerd, bepaling waarvan het Grondwettelijk Hof heeft vastgesteld dat ze niet ongrondwettig is in de mate dat ze de rechter, die gevat wordt om zich uit te spreken over een annulatieberoep tegen een weigeringsbeslissing tot machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, niet toelaat eventuele nieuwe hem voorgelegde bewijselementen in aanmerking te nemen, noch de actuele situatie van de betrokkene te beoordelen. XIV-37.803-14/16 Vermits de door de verzoekster gesuggereerde vraag reeds aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld en een duidelijk antwoord op deze vraag werd gegeven, dient deze vraag niet meer te worden gesteld.
  35. Zoals reeds blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 in de zaak nr. C-542/13, M’Bodj tegen België, en zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 59/2015 van 21 mei 2015, dient artikel 9ter van de vreemdelingenwet uitsluitend als een nationale regeling te worden beschouwd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is dan ook niet bevoegd om zich erover uit te spreken.
  36. Het zesde middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. V. Kosten – bedrag van de rechtsplegingsvergoeding
  37. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoekster te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits verzoekster als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.803-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.803-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.