← België

Arrest 251592 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.592 Rolnummer: A. 228188/XIV-38061 Zaak: Arrest 251592 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 07:41 Fiche Arrest nr 251.592 van 23 september 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.592 van 23 september 2021 in de zaak A. 228.188/XIV-38.061 In zake : Ann CASSAUWERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Van Kelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Tolstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5364 REGIO TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Van Den Wyngaert en Jean-Luc Schuermans kantoor houdend te 2300 Turnhout de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie regio Turnhout van 27 maart 2019 waarbij verzoekster wordt herplaatst naar de politiepost Turnhout. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.061-1/14 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 14.45 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Van Kelst, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Koen Van Den Wyngaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.1 Verzoekster is eerste inspecteur van politie bij de lokale politiezone Regio Turnhout (PZ 5364). 3.
  4. Met een brief van 25 februari 2019 wordt verzoekster door de officier personeel (HRM)/intern toezicht in kennis gesteld van een voorstel van de korpschef tot herplaatsing. Daarin wordt gesteld: “Gelet op de spanningen in de politiepost Beerse (ik verwijs hierbij o.a. naar verschillen in karakter en persoonlijkheid tussen u en de andere wijkagenten, verstoorde arbeidsrelaties, bipolarisatie) en het feit dat deze situatie zich steeds meer afstraalt op het ganse personeel van de politiepost, overweegt de korpschef om u – ongeacht de schuldvraag en in het belang van de goede werking van de politiepost Beerse – te herplaatsen naar de politiepost Turnhout. […].” XIV-38.061-2/14 Verzoekster wordt omtrent dit voorstel gehoord en dient een verweerschrift in. 3.
  5. Op 27 maart 2019 beslist de korpschef verzoekster met ingang van 1 april 2019 te herplaatsen naar de politiepost Turnhout. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] Overwegende dat de orde in de politiedienst Beerse ontegensprekelijk verstoord is; Overwegende dat ik, als goed en zorgvuldig korpschef, de goede werking binnen de politiepost Beerse wens te herstellen; Overwegende dat er een belangrijk verschil is in het karakter en de persoonlijkheid van de verschillende wijkagenten; Overwegende dat deze verschillen zorgen voor spanningen die meer en meer tot expliciete en uitgesproken ergernissen zijn uitgegroeid; Overwegende dat de situatie zich steeds meer afstraalt op het ganse personeel van de politiepost Beerse, waar irritatie en intolerantie de overhand hebben genomen op collegialiteit; Overwegende dat er door de sociale spanningen tussen de collega’s, de verslechterde werksfeer en de verstoorde arbeidsrelaties, een onhoudbare, onwerkbare en vooral onomkeerbare situatie is ontstaan, die onderbroken moet worden; Overwegende dat ik deze beslissing neem in het belang van de goede werking van de politiepost Beerse, namelijk om tegemoet te komen aan de gespannen sfeer op de dienst en om verdere conflicten tussen collega’s te vermijden; Overwegende dat het aangewezen is om u, in het belang van de dienst, te herplaatsen naar de politiepost Turnhout; Overwegende dat het gaat om een herplaatsing als gevolg van de normale uitoefening van het hiërarchisch gezag van de korpschef met als enige finaliteit de goede werking van de politiepost Beerse; Overwegende dat de overplaatsing van u, naar een andere politiedienst binnen de politiezone, met behoud van uw opgebouwde rechten en in dezelfde functie, de mogelijkheid geeft om intern veranderingen in de politiepost Beerse uit te voeren die tegemoet komen aan de negatieve werksfeer; Overwegende dat u bij aangetekend schrijven van 25 februari 2019 in kennis werd gesteld van het voornemen van de korpschef om u te herplaatsen naar de politiepost Turnhout, in het belang van de goede werking van de dienst, alsook van de mogelijkheid om uw bemerkingen ter zake ter kennis te brengen ten overstaan van CP [XX] op 7 maart 2019; Overwegende dat u aldus de mogelijkheid werd geboden om nuttig op te komen voor uw belangen ten aanzien van de overwogen maatregel; Overwegende dat u werd gehoord in uw argumenten door CP [XX] op 7 maart 2019 en gelet op het verslag dat hiervan werd opgemaakt en het schriftelijk verweer van 6 maart 2019; Gelet ook op de brief van advocaat Johan Van Kelst van 14 maart 2019; Gelet op de mail van dhr. [YY] van 25 maart 2019; XIV-38.061-3/14 Overwegende dat u zich beroept op o.m. uw jarenlange ervaring, de opgebouwde relaties met burgers en overheden, uw positieve evaluaties; Overwegende dat u aanhaalt dat uw 15 jaar ervaring in de politiepost Beerse verloren zal gaan, terwijl uw jarenlange ervaring m.i. juist een pluspunt is voor een vlotte inzetbaarheid als zelfstandig optredend wijkagent in de politiepost Turnhout; Overwegende dat deze maatregel enkel en alleen de goede werking van de politiepost Beerse beoogt, en niet het bestraffen van een gedraging of tekortkoming in de uitoefening van uw functie; Overwegende dat volgens u de oorzaak van het conflict te wijten is aan het overtreden van het rookverbod door een collega; advocaat Van Kelst schrijft: ‘klaarblijkelijk wordt deze collega gesteund door de korpschef die geen initiatief neemt ten aanzien van het verbod op roken op de werkvloer’; Overwegende dat het de taak is van elke officier politiepost om het rookverbod op de werkvloer te doen naleven aangezien hij rechtstreeks gezag uitoefent over de personen die tewerkgesteld zijn op de politiepost; Overwegende dat ik in het verleden nooit ben ingelicht geweest over het overtreden van het rookverbod op de politiepost Beerse, noch door u, noch door andere collega’s, noch door de officier politiepost. […]”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  6. Op 9 februari 2021 beslist de commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (CGPP) dat verzoekster definitief ongeschikt is voor de dienst (vanaf 1 maart 2021) bij toepassing van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 ‘voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.’ IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de memorie van antwoord – ambtshalve vaststelling Standpunt van de verwerende partij
  7. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat, gelet op het feit dat zij door advocaten wordt vertegenwoordigd, zij geen afschrift moet voegen van de akte van aanstelling van haar organen, noch van het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan heeft beslist in rechte te treden. XIV-38.061-4/14 In de laatste memorie stelt de verwerende partij dat zij kan volstaan met het toevoegen van het besluit van het politiecollege van 3 juli 2019 waaruit volgens haar de procesvolmacht blijkt. Hierin werden de raadslieden aangesteld en deze delegatie dateert van vóór de indiening van de memorie van antwoord. Beoordeling
  8. De lokale politiezone Regio Turnhout is een “meergemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’). Artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat in meergemeentezones het politiecollege ten aanzien van de politiezone de bevoegdheden uitoefent die aan het college van burgemeester en schepenen zijn toegekend. Luidens artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’, vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke gevallen. Uit de voormelde bepalingen volgt dat het politiecollege van een meergemeentezone de rechtsgedingen voert waarbij de meergemeentezone, zoals in de voorliggende zaak, als de verwerende partij is betrokken. Hieruit volgt dat alle procedurestukken voor de Raad van State dienen uit te gaan van het politiecollege.
  9. Te dezen vermeldt de memorie van antwoord uitdrukkelijk dat ze uitgaat van de politiezone “in de persoon van de korpschef van die lokale politie”. Het processtuk gaat bijgevolg uitdrukkelijk niet uit van het politiecollege. Er ligt voorts evenmin een uittreksel voor van de notulen van het politiecollege waaruit zou kunnen blijken dat het college tijdig zijn akkoord heeft XIV-38.061-5/14 betuigd met het zich eigen maken van het betrokken stuk uitgaande van de korpschef. De memorie van antwoord gaat derhalve niet uit van het bevoegde orgaan van de meergemeentezone.
  10. Het argument van de verwerende partij dat het politiecollege in zitting van 3 juli 2019 het in het voorliggende geding optredende advocatenkantoor heeft gemandateerd “om de volledige procedure voor de Raad van State te voeren (indienen van een memorie van antwoord, enzovoorts) en de belangen van de politiezone en de korpschef te verdedigen,” is te dezen niet relevant, vermits deze beslissing van het politiecollege het – niet aan de orde zijnde – in rechte treden als verwerende partij en het mandaat ad litem van de gedingvoerende advocaten betreft, maar geen betrekking heeft op de thans voorliggende rechtsvraag of de neergelegde memorie van antwoord uitgaat van het correcte orgaan van de verwerende partij.
  11. Uit wat voorafgaat, volgt dat ambtshalve de memorie van antwoord uit het debat wordt geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep – de vereiste van het belang Uiteenzetting van de exceptie
  12. In een op 7 april 2021 aan de Raad van State gerichte brief meldt de verwerende partij dat verzoekster vanaf 1 maart 2021 definitief ongeschikt is bevonden voor de dienst en dat verzoekster “met andere woorden ambtshalve op medisch pensioen [is] gesteld.” Voorts wijst zij erop dat die beslissing definitief is geworden en doet zij gelden dat verzoekster haar actueel belang is verloren. Volgens haar was verzoeksters belang gesteund “op de kans dat zij met het aanvechten van de herplaatsing alsnog de mogelijkheid zou bekomen om op haar eerdere post te Vlimmeren/Beerse tewerkgesteld te blijven”, terwijl door XIV-38.061-6/14 verzoeksters opruststelling die kans per definitie niet meer bestaat. Ter terechtzitting voegt de verwerende partij hieraan toe dat verzoekster geen moreel belang bij het beroep meer geniet: dat is volledig opgeslorpt door de opruststelling. Beoordeling
  13. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punten B.11.
  14. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). XIV-38.061-7/14
  15. Verzoekster verliest niet noodzakelijk haar belang bij de nietigverklaring indien zij, zoals te dezen, definitief ongeschikt is bevonden voor de dienst. Die beslissing, alsook de eruit volgende definitieve ambtsontheffing, is definitief geworden. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, blijkt niet uit de processtukken van verzoekster dat zij haar belang heeft beperkt tot de mogelijkheid om door middel van een vernietiging van de bestreden beslissing, te bekomen dat zij op haar eerdere post tewerkgesteld blijft. De enkele omstandigheid dat, gelet op deze gewijzigde feitelijke omstandigheden, de inwilliging van het voorliggende beroep verzoekster niet het voordeel kan opleveren dat zij in haar oorspronkelijke functie wordt hersteld, nu de pensionering aanleiding geeft tot haar ambtsneerlegging en verzoekster niet meer kan terugkeren naar haar vorige functie, ontneemt derhalve op zich niet het belang bij het voorliggende beroep.
  16. De bestreden beslissing overstijgt het karakter van een maatregel van louter inwendige orde. Hoewel de bestreden beslissing de schuldvraag openlaat betreffende het bestaan van de “onhoudbare, onwerkbare en vooral onomkeerbare situatie” in de politiepost Beerse, blijkt vooreerst uit de gegevens van de zaak dat het thans bestreden herplaatsingsbesluit steunt op gegevens die refereren aan (onder meer) de persoon van verzoekster. Zo wordt in het voorstel tot herplaatsing verwezen naar “verschillen in karakter en persoonlijkheid tussen [verzoekster] en de andere wijkagenten, verstoorde arbeidsrelaties, bipolarisatie” en in de bestreden beslissing naar “een belangrijk verschil […] in het karakter en de persoonlijkheid van de verschillende wijkagenten.” Voorts blijkt dat de bestreden beslissing gevolgen heeft gehad voor de wijze waarop verzoekster haar functie moet vervullen. De bestreden maatregel heeft immers gedurende een periode uitwerking gehad en verzoekster heeft, zoals zij ter terechtzitting opmerkt, de nadelige gevolgen ervan ondergaan. Tot slot blijkt verzoekster ambtshalve – en niet op eigen verzoek of ingevolge een vrije keuze van verzoekster – op pensioen te zijn gesteld. XIV-38.061-8/14 In die concrete omstandigheden behoudt verzoekster een voldoende moreel belang, hoe miniem ook, nu de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing verzoekster kan behoeden voor het morele nadeel, hoe miniem ook, dat zij (nog) lijdt door het tenuitvoergelegd zijn van de bestreden herplaatsing. Zulks volstaat.
  17. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het zesde middel Standpunt van de partijen
  18. Verzoekster voert in het zesde middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel VI.II.85 van het RPPol, doordat de deugdelijke reden voor de herplaatsing niet aanwezig is. Zij zet uiteen dat er in de bestreden beslissing op wordt gewezen dat er een verstoring van de orde is in de politiepost Beerse, dat er een verschil is in karakter en persoonlijkheid van de verschillende wijkagenten en dat deze verschillen zorgen voor spanningen die meer en meer tot expliciete en uitgesproken ergernissen zijn uitgegroeid. Om die spanningen en conflicten te vermijden wordt verzoekster herplaatst. De korpschef heeft daartoe evenwel geen deugdelijke reden. Zij wijst erop dat zij reeds vijftien jaar zonder problemen werkzaam is op de politiepost en dat zich nooit enig probleem heeft voorgedaan tot op het moment dat twee collega’s die het rookverbod schonden werden overgeplaatst naar de politiepost. Voorts doet zij gelden dat zij tot kort voor haar herplaatsing nog een positieve evaluatie verkreeg waarin melding wordt gemaakt van de verslechterde arbeidsrelatie en waarin wordt bevestigd dat zij het slachtoffer is van pesterijen door een van haar collega’s. Ook wijst zij erop dat de verslechterde toestand zich reeds meer dan twee jaar voordoet en dat de korpschef niet het minste initiatief nam ter vrijwaring van de goede werking van de dienst door de schending van het rookverbod te sanctioneren. Zij besluit dat er geen objectieve elementen kunnen worden aangeduid op basis waarvan de korpschef tot haar overplaatsing beslist, behoudens de pensionering van de officier politiepost XIV-38.061-9/14 Beerse op 1 april 2019 die voorheen, bij herhaling, de korpschef had bevestigd dat het functioneren van verzoekster geen problemen stelde, maar wel dat van de twee collega’s. Het blijkt duidelijk dat de korpschef voor verzoekster onbekende, niet veruitwendigde, redenen heeft om haar over te plaatsen.
  19. In de laatste memorie stelt de verwerende partij dat zij het volstrekt oneens is met het standpunt dat het aandeel van verzoekster in de verstoring van de goede werking van de dienst moet worden aangetoond. Anders dan in het arrest nr. 244.017 van 1 juni 2013 waarnaar verzoekster verwijst, wordt geen enkel verwijt ten aanzien van verzoekster geformuleerd en wordt over haar gedrag in alle talen gezwegen: enkel op de (onbetwiste) verstoorde werking van de dienst wordt gefocust. Voorts zegt het voornoemde arrest niets over de inhoudelijke toepassingsvereisten van artikel VI.II.85 RPPol op het vlak van de (materiële en/of formele) motiveringsplicht. Verwijzend naar het voornoemde arrest stelt de verwerende partij dat er slechts één voorwaarde voor de herplaatsing moet worden vervuld, met name de deugdelijke grondslag ervoor. Volgens haar vormt de “deugdelijke grondslag” het juridische equivalent van de in artikel VI.II.85 RPPol vermelde “enigerlei oorzaak”. Verwijzend naar de arresten nrs. 193.392 en 160.763 ziet de verwerende partij “met de beste wil van de wereld niet in hoe zij het herstel van haar verstoorde dienst had moeten motiveren door een persoonlijk gedrag van verzoekster aan te grijpen.” Voorts vreest zij dat die strekking “zeer gevaarlijk is en in de praktijk nagenoeg onwerkbaar zal zijn”, stellende dat mocht zij een of meer concrete gedragingen van verzoekster hebben aangeduid, daaruit zonder discussie een bestraffend oogmerk zou worden afgeleid. Tot slot zet de verwerende partij een aantal “eindoverwegingen” uiteen inzake het al dan niet geloofwaardig achten dat de korpschef op de hoogte was van een kwestie omtrent het niet-naleven van het rookverbod en de impact daarvan op de besluitvorming, alsook inzake de “zinloze sfeermakerij” door verzoekster in de memorie van wederantwoord wat de vermoede aanleiding kan zijn voor het zich geviseerd voelen door de korpschef. XIV-38.061-10/14 Beoordeling
  20. De bestreden beslissing is een herplaatsing in de zin van artikel VI.II.85, 8° RPPol. Artikel VI.II.85, RPPol bepaalt de gevallen waarin een personeelslid kan worden herplaatst. Het luidt: “Art. VI.II.
  21. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat : 1° niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de betrekking maar dat opnieuw kan worden geplaatst in een andere betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; 2° daarom verzoekt omdat het, hetzij in de uitoefening van zijn functie hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van politiepersoneelslid, slachtoffer is van een ernstige gewelddaad; 2° bis is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter; 3° geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking; 4° heropgenomen wordt overeenkomstig titel III van deel IX; 5° als stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst in zijn kader van oorsprong; 6° het personeelslid dat daarom verzoekt op grond van artikel VI.I.11, vierde lid, 2°; 7° het personeelslid dat uit disponibiliteit terugkeert en dat onder toepassing valt van artikel VIII.XI.12, 2°; 8° wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking; 9° in het raam van het eindeloopbaanregime bedoeld in hoofdstuk VII een aangepaste betrekking heeft verkregen.” Naast een expliciete opsomming van een aantal objectieve redenen waarin de herplaatsing van een politieambtenaar mogelijk is (met name de gevallen voorzien in 1° tot 7° en in 9°), kan een herplaatsing ook gebeuren wanneer dat “wegens enigerlei oorzaak” vereist is (8°). Op grond van deze laatste bepaling is het herplaatsen van een personeelslid derhalve mogelijk in alle gevallen waarin de korpschef zulks, met het dienstbelang voor ogen, gerechtvaardigd acht en daarvoor een deugdelijke reden heeft om het personeelslid aan te wijzen voor een andere dan de eigen betrekking. Elke herplaatsing van een personeelslid in de zin van artikel VI.II.85 RPPol, vereist voorts dat er een noodzakelijk verband moet zijn tussen de in artikel VI.II.85 RPPol opgesomde reden van herplaatsing en het te herplaatsen personeelslid. Het onderscheid tussen artikel VI.II.85, 1° tot 7° en 9°, XIV-38.061-11/14 RPPol eensdeels, en artikel VI.II.85, 8°, RPPol anderdeels, bestaat erin dat dit verband noodzakelijk blijkt uit de vaststelling dat het personeelslid zich in één van de gevallen van artikel VI.II.85, 1° tot 7° of 9° RPPol bevindt nu die reden enkel betrekking kan hebben op het te herplaatsen personeelslid, terwijl inzake een herplaatsing op basis van artikel VI.II.85, 8°, RPPol dat verband moet blijken uit de (deugdelijke) redenen waarom het betrokken personeelslid het voorwerp moet uitmaken van de herplaatsing. De korpschef heeft bij de uitoefening van de hem door de Koning toegekende – ruime - bevoegdheid tot herplaatsing op grond van artikel VI.II.85, 8° RPPol, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Hij apprecieert aldus discretionair of er sprake is van “enigerlei oorzaak” die vereist dat het betrokken personeelslid wordt aangewezen voor een andere dan de eigen betrekking. Het komt derhalve aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om ter zake zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de korpschef is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  22. De verwerende partij kan enerzijds worden gevolgd in haar standpunt in de laatste memorie dat, opdat er een deugdelijke reden zou bestaan voor de toepassing van artikel VI.II.85, 8° RPPol, niet is vereist dat het persoonlijk aandeel van verzoekster in de concrete verstoring van de goede werking van de dienst moet worden aangetoond: ook buiten deze context is, gelet op de ruime bevoegdheid van de korpschef ter zake, immers de toepassing van deze modaliteit tot herplaatsing niet uit te sluiten. Anders dan hoe de verwerende partij het echter ziet, volstaat anderzijds evenwel niet de enkele vaststelling dat het dienstbelang is verstoord opdat de korpschef toepassing kan maken van zijn discretionaire bevoegdheid ter zake. Zoals hiervoor is gesteld vereist een herplaatsing van een personeelslid in de zin van artikel VI.II.85 RPPol, dat er een noodzakelijk verband moet zijn tussen het dienstbelang - te dezen de noodzaak de goede werking van de politiepost te herstellen - en de noodzaak tot herplaatsing van verzoekster daartoe. XIV-38.061-12/14 Wanneer in redelijkheid niet zou kunnen worden aangenomen dat er een verstoring is op de werkvloer, dan zou er inderdaad geen motief voor een maatregel tot herplaatsing aanwezig zijn, maar zulks volstaat niet opdat de korpschef toepassing kan maken van de in artikel VI.II.85, 8° RPPol voorziene modaliteit tot herplaatsing zonder daartoe, met het dienstbelang voor ogen, een deugdelijke reden te hebben om precies verzoekster aan te wijzen voor een andere dan haar eigen betrekking. In de mate dat de verwerende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die derhalve in rechte.
  23. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.3.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat de korpschef in algemene bewoordingen verwijst naar het verschil in karakter en persoonlijkheid van de verschillende wijkagenten in de politiepost dat voor spanningen en uitgesproken ergernissen zorgt en waarbij dat steeds meer afstraalt op het ganse personeel van de politiepost, waardoor er een onhoudbare, onwerkbare en onomkeerbare situatie is ontstaan die doorbroken moet worden, om dan te besluiten “dat het aangewezen is om [verzoekster], in het belang van de dienst, te herplaatsen naar de politiepost Turnhout.” Behoudens deze – overigens niet-betwiste – feitelijke vaststelling dat een onhoudbare, onwerkbare en vooral onomkeerbare situatie op de werkvloer is ontstaan die in het belang van de goede werking van de politiepost moet worden doorbroken, blijkt noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier het noodzakelijke verband tussen het niet-betwiste dienstbelang en de noodzaak om precies verzoekster daartoe aan te wijzen voor een andere betrekking dan de eigen betrekking. De enkele bewering dat haar herplaatsing “de mogelijkheid geeft om intern veranderingen in de politiepost Beerse uit te voeren die tegemoet komen aan de negatieve werksfeer” volstaat wegens de algemeenheid ervan die niet is toegespitst op de concrete situatie, ter zake in elk geval niet. XIV-38.061-13/14
  24. Het zesde middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State vernietigt de beslissing van de korpschef van de lokale politie regio Turnhout van 27 maart 2019 waarbij verzoekster wordt herplaatst naar de politiepost Turnhout.
  26. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.061-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.