← België

Arrest 251653 - Examens (onderwijs) - 28/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.653 Rolnummer: A. 234589/IX-9945 Zaak: Arrest 251653 - Examens (onderwijs) - 28/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 08:06 Fiche Arrest nr 251.653 van 28 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.653 van 28 september 2021 in de zaak A. 234.589/IX-9945 In zake: Finian REIJNAERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sébastien Depré, Jasper De fauw en Mateusz Ryś kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 17 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 9 september 2021 waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad om aan Finian Reijnaers een oriënteringsattest C toe te kennen, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9945-1/23 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2021, om 12.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Jasper De fauw en Mateusz Ryś, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling van het tweede jaar van de derde graad sportwetenschappen (ASO) in de school ‘avAnt Provinciaal Onderwijs’, campus ‘Brialmontlei’ te Antwerpen, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor Frans (44,3%), fysica (47,4%) en ‘onderzoekscompetenties’ (40,7%). De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Je beschikt in de huidige omstandigheden over onvoldoende basiskennis en maturiteit. Je hebt de leerplandoelstellingen niet bereikt voor Frans, fysica en onderzoekscompetenties. Je vertoont een duidelijk gebrek aan wil en motivatie om de vereiste studieresultaten te behalen.” IX-9945-2/23 3.
  6. Overleg met de campusdirecteur, op verzoek van de leerling, leidt ertoe dat de delibererende klassenraad opnieuw wordt samengeroepen. Op 26 augustus 2021 beslist de delibererende klassenraad om het aan verzoeker toegekende C-attest te handhaven. Luidens de brief van de campusdirecteur van 27 augustus 2021 waarmee deze beslissing aan verzoeker wordt meegedeeld, is ze als volgt gemotiveerd: “- u beschikt in de huidige omstandigheden over onvoldoende basiskennis en maturiteit - u heeft de leerplandoelstellingen niet bereikt voor Frans, fysica en onderzoekscomp[e]tenties - de motivatie voor het behalen van de vereiste studieresultaten ontbreekt.” 3.
  7. Verzoeker stelt tegen de beslissing van de delibererende klassenraad een beroep in bij het schoolbestuur. Op 9 september 2021 bevestigt de beroepscommissie, die is ingesteld door het schoolbestuur, verzoekers “oorspronkelijk evaluatieresultaat”. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de thans voorliggende vordering. Ze is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie verklaart het beroep ontvankelijk. Gelet op de devolutieve werking van het beroep is het thans aan de beroepscommissie om te oordelen of Finian al dan niet geslaagd is. Uit het dossier blijkt dat Finian drie jaartekorten heeft behaald, meer bepaald een tekort van 44,3% voor Frans, een tekort van 47,4% voor Fysica en een tekort van 40,7% voor Onderzoekscompetenties. Deze jaartekorten zijn het resultaat van vele, merendeels ernstige tekorten voor deze vakken en dit zowel bij Dagelijks Werk als op de Examens. Zo heeft Finian voor Frans bij Dagelijks Werk 1 een tekort behaald van 19/48 (39,6%), bij Dagelijks Werk 3 een tekort van 18,5/42 (44%), bij Dagelijks IX-9945-3/23 Werk 4 16,5/47 (35,1%), voor Examen 1 een tekort van 9,1/20 (45,5%) en voor Examen 2 een tekort van 14,9/30 (49,7%). Voor Fysica heeft Finian tekorten behaald voor Dagelijks Werk 3 (11/26 of 42,3%), Examen 1 (8,7/20 of 43,5%) en Examen 2 (11/30 of 36,7%). Het jaartekort voor Onderzoekscompetenties vloeit voort uit de tekorten op Dagelijks Werk 2 (5/15 of 33,3%), Dagelijks Werk 3 (14/50 of 28%) en Dagelijks Werk 4 (31/70 of 44,3%). Naar het oordeel van de beroepscommissie rechtvaardigen deze cijfers de toekenning van een oriënteringsattest C. Specifiek wat betreft het jaartekort voor Frans wordt aan de beroepscommissie het resultaat van een examen Frans bij de centrale examencommissie voorgelegd, waaruit blijkt dat Finian geslaagd is voor Frans met 64%. De beroepscommissie wenst niet voorbij te gaan aan dit resultaat, maar stelt wel vast dat dit één toetsmoment is tegenover zes toetsmomenten die tot het jaartekort in de school hebben geleid. De beroepscommissie zal dit resultaat zelf dan ook niet in de plaats stellen van het resultaat dat op school werd behaald, maar zal dit als een bijkomend examen beschouwen en het als volgt laten meetellen: 50% Dagelijks Werk en 50% Examens (waarbij Examen 1 op 20 punten staat, Examen 2 op 30 punten en het resultaat van de examencommissie herleid wordt naar 25 punten, met name het gemiddelde van Examen 1 en Examen 2). Indien aldus rekening gehouden wordt met het resultaat van de examencommissie blijft nog steeds een jaartekort van 47% voor Frans. Verder kan het standpunt niet worden bijgetreden dat Onderzoekscompetenties zijn begrepen in Chemie, waarvoor Finian wel geslaagd is. Onderzoekscompetenties is immers een afzonderlijk onderdeel van het curriculum van de opleiding bij avAnt Provinciaal Onderwijs en geen onderdeel van Chemie. Het is de door de school gegeven invulling van het complementair gedeelte. Het tekort voor Onderzoekscompetenties moet dan ook mee in overweging worden genomen. De overige argumenten die voor Finian worden uiteengezet in het beroepsschrift en tijdens de behandeling van het beroep voor de beroepscommissie zijn evenmin van aard om tot een ander besluit te komen. Met toepassing van artikel 123/15 §3, 2° van de Codex Secundair Onderwijs besluit de beroepscommissie, in voltallige samenstelling, dan ook om op grond van voormelde feiten en overwegingen, het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende IX-9945-4/23 noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. Wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering betreft, voert verzoeker aan dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing zijn normale studieloopbaan niet kan voortzetten en hij het hoger onderwijs niet kan aanvatten. Hij beroept zich op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigende verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat met een gewone schorsingsvordering niet tijdig kan worden afgewend. Hij stelt ook snel te hebben gereageerd na de kennisneming van de bestreden beslissing en zodoende diligent te hebben gehandeld bij het instellen van de voorliggende vordering.
  10. Terecht betwist de verwerende partij dat standpunt van verzoeker niet.
  11. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is vervuld. VI. Ernst van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen
  12. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 5 en 57 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (hierna: IX-9945-5/23 organisatiebesluit), artikel 123/17, § 2, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat hij in zijn beroepschrift uitdrukkelijk heeft gevraagd om ook de positieve elementen bij de te nemen beslissing te betrekken en het al dan niet behalen van leerplandoelstellingen op graadniveau te beoordelen, terwijl “de [bestreden] beslissing geen spoor vertoont van positieve elementen of hoe deze mee in de beslissing zijn betrokken of waarom deze niet doorslaggevend zouden kunnen zijn”. Hij licht toe dat de bestreden beslissing de argumentatie van zijn beroepschrift volstrekt negeert en louter de vakken en momenten overloopt waarop hij een onvoldoende of zwak resultaat zou hebben behaald. Volgens verzoeker is de redenering van de beroepscommissie met betrekking tot zijn slagen voor de examencommissie secundair onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (hierna: de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs) voor het vak Frans “merkwaardig/creatief” en gaat ze voorbij aan de vraag “of de leerling finaal en globaal de doelstellingen heeft verworven”. Zijn slagen toont de grieven aan die hij met betrekking tot het vak Frans ten aanzien van de beroepscommissie heeft laten gelden. Hoe zijn examen voor de voornoemde examencommissie over “alles van de volledige 3e graad” slechts voor evenveel kan meetellen als “een examen […] op 30 punten […] voor een corona semester” is voor verzoeker onduidelijk. Er wordt volgens hem ook niet ingegaan op de lage mediaan en gemiddelden voor het dagelijkse werk van het vak Frans. Ook het aspect ‘onderzoekscompetenties’ is niet correct onderzocht, zo stelt verzoeker. Het wordt op de website van de school en in het schoolreglement niet vermeld als een apart vak in de studierichting sportwetenschappen. Het belang ervan is voor verzoeker pas duidelijk geworden bij de terugkeer van de verantwoordelijke leerkracht op het einde van het tweede semester. IX-9945-6/23 Voorts betoogt verzoeker dat hij in de bestreden beslissing louter een opsomming van de tekorten leest en de conclusie dat op grond daarvan een C-attest gerechtvaardigd is. Van enige concrete afweging is volgens hem geen sprake, hoewel hij uitdrukkelijk daarnaar heeft gevraagd in het kader van zijn beroep. De bestreden beslissing maakt niet duidelijk op welke wijze de onvoldoende resultaten zich verhouden tot de rest van zijn dossier. Volgens verzoeker legt geen enkele normatieve tekst als slaagnorm op dat een leerling voor alle of welbepaalde vakken geslaagd moet zijn of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken moet hebben behaald om “met vrucht” geslaagd te worden verklaard. Hij wijst op de artikelen 5, § 5, en 57 van het organisatiebesluit waaruit hij het vereiste afleidt van “een globale appreciatie”. De bestreden beslissing bevat evenwel geen dergelijke appreciatie. De beroepscommissie had niet alleen rekening moeten houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen waarvoor wel slaagcijfers voorliggen. Dat geen “globale”, correcte en zorgvuldige beoordeling is gebeurd, blijkt, aldus verzoeker, uit het loutere feit dat er geen positieve elementen worden vermeld in de bestreden beslissing, zodat ze zeker niet afgewogen zijn tegen de negatieve elementen. Verzoeker doet tevens gelden dat de leerling die, zoals hij, gebruik maakt van de beroepsprocedure waarin is voorzien, erop moet kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepscommissie zorgvuldig wordt onderzocht en dat die commissie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep is ingesteld, goede redenen moet hebben om de aangevoerde beroepsargumenten te verwerpen. Die redenen moeten uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepscommissie worden weergegeven. Verzoeker haalt vervolgens de argumenten aan die hij voor de beroepscommissie heeft aangevoerd en hij doet gelden dat de bestreden beslissing er niet op enige wijze op geantwoord heeft. IX-9945-7/23 Verzoeker wijst er ten slotte op dat hij aan de beroepscommissie uitdrukkelijk de vraag heeft gesteld naar een uitgestelde proef, maar dat ook dit aspect “volstrekt onbesproken” is gebleven.
  13. De verwerende partij antwoordt in haar nota vooreerst dat in geen geval een schending van artikel 5 van het organisatiebesluit in aanmerking kan worden genomen, aangezien dit artikel naar de delibererende klassenraad verwijst en niet naar de beroepscommissie. Voorts doet zij gelden dat uit artikel 57 van het organisatiebesluit niet kan worden afgeleid dat “het slagen [versta: het niet-slagen] voor toetsen, examens of proeven niet in aanmerking zou mogen worden genomen als een belangrijk en doorslaggevend element om te beoordelen of de betrokkene al dan niet met vrucht een leerjaar heeft beëindigd”. De beroepscommissie heeft in de bestreden beslissing de beoordeling van het met vrucht beëindigen van het leerjaar door verzoeker niet laten afhangen van één afzonderlijke toets, examen of proef. Integendeel blijkt uit de bestreden beslissing dat de beroepscommissie rekening heeft gehouden met “vele, merendeels ernstige tekorten” voor drie vakken, zowel bij dagelijks werk als op de examens. Het spreekt volgens de verwerende partij voor zich dat de beroepscommissie deze tekorten in aanmerking mocht nemen in haar beoordeling. De verwerende partij betwist tevens dat zij niet zou zijn overgegaan tot een “globale beoordeling”. Zij stelt alle elementen in aanmerking te hebben genomen, zelfs elementen die “slechts post factum hebben plaatsgevonden”, namelijk na het afsluiten van het schooljaar op 30 juni 2021, het ogenblik waarop dient te worden beoordeeld of verzoeker al dan niet met vrucht het jaar heeft beëindigd. Zij doelt daarmee op het examen Frans dat verzoeker voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs heeft afgelegd en waarop hij 64% van de punten behaalde. Volgens de verwerende partij was zij niet verplicht met dat element rekening te houden en wijst verzoeker er zelf op dat het al dan niet met vrucht beëindigen van een leerjaar niet kan afhangen van één welbepaalde IX-9945-8/23 proef. Het is niet ernstig, aldus de verwerende partij, dat verzoeker insinueert dat dit ene examen voor de voornoemde examencommissie de meervoudige en ernstige tekorten doorheen het volledige schooljaar zou kunnen vervangen. Ook volgens de verwerende partij mist “een reeks argumenten” van verzoeker elke feitelijke grondslag. Zo beweert verzoeker dat er slechts sprake zou zijn van twee jaartekorten, terwijl het wel degelijk om drie jaartekorten gaat. Het is immers volkomen onjuist dat het vak ‘onderzoekscompetenties’ geen afzonderlijk vak zou zijn. Dat werd volgens de verwerende partij uitdrukkelijk weerlegd in de bestreden beslissing. Daarnaast is het ongeloofwaardig dat verzoeker de motivering van het tekort voor het vak ‘onderzoekscompetenties’ niet zou kennen, aangezien hij een overzicht van de behaalde cijfers in een rapportmapje samen met elk van de vier rapporten meekreeg. Voorts is verzoekers verwijzing naar het zogenaamde lage klasgemiddelde voor het vak Frans niet relevant, vermits de klas van verzoeker in strikte zin slechts drie leerlingen telt, waardoor dat gemiddelde minder representatief is. Daarenboven steunt de bestreden beslissing op de effectief door verzoeker behaalde cijfers en niet op de verhouding daarvan tot de resultaten van de klasgenoten. De verwerende partij voegt er nog aan toe dat het standpunt van verzoeker dat de leerkracht Frans hem viseerde volkomen onjuist is. Daarentegen is er in hoofde van verzoeker sprake van “een structureel tekort en een gebrek aan motivatie en inzet doorheen het schooljaar […] wat uiteindelijk resulteerde in drie jaartekorten, en dus niet enkel voor Frans”. De verwerende partij betwist evenzeer dat niet geantwoord zou zijn op verzoekers vraag om een bijkomende proef af te leggen. Verzoeker laat na enige juridische grondslag aan te wijzen op grond waarvan hem de mogelijkheid daartoe zou moeten worden gegeven. Het beoordelingspunt is gelegen op het einde van het schooljaar en er worden daarbij in de regel geen herexamens georganiseerd, wat wordt bevestigd door het schoolreglement dat door verzoeker is onderschreven. Verzoeker heeft in de loop van het schooljaar voldoende IX-9945-9/23 mogelijkheden gekregen om de scheve situatie recht te trekken, maar hij nam het remediëringstraject niet ernstig. Ten slotte werpt de verwerende partij op dat verzoeker op geen enkele manier uitlegt waarom de bestreden beslissing artikel 123/17, § 2, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs zou schenden. IX-9945-10/23 Beoordeling
  14. Het rapport van verzoeker vertoont op het einde van het schooljaar drie jaartekorten: voor het vak Frans behaalt hij 44,3%, voor het vak fysica 47,4% en voor ‘onderzoekscompetenties’ 40,7%. 11.
  15. Wat het vak Frans betreft, heeft verzoeker in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie aangevoerd dat hij zich had voorbereid op het examen Frans dat wordt georganiseerd door de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker dat examen heeft afgelegd, dat hij daarop een score van 64% behaalde en dat hij dit resultaat aan de beroepscommissie heeft voorgelegd. De beroepscommissie spreekt die elementen in de bestreden beslissing niet tegen. Ook in haar nota betwist de verwerende partij ze niet. 11.
  16. Terecht, zo lijkt, geeft de beroepscommissie in de bestreden beslissing aan “niet voorbij te [willen] gaan aan dit resultaat”. De verwerende partij nuanceert dat standpunt van de beroepscommissie in haar nota, waar zij stelt dat de beroepscommissie “niet verplicht [was] om met dit element rekening te houden”. Echter, de beroepscommissie is, als orgaan van actief bestuur met volle hervormingsbevoegdheid, op het eerste gezicht ertoe gehouden haar oordeel te steunen op alle gegevens die haar bekend zijn op háár beslissingsmoment. Zoals de Raad van State ook reeds – voorlopig – heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 228.906 van 23 oktober 2014 en hij voor de thans voorliggende zaak bevestigt, is het niet onmogelijk dat een leerling in de loop van de beroepsprocedure, door te slagen voor examens bij de Vlaamse IX-9945-11/23 examencommissie secundair onderwijs, heeft kunnen bewijzen bepaalde vaktekorten te hebben opgehaald en valt het moeilijk te begrijpen dat een beroepscommissie dit niet relevant zou achten. Overigens, wil een onderwijsinstelling zulke verwikkelingen vermijden, dan belet niets haar om de beroepsprocedure met gepaste spoed te doorlopen en aldus de delibererende klassenraad niet eind augustus, maar onmiddellijk na het overleg met de directeur opnieuw te doen samenkomen en de na beroep van de leerling bijeengeroepen beroepscommissie evenzeer kort nadien te laten beslissen. 11.
  17. Hoewel de beroepscommissie dus wel bereid is gebleken het slaagcijfer van verzoeker voor het examen Frans van de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs in haar oordeel te betrekken, is dit volgens verzoeker niet voldoende gebeurd. 11.
  18. Verzoeker lijkt terecht erop te wijzen dat het examen Frans dat hij met succes voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs heeft afgelegd, betrekking had op de leerstof van de volledige derde graad voor dat vak. Aldus lijkt het niet onredelijk aan te nemen, zoals verzoeker aanvoert, dat hij ervan doet blijken het vaktekort voor Frans te hebben opgehaald en wel degelijk de leerplandoelstellingen voor dat vak in voldoende mate te hebben bereikt. 11.
  19. Die gevolgtrekking maakt de beroepscommissie evenwel niet. Zij laat het resultaat dat verzoeker behaalde voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs slechts ten dele meetellen om uit te maken of verzoeker voor Frans een jaartekort heeft behaald of niet, en dus of hij de leerplandoelstellingen voor dat vak in voldoende mate heeft bereikt. IX-9945-12/23 Het enige motief dat de beroepscommissie daarvoor aanhaalt, lijkt het feit te zijn dat het examen dat verzoeker voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs heeft afgelegd, slechts “één toetsmoment” inhield, terwijl de school van verzoeker zich op “zes toetsmomenten” steunde om tot het jaartekort te besluiten. De beroepscommissie besliste daarom het resultaat van verzoeker voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs “niet in de plaats [te] stellen van het resultaat dat op school werd behaald”, maar het wel “als een bijkomend examen [te] beschouwen en het [te] laten meetellen” door het te herleiden naar “25 punten, met name het gemiddelde van Examen 1 en Examen 2”. Alsdan blijft er volgens de beroepscommissie voor Frans nog steeds een jaartekort van 47%. 11.
  20. Het enige motief dat het examen Frans voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs slechts “één toetsmoment” inhoudt, is op het eerste gezicht niet relevant. Het is immers de essentie van de instelling van de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs dat een examinandus alle leerstof – die voor de regelmatige leerlingen doorheen de volledige graad wordt onderwezen en getoetst, zowel via dagelijks werk als door middel van examens – zelf instudeert en daarover een examen aflegt, of meerdere examens in het geval dat meer kennis of vaardigheden moeten worden getest. Het slagen voor een dergelijk examen, ook al gaat het om “één toetsmoment”, houdt voor de examinandus de kans in om het diploma te verwerven, in de mate dat hij ook in voldoende mate slaagt voor de andere vakken. Daarenboven lijkt een diploma dat wordt verworven via de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs, vooralsnog dezelfde waarde te hebben als een door een reguliere onderwijsinstelling uitgereikt diploma. 11.
  21. Bijgevolg moet op het eerste gezicht worden besloten dat het motief van de bestreden beslissing waarbij het resultaat van het examen dat verzoeker aflegde voor de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs slechts IX-9945-13/23 wordt meegeteld in de mate zoals vooropgesteld door de beroepscommissie, niet deugdelijk is. In zoverre is het tweede middel alvast ernstig. 12.1.
  22. Voor zover verzoeker de beroepscommissie voorts verwijt niet te hebben geantwoord op zijn bezwaren, voert hij wezenlijk de schending aan van de formelemotiveringsplicht. 12.1.
  23. Verzoeker heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs bieden aan een leerling om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad. Wanneer de leerling aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, moet deze commissie kennis nemen van zijn grieven, ze beoordelen en ze beantwoorden. 12.1.
  24. Noch het beginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist zijn en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ legt aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting op om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd, één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de IX-9945-14/23 verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom zijn beroep wordt verworpen. 12.2.
  25. In zijn bezwaar voor de beroepscommissie heeft verzoeker met betrekking tot het vak ‘onderzoekscompetenties’ onder meer aangevoerd dat het tekort moet worden “genuanceerd”, omdat uit het lessenrooster blijkt dat het “geen op zich staand vak is, maar onderdeel is van een cluster in casu nl. Chemie”. Verzoeker is van oordeel dat zijn resultaten voor chemie en ‘onderzoekscompetenties’ kunnen worden samengevoegd, wat tot een globaal slaagcijfer zou leiden. Die grief heeft op het eerste gezicht in de bestreden beslissing een afdoende antwoord gekregen, doordat de beroepscommissie erop wijst dat ‘onderzoekscompetenties’ een afzonderlijk onderdeel van het curriculum van de opleiding vormt en de concrete invulling betreft die de school aan het complementair gedeelte heeft gegeven. Dat zulks niet ondubbelzinnig zou blijken uit de lessentabel die op de website van de school is bekendgemaakt, lijkt daaraan geen afbreuk te doen. Verzoeker toont niet aan dat hij niet reeds op grond van de rapporten die hem in de loop van het schooljaar werden bezorgd – en dus niet pas op het einde van het tweede semester – behoorde te weten welke de precieze draagwijdte van het vak ‘onderzoekscompetenties’ was. 12.2.
  26. Anderzijds heeft verzoeker voor de beroepscommissie ook aangevoerd dat het voor hem onverklaarbaar was, met zicht op zijn resultaten voor IX-9945-15/23 de verschillende “beoordelingsitems” – volgens verzoeker scoorde hij één keer ‘zeer goed’, twee (versta: één) keer ‘goed’, twee keer ‘voldoende-goed’, vijf keer ‘voldoende’, één keer ‘onvoldoende-voldoende’ en één keer ‘onvoldoende’ – waarom hem voor het vak ‘onderzoekscompetenties’ toch slechts een eindscore van 13 op 30 punten werd toegekend. Dat argument heeft betrekking op de deugdelijkheid van de toegekende score. En die score lijkt relevant, want medebepalend voor het door de beroepscommissie als motief voor het C-attest ingeroepen jaartekort voor ‘onderzoekscompetenties’. In die omstandigheden vermocht verzoeker erop te rekenen dat de beroepscommissie zijn bezwaar daadwerkelijk in overweging zou nemen, in de nieuwe beoordeling zou betrekken en er zelfs formeel op zou antwoorden, zodanig dat hij zou kunnen begrijpen waarom dat argument de beroepscommissie niet kon overtuigen en waarom de scores voor de verschillende “beoordelingsitems” toch het onvoldoende eindresultaat kunnen verantwoorden. Op het eerste gezicht ontbreekt in de bestreden beslissing een dergelijke uitdrukkelijke weerlegging van het bezwaar van verzoeker. 12.2.
  27. In haar nota stelt de verwerende partij dat het “volkomen ongeloofwaardig” is dat verzoeker de reden van zijn tekort voor ‘onderzoekscompetenties’ niet kent, aangezien hij een overzicht heeft gekregen met de behaalde cijfers en het rapport “duidelijke feedback” geeft. De kritiek van verzoeker is evenwel niet dat hij de cijfers niet kent. Zijn bezwaar gaat over het beoordelingsformulier ‘Product DW4’, waarin per item – elf in het totaal – een beoordeling is aangebracht in de vorm van een letter die, al naargelang van het geval, lijkt te staan voor ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘voldoende’ en ‘onvoldoende’. Verzoeker begrijpt niet, en de beroepscommissie laat na om te verduidelijken, waarom de hem toegekende beoordelingen – waarvan er slechts IX-9945-16/23 één ‘onvoldoende’ is en één tussen ‘onvoldoende’ en ‘voldoende’ en de overige negen ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘zeer goed’ zijn – toch moeten resulteren in een onvoldoende cijfer van 13 op 30 punten. 12.2.
  28. In die mate is het tweede middel eveneens ernstig. 12.3.
  29. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie ook aangevoerd dat een “globale” beoordeling van het dossier noodzakelijk was en hij heeft gevraagd dat zijn resultaten van alle vakken in rekening zouden worden gebracht en de eventuele tekorten afgewogen tegen de slaagcijfers. 12.3.
  30. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, impliceert de zogenaamde devolutieve werking van het beroep dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats ervan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het moet de zaak onderzoeken op grond van al de feitelijke gegevens die hem zijn voorgelegd. Uit artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit dient te worden afgeleid dat de delibererende klassenraad bij het nemen van beslissingen over het slagen of niet-slagen van leerlingen, steeds rekening moet houden met alle elementen van het leerlingendossier. IX-9945-17/23 In die bepaling wordt, zoals de verwerende partij in haar nota doet gelden, enkel gewag gemaakt van de delibererende klassenraad en ontbreekt formeel een overeenstemmende bepaling voor de beroepscommissie. Evenwel kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de beroepscommissie, die over dezelfde beslissingsmacht beschikt als de delibererende klassenraad, háár beslissing niet zou moeten steunen op alle gegevens van het leerlingendossier. Zo niet op grond van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, dan toch op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht – waarvan verzoeker óók de schending aanvoert – lijkt van de beroepscommissie te mogen worden verwacht dat zij – net zoals de delibererende klassenraad dat vóór haar heeft moeten doen – haar beslissing steunt op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dit betekent, op het eerste gezicht, dat de beroepscommissie niet alleen rekening moet houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediëringsmaatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling zoals, in voorkomend geval, zijn medisch dossier. Het oordeel over het al dan niet slagen van een leerling is geen louter mathematische optelling van cijfers per vak, maar vereist een alomvattende appreciatie omtrent de vraag of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en in voldoende mate heeft bereikt. Daarom is het geen vereiste, om geslaagd te worden verklaard, dat de leerling voor elk opleidingsonderdeel afzonderlijk geslaagd is. 12.3.
  31. Als verzoeker voor de beroepscommissie uitdrukkelijk erop wijst dat ook de andere resultaten in het oordeel van de commissie moeten worden betrokken en dat daarbij ook bijzondere aandacht moet worden besteed aan het feit dat sommige vakken inhoudelijk bij mekaar aansluiten – fysica en zelfstandig werk fysica; chemie, zelfstandig werk chemie en ‘onderzoekscompetenties’ – en alzo IX-9945-18/23 mogelijk een ander licht werpen op de vraag of verzoeker wel of niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor die vakken heeft bereikt, ligt het op het eerste gezicht op de weg van de beroepscommissie om die argumenten in haar beslissing te betrekken en desgevallend aan te geven – ook formeel – waarom die elementen haar niet tot een ander besluit kunnen brengen. 12.3.
  32. Daarenboven moet worden vastgesteld dat verzoeker de beroepscommissie uitdrukkelijk heeft uitgenodigd om hem – onder meer voor fysica – een bijkomende proef te laten afleggen of een vakantietaak te laten maken “zodat hij kan aantonen dat hij de nodige competenties [heeft]”. Hij heeft voor dat vak ook verwezen naar specifieke omstandigheden, zoals de wissel van leerkrachten, het niet-bijwerken van dat vak en de aandacht die vaker naar chemie ging. 12.3.
  33. De beroepscommissie oordeelt over de zo-even aangehaalde argumenten als volgt: “De overige argumenten die voor Finian worden uiteengezet in het beroepsschrift en tijdens de behandeling van het beroep voor de beroepscommissie zijn evenmin van aard om tot een ander besluit te komen.” Deze ene volzin komt als motivering wezenlijk tekort aan de hiervóór in herinnering gebrachte beginselen die een beroepscommissie moeten leiden bij het formuleren van een zorgvuldig afgewogen evaluatiebeslissing, gesteund op een eigen, autonome beoordeling van al de relevante feiten van het leerlingendossier. Uit niets blijkt dat de beroepscommissie de verschillende argumenten van verzoeker bij haar beoordeling heeft betrokken. Zo zij deze niet bijvalt, staat het aan de beroepscommissie om uitdrukkelijk aan te geven waarom zij het anders ziet. Nu laat zij verzoeker – en met hem de Raad van State – op het eerste gezicht in het ongewisse waarom de argumenten van verzoeker haar niet konden overtuigen. IX-9945-19/23 Met de enkele bewering in haar nota dat “de [b]eroepscommissie […] alle elementen in aanmerking [heeft] genomen”, “[s]terker nog: de [b]eroepscommissie was uitermate redelijk en heeft ook rekening gehouden met elementen die slechts post factum hebben plaatsgevonden” – bedoeld wordt “in het bijzonder” het resultaat dat verzoeker behaalde op het examen Frans bij de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs – kan de verwerende partij niet van het tegendeel overtuigen. Niet alleen blijkt daaruit op het eerste gezicht niet dat van enige afweging van alle resultaten – en dus ook de slaagcijfers van verzoeker – daadwerkelijk sprake is geweest. Bovendien is hiervóór al gebleken dat en waarom op het eerste gezicht moet worden besloten dat de beroepscommissie aan het nieuwe examenresultaat voor Frans niet de vereiste aandacht heeft besteed. 12.3.
  34. In die mate is het tweede middel eveneens ernstig. 12.4.
  35. Met de verwerende partij lijkt te moeten worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad in de regel eind juni beslist over het al dan niet slagen van een leerling en dat slechts in “individuele gevallen” van dat principe kan worden afgeweken. Verzoeker heeft op het eerste gezicht inderdaad geen “recht” op bijkomende proeven. Aldus is het voor hem onmogelijk enige juridische grondslag aan te wijzen waaruit voor de verwerende partij een verplichting zou voortvloeien om hem de mogelijkheid tot bijkomende proeven te geven, wat de verwerende partij hem verwijt. Wanneer echter een leerling uitzonderlijke omstandigheden inroept om een bijkomende proef te kunnen afleggen, dan moet de klassenraad – en desgevallend na hem de beroepscommissie – die vraag ernstig onderzoeken en een weigering in beginsel ook verantwoorden. IX-9945-20/23 De verwijzing, in de nota van de verwerende partij, naar de bepalingen van het schoolreglement lijkt voorts niet ter zake dienend. Immers is in dat reglement precies bepaald dat “[s]oms […] een definitieve beslissing [eind juni] nog niet mogelijk [is]” en dat er “dan bijkomende proeven of taken opgelegd [kunnen] worden”. Wanneer verzoeker argumenteert welke uitzonderlijke omstandigheden het voor hem moeilijk hebben gemaakt voor, bijvoorbeeld, het vak fysica, dan had de beroepscommissie op passende wijze haar weigering moeten motiveren door het argument van verzoeker op een adequate manier te weerleggen of door eigen overtuigende argumenten in de plaats te stellen. Zij heeft dit echter niet gedaan. De beroepscommissie heeft op het eerste gezicht dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom zij de vraag van verzoeker naar bijkomende proeven heeft afgewezen. Met de inhoudelijke argumenten die in de nota van de verwerende partij worden aangebracht, mag de Raad van State dan weer geen rekening houden. Niet alleen zijn ze post factum door de verwerende partij uitgeschreven, bovendien blijkt vooralsnog uit niets dat ze aan de beroepscommissie kunnen worden toegeschreven. 12.4.
  36. Het tweede middel is ook in zoverre ernstig.
  37. Het tweede middel is alvast in de aangegeven mate ernstig. Of verzoeker daarmee ook een schending van artikel 123/17, § 2, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs aantoont, wat de verwerende partij lijkt te betwisten, kan daarbij buiten beschouwing blijven. B. Eerste middel IX-9945-21/23
  38. Het eerste middel, waarin verzoeker wezenlijk doet gelden dat de bestreden beslissing faalt in het aantonen dat hij niet bekwaam is om zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs, behoeft in de huidige stand van de rechtspleging geen nader onderzoek. Voor de beoordeling van dat middel is immers noodzakelijk dat wordt uitgegaan van vaststaande jaarcijfers. Gelet op de bij de beoordeling van het tweede middel voorlopig vastgestelde onwettigheid van de bestreden beslissing, kan vooralsnog niet ervan worden uitgegaan dat zulke cijfers voorhanden zijn. VII. Slotsom
  39. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 9 september 2021 waarbij de beslissing van de delibererende klassenraad om aan Finian Reijnaers een oriënteringsattest C toe te kennen, wordt bevestigd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. IX-9945-22/23 De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9945-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.653 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.