← België

Arrest 251593 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.593 Rolnummer: A. 224735/XIV-37664 Zaak: Arrest 251593 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 07:42 Fiche Arrest nr 251.593 van 23 september 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.593 van 23 september 2021 in de zaak A. 224.735/XIV-37.664 In zake : Ashley YSEWYN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145 A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie van 10 januari 2018, waarbij verzoeker niet geslaagd is verklaard voor de basisopleiding van inspecteur van politie en hierbij definitief is afgewezen voor deze basisopleiding en hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur is ontnomen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.644-1/15 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goossens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker start op 1 oktober 2014 de opleiding tot inspecteur van politie in de West-Vlaamse Politieschool. 3.
  5. Op 19 januari 2016 stelt de examenjury in haar verslag vast dat verzoeker niet is geslaagd voor de basisopleiding en adviseert aan de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (hierna: DGR) om verzoeker definitief af te wijzen. Verzoeker dient hiertegen een verweerschrift in. XIV-37.644-2/15 3.
  6. Op 10 januari 2018 beslist de directeur-generaal van DGR dat verzoeker niet geslaagd is voor de basisopleiding van inspecteur van politie, dat hij aldus definitief wordt afgewezen voor de basisopleiding van inspecteur van politie en dat hem op diezelfde datum de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel
  7. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord, na kennisneming van het administratief dossier, afstand te doen van het middel.
  8. De Raad van State verleent akte van de afstand van het eerste middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 38 en 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 ‘betreffende de basisopleidingen van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen (hierna: het koninklijk besluit van 20 november 2001), die respectievelijk de samenstelling van de examencommissie en de jury regelen. Hij betwist dat deze rechtsgeldig zijn samengesteld en voert ter zake de volgende wettigheidsbezwaren aan: 1.) niet blijkt dat de voorzitter - commissaris van politie P.T. - overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 door XIV-37.644-3/15 de directeur van de politieschool werd aangeduid uit een lijst van de Vaste commissie voor de Lokale Politie en na akkoord van diens korpschef. Bij gebrek hieraan was de examencommissie niet rechtsgeldig samengesteld en derhalve onbevoegd; 2.) Evenmin blijkt dat de examenjury overeenkomstig artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 rechtsgeldig is samengesteld: - vermits de voorzitter S.M. van de examencommissie conform artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 ook deel uitmaakt van de examenjury, is ook die jury niet rechtsgeldig samengesteld, aangezien niet blijkt dat de voorzitter van de examencommissie rechtsgeldig werd aangeduid; - Het blijkt niet dat commissaris van politie P.V.G. als lid van het operationeel kader van de federale politie dat in de jury moet zetelen, conform artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, werd aangeduid uit een lijst opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie. Ook werd hij aangewezen door de opleidingsdirecteur S.M. en verzoeker verwijst naar wat hierna is gesteld; - De leden van het onderwijzend personeel die in de jury zetelen werden aangewezen door de opleidingsdirecteur S.M. van de politieschool, en verzoeker verwijst naar wat hierna is gesteld; - Conform artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 is de voorzitter van de jury “de directeur van de betrokken politieschool of zijn vertegenwoordiger”. Het is tevens deze directeur die als voorzitter, de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en de leden van het onderwijzend personeel moet aanwijzen om te zetelen in de jury. Deze directeur wijst ook de leden aan die in de examencommissie moeten zetelen. In casu is S.M. als directeur opgetreden. De politieschool heeft de rechtsvorm van een vzw. Blijkens de laatste relevante neerlegging ter griffie (17 maart 2015) zijn de personen die gemachtigd zijn om de vereniging te vertegenwoordigen, een “algemeen directeur”, H.D., en een “opleidingsdirecteur”, S.M. Conform artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 april 2008 ‘betreffende de kwaliteitsstandaarden, de pedagogische en omkaderingsnormen van de politiescholen en het college van de directeurs van de politiescholen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de terbeschikkingstelling van opleiders van de XIV-37.644-4/15 federale politie in de erkende politiescholen en betreffende de nadere regels voor de toekenning van een financiële tussenkomst voor de organisatie van selectieproeven en van beroepsopleidingen door de erkende politiescholen’ (hierna: het koninklijk besluit van 6 april 2008) bestaat de directie van een politieschool “uit de directeur van de politieschool die zich kan laten bijstaan door adjuncten en/of medewerkers”. Er is dus slechts één enkele directeur wiens takenpakket wordt uiteengezet onder de artikelen 29 en 30 van het koninklijk besluit van 6 april
  10. Waar de vzw een “algemeen directeur” en een “opleidingsdirecteur” kent, meent verzoeker dat het begrip “de directeur van de politieschool” enkel de “algemeen directeur” kan zijn, waarbij de “opleidingsdirecteur” hooguit een adjunct van de directeur kan zijn. Op zijn minst blijkt uit de statuten van de vzw geenszins dat de “opleidingsdirecteur” diegene is die verantwoordelijk is voor de aangelegenheden opgesomd in de artikelen 29 en 30 van het koninklijk besluit van 6 april
  11. Derhalve is S.M. niet de ‘directeur van de politieschool’ in de zin van de artikelen 38 en 42 van het koninklijk besluit van 20 november
  12. Hij was derhalve niet bevoegd om de leden van de examencommissie, noch de leden in de examenjury aan te wijzen, zodat deze beide organen niet rechtsgeldig samengesteld waren, en derhalve niet bevoegd waren.
  13. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker omstandig op het argument van de verwerende partij dat een impliciet akkoord van de korpschef met de aanwijzing van commissaris van politie P.T. in de examencommissie blijkt uit het feit dat die meerdere dagen aanwezig was en dat deze tijd in toepassing van artikel VI.9.1° UBPol als arbeidstijd is aangerekend, en besluit dat het geenszins vanzelfsprekend is dat de korpschef zijn akkoord gegeven heeft. Hooguit blijkt hieruit een akkoord achteraf, maar het akkoord dient vooraf gegeven te worden. En er ligt geen stuk voor waaruit dit blijkt. Inzake het bewijs van de aanwijzing op basis van een lijst van de Vaste commissie van de Lokale Politie, betwist verzoeker dat uit het door de verwerende partij overgelegde stuk van het administratief dossier blijkt dat de Vaste commissie van de Lokale Politie die lijst zelf heeft vastgesteld. Uit dit stuk XIV-37.644-5/15 blijkt dat het dagelijks bestuur die lijst heeft opgesteld en dat de algemene vergadering hier louter kennis van heeft genomen, terwijl de lijst moet worden opgesteld door de vaste commissie zelf en niet door haar dagelijks bestuur. Inzake het statuut van S.M., stelt verzoeker dat uit het door de verwerende partij overgelegde stuk van het administratief dossier inderdaad blijkt dat de West-Vlaamse Politieschool deel uitmaakt van het “POV” dat geleid wordt door de vzw WFIV en dat een aantal vzw’s, waaronder de vzw West-Vlaamse Politieschool, samen de vzw WIFIV hebben opgericht. Dit is naar mening van verzoeker zonder relevantie: in toepassing van het koninklijk besluit van 6 april 2008 is het de West-Vlaamse Politieschool die de politieschool is. Wat de bevoegdheid van S.M. betreft en in zoverre de verwerende partij verwijst naar een verslag van de raad van bestuur waaruit blijkt dat die, als opleidingsdirecteur, de statutair voorziene bevoegdheid van directeur van de politiescholen zal uitoefenen, stelt verzoeker dat de West-Vlaamse Politieschool de vorm van een vzw heeft aangenomen, en dat deze vzw, om te kunnen fungeren als erkende politieschool zich qua structuren dient te conformeren aan het koninklijk besluit van 6 april
  14. Dat besluit voorziet niet in een structuur van enerzijds ‘algemeen directeur’ en anderzijds ‘opleidingsdirecteur’, maar wel in een directie bestaande uit één directeur die zich kan laten bijstaan door adjuncten en/of medewerkers. Het kan derhalve niet dat de vzw West-Vlaamse Politieschool een tweedeling installeert en daarbij bepaalt dat het de opleidingsdirecteur is die zich vereenzelvigt met het begrip directeur in de zin van het koninklijk besluit van 6 april
  15. S. M. werd voorts na een selectie voor ‘opleidingscoördinator’ “uitverkoren”. Dit is volgens verzoeker een selectie die niet gevoerd is voor het concept ‘directeur’ in de zin van het koninklijk besluit van 6 april
  16. Indien en voor zover er iemand als directeur van de politieschool kan worden beschouwd dan is het H. D. als ‘algemeen directeur’ binnen de West-Vlaamse Politieschool. XIV-37.644-6/15
  17. In de laatste memorie erkent verzoeker dat de raad van bestuur van de vzw West-Vlaamse Politieschool de wil heeft geuit dat S.M. fungeert als “directeur” in de zin van het koninklijk besluit van 6 april 2008, doch de raad van bestuur is volgens hem niet “volmachtig”: hij dient te handelen binnen de perken van de wet waarbij volgens verzoeker het koninklijk besluit van 6 april 2008 duidelijk heeft omschreven hoe een directie van een politieschool is samengesteld. Als de politieschool een ander pad volgt dan is dat niet correct. Verzoeker herneemt ter zake hetgeen hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Voorts erkent verzoeker dat er geen specifieke bepaling bestaat waaruit voortvloeit dat er binnen een vzw verplicht een selectie als “opleidingsdirecteur” zou moeten zijn, maar zijn punt is dat de verwerende partij op de selectie als opleidingscoördinator leunt ter staving van het feit dat S.M. directeur is in de zin van het koninklijk besluit van 6 april 2008 en dat wanneer voor een dergelijke functie een selectie wordt georganiseerd, er dan ook moet worden geselecteerd voor het ambt van directeur en niet voor een ander ambt om dan de “uitverkorene” van het ander ambt “directeur” te gaan noemen. Wat de voorzitter van de examencommissie betreft, blijkt volgens verzoeker inderdaad uit de notulen van de algemene vergadering dat die van de lijst van officieren kennis heeft genomen en geen bemerkingen heeft gegeven, maar volgens verzoeker is dat niet te vereenzelvigen met een besluit van de algemene vergadering omdat uit niets blijkt dat de algemene vergadering heeft besloten tot deze lijst. Volgens hem heeft het dagelijks bestuur tot de lijst beslist en nam de algemene vergadering er kennis van zonder bemerkingen. Uit de notulen van de algemene vergadering blijkt geen beslissing van de algemene vergadering. Wat het voorafgaand akkoord van de korpschef betreft, blijkt volgens verzoeker uit de regelgeving niet dat de politieofficier die als voorzitter zetelt, kan worden gelast zonder voorafgaande goedkeuring door diens korpschef. Volgens verzoeker is de vereiste van de voorafgaande toestemming geenszins een zaak tussen alleen de officier en dienst korpschef, net omwille van de bekommernis dat de lokale politiezone niet voor voldongen feiten zou worden XIV-37.644-7/15 geplaatst. De wettekst stelt ook letterlijk “na akkoord van”. Dat is niet aan enig vormvoorschrift onderworpen, maar uit niets blijkt dat het akkoord voorafgaand was gegeven. Wat tot slot de leden van de jury betreft, insisteert verzoeker dat zij niet rechtsgeldig zijn aangewezen gelet op de hiervoor vastgestelde onbevoegdheid van S.M. tot aanwijzing van hen. Beoordeling
  18. De artikelen 38 en 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bepalen de samenstelling van respectievelijk de examencommissie en de (examen)jury. Ze luiden: “Artikel
  19. Onverminderd het derde lid, wijst de directeur van de betrokken politieschool de leden van de examencommissie aan, die de volgende leden omvat: 1° een officier van politie, voorzitter; 2° één opleider; 3° twee lesgevers. De directeur van de betrokken politieschool wijst de in het tweede lid, 1°, bedoelde officier van politie aan. Indien het een officier van de federale politie betreft, wordt hij aangewezen uit een lijst opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie. Indien het een officier van de lokale politie betreft, wordt hij aangewezen uit een lijst opgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie en na akkoord van zijn korpschef. De politieleden van de examencommissie moeten bekleed zijn met een graad hoger of gelijk aan de graad waarvoor de aspiranten de basisopleiding volgen.” Artikel
  20. De in artikel 142sexies van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bedoelde jury is als volgt samengesteld: 1° de directeur van de betrokken politieschool of zijn vertegenwoordiger, voorzitter; 2° de voorzitter van de examencommissie; 3° twee personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, waarvan geen van beiden verbonden is met de betrokken opleidingscyclus en waarvan de ene tot de lokale politie en de andere tot de federale politie behoort; 4° twee leden van het onderwijzend personeel verbonden aan de betrokken politieschool; 5° een lid van de pedagogische cel van de politieschool. Onverminderd het derde lid, wijst de directeur van de betrokken politieschool de in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelsleden van de politiediensten aan, alsmede de in het eerste lid, 4° bedoelde leden van het onderwijzend personeel. XIV-37.644-8/15 Hij wijst, het in het eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid van de federale politie aan, in voorkomend geval, uit een opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie. De leden van de jury bedoeld in het eerste lid, 3°, moeten bekleed zijn met een graad hoger of gelijk aan de graad waarvoor de aspiranten de basisopleiding volgen.”
  21. In een eerste grief voert verzoeker aan dat de opleidingsdirecteur bij de politieschool West-Vlaamse Politieschool, S.M., niet kan worden beschouwd als de ‘directeur van de politieschool’ in de zin van artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 april
  22. Deze grief is om de volgende redenen ongegrond. Artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 april 2008 bepaalt: “De directie van de politieschool bestaat uit de directeur van de politieschool die zich kan laten bijstaan door adjuncten en/of medewerkers”. Uit de door verzoeker zelf bijgebrachte bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 27 maart 2015, blijkt dat de algemene vergadering van de vzw West-Vlaamse Politieschool op 18 december 2014 S.M. heeft benoemd tot bestuurder en tot lid van het dagelijks bestuur van de vzw. Voorts worden S.M. en H.D. aangesteld als gemachtigde die rechtsgeldig de vereniging administratief mogen verbinden. Uit deze bekendmaking blijkt ook dat H.D. de titel ‘algemeen directeur’ draagt en dat S.M. de titel ‘opleidingsdirecteur’ draagt. Uit het in het administratief dossier neergelegde verslag van de vergadering van de raad van bestuur van de vzw West-Vlaamse Politieschool van 21 mei 2014 blijkt dat S.M., als laureaat van de selectieprocedure voor opleidingscoördinator, wordt aangeduid als opleidingsdirecteur van de West-Vlaamse Politieschool. Inzake “Betiteling en bevoegdheden” is het volgende beslist: XIV-37.644-9/15 “Onder meer i.f.v. van het KB ‘opleidingen’ en de situatie in de andere provinciale scholen, beslist de vergadering om de betiteling ‘opleidingsdirecteur’ te hanteren i.p.v. ‘opleidingscoördinator’. De raad van bestuur beslist vervolgens dat de bevoegdheden van ‘de directeur van de politieschool’, zoals statutair voorzien in het raam van de opleiding van personeelsleden, worden waargenomen door de ‘opleidingsdirecteur’, zijnde de heer S.M.”. Uit deze stukken volgt dat in redelijkheid niet kan worden betwist dat de raad van bestuur van de vzw West-Vlaamse Politieschool beslist heeft dat S.M. handelt als directeur in de zin van het koninklijk besluit van 6 april
  23. Het argument van verzoeker dat de vzw West-Vlaamse Politieschool zich qua structuur moet conformeren aan het koninklijk besluit van 6 april 2008 dat bepaalt dat de directie van de politieschool bestaat uit één directeur, eventueel bijgestaan door adjuncten en/of medewerkers – en derhalve niet de tweedeling ‘algemeen directeur’-‘opleidingsdirecteur’ kent – wordt niet bijgevallen. Luidens artikel 27, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 april 2008, is de directie van de politieschool, naast de opleidingsraad en het pedagogisch comité, een van de (verplichte) organen die elke politieschool moet kennen “om te kunnen beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten bedoeld in titel I [van het koninklijk besluit] en aan de verwezenlijking van de functionaliteiten bedoeld in hoofdstuk 1 [van het koninklijk besluit]”. Het betreft derhalve een orgaan van de vereiste opleidingsstructuur van een politieschool. Artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 april 2008 stelt dat de samenstelling van de directie bestaat uit de “directeur van de politieschool”, doch die bepaling belet op zich niet dat op grond van de vrijheid van vereniging, de vzw de opleidingsdirecteur als directeur van de politieschool in de zin van artikel 28 van het koninklijk besluit van 8 april 2008 aanduidt, teneinde de in dat besluit bepaalde bevoegdheden van de directeur van de politieschool waar te nemen. Voorts ligt er geen wettelijke of reglementaire bepaling voor die de organiserende opleidingsinstelling verplicht haar juridische structuur aan te passen aan de eisen van het koninklijk besluit van 8 april 2008 – derwijze dat de interne en/of rechtspersoonsrechtelijke organisatiestructuur overeenstemt met de in dat besluit opgelegde XIV-37.644-10/15 opleidingsstructuur –, noch in rechte verhindert dat de vzw de opleidingsdirecteur als directeur van de politieschool aanduidt wat de bevoegdheden betreft “van ‘de directeur van de politieschool’, zoals statutair voorzien in het raam van de opleiding van personeelsleden.” Verzoeker voert voorts nog aan dat S.M. als opleidingscoördinator werd geselecteerd, en dat dit dus geen selectie was die gevoerd werd voor het concept ‘directeur van de politieschool’ in de zin van het koninklijk besluit van 6 april
  24. Ook hier wordt vastgesteld dat er geen wettelijke of reglementaire bepaling voorligt waaruit de verplichting zou voortvloeien om een specifieke selectie voor het concept ‘directeur van de politieschool’ in de zin van het koninklijk besluit van 6 april 2008 te organiseren. Uit wat voorafgaat, volgt dat S.M. terecht als de directeur van de politieschool in de zin van artikel 28 van het koninklijk besluit van 6 april 2008 moet worden gezien, zodat zijn lidmaatschap van de jury, alsook de aanwijzingen van de leden in de examencommissie en in de jury die hij in die hoedanigheid gedaan heeft, rechtsgeldig zijn. Het middel faalt in die mate.
  25. In een tweede grief voert verzoeker aan dat uit niets blijkt dat de voorzitter-politieofficier van de examencommissie conform artikel 38 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 werd aangeduid 1) uit een lijst vastgesteld door de Vaste Commissie voor de Lokale Politie, en 2) na akkoord van diens korpschef. Deze grief kan om de volgende redenen niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden. De in het administratief dossier neergelegde notulen van de vergadering van de algemene vergadering van de Vaste Commissie van de Lokale Politie van 7 mei 2015 bevat een lijst van de officieren van lokale politie die als voorzitter van de examencommissie kunnen worden aangewezen, waarin XIV-37.644-11/15 commissaris van politie P.T. wordt vermeld. Blijkens die notulen heeft de algemene vergadering kennis genomen “van het verslag van het dagelijks bestuur van 2015-04-23, in het bijzonder met betrekking ‘Validatie lijst officieren lokale politie-voorzitter examencommissie’ en formuleert geen bemerkingen”, alsook dat zij die lijst heeft gevalideerd. Hieruit blijkt dat de algemene vergadering niet alleen kennis heeft genomen van (het ontwerp van) lijst opgesteld door het dagelijks bestuur, maar vooral dat zij die lijst bij gebrek aan bemerkingen van de leden heeft gevalideerd, i.e. goedgekeurd. Een overeenkomstig een dergelijke handelwijze vastgestelde lijst, voldoet aan de eis van artikel 38, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 dat de officier van de lokale politie wordt aangewezen uit een lijst opgesteld door de vaste commissie voor de lokale politie. Anders dan hoe verzoeker het ziet, houdt te dezen deze eis niet in dat de lijst daadwerkelijk moet zijn “opgesteld” – i.e. “op schrift gesteld” of “geredigeerd” – door de algemene vergadering. Het volstaat dat, zoals te dezen, de algemene vergadering over een door de raad van bestuur opgestelde lijst heeft beraadgeslaagd en heeft beslist die lijst te “valideren”, opdat die lijst is “opgesteld” in de zin van de geschonden geachte bepaling. In de mate dat verzoeker stelt dat niet blijkt dat de korpschef van commissaris van politie P.T. zijn (voorafgaand) akkoord heeft gegeven, betreft dit geen aangelegenheid van bevoegdheid van de als voorzitter van de examencommissie aangewezen politieofficier of van samenstelling van de examencommissie, maar wel een vormvereiste inzake de aanwijzing ervan, die vooreerst niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het normdoel ervan is voorts om door die vormvereiste te voorkomen dat de eenzijdige aanwijzing door de directeur van de politieschool van een politieofficier van een lokale politiezone zonder diens korpschef daarin te kennen - en de daaruit voortvloeiende afwezigheid gedurende een zekere tijdsspanne van die officier in zijn zone -, operationele moeilijkheden of ongemakken zou (kunnen) veroorzaken binnen het betrokken lokaal politiekorps zonder dat de korpschef daarvan voorafgaandelijk kennis heeft. Voorts blijkt niet dat die vereiste in het belang van de betrokken aspiranten is opgelegd, noch brengt verzoeker enig concreet gegeven aan waaruit XIV-37.644-12/15 blijkt dat ingevolge het verzuim van deze vormvereiste, het regelmatige verloop van de procedure voor de examencommissie in het gedrang is gekomen, waardoor hij in zijn belangen is geschaad, of dat die enige invloed heeft gehad op de inhoud van de bestreden beslissing. Tot slot is het enkele gegeven dat de reglementaire tekst letterlijk “na akkoord van” stelt, niet bepalend om te besluiten of het om een substantiële vormvereiste zou gaan en, indien dat zulks het geval zou zijn, verzoeker belangenschade lijdt bij miskenning ervan. Uit wat voorafgaat volgt dat, los van de vraag of de geschonden geachte vormvereiste een substantiële vormvereiste betreft, verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij belang heeft om de schending van deze vormvereiste aan te voeren nu niet blijkt dat hij erdoor in zijn belangen is geschaad. De grief is derhalve in die mate niet ontvankelijk.
  26. In een derde grief voert verzoeker aan dat uit niets blijkt dat het personeelslid van het operationeel kader van de Federale Politie conform artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 in de jury werd aangewezen uit een lijst opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie. Deze grief is om de volgende reden evenmin gegrond. De grief betreft commissaris van politie P.V.G. die personeelslid is van de Federale Politie. Uit de in het administratief dossier neergelegde beslissing van de directeur-generaal DGR a.i. van 13 maart 2015 blijkt dat de directeur-generaal DGR a.i. (onder meer) dat personeelslid heeft aangewezen “om te kunnen zetelen in de examenjury, zoals vermeld in artikel 42, eerste lid, 3° van het KB d.d. 20-11-2001 betreffende de basisopleidingen.” De grief mist derhalve feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond.
  27. In de mate dat verzoeker in zijn laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn kritiek, maakt hij niet aannemelijk dat hij, na inzage van het administratief dossier, die niet reeds had kunnen ontwikkelen in de memorie van wederantwoord. Aldus voegt verzoeker op XIV-37.644-13/15 laattijdige en niet-ontvankelijke wijze nieuwe en/of aanvullende argumenten toe aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  28. Het tweede middel is ongegrond. XIV-37.644-14/15 BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.644-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.