← België

Arrest 251584 - Energie - 23/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.584 Rolnummer: A. 230382/VII-40786 Zaak: Arrest 251584 - Energie - 23/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-04 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 07:38 Fiche Arrest nr 251.584 van 23 september 2021 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.584 van 23 september 2021 in de zaak A. 230.382/VII-40.786 In zake : Jurgen VAN HOOSTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Haentjens kantoor houdend te 9160 Lokeren Heilig Hartlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de CVBA FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van “1) de beslissing tot schorsing van de uitbetaling van groenestroomcertificaten dd. 20.12.2019” en “2) de beslissing ‘afgesloten’ op 26.12.2019 […] waarbij […] aan verzoeker wordt gemeld dat [hij] geen recht meer heeft op groenestroomcertificaten [en] de al uitgekeerde groenestroomcertificaten voor een bedrag van 13.770,00 EUR worden teruggevorderd”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.786-1/7 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Haentjens, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Jan-Willem Vanhoutte, die loco advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is eigenaar van een fotovoltaïsche installatie (hierna: PV-installatie) voor de opwekking van zonne-energie, meer bepaald de installatie (met nummer PVZG05388), gelegen Polken 95 te Stekene. 3.2. In 2019 laat de verwerende partij een controle uitvoeren op de betrokken PV-installatie. Uit deze controle blijkt dat op het moment van de keuring de installatie nog niet was geplaatst. Bovendien legt de keurder van de installatie een verklaring af waarin hij aangeeft niet-waarheidsgetrouwe verslagen te hebben opgesteld. VII-40.786-2/7 Het controleverslag vormt de tweede bestreden akte. 3.3. Op 20 december 2019 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat de uitbetaling van de minimumsteun wordt geschorst. Dit is de eerste bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij betwist de rechtsmacht van de Raad van State. Zij stelt dat de eerste bestreden akte neerkomt op een louter feitelijke handeling op grond van het vermoeden van het bestaan van energiefraude en dat de vaststelling van energiefraude overeenkomstig artikel 5.1.3, § 1, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 ‘houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid’ (hierna: Energiedecreet) impliceert dat zij als netbeheerder verplicht is om de uitbetaling van groenestroomcertificaten (hierna: GSC’

  1. s)op te schorten en vervolgens stop te zetten wanneer de energiefraude vaststaat. 5. Verzoeker dupliceert dat artikel 5.1.3, § 1, eerste lid, van het Energiedecreet -in de volgens hem toepasselijke versie- bepaalt dat de netbeheerder of beheerder van het transmissienet de uitbetaling van GSC’s “kan” opschorten, stopzetten of terugvorderen als er energiefraude wordt vastgesteld, hetgeen veronderstelt dat het rechtsgevolg, namelijk de schorsing of de stopzetting van de steun en de terugvordering van de reeds ontvangen steun, niet van rechtswege intreedt, doch telkens een uitdrukkelijke, discretionaire beslissing van de netbeheerder vereist. Artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 ‘tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof’ is in dit geval niet van VII-40.786-3/7 toepassing, omdat hij niet kan worden beschouwd als de begunstigde die de voorwaarden niet naleeft. 6. Ter terechtzitting beklemtoont verzoeker nog dat artikel 5.1.3, § 2, eerste lid, van het Energiedecreet nog steeds bepaalt dat de warmte- of koudenetbeheerder de uitbetaling van vergoedingen en premies die zijn ingesteld ter uitvoering van titel VII en VIII van dit decreet, “kan” opschorten, stopzetten of terugvorderen als er energiefraude wordt vastgesteld. Beoordeling 7. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten -altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft- tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het beroep of de vordering strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de uitvoering waarvan die partij belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen, is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is. Er dient dan ook te worden onderzocht of de verwerende partij bij het nemen van de beslissing tot schorsing van de uitbetaling van de VII-40.786-4/7 minimumsteun over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. De Raad van State is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene niet (langer) voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij dat subjectief recht verliest. 8. De toekenning van GSC’s voor elektriciteit, geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, is een subjectief recht dat rechtstreeks aan de rechthebbende toekomt indien deze aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet. Artikel 6.1.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ (hierna: Energiebesluit) bepaalt in dit verband dat GSC’s “worden” toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen. 9. In voorliggende zaak vormt het vermoeden van bedrog bij de keuring van de installatie, het decisieve motief voor de schorsing van de minimumsteun. Het oordeel of er al dan niet sprake is van bedrog, kan niet los worden gezien van de vraag of verzoeker aanspraak kan maken op een subjectief recht tot toekenning van GSC’s. Gelet op het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit kan men zich immers nooit op bedrog beroepen, noch in contractuele noch in buitencontractuele verhoudingen, om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te rechtvaardigen. Alle rechtsgevolgen die met de bedrieglijke gedragingen worden nagestreefd, moeten volledig worden geneutraliseerd. Bijgevolg kunnen er geen subjectieve rechten ontstaan op basis van de rechtshandeling of de toepassing van de rechtsregel. 10. Artikel 5.1.3 van het Energiedecreet vormt de rechtsgrond voor de schorsing van de uitbetaling van GSC’s. Volgens deze bepaling moet de netbeheerder bepaalde handelingen ondernemen om energiefraude te voorkomen, VII-40.786-5/7 te detecteren en vast te stellen. Artikel 1.1.3, 40°/1, van het Energiedecreet definieert energiefraude als “elke onrechtmatige actie van eenieder, zowel actief als passief, die gepaard gaat met het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel”. Artikel 5.1.3, § 1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet, vervangen bij artikel 22, 1°, van het decreet van 16 november 2018 ‘houdende diverse bepalingen inzake energie’ (BS, 14 december 2018) dat in werking is getreden tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 24 december 2018, bepaalt dat “als een vermoeden bestaat dat er energiefraude als vermeld in artikel 1.1.3, 40°/1,
  2. e)of f), van dit decreet wordt gepleegd, […] de uitbetaling tijdelijk [wordt] opgeschort totdat vastgesteld is of er al dan niet energiefraude is gepleegd”. Voormelde bepaling die de netbeheerders in duidelijk dwingende bewoordingen aanzet om bepaalde handelingen te “ondernemen” in geval van de vaststelling van energiefraude, laat er geen twijfel over bestaan dat de bevoegdheid van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing volledig gebonden was. De strekking van artikel 5.1.3, § 2, eerste lid, van het Energiedecreet is daarbij van geen belang aangezien de door de netbeheerder genomen maatregel om energiefraude te sanctioneren, niet steunt op voormelde bepaling van het decreet. 11. Uit artikel 5.1.3 van het Energiedecreet volgt dat de bestreden beslissing genomen werd op grond van een louter gebonden bevoegdheid. De Raad van State is bijgevolg zonder rechtsmacht om van de vordering kennis te nemen. 12. De exceptie is gegrond. V. Kosten 13. De kosten dienen ten laste van verzoeker te worden gelegd. 14. Een rechtsplegingsvergoeding is, gelet op artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een tegemoetkoming in de kosten van de advocaat van de “in het gelijk gestelde partij”. VII-40.786-6/7 Verzoeker noch de verwerende partij zijn als een dergelijke “in het gelijk gestelde partij” te beschouwen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.786-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.