← België

Arrest 251635 - Onteigeningen - 28/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.635 Rolnummer: A. 228474/X-17537 Zaak: Arrest 251635 - Onteigeningen - 28/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 07:58 Fiche Arrest nr 251.635 van 28 september 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.635 van 28 september 2021 in de zaak A. 228.474/X-17.537 In zake :

  1. de NV R.D.B.
  2. Roger DE MAREZ
  3. Agnes BOSSUYT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Degroote kantoor houdend te 8720 Dentergem Markegemstraat 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 april 2019 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Roeselare van openbaar nut wordt verklaard. X-17.537-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 245.926 van 25 oktober 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie van toelichting ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september
  6. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandenberghe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Adrien Neyrinck, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.537-2/18 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De eerste verzoekende partij is eigenaar van percelen grond, gelegen aan de Oude Zilverbergstraat te Roeselare. Tweede en derde verzoekers zijn bestuurders van de eerste verzoekende partij. 3.
  9. De nv Aquafin is belast met de opdracht om te Roeselare het bestaande gemengde rioleringsstelsel in de Oude Zilverbergstraat en langs de gewestweg (tevens ringweg) N36 te ontlasten door op een viertal locaties hemelwaterinlaten af te koppelen, en dat water op te vangen en om te leiden in een nieuwe gracht en een nieuwe rioolleiding voor regenwaterafvoer. Het collectortraject heeft een totale lengte van ongeveer 1.760 meter. 3.
  10. De nv Aquafin dient bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in om een verklaring van openbaar nut voor de benodigde werkzaamheden voor het voormelde project te verkrijgen. Wat de percelen van de verzoekende partijen betreft, is de aanleg van een gracht voorzien en de inrichting van een tijdelijke werkzone om die werken te kunnen uitvoeren. 3.
  11. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden twee bezwaarschriften ingediend, die niet van de verzoekende partijen uitgaan. 3.
  12. Met een besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 april 2019 wordt de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Roeselare van openbaar nut verklaard. Dit is de bestreden beslissing. X-17.537-3/18 X-17.537-4/18 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. De verzoekende partijen dienen op 21 februari 2020 een “antwoordmemorie op de memorie van toelichting van Aquafin dd. 24.01.2020” in. Het betreft een niet in het algemeen procedurereglement voorzien procedurestuk, dat uit het debat moet worden geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.
  14. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van “[d]e wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen [hierna: de motiveringswet] oa. de artikelen 2 en 3, van de beginselen van behoorlijk bestuur oa zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel en het redelijkheids- en materieel motiveringsbeginsel”. Zij stellen in hun “vertrouwen verschalkt” te zijn geweest nu zij er van uitgingen dat er “gesprekken gingen volgen waarin alternatieven zouden voorgesteld worden” of in het kader waarvan zij de kans zouden krijgen zelf alternatieven voor te stellen. Daarnaast voeren verzoekers aan dat de verwerende partij zich bij het nemen van de bestreden beslissing heeft gesteund op “onbestaande feiten”. Zo noemen zij het “zeer eigenaardig” dat over het bebouwde perceel nr. 1273/d, dat nochtans “cruciaal en centraal is voor de uit te voeren werken”, “angstvallig” wordt gezwegen. Verder wordt in het bestreden besluit melding gemaakt van een onbestaand kadastraal perceel nr. 1289/c/3, wat volgens de verzoekende partijen wijst op “de nonchalance waarmee men is tewerk gegaan”. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar het stuk nr. 3 van hun dossier, waarin het gaat over een “tijdelijk gebruik terrein voor grondverbetering” en waarin alle eigendommen worden vermeld, terwijl men zich in het bestreden besluit “zonder enige motivatie” enkel beperkt tot het perceel nr. X-17.537-5/18 1467/c. In de plannen met betrekking tot het tracé van de werken en in de onteigeningsplannen omschrijft de tussenkomende partij de zones voorts volgens het gewestplan, dat volgens de verzoekende partijen echter werd “afgeschaft” door het bij besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2008 vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gewestelijk RUP) voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare. Voorts merken de verzoekende partijen op dat de projectzone “niet in de omgeving van de Regenbeek” ligt, en dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat er zich langsheen de percelen nrs. 1269/a, 1467/c en 1469 openbaar domein (“waterloop ?”) zou bevinden. Deze kadastrale gegevens stroken niet met de werkelijke situatie; op de betreffende plaats is er trouwens geen waterloop ingeschreven. De verzoekende partijen klagen ook aan dat zij niet werden aangeschreven om bezwaren/opmerkingen aangaande de werken te maken, hoewel zij al sedert september 2018 proberen om “een onderhoud te krijgen om een alternatief tracé voor te stellen”. Zo zou de bestaande gracht langs de Rijksweg via de percelen nrs. 1469/a en 1276/b kunnen bereikt worden, wat “veel effici[ë]nter” en “kostenbesparend” is en “heel wat minder hinder” zou berokkenen. “Door dit niet te overwegen gaat men andermaal onzorgvuldig te werk.” Vervolgens voeren de verzoekende partijen aan dat door de werken op hun eigendom “op te splitsen”, hun “rechten van verdediging” worden geschonden. Zij besluiten dat het onwettig is om een ministeriele machtiging te vragen om de werken op onbebouwde percelen te starten, en “er een cruciaal stuk in het midden van uit [te laten] en voor dit bebouwd perceel [...] een onteigeningsprocedure [te voeren]”. 5.
  15. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de schending van de formele- en van de materiëlemotiveringsplicht wel degelijk beide samen kunnen aangevoerd worden. X-17.537-6/18 5.
  16. In hun laatste memorie verwijzen verzoekers naar e-mailverkeer tussen hen en de tussenkomende partij, waaruit moet blijken dat op 2 mei 2019 een afspraak is doorgegaan, waarbij het de bedoeling van de tussenkomende partij blijkt om “de verwerving(onteigening) van de bewuste percelen” te verkrijgen. Verzoekers stellen op die bijeenkomst “gewoon voor het blok” te zijn gezet. Volgens hen hadden zij “wel degelijk een valabel tegenvoorstel [...] om uit de impasse te geraken”. Zij leggen dit tegenvoorstel in hun laatste memorie nader uit. Beoordeling 6.
  17. Waar de verzoekende partijen in hun betoog de schending inroepen van de “rechten van verdediging”, gaan zij eraan voorbij dat dit beginsel enkel toepassing vindt in straf- en tuchtzaken. 6.
  18. Verder tonen verzoekers niet aan, noch maken zij aannemelijk, dat het gegeven dat een bebouwd perceel niet in de bestreden beslissing is opgenomen tot de vernietiging van die beslissing moet leiden, temeer nu overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 10 van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen’ (hierna: de gaswet) een verklaring tot openbaar nut enkel op onbebouwde percelen betrekking kan hebben. 6.
  19. De verzoekende partijen geven in het middel voorts een opsomming van een aantal zaken die zij als feitelijke onjuistheden bestempelen, maar tonen niet aan dat deze tot de onwettigheid van de bestreden beslissing moeten leiden. 6.3.
  20. Waar zij in dit verband naar de niet-vermelding van de planologische bestemming van hun percelen verwijzen, zij opgemerkt dat artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 ‘houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N. V. Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991) X-17.537-7/18 de planologische bestemming niet vermeldt als een inlichting die bij de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut moet worden gevoegd. 6.3.
  21. Het in randnr. 6.3 gestelde geldt ook voor verzoekers’ bewering dat verkeerdelijk openbaar domein langsheen de percelen nrs. 1269/a, 1467/c en 1469 zou zijn aangeduid. Uit niets blijkt hoe een en ander tot de onwettigheid van het bestreden besluit moet leiden. Bovendien blijkt zich ter plaatse wel degelijk een buurtweg te bevinden, wat de verzoekende partijen in het kader van hun derde middel ook bevestigen. 6.3.
  22. Waar de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden besluit verwijst naar een volgens hen onbestaand perceel nr. 1289/c/3 en stellen dat zulks de “nonchalance” van de besluitvorming illustreert, zij vastgesteld dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt overwogen dat de werken op dat perceel “[ten laste] van de stad Roeselare zijn” en dat “dit perceel bijgevolg komt te vervallen binnen huidige aanvraag voor het bekomen van het ministerieel besluit houdende de verklaring tot openbaar nut”. De verwerende partij geeft in haar memorie van antwoord aan de hand van een plan aan waar het betreffende perceel zich precies situeert. De verzoekende partijen reageren daar in de memorie van wederantwoord niet meer op. 6.3.
  23. Verder valt niet in te zien op welke wijze de omstandigheid dat in het voorstel van overeenkomst tot tijdelijk gebruik alle percelen van de verzoekende partijen waren opgenomen, en in de bestreden beslissing alleen het perceel nr. 1467/c voor grondverbetering wordt aangeduid, tot de vernietiging van het bestreden besluit moet leiden, temeer nu dit slechts een niet-ondertekend voorstel betreft, dat in de voorwaardelijke wijs is opgesteld. 6.3.
  24. Wat betreft de opmerking van de verzoekende partijen dat de projectzone “niet in de omgeving van de Regenbeek” ligt, moet met de tussenkomende partij worden vastgesteld dat de Regenbeek wel degelijk betrokken is in het project, dat immers ook “voorziet in de herwaardering van de bovenloop van de Regenbeek, een waterloop van de 2de categorie”. Dat de Regenbeek deel X-17.537-8/18 uitmaakt van het project, en in de buurt ligt van de percelen van de verzoekende partijen, mag blijken uit de “verrechtvaardigingsnota” bij de kwestieuze aanvraag. 6.
  25. Tot slot blijken de verzoekende partijen wel degelijk te zijn uitgenodigd om hun bezwaren in het kader van het openbaar onderzoek kenbaar te maken. Aangezien zij hebben nagelaten dit te doen, kan van de verwerende partij niet worden verwacht dat zij alsnog op een alternatief van de verzoekende partijen diende in te gaan. De verzoekende partijen overtuigen in hun verzoekschrift alvast niet van het tegendeel. 6.
  26. Gelet op wat voorafgaat, tonen de verzoekende partijen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 6.
  27. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 7.
  28. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van “art. 3, § 1, eerste lid, RvS-wet. Buitentoepassingverklaring ex art. 159 G. W. van [het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991]”. Zij betogen dat de bestreden beslissing is genomen op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 en menen dat het ontwerp van dit laatste besluit in strijd met artikel 3 §, 1, eerste lid, RvS-wet niet aan het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State is onderworpen geweest. Daartoe is spoedeisendheid ingeroepen, maar de motivering daarvan noemen de verzoekende partijen niet afdoende. Zo wordt gemotiveerd “dat er spoedeisendheid zou zijn omdat de regeling dringend is”, wat echter “neerkomt op een tautologie”. Het loutere gegeven dat de regelingen van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 in verband kunnen worden gebracht met de uitvoering van het investeringsprogramma van Aquafin is voorts geen concreet motief. Er wordt niet verduidelijkt waarom de regeling nodig was voor de uitrol van dat X-17.537-9/18 investeringsprogramma, en er wordt niet concreet geduid waarom die regeling zodanig dringend was dat de inwerkingtreding ervan geen uitstel kon dulden. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 dient op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten te worden. De bestreden beslissing is dan ook tot stand gekomen “op basis van een ongeldige grondslag (en dus eigenlijk zonder grondslag)”. 7.
  29. In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen gelden dat de “verwerende partij verantwoordt waarom het besluit an sich rechtmatig bij spoedeisendheid genomen werd, doch [er niet in] slaagt […] te weerleggen of te motiveren waarom de bestreden beslissing dan wel rechtmatig op spoedeisendheid beroep kan doen, bijna 30 jaar na het nemen van het basisbesluit”. 7.
  30. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat “[e]nkel en alleen al [uit] het gegeven dat er een termijn van 30 jaar nodig is om de ‘hoogdringende’ maatregelen uit te voeren, blijkt dat de ‘hoogdringendheid’ waarmee het besluit genomen en gemotiveerd werd, niet aanwezig was”. Beoordeling 8.
  31. Over het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 werd geen advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State ingewonnen om reden van een door de steller van de akte ingeroepen dringende noodzakelijkheid. 8.
  32. De verplichting tot formele motivering van de ingeroepen hoogdringendheid houdt in dat de aanhef van het genomen besluit de redenen moet vermelden waarom de ontworpen regeling zo spoedeisend was dat niet het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State kon worden gevraagd. Deze motivering mag kort en bondig zijn voor zover ze ondubbelzinnig en begrijpelijk is. Het komt niet de Raad van State toe om zich bij het beoordelen van de hoogdringendheid in de plaats van de beslissende overheid te stellen. De Raad mag enkel nagaan of de uitgedrukte redenen exact, pertinent en in redelijkheid aanvaardbaar zijn. X-17.537-10/18 8.
  33. De dringende noodzakelijkheid wordt in de aanhef van het geviseerde besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 als volgt gemotiveerd: “Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het voor de uitvoering van het aan de N.V. Aquafin opgedragen investeringsprogramma voor 1991 noodzakelijk is dat deze vennootschap dringend kan overgaan tot de aanleg of oprichting onder, op of boven het openbaar domein of private gronden van de haar voor uitvoering en exploitatie opgedragen rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, dat deze vennootschap daartoe zeer dringend moet kunnen overgaan tot het inzetten van de procedure tot inneming van de vereiste gronden en/of verwerving van erfdienstbaarheden; dat het bijgevolg dringend noodzakelijk is hieromtrent nadere regels vast te stellen ter uitvoering van artikel 32octies, § 3, van voormelde wet van 26 maart 1971.” 8.
  34. De tussenkomende partij wijst er op dat zij in 1991 nog maar pas was opgericht, en dat in het kader van het voor dat jaar vastgelegde investeringsprogramma voor waterzuiveringsprojecten en ter naleving van de aangegane Europese verplichtingen het dringend noodzakelijk was om haar het noodzakelijke juridische instrumentarium te verstrekken – “met name het gebruik van de reeds voor andere nutsinfrastructuren bestaande mogelijkheid om wettelijke erfdienstbaarheden te creëren” – zodat prompt uitvoering kon worden gegeven aan de vastgelegde en dringend noodzakelijke investeringen in het kader van de opdracht om afvalwaters te kunnen zuiveren. De verzoekende partijen overtuigen er met het summiere betoog in hun verzoekschrift niet van dat aan het in artikel 3, § 1, RvS-wet vermelde criterium van de hoogdringendheid niet zou zijn voldaan. 8.
  35. De omstandigheid dat de tussenkomende partij zich nog altijd van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bedient, sluit niet uit dat er toentertijd een dringende noodzakelijkheid tot het nemen ervan bestond met het oog op het investeringsprogramma voor 1991 dat aan de tussenkomende partij was opgedragen. 8.
  36. Het middel wordt verworpen. X-17.537-11/18 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 9.
  37. De verzoekende partijen voeren in hun derde middel de schending aan van “art. 11 van de [gaswet] jo. artt. 27 en 28 van de Buurtwegenwet van 10 april 1841 jo. artt. 41, eerste lid, en 162, tweede lid, 2°, G.W. en art. 40, § 1, Decreet Lokaal Bestuur jo. art. 25 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP Afbakening Regionaalstedelijk Gebied Roeselare (VlaReg 21 november 2008) jo. de formele motiveringsplicht”. 9.1.
  38. In een eerste middelonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat op grond van artikel 11 van de gaswet het gebruik moet worden geëerbiedigd waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, zijn bestemd. Zij stellen dat de verklaring van openbaar nut betrekking heeft op werken ter hoogte van de buurtweg nr. 13, en dat de procedures van de artikelen 27 en 28 van de buurtwegenwet van 10 april 1841 voor de aanleg, de wijziging en de afschaffing van een buurtweg niet in acht werden genomen. “In subsidiaire orde” verwijzen de verzoekende partijen nog naar “[d]e gemeenteraadsbevoegdheid over de kleine wegenis binnen het grondgebied van de gemeente” die voortvloeit uit de artikelen 41, eerste lid, en 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet en artikel 40, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’. Door het voorzien van “belangrijke infrastructuren onder de buurtweg, wordt de uitrusting ervan evident gewijzigd”. De gemeenteraad heeft te dezen evenwel geen enkele beslissing genomen, zodat “het bestreden besluit de grondwettelijk en decretaal verankerde bevoegdheid van de gemeenteraad miskent”. 9.1.
  39. In een tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat artikel 11 van de gaswet inhoudt dat rekening moet worden gehouden met artikel 25 van de stedenbouwkundige voorschriften van het toepasselijke gewestelijk RUP voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Roeselare. X-17.537-12/18 Dat duidt het kwestieuze gebied aan als bosgebied, “bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van bos, waarbij het recreatief medegebruik een ondergeschikte functie is”. Belangrijk daarbij is volgens de verzoekende partijen het voorschrift van artikel 25.2 van de stedenbouwkundige voorschriften, dat de werken opsomt die zijn toegelaten voor zover “de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden”. De bestreden beslissing respecteert dit planologisch beoordelingskader niet. 9.
  40. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat zij in hun verzoekschrift hebben aangetoond dat de geschonden geachte bepalingen wel degelijk van toepassing zijn. Dat de bezwaren die in het middel worden geformuleerd niet eerder werden kenbaar gemaakt, doet volgens hen geen afbreuk aan het gegeven dat de bestreden beslissing niet de vereiste procedures heeft gevolgd. De verzoekende partijen noemen het tot slot “niet ernstig” in hoofde van de verwerende partij om te stellen dat zij niet aantonen waarom de bestreden beslissing strijdig is met het vigerend planologisch kader. 9.
  41. In hun laatste memorie beklemtonen de verzoekende partijen dat artikel 11 van de gaswet bepaalt dat “het gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd”. Dat het bestreden besluit geen rechtstreekse fysieke impact op de infrastructuur van de buurtweg heeft en dat het terrein in zijn oorspronkelijke staat zou worden hersteld, is volgens hen “van ondergeschikt belang, daar er sprake is van een formeel vormgebrek/procedurefout”. Beoordeling 10.
  42. Met de tussenkomende partij moet inzake het eerste middelonderdeel worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geen betrekking heeft op enige buurtweg, en enkel erfdienstbaarheden van openbaar nut op een aantal private percelen vestigt. De verzoekende partijen overtuigen er in hun verzoekschrift niet van dat de procedure van de buurtwegenwet voor de aanleg, de wijziging en de afschaffing van een buurtweg te dezen van toepassing zou zijn. Al evenmin blijkt uit verzoekers’ betoog in hun verzoekschrift waarom de X-17.537-13/18 gemeenteraad in de gegeven omstandigheden een beslissing omtrent de zaak der wegen diende te nemen, temeer nu in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld “dat het terrein in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld tegen het einde van de werken”. 10.
  43. Inzake het tweede middelonderdeel, zij erop gewezen dat artikel 11 van de gaswet bepaalt dat “[h]et gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd, moet worden geëerbiedigd”. Het “gebruik waartoe het openbaar domein of privéterreinen die gedeeltelijk worden bezet, is bestemd” refereert niet aan een stedenbouwkundige bestemming. De verenigbaarheid van de kwestieuze werken met die bestemming wordt in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag beoordeeld. Overigens tonen de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet aan dat de vestiging van de publiekrechtelijke erfdienstbaarheid niet te verenigen valt met de stedenbouwkundige bestemming van het getroffen terrein. 10.
  44. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 11.
  45. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan van artikel 4.3.1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM). Volgens de verzoekende partijen is er te dezen sprake van “een omvattend project” en moet de bestreden beslissing “worden beschouwd als een vergunning”. Een milieueffectrapportage (MER) dringt zich dan ook op. Zij menen dat de verklaring van openbaar nut inhoudelijk erg nauw aanleunt bij de machtiging tot buitengewone werken van verbetering aan onbevaarbare waterlopen. Ook dient voor heel wat projectonderdelen geen bijkomende omgevingsvergunning te worden aangevraagd, “nu de Vlaamse Regering royaal gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om vrijgestelde werken aan te X-17.537-14/18 wijzen, zulks via het ‘Vrijstellingenbesluit’ van 16 juli 2010”. De bestreden beslissing vormt volgens de verzoekende partijen “een algemene en wettelijk voorgeschreven machtiging, waarbij de werken waartoe machtiging is verleend minstens in belangrijke mate niet nopen tot het aanvragen van een bijkomende omgevingsvergunning”. Zodoende diende een en ander aan een MER te worden onderworpen. Waterzuiveringsinstallaties staan immers opgenomen in bijlage II en bijlage III (telkens rubriek 11, c) bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (project-MER-besluit). Evenwel is noch een project-MER, noch een ontheffing, noch een screeningsnota in het dossier aanwezig. 11.
  46. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij geen verweer voert tegen het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op het vrijstellingenbesluit van de Vlaamse regering. Zij leiden uit “dit stilzwijgen” af dat de verwerende partij deze argumentatie “als zijnde gegrond” erkent. 11.
  47. De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie nog gelden dat de bestreden beslissing “een algemene en wettelijk voorgeschreven machtiging vormt, waarbij de werken waartoe machtiging is verleend minstens in belangrijke mate niet nopen tot het aanvragen van een bijkomende omgevingsvergunning”, zodat een en ander aan een MER diende te worden onderworpen. Een MER, of toch minstens een screening, is vereist, “aangezien de beoogde handelingen, zijnde de rioolzuiveringsinfrastructuren, onlosmakelijk verbonden zijn met de rioolwaterzuiveringsinstallatie, en niet kunnen worden beschouwd als afzonderlijke delen”. Het gaat om een “letterlijke verlening van een recht om handelingen – zijnde met fysieke ingrepen – uit te voeren op private gronden”. De handelingen vallen onder rubriek 10, c) van het project-MER-besluit, waardoor minstens een project-MER-screening vereist is, vooraleer de machtiging kan worden verleend. X-17.537-15/18 Beoordeling 12.
  48. Het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 4.3.1, eerste lid, van het DABM bepaalt dat “[v]oorgenomen projecten [...], alvorens een vergunning kan worden verleend voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project, aan een milieueffectrapportage [worden] onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. 12.
  49. Artikel 4.1.1, § 1, 5°, DABM definieert een “project” als volgt: “5° project : a) een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning en die bestaat uit: - de uitvoering van bouwwerken, de totstandbrenging en in voorkomend geval de exploitatie van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, inclusief de grondwaterwinningen en de ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen; of - de exploitatie van een inrichting; dit is het hele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; of b) een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking.” 12.
  50. Een verklaring van openbaar nut is niet te beschouwen als een in artikel 4.1.1 § 1, 5°, DABM bedoelde “vergunningsplichtige activiteit”, en betreft evenmin een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking. 12.
  51. Het middel is ongegrond. VI. Besluit X-17.537-16/18
  52. De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. VII. Kosten
  53. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  54. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  55. De Raad van State verwerpt het beroep.
  56. De verzoekende partijen worden elk voor een derde verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1200 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De door de verzoekende partijen onterecht betaalde bijdrage van 80 euro wordt aan hen terugbetaald. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.537-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.537-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.635 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.