← België

Arrest 251591 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.591 Rolnummer: A. 222981/XIV-37505 Zaak: Arrest 251591 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 07:41 Fiche Arrest nr 251.591 van 23 september 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.591 van 23 september 2021 in de zaak A. 222.981/XIV-37.505 In zake : Dirk VAN BAMBOST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 3 mei 2017 van de jury “betrekkelijk de toelating tot opleiding voor bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie dewelke verzoeker ongeschikt heeft bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris en dewelke het ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management bevestigt”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.505-1/17 Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021 om 16.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Gaultier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is commissaris van politie. Hij stelt zich kandidaat voor de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie. 3.2. Verzoeker neemt deel aan de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management, ook wel assessment center genoemd. XIV-37.505-2/17 3.3. Op 10 oktober 2013 brengt de evaluatiecommissie een ongunstig advies uit inzake het potentieel van verzoeker om de functie van hoofdcommissaris van politie uit te oefenen. 3.4. Op 20 november 2013 neemt verzoeker deel aan het selectie-interview door de jury. Deze beslist op 28 november 2013 dat verzoeker ongeschikt is om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris. Zij bevestigt tevens het in punt 3.3 vermelde ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management, wat verzoeker betreft. 3.5. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak G/A.211.768/XIV-35.494) dat heeft geleid tot arrest nr. 232.847 van 10 november 2015. Bij dat arrest vernietigt de Raad van State voormelde beslissing van 28 november 2013 van de jury directiebrevet in zoverre verzoeker daarbij ongeschikt wordt bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris en waarbij het ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management wordt bevestigd. De nietigverklaring steunt op de vaststelling dat de jury niet op rechtsgeldige wijze was samengesteld bij het nemen van de beslissing. 3.6. Met een op 26 augustus 2016 per post aangetekend verzonden brief stelt verzoekers raadsman de verwerende partij in gebreke om een nieuwe beslissing te nemen. Meer bepaald maant hij de verwerende partij aan om door een rechtsgeldig samengestelde jury een nieuwe beslissing te laten nemen. Op deze aanmaning volgt geen reactie. XIV-37.505-3/17 3.7. Gelet op het uitblijven van enige beslissing dient verzoeker op 27 februari 2017 een vordering tot “het opleggen van een dwangsom met bevel” in bij de Raad van State (zaak G\A.221.599/XIV-37.338) die heeft geleid tot arrest nr. 238.800 van 11 juli 2017. Bij dat arrest verwerpt de Raad van State de voormelde vordering als zijnde doelloos en zonder voorwerp, aangezien de jury een nieuwe beslissing heeft genomen op 3 mei 2017 (zie punt 3.10.). 3.8. Met een schrijven van 15 maart 2017 wordt verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord tijdens een selectie-interview door de jury op de zitting van 3 mei 2017. Volgens de bij dat schrijven gevoegde bijlage is de jury als volgt samengesteld: - Als voorzitter zetelt HCP. [F. A.], inspecteur-generaal ad interim - HCP [G. M.], lid van de federale politie, DGR (lid) ‐ HCP [F. V.], lid van de federale politie Namen, CSD (lid) ‐ HCP [T. G.], lid van de federale politie, diensten van de CG (lid) ‐ HCP [M. L.], lid van de lokale politie, PZ Ottignies (lid) ‐ HCP [G. M.], lid van de lokale politie, PZ Rupel (lid) ‐ HCP [J. D. B.], lid van de lokale politie, PZ Brussel West (lid). 3.9. Op 3 mei 2017 wordt verzoeker door de nieuw samengestelde jury gehoord. Uit het proces-verbaal van de interviews en uit de bestreden beslissing blijkt dat de jury als volgt was samengesteld: - HCP [F. A.], inspecteur-generaal ad interim, voorzitter - HCP [G. M.], lid van de federale politie, DPANPA, plaatsvervanger - HCP [F. V.], lid van de federale politie, DCA Namen, plaatsvervanger - HCP [T. G.], lid van de federale politie, diensten van de CG, lid - HCP [M. L.], lid van de lokale politie, Korpschef PZ Ottignies, lid - HCP [G. M.], lid van de lokale politie, Korpschef PZ Rupel, plaatsvervanger - HCP [J. D. B.], lid van de lokale politie, Korpschef PZ Brussel West, plaatsvervanger. XIV-37.505-4/17 3.10. Diezelfde dag beslist die nieuwe samengestelde jury opnieuw over verzoekers kandidatuur om toegelaten te worden tot de in punt 3.2. bedoelde promotieopleiding. De beslissing luidt: “[…] Artikel 1. [Verzoeker] wordt ongeschikt bevonden om toegelaten te worden tot de opleiding tot promotie tot de graad van hoofdcommissaris. Artikel 2. De jury bevestigt het ongunstig advies met betrekking tot het resultaat van de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management. […].” Dit is de bestreden beslissing. D e z e b e s l i s s i n g wordt met een aangetekend schrijven van 3 juli 2017 (tegen ontvangstmelding) aan verzoeker ter kennis gebracht. IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel van het verzoekschrift is ontleend aan de “ongeldige samenstelling van de jury en onbevoegdheid er van, schending van artikel 7 KB directiebrevet”. Verzoeker acht artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 ‘tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006) geschonden. Volgens verzoeker blijkt uit de in punt 3.8 bedoelde bijlage dat de daarin vermelde personen allen “lid zijn terwijl uit het proces-verbaal van de interviews van 3 mei 2017 het anders blijkt”, meer bepaald zijn HCP G. M., HCP F. V., HCP G. M. en HCP J. D. B. plaatsvervanger en “geen lid”. Voorts blijkt niet of deze leden én hun plaatsvervangers zijn aangeduid door de commissaris-generaal van de federale politie respectievelijk de Vaste Commissie van de Lokale Politie zoals vereist door het genoemde artikel 7. Een plaatsvervanger kan immers niet zetelen als er, in voorkomend geval, geen lid zou zijn aangewezen. Zijn tweede wettigheidskritiek wat de samenstelling van de jury XIV-37.505-5/17 betreft, is gesteund op het standpunt dat volgens het genoemde artikel 7 de jury moet zijn samengesteld uit, onder anderen, de directeur-generaal van de algemene directie van de Ondersteuning en het beheer, thans de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie waarvan evenwel HCP P. P. de directeur-generaal is en niet HCP G. M.. In zoverre HCP G. M. zou hebben gezeteld in hoedanigheid van directeur-generaal was hij daartoe niet bevoegd, wat de ongeldige samenstelling en dus de onbevoegdheid van de jury met zich brengt. In de mate hij zetelde als plaatsvervanger kan hij alleen maar bevoegd zijn indien hij in toepassing van artikel 7, 2°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 als plaatsvervanger werd aangewezen door de directeur-generaal-titularis, te dezen HCP P. P.. Tenslotte, als derde grief, voert verzoeker aan dat HCP F. A. onbevoegd was om als (waarnemend) inspecteur-generaal te zetelen als voorzitter van de jury. Hij is volgens verzoeker op een onwettige manier aangesteld daar (

  1. i)hij als waarnemend inspecteur-generaal werd aangesteld door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, terwijl artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 ‘op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten’ (hierna: de wet van 15 mei 2007) voorschrijft dat enkel de Koning hiervoor bevoegd is en (
  2. ii)de procedure tot toekenning van het reguliere mandaat van inspecteur-generaal pas werd opgestart bij ministerieel besluit van 24 januari 2017, ruim na de voorgeschreven termijn van drie maanden nadat het ambt niet meer definitief was ingenomen door de titularis, zodat artikel VI.II.82 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 ‘tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna : het RPPol) werd miskend en (iii) hij niet werd aangesteld in het hogere ambt van inspecteur-generaal na een oproep tot kandidaatstelling en na vergelijking van titels en verdiensten waarbij de akte van aanstelling de keuze voor HCP F. A. verantwoordt, zodat de artikelen VI.II.80 en VI.II.83 van datzelfde RPPol werden geschonden. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat uit de aangevoerde stukken blijkt dat de juryleden van de federale politie werden aangeduid bij beslissing van het directiecomité van de federale politie, doch dat de XIV-37.505-6/17 bevoegdheid tot die aanduiding berust bij de commissaris-generaal zelf. Wat de aanwijzing van HCP G. M. betreft, acht verzoeker die aanwijzing niet rechtsgeldig, nu deze blijkt te zijn aangewezen door een voormalig directeur-generaal ad interim, doch niet door de titulair gezagsdrager zelf, HCP P. P., voor wie HCP G. M. als plaatsvervanger zou optreden. Volgens verzoeker dient artikel 7 zo te worden begrepen “dat het de titulair directeur-generaal is op het moment van het zetelen van de jury dewelke de plaatsvervanger dient te hebben aangewezen”. De eerdere aanwijzing door een voormalig directeur-generaal ad interim “is niet dienstig om te zetelen als plaatsvervanger van directeur-generaal HCP [P. P.] gelet deze [HCP G. M.] niet heeft aangeduid als zijn plaatsvervanger”. Wat tot slot de onbevoegdheid van HCP F. A. betreft om te zetelen als voorzitter van de jury, betwist verzoeker het standpunt van de verwerende partij dat het mandaat pas na verschijning van het koninklijk besluit van 23 mei 2013 ‘betreffende de nadere regels voor de aanwijzing in de mandaten van inspecteur-generaal en van adjunct-inspecteur-generaal en houdende diverse statutaire bepalingen hieromtrent’ (hierna: het koninklijk besluit van 23 mei 2013) vacant kon worden verklaard. Het koninklijk besluit van 23 mei 2013 betreft immers enkel de regels voor de aanwijzing tot het mandaat van de kandidaat die geen personeelslid van de geïntegreerde politie is. Voor een personeelslid van de geïntegreerde politie telt Titel III van Deel VII van het RPPol, waarbij de minister van Binnenlandse Zaken beslist omtrent het vacant verklaren van het mandaat van inspecteur-generaal. “Ondergeschikt”, merkt verzoeker op dat noch de periodes van politieke instabiliteit van 10 juni 2007 tot 6 december 2011, noch de onderhandelingen over een staatshervorming, een belemmering vormden om het mandaat van inspecteur-generaal vacant te verklaren na de ambtsneerlegging door de toenmalige inspecteur-generaal L. Cl.. “Meer subsidiair” merkt hij nog op dat ook na het koninklijk besluit van 23 mei 2013 er in de periodes voorafgaand aan 26 mei 2014 en volgend op 11 oktober 2014 er geen beletsel was voor de vacantverklaring, terwijl die pas bij ministerieel besluit van 24 januari 2017 gebeurde. De herhaaldelijke, zesmaandelijkse herbevestigingen van HCP F. A. als waarnemend inspecteur-generaal zijn dan ook niet rechtsgeldig. Hoe dan ook kan voor de aanstelling van een waarnemend titularis niet worden teruggegrepen naar XIV-37.505-7/17 het concept ‘dagelijks beheer’ en berust de betrokken bevoegdheid enkel bij de Koning. Tot slot, stelt verzoeker vast dat de verwerende partij geen argumenten inbrengt tegen verzoekers kritiek dat een aanstelling in een hoger ambt diende te gebeuren met een vergelijking van titels en verdiensten, om aldus de keuze te maken voor het meest geschikte personeelslid, wat te dezen niet is gebeurd. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat uit het administratief dossier dat een “verslag” bevat van het directiecomité van 20 mei 2015 (en uitgaat van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie en niet van de diensten van de commissaris-generaal) kan worden afgeleid dat, zoals de verwerende partij beweert, de leden-hoofdcommissarissen van de federale politie door de commissaris-generaal zijn aangeduid en niet door het directiecomité. Wat het zetelen van HCP G. M. betreft, volhardt verzoeker in zijn standpunt dat het aanduiden van een plaatsvervanger een beslissing ad personam is en dat de aanduiding in 2015 van betrokkene door de toenmalige directeur-generaal de latere titulair directeur-generaal niet bindt. Deze diende volgens verzoeker zelf in zijn plaatsvervanger te voorzien. Wat tot slot het zetelen van HCP F. A. betreft, kan volgens verzoeker het standpunt van de verwerende partij niet worden bijgetreden dat de regelgeving omtrent de uitoefening van een hoger ambt niet kan worden toegepast op een mandaatfunctie die niet bij mobiliteit kan worden begeven. F. A. was immers geen titulair inspecteur-generaal doch lid van de politiediensten en derhalve onderworpen aan de statutaire bepalingen van het RPPol. Verzoeker verwijst naar artikel VI.II.77 RPPol waaruit hij afleidt dat het gegeven dat de functie een mandaatfunctie is geenszins belet dat de statutaire bepalingen ter zake de uitoefening van een hoger ambt moeten worden gerespecteerd. Hij betwist voorts dat uit artikel 120 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst’ (hierna : de WGP) volgt dat de bevoegdheid om HCP F. A. aan te duiden als waarnemend inspecteur-generaal toekomt aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Die bepaling heeft betrekking op de mandaatfuncties binnen de federale politie zodat er geen rechtsgrond in kan worden gevonden voor de aanstelling van een waarnemend inspecteur-generaal. Artikel 46 WGP is daartoe evenmin dienstig XIV-37.505-8/17 nu dit expliciet de korpschef aangaat en geen algemeen bevoegdheidskader schept. Bovendien slaat het concept van de afwezigheid of verhindering op een tijdelijke toestand zoals ziekte of verlof maar niet op “een definitieve zoals te dezen, met name wanneer het ambt van inspecteur-generaal niet meer door een titularis wordt ingenomen”. Tot slot repliceert verzoeker nog dat de verwerende partij niet kan worden bijgetreden waar zij in haar laatste memorie stelt dat de opeenvolgende aanstellingen van HCP A. nooit in rechte werden aangevochten en zodoende definitief zijn. Verzoeker had er in het verleden geen belang bij om die aanstellingsbesluiten te bestrijden zodat hij niet op ontvankelijke wijze de Raad van State zou hebben kunnen vatten met een vernietigingsberoep en, zo stelt hij, “[s]owieso raakt de bevoegdheid de openbare orde en kan dit te allen tijde worden opgeworpen”. Beoordeling Betreffende de aanstelling van de juryleden 5. Het te dezen relevante artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, bepaalt wat de samenstelling betreft van de jury die beslist over de toelating tot de promotieopleiding, wat volgt: “De jury is als volgt samengesteld : 1° de inspecteur-generaal van de algemene inspectie of één van de door hem aangewezen adjunct-inspecteurs-generaal, voorzitter; 2° de directeur-generaal van de algemene directie of zijn door hem aangewezen plaatsvervanger; 3° twee hoofdcommissarissen van de federale politie of hun plaatsvervangers aangewezen door de commissaris-generaal; 4° drie hoofdcommissarissen van de lokale politie of hun plaatsvervangers, aangewezen door de vaste commissie van de lokale politie. De directeur-generaal van de algemene directie of zijn plaatsvervanger waakt er over dat het secretariaat van de jury wordt verzekerd.” Uit deze bepaling volgt dat, met het oog op de samenstelling van de jury van het directiebrevet, de commissaris-generaal twee hoofdcommissarissen van de federale politie of hun plaatsvervangers aanwijst. Het administratief dossier bevat luidens de inventaris ervan, een stuk 6 “Verslag directiecomité van de XIV-37.505-9/17 federale politie van 20 mei 2015” dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanduidt als “de beslissing van het directiecomité van de federale politie d.d. 20 mei 2015”. Uit nazicht van het genoemde stuk 6 in de vorm zoals het aan de Raad van State is voorgelegd, blijkt dat het een (tijdelijke) nota (“note temporaire”) van 20 mei 2015 betreft met referentie DGR.DRP-P-Offr-2015, evenals (de met de handgeschreven referentie) CG:2015/2363. Het stuk is ondertekend door commissaris-generaal C. D. B. en is gericht aan AIG met als onderwerp “Directiebrevet – Sessie 2013-2014 – Samenstelling van de jury – Aanwijzing van de leden van de federale politie”. In die nota duidt de commissaris-generaal (“Je désigne”), overeenkomstig artikel 7, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 voor de sessie 2013-2014 volgende hoofdcommissarissen aan als juryleden, met name HCP O. L. (lid) en HCP F. V. (plaatsvervanger), evenals HCP T. G. (lid) en HCP S. D. V. (plaatsvervanger). Dat de hoofding van deze beslissing die (wat niet wordt betwist) door de commissaris-generaal is ondertekend, de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie, directie van het Personeel, vermeldt, doet daaraan geen afbreuk. Wat de juryleden van de lokale politie betreft, blijkt uit het administratief dossier (stuk 7) dat zowel HCP G. M. (lid) als (de tweetalige) HCP J. D. B. die kan optreden als plaatsvervanger “voor Brussel” (dit wil zeggen als plaatsvervanger voor het aangeduide lid HCP G. V. W.) zijn voorgedragen door het dagelijks bestuur in zijn vergadering van 25 april 2013 met dien verstande dat deze voordracht is gevalideerd op de eerstvolgende vergadering van de algemene vergadering van de Vaste Commissie van de Lokale Politie van 16 mei 2013. 6. Een schending van artikel 7 ligt op deze punten niet voor. Het eerste middel is in die mate ongegrond. 7. Wat de deelname van HCP G. M. betreft die deelneemt in de hoedanigheid van plaatsvervanger van de directeur-generaal van de Algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie, daartoe aangeduid bij beslissing van 20 mei 2015 door de (toenmalige) directeur-generaal ad interim M. D. M., XIV-37.505-10/17 wordt verzoeker niet bijgevallen. Zijn argumentatie die in wezen steunt op de opvatting dat dergelijke aanwijzing “enkel en alleen kan uitgaan van de titulair gezagsdrager, op het moment van het zetelen van de jury” om daar vervolgens uit af te leiden dat HCP P. P., op dat ogenblik titulair gezagsdrager, zelf had moeten voorzien in een uitdrukkelijke aanwijzing van zijn plaatsvervanger treedt de Raad van State niet bij. De rechtsfiguur van de plaatsvervanger waarin artikel 7 van het genoemde reglementair besluit uitdrukkelijk voorziet, beoogt de continue en, derhalve, goede werking van de openbare dienst te verzekeren en te voorzien, zoals het geval is bij ontstentenis (bijvoorbeeld ingeval van ontslag, opruststelling of overlijden) of verhindering (bijvoorbeeld ingeval van een schorsing of ziekte) van de titularis van het ambt of, nog, wanneer de titularis niet tijdig kan optreden, in de vervanging van de titularis van een ambt. Opdat de reglementaire bepaling die in de aanduiding van een plaatsvervanger voorziet nuttige werking kan hebben en de vereiste continuïteit en goede werking van de openbare dienst kan vrijwaren, is vereist dat de vervanger de titularis daadwerkelijk kan vervangen en ook meteen kan invallen. Niet blijkt uit die bepaling dat telkens opnieuw bij elke verhindering en dus, zoals verzoeker beweert, te dezen “op het moment van het zetelen van de jury” een plaatsvervanger moet worden aangeduid, wat overigens onuitvoerbaar zou zijn wanneer, bij wijze van voorbeeld, in vervanging van de ambtsdrager moet worden voorzien omwille van diens overlijden. Te dezen is HCP G. M. voor wat de deelname aan de jury betreft bij beslissing van 20 mei 2015 aangeduid als plaatsvervanger door de (voormalige) titularis ad interim van het ambt van directeur-generaal van de betrokken algemene directie, M. D. M.. Deze heeft HCP G. M. aldus aangeduid als plaatsvervanger voor de uitoefening van zijn ambt voor wat de jurydeelname betreft. HCP G. M. werd van die plaatsvervanging niet ontheven, noch heeft de titularis-opvolger, de nieuwe directeur-generaal P. P. – die daartoe nochtans was gerechtigd – in de periode voorafgaand aan de bestreden beslissing een nieuwe plaatsvervanger aangeduid zodat op grond van het continuïteitsbeginsel moet worden aangenomen dat HCP G. M. tot aan zijn eventuele vervanging als plaatsvervanger door de nieuwe directeur-generaal niet alleen mocht maar ook moest optreden als plaatsvervanger van de nieuwe directeur-generaal. Dit geldt des te meer nu – om redenen van continuïteit – de XIV-37.505-11/17 normsteller bij het genoemde artikel 7 voor wat de jurydeelname betreft, uitdrukkelijk in de plaatsvervanging voorziet en deze zodoende voorschrijft. Dat de aanduiding als plaatsvervanger “ad personam” geldt doet daaraan niet af. 8. Het eerste middel is in de aangegeven mate eveneens ongegrond. 9. Verzoeker doet tot slot gelden dat met de deelname in de jury van HCP F. A. in zijn hoedanigheid van inspecteur-generaal ad interim een schending voorligt van: (
  3. i)artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 omdat de aanduiding van betrokkene niet is geschied door de Koning, (
  4. ii)artikel VI.II.82 van het RPPol omdat de procedure tot toekenning van het reguliere mandaat van inspecteur-generaal pas werd opgestart bij ministerieel besluit van 24 januari 2017, ruim na de voorgeschreven termijn van drie maanden nadat het (hoger te begeven) ambt niet meer definitief was ingenomen door de titularis ervan en; (iii) de artikelen VI.II.80 en VI.II.83 van datzelfde RPPol omdat betrokkene in het (hogere) ambt van inspecteur-generaal niet werd aangesteld na een oproep tot kandidaatstelling en na vergelijking van titels en verdiensten waarbij de akte van aanstelling de keuze voor F. A. verantwoordt. 10. Uit het door het auditoraat gevoerde onderzoek is gebleken dat, nadat bij koninklijk besluit van 19 januari 2009 “vrijwillige beëindiging van het mandaat van inspecteur-generaal binnen de Algemene inspectie van de federale en lokale politie wordt verleend aan de heer [L.Cl.], met ingang van 1 maart [2009]” – ambt dat zodoende definitief is vrijgekomen –, HCP F. A. bij beslissing van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 24 februari 2009, genomen op grond van artikel 3 van de wet van 15 mei 2007, wordt aangeduid in het hoger ambt van inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie dat hem “in de bewoordingen van artikel VI.II.77 [van het RPPol), via aanstelling wordt toegekend voor een periode van maximum zes maanden” (BS 2 maart 2009, p. 17407). Dit aanstellingsbesluit luidt: XIV-37.505-12/17 “[…] Gelet op de wet van 15 mei 2007 op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, artikel 3; Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, de artikelen VII.II.77 tot VII.II.91; Gelet op het koninklijk besluit van 19 januari 2009 waarin de vrijwillige beëindiging van het mandaat van Inspecteur-generaal binnen de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, wordt verleend aan de heer [L. CL.], met ingang van 1 maart; Overwegende dat het ambt van Inspecteur-generaal niet vacant kan blijven, rekening houdend met de vele prerogatieven, die reglementair worden toegekend aan de bekleder van de functie of aan zijn vertegenwoordiger, die hij speciaal hiertoe dient te machtigen, en die te allen tijde moeten worden vervuld, in het bijzonder wanneer deze prerogatieven kaderen in de aanwijzing van bepaalde mandatarissen binnen de geïntegreerde politie; Dat het dientengevolge past om dringend te voorzien in de vervanging van de heer [L. CL.] in de functie van Inspecteur-generaal; Dat de heer [F. A.] in deze omstandigheid het personeelslid lijkt te zijn van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, dat het meest geschikt is om onmiddellijk aan de noden van de dienst, waarvan de gevolgen verder reiken dan de Algemene Inspectie, te beantwoorden; Dat hij de heer [L. CL.] al heeft vervangen in zijn ambt van Inspecteur-generaal op het ogenblik deze laatste het voorwerp uitmaakte van een voorlopige schorsing; Dat geen enkel element afbreuk kon doen aan de kwaliteiten van de betrokkene, dankzij dewelke hij werd aangewezen door de toenmalige Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, met het oog op de vervanging van de heer [L. CL.] in het ambt van Inspecteur-generaal, een vervanging die hij tot ieders voldoening goed heeft volbracht; Dat het ambt van Inspecteur-generaal, overeenkomstig de geldende reglementering, via wettelijk bepaald mandaat van categorie 5, wordt toegekend aan de bekleder ervan; dat het dientengevolge voor de betrokkene ongetwijfeld gaat over een hoger ambt, dat hem, in de bewoordingen van artikel VI.II.77, via aanstelling wordt toegekend voor een periode van maximum zes maanden en uiterlijk tot op de dag van de toekenning van het mandaat van Inspecteur-generaal aan een nieuwe titularis na afloop van de reglementair bepaalde aanwijzingsprocedure, […]” Deze aanstelling van HCP F. A. als inspecteur-generaal ad interim werd telkens met een periode van 6 maanden verlengd, laatst met een ministerieel besluit van 24 januari 2017 (BS 8 maart 2017, p. 34140). Pas op 31 januari 2017 is het ambt van inspecteur-generaal vacant verklaard (BS, 31 januari 2017, p. 15115) en is een oproep tot kandidaatstelling voor het betrokken mandaat gepubliceerd (BS, 31 januari 2017, p. 15129). XIV-37.505-13/17 Op 15 maart 2017 wordt verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord waarbij hem de samenstelling van de jury is meegedeeld. 11. De door verzoeker aangevoerde en hiervoor in punt 9 weergegeven wettigheidskritieken kleven volledig aan de eerdere opeenvolgende aanstellingsbesluiten op grond waarvan HCP F. A. is aangeduid om het hoger ambt van inspecteur generaal ad interim waar te nemen. Het is door zijn aanstelling in die functie dat betrokkene vervolgens qualitate qua “uit hoofde van dat ambt” uit kracht van het eerder aangehaalde artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 zelf, in de jury zetelt die oordeelt over de al dan niet geschiktheid van verzoeker en waarvan voorts het voorzitterschap toekomt aan de inspecteur-generaal. Deze aanstellingsbesluiten zijn geen deel van een complexe rechtshandeling in die zin dat zij zich zouden aandienen als een onderdeel van een reeks opeenvolgende handelingen die verschijnen als samenhangende bewerkingen die één geheel uitmaken en waarvan de bestreden beslissing het resultaat of de eindbeslissing vormt. Deze aanstellingsbesluiten staan derhalve op zich. Het gegeven dat verzoeker de beweerde onwettigheid ervan naar voren brengt naar aanleiding van de bestreden beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard, doet daaraan niet af. In wezen beoogt verzoeker aldus met zijn wettigheidskritiek op deze individuele aanstellingsbesluiten te bekomen dat, bij wijze van exceptie ex artikel 159 van de Grondwet, de wettigheid ervan ad perpetuum in vraag kan worden gesteld. Deze opeenvolgende aanstellingsbesluiten, te dezen in het ambt van inspecteur-generaal ad interim, zijn constitutieve individuele rechtsverlenende administratieve rechtshandelingen die inmiddels definitief zijn geworden en op grond waarvan de inspecteur-generaal ad interim de hem krachtens de wet en de reglementen toekomende prerogatieven heeft uitgeoefend. Artikel 159 van de Grondwet kan er niet toe leiden dat de regelmatigheid van deze individuele, XIV-37.505-14/17 rechtsverlenende bestuurshandelingen en de rechtsgevolgen die daaraan kleven permanent in vraag kunnen worden gesteld, hetgeen in het licht van het rechtstatelijk rechtszekerheidsbeginsel waaraan evenzo grondwettelijke waarde wordt toegekend, niet kan worden aanvaard. Verzoekers argument in zijn laatste memorie dat hij er vroeger nooit belang bij had om dergelijk aanstellingsbesluit te bestrijden en zodoende geen ontvankelijk annulatieberoep zou hebben kunnen indienen, overtuigt niet. Daargelaten nog dat verzoeker zich reeds sedert 2013 kandidaat stelt om deel te nemen aan de promotieopleiding 2013-2014, heeft hij geen enkele beslissing houdende aanstelling van HCP F. A. in het hoger ambt met een rechtstreeks annulatieberoep bestreden, ook niet het (laatste) ministerieel besluit van 24 januari 2017 dat bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2017 is gepubliceerd en hoewel verzoeker reeds bij brief van 15 maart 2017 is uitgenodigd om te worden gehoord waarbij hem de samenstelling van de jury is meegedeeld. Voorts voert verzoeker niet aan noch toont hij aan dat de aanstellingsbesluiten zo onregelmatig zijn dat ze voor onbestaande moeten worden gehouden. Het valt dus niet in te zien dat hem een rechtsmiddel zou zijn ontnomen, te meer daar het belangenvereiste niet al te formalistisch wordt of mag worden ingevuld, wat te dezen des te meer pertinent is nu reeds in de overwegingen van het eerste in punt 10 aangehaalde aanstellingsbesluit wordt gewezen op de vele prerogatieven, die reglementair worden toegekend aan de bekleder van deze functie en die te allen tijde moeten worden vervuld. Eén van die vele prerogatieven betreft zoals te dezen het waarnemen van het voorzitterschap van de jury die beslist over de toelating voor de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet dat is vereist voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie. Er valt niet in te zien waarom verzoeker er geen belang bij zou hebben gehad dergelijk beweerd onwettig aanstellingsbesluit met een annulatieberoep te bestrijden, wel integendeel. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie nog toevoegt dat de bevoegdheid “sowieso” de openbare orde raakt, brengt zulks nog niet mee dat de wettigheid van definitief geworden individuele beslissingen opnieuw kan worden beoordeeld. XIV-37.505-15/17 12. Het eerste middel is in de aangegeven mate niet-ontvankelijk. 13. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond is. V. Aanvullend onderzoek 14. Aangezien het auditoraat zijn onderzoek heeft beperkt tot het eerste middel doch bij de beoordeling ervan is vastgesteld dat het niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil, is er reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-37.505-16/17 Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.505-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.591 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.