id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.636 Rolnummer: A. 228903/X-17559 Zaak: Arrest 251636 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 28/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 07:59 Fiche Arrest nr 251.636 van 28 september 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.636 van 28 september 2021 in de zaak A. 228.903/X-17.559 In zake : de NV WINVEST HOLDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Birgit Creemers kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van “
(2)het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen dd. 24 juni 2019 tot goedkeuring van de richtlijnen omtrent ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen woninggrootte, woningmix en beschermen van eengezinswoningen’”. X-17.559-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.041 van 8 november 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2021. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Birgit Creemers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-17.559-2/14 X-17.559-3/14 III. Feiten 3.1. In het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2014 wordt bekendgemaakt dat de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ‘Bouwcode’, die definitief werd vastgesteld door de gemeenteraad van de stad Antwerpen op 28 april 2014, door de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen op 9 oktober 2014 werd goedgekeurd onder voorwaarden. 3.2. Op 7 juni 2019 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen om de richtlijnen omtrent ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen woninggrootte, woningmix en beschermen van eengezinswoningen’ ter goedkeuring aan de gemeenteraad van de stad Antwerpen voor te leggen. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.3. Op 24 juni 2019 keurt de gemeenteraad van de stad Antwerpen de richtlijnen omtrent ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen woninggrootte, woningmix en beschermen van eengezinswoningen’ goed. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.4. De aanhef van de tweede bestreden beslissing bevat de volgende argumentatie: “Het bestuursakkoord 2019-2024 bevat de ambitie om het Antwerpse woningaanbod beter af te stemmen op een evenwichtige en gevarieerde bevolkingssamenstelling. In de stad Antwerpen moet elk type bewoner een geschikte woning vinden die beantwoordt aan zijn specifieke behoefte. Zo krijgt iedereen de kans om een succesvolle wooncarrière uit te bouwen binnen de stad Antwerpen. Op die manier wil de stad de welstandsvlucht stoppen, meer jonge mensen aantrekken en senioren kwalitatief laten wonen. Een goede woningmix met voldoende ruime woningen is daarbij cruciaal. Om een mix op vlak van stedenbouwkundige, maatschappelijke en woonkwaliteitseisen te garanderen is het ten eerste noodzakelijk om de juiste verhoudingen te zoeken tussen verschillende woninggroottes. Er wordt daarom gestreefd naar een mix van verschillende X-17.559-4/14 slaapkamerappartementen. Ten tweede is het belangrijk dat er een minimale oppervlakte wordt vastgelegd, afhankelijk van het aantal slaapkamers in de woning. Hierbij wordt er ook op gelet dat de oppervlakteverhoudingen tussen de verschillende ruimtes en functies binnen deze woningen wel afgewogen zijn. Ten derde moet de nodige aandacht besteed worden aan de gewenste woningtypologie binnen een bepaalde context. De impact van een appartementsgebouw is bijvoorbeeld heel anders dan dat van een rijhuis voor één gezin. De typologie en schaal kunnen overlast genereren door middel van concentraties. Om een goede woningmix te kunnen beoordelen bij een vergunningsaanvraag worden via deze beleidsrichtlijn daarom minimale oppervlaktenormen geformuleerd, een woningmix voor projecten vanaf vijf wooneenheden opgelegd en een concentratie van studentenkamers ontmoedigd. Daarnaast is het minstens even belangrijk om een voldoende groot aanbod aan eengezinswoningen, het klassieke huis, in de stad Antwerpen te kunnen aanbieden. De stad telt heel wat eengezinswoningen, herenhuizen en tal van grondgebonden woningen. Echter worden deze woningen steeds vaker opgedeeld in kleinere woonentiteiten. Ook zijn er steeds minder vergunningen voor de bouw van eengezinswoningen. Nochtans vormt dit patrimonium een essentiële bouwsteen binnen het stedelijk DNA en moet het daarom gevrijwaard blijven. Dit is ook belangrijk om gezinnen in de stad Antwerpen te kunnen blijven aantrekken en houden. Daarnaast zorgt het opdelen van een woning in kleinere entiteiten voor een verhoging van de densiteit, wat overigens ook het geval is bij het opdelen van appartementen. Dit brengt de draagkracht van het bouwblok en de wijk in het gedrang. Het bestuursakkoord benadrukt dan ook het belang om deze grondgebonden woningen meer te beschermen tegen opdeling. Een ‘te beschermen eengezinswoning’ is een eengezinswoning waarvan de totale bruto vloeroppervlakte maximum 350 m² bedraagt met inbegrip van eventuele complementaire functies. Deze beleidsrichtlijn moet het opdelen van deze te beschermen eengezinswoningen tegen gaan. Als voorafname op een ruimere herziening van de bouwcode wordt er een beleidsmatige gewenste ontwikkeling over wonen vastgesteld zodat hier reeds rekening mee kan gehouden worden in de vergunningverlening. De procedure tot herziening van de bouwcode neemt immers enige tijd in beslag. Met de omzendbrief ‘gemeentelijke beleidsmatig gewenste ontwikkelingen in de beoordeling van stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen in graad van beroep’ geeft de deputatie aan onder welke voorwaarden zij als beroepsinstantie rekening kan houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen bij de beoordeling van stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen in graad van beroep. Zo moet deze beleidsmatig gewenste ontwikkeling (BGO) onder andere goedgekeurd worden door de gemeenteraad, moet er een initiatief volgen om de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen juridisch te verankeren (bvb. in de bouwcode) en mag de BGO niet in strijd zijn met bestaande juridische voorschriften. Het college zal het initiatief nemen om de artikels (artikel 22 en 23) uit de bouwcode op te heffen en de bouwcode onder meer op basis van deze BGO te herzien. Deze BGO zal worden toegepast na goedkeuring ervan door de gemeenteraad.” X-17.559-5/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ratione materiae De aangevoerde exceptie 4.1. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord dat de bestreden richtlijnen een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling betreffen. Zij hebben geen verordenend karakter, maar bevatten loutere richtlijnen aan het college van burgemeester en schepenen bij het beoordelen van de verenigbaarheid van aanvragen tot omgevingsvergunning met de goede ruimtelijke ordening. Artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) bepaalt expliciet dat er geen verplichting bestaat in hoofde van de vergunningverlenende overheid om rekening te houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen, maar dat dit een loutere mogelijkheid betreft. Nu de bestreden beslissingen expliciet steunen op deze rechtsgrond, kan er van een verordenend karakter geen sprake zijn. De toepassing van de bestreden richtlijnen is steeds vrijblijvend en vindt plaats in het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Nergens is aangegeven dat de vergunningverlenende overheid de bestreden richtlijnen verplicht moet toepassen. In zoverre de verzoekende partij ervan uitgaat dat dit wel het geval is, streeft zij een interpretatie contra legem na. Aangezien de bestreden beslissingen geen onmiddellijke rechtsgevolgen hebben, zijn het geen voor vernietiging vatbare rechtshandelingen. 4.2. De verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissingen uitdrukkelijk aangeeft dat het slechts om richtlijnen gaat. Dit blijkt ook uit hoe de bestreden beslissingen in de praktijk worden toegepast. Bovendien acht de deputatie zich op geen enkele wijze door de bestreden beslissingen gebonden. X-17.559-6/14 Minstens is het verzoek tot nietigverklaring volgens de verwerende partij onontvankelijk voor wat betreft artikel 3, waaraan geen reglementair karakter kan worden toegekend, en de artikelen 4 en 5. Deze laatste twee artikelen worden niet geviseerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring en worden “op geen enkele wijze betrokken in het verslag van de auditeur”. Deze artikelen kunnen op zichzelf bestaan. Beoordeling 5.1. Artikel 4.3.1, § 2, VCRO luidt: “§ 2. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen: 1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4; 2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook de volgende aspecten in rekening brengen:
- a)beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in punt 1°; [...].” Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat, zo deze toelaat dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij de beoordeling van het aangevraagde beleidsmatig gewenste ontwikkelingen in rekening brengt, dit slechts een mogelijkheid betreft, en geenszins een verplichting. 5.2. Anders dan de voormelde, door artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), voorziene “mogelijkheid”, mag uit de inhoudelijke beoordeling van alvast de artikelen 1, 2 en 3 van de kwestieuze richtlijnen blijken dat deze in dwingende beoordelingscriteria voor vergunningsaanvragen voorzien. 5.2.1. Zo worden door artikel 1, § 1, van de geviseerde richtlijnen bij nieuwbouw of herbouw, het opdelen van een woning of meergezinswoning, de X-17.559-7/14 vermeerdering van het aantal woongelegenheden of de functiewijziging naar wonen per woningtype welbepaalde netto vloeroppervlaktes “opgelegd”. Voor een ‘kamer voor studenten’ geldt bijvoorbeeld een minimale netto vloeroppervlakte van ‘14 vierkante meter’, voor een ‘kamer voor niet-studenten’ een minimale netto vloeroppervlakte van ‘20 vierkante meter’, voor een ‘studio’ een minimale netto vloeroppervlakte van ‘35 vierkante meter’ en voor een ‘zelfstandige woning met 1 slaapkamer’ een minimale netto vloeroppervlakte van ‘60 vierkante meter’. Artikel 1, § 2, van de richtlijnen voorziet onder voorwaarden in een “maximale afwijking” op deze minimale netto vloeroppervlaktes, en bepaalt uitdrukkelijk dat voor kamers en studio’s “geen afwijking [kan] worden toegestaan”. Waar volgens § 3 van artikel 1 de woningen en kamers weliswaar niet dienen te voldoen aan de oppervlaktenormen van dat artikel indien de vergunning door een erkende residentiële zorgvoorziening of erkende sociale huisvestingsmaatschappij of door hun gemachtigde wordt aangevraagd, bezit het college van burgemeester en schepenen als vergunningverlenende overheid alvast niet de mogelijkheid om af te wijken van de opgelegde minimale vloeroppervlakte voor kamers en studio’s die niet vallen onder deze uitzonderingsregeling van § 3. Indien het project in het kader van de verplichtingen van het decreet ‘Grond- en Pandenbeleid’ een bescheiden woonaanbod moet voorzien, gelden de minimale oppervlaktenormen niet voor deze woongelegenheden, maar de overige woningen “moeten” uitdrukkelijk “wel beantwoorden” aan de vereisten van § 1. 5.2.2. Artikel 2 van de geviseerde richtlijnen legt bepalingen op in verband met de ‘woningmix’. Ook hier geldt volgens § 2 een ‘uitzonderingsmaatregel’ voor een erkende residentiële zorgvoorziening, een erkende sociale huisvestingsmaatschappij of een project in het kader van de verplichtingen van het decreet ‘Grond- en Pandenbeleid’. Voor iedere andere nieuwbouw of herbouw van meergezinsgebouwen met 5 of meer woningen, het opdelen van een woning of meergezinsgebouw in 5 of meer woningen of de functiewijziging naar 5 of meer woningen geldt evenwel overeenkomstig § 1 dat de gemiddelde netto vloeroppervlakte van alle zelfstandige woningen minimaal 80 m² “moet” bedragen. Bij verbouwing “moet” de gemiddelde netto vloeroppervlakte van alle zelfstandige woningen minimaal 80 m² blijven bedragen. Het college van burgemeester en schepenen bezit als vergunningverlenend bestuur X-17.559-8/14 niet de mogelijkheid om af te wijken van de door de richtlijnen opgelegde gemiddelde minimale netto vloeroppervlakte voor de in artikel 2 omschreven meergezinsgebouwen die niet vallen onder de uitzonderingsregeling die is voorzien in § 2. 5.2.3. Artikel 3 van de geviseerde richtlijnen voorziet verder onder meer in stringente regels voor een te beschermen eengezinswoning. Een dergelijke woning “mag niet worden omgevormd” tot een meergezinsgebouw (artikel 3, § 2); het samenvoegen ervan met een ander gebouw met het oog op het omvormen van het samengevoegde geheel tot meerdere woonentiteiten “is verboden” (artikel 3, § 4); het wijzigen van de hoofdfunctie wonen naar een andere hoofdfunctie “is verboden” (artikel 3, § 5); het invoeren van een functie verenigbaar met het wonen “is verboden”, tenzij aan een aantal welomschreven vereisten is voldaan (artikel 3, § 6). In de vervangende nieuwbouw van ééngezinswoningen “moet” opnieuw minstens één zelfstandige wooneenheid per gesloopte eengezinswoning worden gerealiseerd “van minimaal 130 m² netto-vloeroppervlakte met een aansluitende buitenruimte van minimum 15 m²”. Slechts onder strikte voorwaarden kan van deze paragraaf afgeweken worden (artikel 3, § 7). In de vervangende nieuwbouw van een meergezinswoning “moet” per gesloopte zelfstandige wooneenheid van 130 m² netto-vloeroppervlakte opnieuw een zelfstandige woning “van minimaal 130 m² netto-vloeroppervlakte met een aansluitende buitenruimte van minimum 15 m² worden gerealiseerd” (artikel 3, § 8). Overeenkomstig § 9 van artikel 3 kan in uitzonderlijke gevallen weliswaar een huis toch “gesupprimeerd” worden en kan een uitzondering op dit artikel gemotiveerd door het college toegekend worden “omwille van een uitbreiding van een naastliggende economische activiteit of gemotiveerd worden vanuit een maatschappelijk[e] nood”, van een mogelijkheid tot afwijking van de voorgeschreven normen door het college van burgemeester en schepenen als vergunningverlenende overheid blijkt evenwel geen sprake te zijn in het geval aan de voormelde twee uitzonderingsvoorwaarden niet is voldaan en de uitzonderlijke “supprimering” van het gebouw niet aan de orde is. X-17.559-9/14 5.3. Gezien het voormelde, bevatten alvast de artikelen 1, 2 en 3 van de kwestieuze richtlijnen van de tweede bestreden beslissing bepalingen die verordenend zijn van aard. De geviseerde richtlijnen dienen als een reglementair besluit beschouwd te worden en maken zodoende een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uit. De verzoekende partij wijst er in haar laatste memorie terecht op dat een reglementair besluit in beginsel als één en ondeelbaar moet worden beschouwd. Het komt voor dat de artikelen 1, 2, 3 van de geviseerde richtlijnen niet afsplitsbaar zijn van de bepalingen inzake de ‘Spreiding en functiemix kamers’ (artikel 4), dat een “afgebakend gebied voor kamers” aangeeft, waarbinnen bij nieuwbouw, herbouw of verbouw het aantal vergunde of vergund geachte kamers niet vermeerderd mag worden. Minstens overtuigt de verwerende partij niet van het tegendeel. Eenzelfde niet-afsplitsbaarheid geldt voor artikel 5 ‘Definities’ van de bestreden richtlijnen, dat, zoals de verzoekende partij aangeeft, een lijst bevat van definities van termen die gebruikt worden in de artikelen 1 tot en met 4 van deze richtlijnen. 5.4. De eerste bestreden beslissing is louter voorbereidend en niet voor vernietiging vatbaar. 5.5. Het beroep is alleen ontvankelijk ratione materiae wat de tweede bestreden beslissing betreft. B. Ratione personae De aangevoerde exceptie 6. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partij bij huidig beroep. De verzoekende partij voert weliswaar aan dat zij met verschillende weigeringsbeslissingen zal worden geconfronteerd en beweert een concurrentieel nadeel te lijden, doch uit de stukken die zij bijbrengt blijkt geen verband tussen de ingeroepen nadelen en de bestreden beslissingen. Daarnaast werpt de verwerende partij op dat de bestreden richtlijnen geen verordenende werking hebben. Daardoor zijn de ingeroepen hinder en X-17.559-10/14 nadelen onvoldoende zeker om van een voldoende belang bij het beroep te doen blijken. Beoordeling 7.1. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de geviseerde richtlijnen verordenende bepalingen bevatten. Zoals is overwogen in het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State nr. é.610 van 26 januari 2016 inzake Hugo Bogaerts e.a., dient het belang bij beroepen tegen een reglementair besluit met de gebruikelijke soepelheid beoordeeld te worden. In dit verband zij tevens gewezen op het door het Verdrag van Aarhus gestelde doel om aan de rechtszoekende in milieuaangelegenheden, zoals in casu, ruim toegang tot de rechter te verschaffen. 7.2. De verzoekende partij toont aan dat zij op regelmatige basis vergunningsaanvragen indient bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot het verbouwen van panden gericht op het creëren van (bijkomende) woongelegenheden. Zij doet blijken van het vereiste belang bij een annulatieberoep tegen reglementaire bepalingen die op dergelijke aanvragen toepassing vinden. 7.3. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 8.1. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 6, 7 en 9.2 van het verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (verdrag van Aarhus) en van artikel 2.3.2, § 2, VCRO. Tevens voert zij bevoegdheidsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan. X-17.559-11/14 De verzoekende partij betoogt dat de bestreden richtlijnen stedenbouwkundige voorschriften bevatten die gelden als verbindende beoordelingsgrond bij de behandeling van vergunningsaanvragen. De richtlijnen moeten dan ook als een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening worden gekwalificeerd. De geviseerde voorschriften inzake minimumoppervlaktenormen van woongelegenheden vallen ongetwijfeld onder de doelstellingen van artikel 2.3.1, eerste lid, 1°, 5° en 12°, VCRO. Bij het uitvaardigen ervan diende dan ook de opmaakprocedure van artikel 2.3.2, § 2, VCRO gevolgd te worden. In de aanhef van de bestreden besluiten wordt daarenboven erkend dat de opmaakprocedure voor een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt omzeild, om de zware en tijdrovende opmaakprocedure te vermijden. Er werd onder meer geen openbaar onderzoek georganiseerd, terwijl het verdrag van Aarhus zulks uitdrukkelijk vereist. Evenmin werden adviezen ingewonnen en werden de richtlijnen onderworpen aan het schorsings- en vernietigingstoezicht van de deputatie en van de Vlaamse regering. Door de opmaakregels van artikel 2.3.2, § 2, VCRO te miskennen, gaat de verwerende partij de grenzen van haar bevoegdheid te buiten. 8.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord tegen dat de verzoekende partij het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aanvoert, maar niet omschrijft op welke wijze deze rechtsregel zou geschonden zijn. Vermits het middel op dit punt onduidelijk is, is het (minstens gedeeltelijk) niet ontvankelijk. Ten gronde betoogt zij dat de bestreden richtlijnen geen verordenend karakter hebben, zodat zij niet met een stedenbouwkundige verordening kunnen gelijkgesteld worden. Beoordeling 9.1. De verzoekende partij geeft in de uiteenzetting van haar middel aan dat de procedure tot opmaak van een stedenbouwkundige verordening, zoals omschreven in artikel 2.3.2, § 2, VCRO, werd miskend. Op die manier geeft zij aan op welke wijze de bestreden beslissingen volgens haar de vereiste juridische grondslag ontberen. De ontvankelijkheidsexceptie is ongegrond. X-17.559-12/14 9.2. Hoger werd reeds geoordeeld dat alvast de bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3 van de bestreden richtlijnen een verordenend karakter hebben. Deze bepalingen gaan verder dan een beleidsmatig gewenste ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), VCRO, waarop zij expliciet steunen. Zij ontberen aldus de vereiste juridische grondslag. 9.3. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen van 24 juni 2019 tot goedkeuring van de richtlijnen omtrent ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen woninggrootte, woningmix en beschermen van eengezinswoningen’. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. X-17.559-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.559-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.636 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div