id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.683 Rolnummer: A. 231646/VII-40910 Zaak: Arrest 251683 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-11 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 08:17 Fiche Arrest nr 251.683 van 30 september 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.683 van 30 september 2021 in de zaak A. 231.646/VII-40.910 In zake : de NV GOPLUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : David LAMBRECHTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Van Der Veken kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 182 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 31 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-1078 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 4 augustus 2020 in de zaak 1819-RvVb-0821-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 oktober
- Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.910-1/14 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Van Der Veken, die verschijnt voor verweerder, is gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij besluit van 11 april 2019 verleent de deputatie van de provincieraad Antwerpen (hierna: deputatie) aan de nv Goplus een omgevingsvergunning “voor het bouwen van een appartementsgebouw met 31 entiteiten en handelsgelijkvloers”. 3.
- Het bestreden arrest verklaart het vierde middel van Lambrechts gegrond. In dat middel werd “in essentie aan[gevoerd] dat de bij de aanvraag gevoegde project-m.e.r.-screeningsnota gebrekkig is (rudimentair en onvolledig)” en dat “de bestreden beslissing geen eigen toetsing van de aanvraag aan de criteria VII-40.910-2/14 in bijlage II van het DABM [bevat], zodat geen afdoende onderzoek is gevoerd door de [deputatie] naar de milieueffecten van het vergunde project”. Samengevat liggen volgende overwegingen ten grondslag aan de gegrondverklaring van het middel: - het is “niet betwist dat de aanvraag moet worden beschouwd als een stadsontwikkelingsproject in de zin van rubriek 10, b) van bijlage III bij het Project-MER-besluit” en de nv Goplus “bij haar aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota diende toe te voegen”; - de bij de aanvraag gevoegde screeningsnota is gebrekkig, “kan in het licht van het voorwerp van de aanvraag niet beschouwd worden als een (gemotiveerd) document waarin van het voorgenomen project wordt aangegeven of er aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn”, is “inhoudelijk volkomen ontoereikend” en “moet worden [gelijkgesteld] met het ontbreken van een screeningsnota”; - bij gebreke aan een screeningsnota “moet de aanvraag door het bevoegde bestuur onontvankelijk worden verklaard in het kader van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek” en de deputatie “dient dan ook noodzakelijk vast te stellen dat voorliggende aanvraag onvolledig is en onontvankelijk moet worden verklaard. Wanneer de aanvraag voor het eerst zou worden gerepareerd in administratief beroep, zou dit in voorliggend geval een miskenning impliceren van de bevoegdheidsverdeling in de vergunningsprocedure in het Omgevingsvergunningsdecreet, die voorziet in twee administratieve aanleggen, en die van openbare orde is. Het wordt door partijen niet betwist dat het college van burgemeester en schepenen in voorliggend dossier de bevoegde overheid is die de aanvraag in eerste administratieve aanleg moet beoordelen, met inbegrip van de daarbij gevoegde screeningsnota”; - de vaststelling dat de deputatie in de bestreden beslissing evenmin concreet en afdoende onderzoekt of er al dan niet aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. VII-40.910-3/14 Het bestreden arrest: – vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing, en – “weigert de omgevingsvergunning voor het bouwen van een appartementsgebouw met 31 entiteiten en handelsgelijkvloers” aangezien “uit de beoordeling van het vierde middel is gebleken dat er in hoofde van de [deputatie] een feitelijk volstrekt gebonden bevoegdheid bestaat om de vergunning te weigeren in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, met name de onvolledigheid van het aanvraagdossier bij gebrek aan project-m.e.r.-screeningsnota, met een feitelijke bevoegdheidsoverschrijding tot gevolg”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de nv Goplus
- De nv Goplus voert de schending aan van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna:EVRM), het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 37, §2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet). Zij betoogt dat in het bestreden arrest ambtshalve, zonder dat daarover door partijen enige tegenspraak is gevoerd, wordt overgegaan tot indeplaatsstelling in toepassing van artikel 37, § 2, van het DBRC-decreet. Door zonder een tegensprekelijk debat te organiseren over te gaan tot indeplaatsstelling, handelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) in strijd met het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. Gelet op het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie, dient artikel 37, § 2, van het DBRC-decreet zich te conformeren met het VII-40.910-4/14 rechtstreeks werkende artikel 6 EVRM. De ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling die voorziet in het voeren van tegenspraak, staat niet in de weg dat die tegenspraak, die voortvloeit uit artikel 6 EVRM, wordt mogelijk gemaakt. Evenmin gaat het in het licht van artikel 6 EVRM op dat de RvVb de betrokken partijen van het voornemen om tot indeplaatsstelling over te gaan, niet in kennis zou moeten stellen. Zij licht toe dat een tegensprekelijk debat zich opdringt gelet op de zware gevolgen van een indeplaatsstelling: de vergunningsaanvrager verliest immers de kans om na heroverweging een omgevingsvergunning van de deputatie te bekomen nadat toepassing zou kunnen gemaakt worden van de administratieve lus in de zin van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD). Zij verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over de noodzaak aan een tegensprekelijk debat over de toepassing van de bestuurlijke lus, dat naar analogie kan worden toegepast. Zij voegt toe dat de beperking van de tegenspraak niet in evenredige verhouding staat met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling, “zijnde het streven naar efficiënte en definitieve geschillenbeslechting” en dat in die omstandigheden het aangewezen is dat de Raad van State volgende prejudiciële vraag stelt aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 37, § 2 DBRC-decreet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, waarin de algemene beginselen van de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter vervat liggen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, door aan een administratief rechtscollege, de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de bevoegdheid te verlenen om een omgevingsvergunning te vernietigen en deze vervolgens ambtshalve op grond van zijn substitutiebevoegdheid rechtstreeks te weigeren, zonder dat aan de vernietiging gekoppelde indeplaatsstelling in geval van gebonden bevoegdheid tegenspraak moet voorafgaan?”. VII-40.910-5/14 Beoordeling
- De RvVb doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van vergunningsbeslissingen genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven van een vergunning.
- Wanneer de RvVb het beroep gegrond verklaart kan hij, luidens artikel 35 DBRC-decreet, de bestreden vergunningsbeslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen.
- Artikel 37, § 1, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, “de verwerende partij [kan] bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Hij kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken”.
- Artikel 37, § 2, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, van artikel 37 DBRC-decreet, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij.
- Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. In dat geval acht de VII-40.910-6/14 decreetgever het “beter dat de [RvVb] zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing”. “Deze substitutiebevoegdheid van de [RvVb] moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux”, luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid die volgen uit de werking van de wet in het licht van de concrete gegevens van het aan de vergunningverlenende overheid voorgelegde administratief dossier. Uit het bepaalde van artikel 37, § 2, DBRC-decreet volgt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing uit kracht van wet bevoegd is om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij.
- De uitoefening door de RvVb van de bevoegdheid om de verwerende partij te bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen, of om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, is niet afhankelijk van zodanige vordering van een partij. VII-40.910-7/14
- Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing, volgt uit kracht van wet de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. De bevoegdheid van de RvVb om, in geval van vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, is derhalve geen element dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden.
- Het middel dat voorhoudt dat de nv Goplus niet de kans heeft gehad om tegenspraak te voeren over de mogelijkheid tot indeplaatsstelling, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Om dezelfde reden, is er geen aanleiding tot het stellen van de door de verzoekende partij laattijdig voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
- Het bestreden arrest stelt vast dat de partijen niet betwisten “dat het college van burgemeester en schepenen in voorliggend dossier de bevoegde overheid is die de aanvraag in eerste administratieve aanleg moet beoordelen, met inbegrip van de daarbij gevoegde screeningsnota”. Het middel kan niet tot cassatie leiden in zoverre het aanvoert dat de nv Goplus “de kans verliest om in heroverweging een omgevingsvergunning van de deputatie te bekomen nadat toepassing zou kunnen gemaakt worden van de administratieve lus in de zin van artikel 13 OVD”.
- Het middel dat “naar analogie” wijst op de noodzaak tot tegenspraak bij toepassing van de bestuurlijke lus in artikel 35 DBRC-decreet gaat VII-40.910-8/14 niet op omdat de RvVb in dat geval in eerste instantie niet overgaat tot vernietiging van de bestreden beslissing maar de mogelijkheid wil bieden aan de verwerende partij om met een herstelbeslissing waarbij zij haar discretionaire bevoegdheid uitoefent, de onwettigheid in de bestreden beslissing te (laten) herstellen.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de nv Goplus
- De nv Goplus voert de schending aan “van artikel 37, §2, DBRC-decreet juncto artikel 13 OVD en het beginsel van de devolutieve werking van het administratief beroep, zoals opgenomen in artikel 57, eerste lid, OVD; het decretaal begrip ‘gebonden bevoegdheid van de verwerende partij’, zoals vervat in artikel 37, § 2, DBRC-decreet; het beginsel van de scheiding der machten”. Zij betwist dat er in hoofde van de deputatie een volstrekt gebonden bevoegdheid zou bestaan om de vergunningsaanvraag onvolledig en bijgevolg onontvankelijk te verklaren. “Door te stellen dat, bij gebreke van een (inhoudelijk toereikende) project-MER-screeningsnota, dat de deputatie […] enkel kon overgaan tot de onvolledigheids- en onontvankelijkverklaring van de omgevingsvergunningsaanvraag [...] loopt de [RvVb] vooruit op de beleidsvrijheid waarover de deputatie (nog) beschikt bij het nemen van een beslissing na een gebeurlijke vernietiging, zijnde het al dan niet toepassen van de administratieve lus met desgevallend de organisatie van een nieuw openbaar onderzoek en/of nieuwe adviesronde in de zin van artikel 13 OVD”. Uit de voorbereidende parlementaire werken blijkt volgens de nv Goplus “dat middels toepassing van de administratieve lus een (inhoudelijk toereikende) project-MER-screeningsnota kan worden toegevoegd aan het aanvraagdossier, zowel in eerste als in tweede administratieve aanleg”. “Het is de bevoegde overheid die (ten gronde) over de vergunningsaanvraag beslist, die tevens kan oordelen om het aanvraagdossier te vervolledigen door toepassing te maken van de administratieve lus”. Met andere VII-40.910-9/14 woorden het is niet de “overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag”, maar wel de “bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 of artikel 52” die beslist over de toepassing van de administratieve lus. [...] De [RvVb] heeft dan ook een manifest foutieve beoordeling gemaakt van zijn mogelijkheid tot substitutie, in zoverre in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat er ten gevolge van een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, zijnde een onvolledig aanvraagdossier, in hoofde van de deputatie [...] slechts de gebonden bevoegdheid zou bestaan om de vergunningsaanvraag onvolledig en bijgevolg onontvankelijk te verklaren”. Zij stelt dat de deputatie wel degelijk nog over de bevoegdheid en mogelijkheid beschikt “om een voorafgaand volledigheids- en ontvankelijkheidsonderzoek te voeren en, in voorkomend geval, het dossier te vervolledigen/herstellen om vervolgens de vergunningsaanvraag ten gronde te onderzoeken”. Beoordeling
- Met verwijzing naar de artikelen 15, 18, 20 OVD en de artikelen 9, 15, 65 en 66 van het Omgevingsvergunningsbesluit, wijst het bestreden arrest op “de bevoegdheidsverdeling in de vergunningsprocedure in het Omgevingsvergunningsdecreet, die voorziet in twee administratieve aanleggen, en die van openbare orde is”, en stelt vast dat de partijen niet betwisten “dat het college van burgemeester en schepenen in voorliggend dossier de bevoegde overheid is die de aanvraag in eerste administratieve aanleg moet beoordelen, met inbegrip van de daarbij gevoegde screeningsnota”.
- Het middel betwist deze vaststelling van de RvVb niet.
- Het middel dat voor het eerst in cassatie aanvoert dat de deputatie in tweede administratieve aanleg het dossier kan laten vervolledigen met een screeningsnota, is onontvankelijk.
- Het tweede middel wordt verworpen. VII-40.910-10/14 C. Derde middel Standpunt van de nv Goplus
- De nv Goplus voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten. Zij betoogt dat “de decretale substitutiebevoegdheid van de [RvVb], zoals toegepast in het bestreden arrest, […] discriminerend is, want in strijd met het fundamentele beginsel van de scheiding der machten” en dat artikel 37, § 2, DBRC-decreet “op een discriminerende wijze afbreuk doet aan het beginsel van de scheiding er machten, hetwelk een fundamenteel kenmerk van de Belgische rechtsstaat uitmaakt”. De RvVb, die toepassing maakt van zijn substitutiebevoegdheid wegens het “naar zijn oordeel” voorhanden zijn van een zuiver gebonden bevoegdheid in hoofde van de deputatie, neemt impliciet maar zeker plaats op de stoel van het bestuur en spreekt zich als het ware uit over de vraag of het vergunningverlenende bestuursorgaan nog bevoegd is om kennis te nemen van de vastgestelde onregelmatigheid en over de vraag of het bestuur de vastgestelde onregelmatigheid kan herstellen. Nochtans is de vraag of het bestuur, na vaststelling van een legaliteitsbelemmering door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, überhaupt nog bevoegd, gebonden of bij machte is om deze belemmering te remediëren een vraag die enkel en alleen, minstens in de eerste plaats, aan het bestuur zelf toekomt. Dergelijke toepassing/interpretatie van artikel 37, § 2 DBRC-decreet, waarbij de RvVb, zoals in deze, overgaat tot ambtshalve toepassing zonder dat hierover tegenspraak werd gevoerd en zonder dat de deputatie - als bevoegd bestuur - de mogelijkheid heeft gehad om een herstelbeslissing te nemen, heeft tot gevolg dat een verschil in behandeling wordt ingevoerd dat zonder meer discriminerend en in strijd is met het beginsel van de scheiding der machten. Een vergunningsaanvrager, zoals de nv Goplus, verliest immers de kans om in heroverweging een vergunning te bekomen na eventuele toepassing van de wijzigingslus conform artikel 64 OVD, de administratieve lus VII-40.910-11/14 conform artikel 13 OVD, eventuele vergunningsvoorwaarden, beperkte planaanpassingen, etc. Het beginsel van de scheiding der machten verzet er zich volgens de verzoekende partij tegen dat de RvVb zich, zoals het bestuur, een autonome beslissingsbevoegdheid zou toe-eigenen. Dit laatste is precies het geval: met de beslissing tot het toepassen van zijn substitutiebevoegdheid in toepassing van artikel 37, § 2 DBRC-decreet doet de RvVb (als eerste) uitspraak over de zgn. (on)herstelbaarheid van het gebrek. Het voorgaande is des te frappanter wanneer de bevoegde overheid, zoals in deze, nog niet de kans heeft gekregen zich in een herstelbeslissing uit te spreken over een door de RvVb vastgestelde legaliteitsbelemmering en aldus geen standpunt heeft kunnen innemen over de weerslag die deze belemmering kan hebben op de inhoud van de door haar nieuw te nemen (herstel)beslissing. “Gelet op al het voorgaande, zijn de door de decreetgever naar voor geschoven argumenten ter verantwoording van de substitutiebevoegdheid van de [RvVb], zijnde efficiëntie en finale geschillenbeslechting niet evenredig, laat staan redelijk of proportioneel. De scheiding der machten is immers een fundamenteel beginsel, hetwelk niet door een specifieke vorm van finale en efficiëntere geschillenbeslechting kan opzij worden geschoven”. De nv Goplus formuleert in de gegeven omstandigheden het verzoek om de volgende prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 37, § 2 DBRC-Decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhoudingen tussen het bestuur en de rechtscolleges, door aan een administratief rechtscollege, de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de bevoegdheid te verlenen om een omgevingsvergunning rechtstreeks te weigeren, die naar het oordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen geenszins kan worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, zonder dat de vergunningverlenende overheid derhalve (als eerste) de gelegenheid heeft gehad om de gevolgen van het vernietigingsarrest naar bevoegdheid, gebondenheid of remediëring uiteen te zetten, te beoordelen en, in voorkomend geval, te herstellen en waarbij de rechter op zodanige wijze een onregelmatigheid herstelt, hetwelk in de eerste plaats aan het bestuur VII-40.910-12/14 toekomt zodra deze onregelmatigheid een weerslag heeft op de inhoud of omvang van de beslissing?” Beoordeling
- Het middel dat aanvoert dat de decretale substitutiebevoegdheid van de RvVb en artikel 37, § 2, DBRC-decreet op een discriminerende wijze afbreuk doen aan het beginsel van de scheiding der machten, is niet gericht tegen het bestreden arrest en is derhalve onontvankelijk.
- Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat er van uit gaat dat de nv Goplus geen kans heeft gehad om tegenspraak te voeren over de mogelijkheid tot indeplaatsstelling en een kans heeft verloren op een heroverweging van een omgevingsvergunning door de deputatie, kan, gelet op de redenen voor de verwerping van het eerste en tweede middel, niet tot cassatie leiden.
- Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerder. VII-40.910-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.910-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div