← België

Arrest 251598 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.598 Rolnummer: A. 233632/XIV-38696 Zaak: Arrest 251598 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 23/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 07:43 Fiche Arrest nr 251.598 van 23 september 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.598 van 23 september 2021 in de zaak A.é.632/XIV-38.696 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5437 BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 14 mei 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: 1° de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 2 maart 2021 waarbij werd beslist tot de stopzetting van de lopende procedure tot aanwerving van een hoofdcommissaris-korpschef; 2° de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 2 maart 2021 waarbij werd beslist tot de vacantverklaring van de functie van korpschef, tot vaststelling van de termijn waarbinnen de kandidaturen worden ingediend en tot het bepalen van de samenstelling van de plaatselijke selectiecommissie. XIV-38.696-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2021, om 13.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valérie De Bruyckere, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is bij koninklijk besluit van 31 augustus 2020 op datum van 1 april 2020 benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie bij de Federale Politie. Tot 1 maart 2020 nam verzoeker, als eerste commissaris van politie bij de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke, aldaar het mandaat van korpschef waar. XIV-38.696-2/12 3.
  5. In het arrest nr. 248.439 van 5 oktober 2020 inzake verzoeker tegen de politiezone Buggenhout-Lebbeke zijn de voor de voorliggende zaak relevante feiten voorafgaand aan dat tussenarrest, nader uiteengezet. In het licht van de voorliggende vordering tot schorsing volstaat het er naar te verwijzen. 3.
  6. In haar brief van 11 januari 2021 aan de voorzitter van de politieraad stelt de minister van Binnenlandse zaken het volgende: “[…] Na onderzoek van het dossier ben ik van mening dat de procedure voorzien bij artikel 52 WGP dient opgestart te worden. Gelieve mij in het kader van de selectieprocedure voor de aanwiizing van een korpschef naar aanleiding van de vacantverklaring van 10 oktober 2018 een door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat voor te dragen. Indien de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen binnen de zes maanden na dit schrijven zal de korpschef worden aangewezen door de Koning uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen bedoeld in de artikelen 48 en 49.” 3.
  7. Op 2 maart 2021 beslist de politieraad dat de “benoemingsprocedure tot de aanstelling in het mandaat van korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke ingevolge de oproep tot kandidaatstelling gepubliceerd bij tijdelijke nota DGR.DPPI/AFF-2018 d.d. 18 oktober 2018 wordt stopgezet.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  8. Op 2 maart 2021 beslist de politieraad dat het mandaat van korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke wordt vacantverklaard en de oproep tot kandidaatstelling wordt gelanceerd met het oog op de aanwerving van de korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke. Tevens wordt bepaald dat de kandidatuur binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de publicatie door de algemene directie Ondersteuning en Beheer (DGS) – directie van de mobiliteit en het personeelsbeheer (DSP) moet worden ingediend om ontvankelijk te zijn. XIV-38.696-3/12 Voorts wordt gekozen voor een plaatselijke selectiecommisie en wordt de samenstelling ervan bepaald. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  11. Verzoeker doet vooreerst gelden dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van die aard is dat ze de dreigende schade zal vermijden bestaande in de aantasting van zijn gezagspositie binnen de politie: de plotse beëindiging van de selectieprocedure en de opstart van een nieuwe XIV-38.696-4/12 aanwijzingsprocedure voor het mandaat dat hij de facto bijna tien jaar uitoefende wekt de perceptie dat hij als ongeschikt zal worden beoordeeld voor het mandaat. Verzoeker erkent voorts dat op grond van de door hem geanalyseerde rechtspraak het verlies van een promotiekans op zich geen spoedeisendheid aantoont, tenzij is aangetoond welke bijzondere omstandigheden hieromtrent van aard zijn anders te oordelen. Te dezen doet hij gelden dat hij voldoende blijk geeft van deze uitzonderlijke omstandigheden. Dit geldt volgens hem “des te meer nu de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen aan verzoekende partij werd geboden in de vorm van het vacant stellen van het ambt van korpschef van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke, om de aanwervingsprocedure daarna met de bestreden beslissing op onrechtmatige wijze en buiten de beëindigingsmogelijkheid uit artikel VII.III.30 [RPPol] om, te beëindigen.” Verzoeker zet uiteen dat hij 53 jaar oud is. In het geval een nieuwe vacantverklaring van het mandaat als korpschef zou leiden tot de benoeming van een andere kandidaat, wordt volgens hem dit mandaat “doorgaans en in alle waarschijnlijkheid” met vijf jaar hernieuwd. Dit impliceert dat het op dat ogenblik niet langer mogelijk is dat hij een dergelijke functie als korpschef zou ambiëren. Hij verwijst daartoe naar de algemene voorwaarden die volgens hem stellen dat een kandidaat de leeftijd van 60 jaar niet mag hebben overschreden. Dit leeftijdselement bevestigt volgens verzoeker de aanwezigheid van spoed. Verzoeker wijst er voorts op dat eens de thans opgestarte nieuwe benoemingsprocedure wordt voortgezet, het vacant verklaren leidt tot een nieuw oordeel van de selectiecommissie en tot een benoeming, waardoor zijn kansen op een rechtsherstel in nature onherroepelijk verloren gaan. In dat geval zal een nietigverklaring geen deugdelijk rechtsherstel meer kunnen bieden. Verzoeker concludeert dat de tijdige schorsing en de daaropvolgende vernietiging van de bestreden beslissing van die aard is dat ze de bevoegde overheid zou dwingen om de gestarte selectieprocedure verder te zetten binnen het wettelijk kader van artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van XIV-38.696-5/12 het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002), hetgeen volgens verzoeker te dezen alleen maar kan leiden tot zijn benoeming. Tot slot wijst hij erop dat de omstandigheden zoals beoordeeld in het arrest nr. 248.438 van 5 oktober 2020 fundamenteel zijn gewijzigd, in die zin dat de “huidige bestreden beslissing” met zich meebrengt dat de gevreesde onomkeerbare gevolgen voor zijn carrière dreigen te worden gerealiseerd. De schorsing van de bestreden beslissing tot beëindiging van de aanwijzingprocedure brengt immers de herleving van deze procedure met zich mee, zodat de minister van Binnenlandse Zaken haar wettelijke bevoegdheid tot aanwijzing conform artikel 52 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ kan uitoefenen. Op die manier wordt het door verzoeker beoogde resultaat alsnog bekomen en is “gelet op zijn leeftijd” de schorsing van de bestreden beslissing noodzakelijk en kan volgens hem alleen de schorsing beletten dat het voor hem definitief onmogelijk wordt om te worden aangesteld als korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke. Beoordeling
  12. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden XIV-38.696-6/12 gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. De bestreden beslissing situeert zich binnen een selectieprocedure voor het aanwijzen in het mandaat van korpschef. Wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, moet er rekening mee moet houden dat hij niet het geambieerde mandaat verwerft en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont niet uit zichzelf aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde. Zulks toont verzoeker niet aan zoals hierna zal blijken. XIV-38.696-7/12 Als bijzondere omstandigheid beroept verzoeker zich op zijn leeftijd van 53 jaar gekoppeld aan de eis dat volgens hem een kandidaat voor het mandaat van korpschef niet ouder mag zijn dan 60 jaar. Dat argument overtuigt niet. Dat verzoeker thans de leeftijd heeft van 53 jaar, toont op zich in elk geval de spoedeisendheid niet aan, nu hij met die verwijzing naar zijn leeftijd niet aannemelijk maakt dat hij zich, vooraleer de procedure ten gronde is afgehandeld, in een toestand zal bevinden dat hij op dat ogenblik niet meer kan worden aangewezen, omdat hij, op grond van artikel 71, eerste lid, 5°, van de wet van 26 april 2002, niet meer zou voldoen aan de vereiste om nog ten minste vijf volle dienstjaren te kunnen vervullen voor de verplichte leeftijd van opruststelling die, naar verzoeker lijkt te stellen, voor hem het geval zal zijn wanneer hij de leeftijd van 60 jaar bereikt. In de mate dat verzoeker bij zijn standpunt betrekt dat dit wel het geval zal zijn bij een hernieuwing van het te begeven mandaat hetgeen, naar verzoeker beweert, “doorgaans en in alle waarschijnlijkheid” met vijf jaar zal gebeuren, komt deze vrees thans over als potentieel en toekomstig van aard. In het licht van de eisen gesteld aan de eventuele hernieuwing van het mandaat door de zittende mandaathouder die daarom moet verzoeken, - zoals die blijken uit inzonderheid de artikelen VII.III.87 e.v. RPPol en de artikelen 74 e.v. van de wet van 26 april 2002 - en die verzoeker niet betrekt in zijn eigen feitelijke beoordeling dat doorgaans en in alle waarschijnlijkheid het mandaat van de zittende mandaathouder wordt hernieuwd, is de vervulling van verzoekers stelling aldus afhankelijk van tal van hypotheses waarvan verzoeker thans niet uiteenzet, noch aannemelijk maakt dat die zich op afdoende aantoonbare wijze zullen realiseren vooraleer een beoordeling ten gronde van het vernietigingsberoep zal zijn tussengekomen. De vrees voor onomkeerbare gevolgen gegrond op verzoekers huidige leeftijd indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen leidt tot de aanwijzing van een derde die – mogelijks – navolgend zijn mandaat binnen ten vroegste vijf jaar na die aanwijzing ziet hernieuwd worden, komt de Raad van State in deze stand van het geding derhalve hoe dan ook als voorbarig voor, minstens biedt verzoeker geen concrete en overtuigende gegevens ter zake die ertoe nopen anders te oordelen. Ze kan het spoedeisend karakter van de vordering niet motiveren. XIV-38.696-8/12 Verzoeker betoogt ook dat zijn kansen om nog rechtsherstel in natura te bekomen (i.e. zelf te worden benoemd) onherroepelijk verloren gaan eenmaal de nieuwe benoemingsprocedure wordt voortgezet en als die leidt tot een benoeming, alsook dat enkel de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing(en) kan verhinderen dat het voor hem definitief onmogelijk wordt om te worden aangewezen voor het door hem geambieerde mandaat. Dat een derde wordt benoemd in de geambieerde betrekking of ambt is, zoals reeds is overwogen, het lot dat elkeen ondergaat die deelneemt aan een selectieprocedure en niet wordt geselecteerd en benoemd. Het toont derhalve niet uit zichzelf aan dat verzoeker bij het beoordelen van de voorliggende vordering, in bijzondere omstandigheden verkeert die van dien aard zouden zijn dat hij het resultaat van de procedure te gronde hierdoor niet kan afwachten. Dat, zoals ook ter terechtzitting door verzoeker werd benadrukt, er zonder schorsing geen daadwerkelijk rechtsherstel in natura meer mogelijk zou zijn, wordt niet bijgevallen. De Raad van State bemerkt immers dat, hoewel luidens het reeds aangehaalde artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing mag worden gevorderd “op elk moment”, verzoeker om redenen die hem eigen zijn, ervoor heeft geopteerd in een enig verzoekschrift de schorsing te vorderen, te samen met de nietigverklaring. Zoals verzoeker terecht bemerkt is deze wijze van rechtsgang op zich niet uitgesloten, maar zulks belet niet dat wanneer hij ervan gebruik maakt, hij het risico loopt dat op het ogenblik dat de Raad van State zich uitspreekt over de hem voorgelegde vordering, er in concreto “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Dit is hier het geval nu uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker thans geenszins aantoont dat zijn huidige leeftijd alleen dan wel in combinatie met de hem in redelijkheid nog resterende loopbaanduur, voor hem een bijzondere omstandigheid betreft die thans noopt te oordelen dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde zonder zich daardoor in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Bovendien gaat verzoeker voorbij aan het gegeven dat desgevallend een nieuwe vordering XIV-38.696-9/12 mag worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Tot slot bemerkt de Raad van State ook dat verzoeker in zijn uiteenzetting evenmin het feit betrekt dat hij om redenen die hem eigen zijn, beslist heeft om niet mee te kandideren, en zodoende blijkbaar heeft verzuimd zijn kans op aanwijzing in het te begeven mandaat te vrijwaren. Dat hij naar zijn eigen beoordeling, de bestreden beslissingen onwettig acht, belet op zich immers niet dat hij, om te verhinderen dat zijn leeftijd zou leiden tot de door hem aangevoerde onherroepelijke gevolgen, zijn kansen op aanwijzing had kunnen vrijwaren, minstens maakt hij in concreto niet aannemelijk waarom anders moet worden geoordeeld.
  15. In de mate dat verzoeker ter ondersteuning van zijn standpunt dat de voorliggende vordering spoedeisend is, aanvoert dat zulks “des te meer [is] nu de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen aan [verzoeker] werd geboden in de vorm van het vacant stellen van het ambt van korpschef van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke, om de aanwervingsprocedure daarna met de bestreden beslissing op onrechtmatige wijze en buiten de beëindigingsmogelijkheid uit artikel VII.III.30 [RPPol] om, te beëindigen,” refereert verzoeker aan de wettigheid van de bestreden beslissingen en aan de ernst van het aangevoerde middel. De Raad van State wijst erop dat de ernst van een middel op zich de spoedeisendheid van de vordering niet aantoont. De gegrondheid - minstens de ernst - van de middelen en de spoedeisendheid zijn afzonderlijke voorwaarden. De aangevoerde onwettigheid van de bestreden beslissingen kan bijgevolg als zodanig niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. Hetzelfde geldt wat verzoekers standpunt betreft dat de tussen te komen schorsing de herleving inhoudt van de door de minister van Binnenlandse Zaken opgestarte procedure en de daaruit volgens verzoeker volgende benoeming van hem, alsook dat de schorsing de verwerende partij zou dwingen de gestarte aanstellingsprocedure verder te zetten. Ook dat argument hangt samen met de XIV-38.696-10/12 beoordeling van de (on)wettigheid van de bestreden beslissingen en kan aldus de spoedeisendheid niet verantwoorden.
  16. Wat voorts het aangevoerde moreel nadeel betreft die er volgens verzoeker zou in bestaan dat de bestreden beslissingen ongeoorloofd de perceptie zouden opwekken dat hij als ongeschikt voor het mandaat werd beoordeeld en dat ze aldus zijn gezagspositie binnen de politie zouden aantasten, verduidelijkt verzoeker geenszins in concreto waarom de vermeende imagoschade niet kan worden goedgemaakt door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest.
  17. Met nieuwe argumenten die door verzoeker voor het eerst ter terechtzitting worden bijgebracht, houdt de Raad van State tot slot geen rekening.
  18. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  19. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  20. Wat de respectieve vraag van de partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING XIV-38.696-11/12
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.696-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.598 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.