id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.684 Rolnummer: A. 231405/VII-40883 Zaak: Arrest 251684 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-11 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 08:17 Fiche Arrest nr 251.684 van 30 september 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.684 van 30 september 2021 in de zaak A. 231.405/VII-40.883 In zake :
- Rita ROELANDT
- Carlos DE SADELEER
- Marie-Christine DE SADELEER optredend in eigen naam en als rechtsopvolgers van Gustave DE SADELEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Van den Berghe en Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE HAALTERT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0952 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 juni 2020 in de zaak 1819-RvVb-0641-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 september
- De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. VII-40.883-1/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van Den Berghe, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij besluit van 18 september 2018 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert (hierna: het college) akte van de melding van de gemeente Haaltert “voor de exploitatie van een polyvalente zaal”. 3.
- Het bestreden arrest verklaart de vordering van Carlos De Sadeleer tot vernietiging van voormelde melding onontvankelijk. VII-40.883-2/15 Het bestreden arrest verwerpt de vordering van Rita Roelandt, Gustave De Sadeleer, en Marie-Christine De Sadeleer tot vernietiging van voormelde melding na verwerping van de twee middelen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en ‘het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken’. Zij stellen dat door de aangevoerde schendingen “artikel 18, 99, 111 en 389 van het Omgevingsvergunningsdecreet; artikel 4.5.1 en 4.6.2 VCRO; wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; machtsafwending; de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; recht op toegang tot de rechter zoals onder meer gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet, artikel 6 EVRM en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus; het recht op inspraak zoals dat onder meer gewaarborgd wordt door artikel 6-8 van het Verdrag van Aarhus” worden geschonden. De verzoekende partijen vatten hun middel als volgt samen: “[...] Het eerste cassatiemiddel is gericht tegen de beoordeling van het eerste middel op pagina 23-27 van het bestreden arrest. [...] Het bestreden arrest miskent de bewijskracht van de voor de RvVb bestreden aktename, doordat deze uitdrukkelijk bepaalt dat ‘geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden [zijn] aan de melding’, terwijl de RvVb bij de beoordeling van het eerste middel tot het VII-40.883-3/15 besluit komt dat de ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor de melding gedaan wordt dienen voor de exploitatie van de met de stedenbouwkundige vergunning van 3 mei 2016 vergunde uitbreiding van de academie voor muziek, woord en dans en aangeeft dat deze melding ‘noodzakelijk’ is voor de exploitatie van de uitbreiding van de muziekacademie. Om die reden is het arrest ook intern strijdig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet. Vermits het bestreden arrest de bewijskracht miskent van de voor de RvVb bestreden aktename, heeft de RvVb het eerste middel uit het verzoekschrift en de hierin opgenomen geschonden bepalingen en beginselen ook verkeerd beoordeeld.” De verzoekende partijen zetten uiteen: “[...] Het bestreden arrest miskent de bewijskracht van de voor de RvVb bestreden aktename. De bestreden aktename bepaalt (stuk 1): ‘Er zijn geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden aan de melding.’ De RvVb oordeelt daarentegen: ‘Uit de stukken van het dossier blijkt dat de ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor de melding gedaan wordt, dienen voor de exploitatie van de met de stedenbouwkundige vergunning van 3 mei 2016 vergunde uitbreiding van de academie voor muziek, woord en dans. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de gemelde inrichtingen en activiteiten niet noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de uitbreiding van de muziekacademie en voormelde decretale koppelingsregeling geen toepassing zou vinden, minstens tonen de verzoekende partijen dit niet aan. De overweging in de bestreden beslissing dat ‘geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden [zijn] aan de melding’ betekent niet dat de gemelde ingedeelde inrichtingen of activiteiten niet noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de uitbreiding van de muziekacademie. Het college van burgemeester en schepenen geeft hiermee enkel aan dat de exploitatie van de gemelde ingedeelde inrichtingen of activiteiten louter meldingsplichtig is.’ De RvVb geeft hiermee een uitleg aan de aktename die duidelijk in strijd is met de tekst ervan. Als de aktename stelt dat ‘geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden [zijn] aan de melding’ dan kan hieruit niet afgeleid worden dat het college van burgemeester en schepenen hiermee enkel te kennen zou geven ‘dat de exploitatie van de gemelde ingedeelde inrichtingen of activiteiten louter meldingsplichtig is’. Evenmin kan hieruit afgeleid worden dat er een koppeling bestaat met een stedenbouwkundige vergunning van 3 mei
- [...] Stellen dat geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden zijn aan de melding, is immers niet hetzelfde als te VII-40.883-4/15 kennen geven dat de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten louter meldingsplichtig [is]. Waar de aktename stelt dat geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden zijn aan de melding, kan dit dus niet anders begrepen worden dan dat de melding van de exploitatie op zichzelf bestaat en niet afhankelijk is van een vergunning voor stedenbouwkundige handelingen. De vergunnings- en meldingsplicht voor stedenbouwkundige handelingen wordt in de regelgeving ook duidelijk onderscheiden van de vergunnings- en meldingsplicht voor ingedeelde inrichtingen. Beiden hebben ook een ander voorwerp. De vergunnings- en meldingsplicht voor stedenbouwkundige handelingen zit vervat in de VCRO[...] en de uitvoeringsbesluiten. De vergunnings- en meldingsplicht voor ingedeelde inrichtingen en activiteiten wordt geregeld door het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) en de uitvoeringsbesluiten. [...] De RvVb geeft aldus een uitleg aan de aktename die in strijd is met de duidelijke tekst ervan en doet de aktename dus ‘liegen’. Om die reden miskent de RvVb de bewijskracht van de aktename.” Ze betogen vervolgens dat indien de bewijskracht van de aktename gerespecteerd zou worden ‘en er aldus vanuit gegaan zou worden dat uit de aktename wel degelijk blijkt dat er geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden zijn aan de melding’, de RvVb ook de rest van het daar aangevoerde middel anders zou moeten beoordelen. De verzoekende partijen vragen in ‘louter ondergeschikte’ orde om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 4.5.
- VCRO (in de versie zoals die gold voor de inwerkingtreding van het decreet 25 april 2014 betreffende omgevingsvergunning) in samenhang gelezen met artikel 389 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 13 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, het recht op inspraak zoals dat onder meer gewaarborgd wordt door de artikelen 6-8 van het Verdrag van Aarhus en het recht op toegang tot de rechter zoals dat onder meer gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus doordat deze artikelen de mogelijkheid bieden aan het college van burgemeester en schepenen om een stedenbouwkundige vergunning waarvan de verwezenlijking niet gestart werd binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning en die dus vervallen is, opnieuw tot leven te wekken en dit in het bijzonder rekening houdende met het feit dat het college van burgemeester en schepenen zowel bouwheer en de aanvrager van de stedenbouwkundige VII-40.883-5/15 vergunning en de aktename van de melding zijn, als verlener van de stedenbouwkundige vergunning en aktename van de melding zijn en dus willekeurig kunnen beslissen of en wanneer de vervallen vergunning opnieuw tot leven geroepen wordt?” Beoordeling
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de RvVb, die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet.
- Het middel dat de schending van de bewijskracht aanvoert door op te komen tegen de beoordeling van een middel waarin de RvVb “een uitleg [geeft] aan de aktename die duidelijk in strijd is met de tekst ervan” omdat een en ander niet kan worden afgeleid uit die akte, komt op tegen de feitelijke en/of de juridische gevolgen die de RvVb bij de beoordeling van het middel trekt uit de aktename. Het middel dat de miskenning van de bewijskracht aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
- Het bestreden arrest steunt de verwerping van het eerste middel van de verzoekende partijen met volgende redenen: – de verwerping van het middelonderdeel van de verzoekende partijen dat het college de melding onontvankelijk had moeten verklaren omdat er stedenbouwkundige handelingen aan verbonden zijn, op basis van de vaststelling dat het voorwerp van de melding/aanvraag “beperkt is ‘tot de aktename van een exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten en […] geen VII-40.883-6/15 stedenbouwkundige handelingen’ omvat en bijgevolg niet kan worden afgeleid dat deze ‘eveneens de bouw van een nieuw gebouw (de polyvalente zaal) omvat’”; – de vaststelling dat uit het dossier “blijkt dat de ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor melding gedaan wordt, dienen voor de exploitatie van de met de stedenbouwkundige vergunning van 3 mei 2016 vergunde uitbreiding van de academie voor muziek, woord en dans”; – de overweging dat er geen redenen zijn “om aan te nemen dat de gemelde inrichtingen en activiteiten niet noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de uitbreiding van de muziekacademie” en de verzoekende partijen dat ook niet aantonen; – de overweging dat het college met de overweging in de bestreden aktename dat “geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen verbonden [zijn] aan de melding” enkel aangeeft dat de exploitatie van de gemelde ingedeelde inrichtingen of activiteiten louter meldingsplichtig is. Door aldus te beslissen is het bestreden arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet wordt verworpen.
- De door de verzoekende partijen voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof is gelet op de verwerping van de aangevoerde schendingen niet prejudicieel. Er is geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag. VII-40.883-7/15 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van “artikel 2.1, §1 van het BPA “Molenstraat-Denderhoutem”; de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; van het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken; de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan ‘Gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’, vastgesteld met koninklijk besluit van 7 maart 1977, in woongebied; artikel 14, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; Art. 7.4.4., §2 VCRO; artikel 149 van de Grondwet; artikel 159 van de Grondwet; artikel 111 van het Omgevingsvergunningsdecreet”. Ze vatten het middel samen als volgt: “[...] Het tweede cassatiemiddel is gericht tegen de beoordeling van het derde middel op pagina 40-43 van het bestreden arrest. [...] In een eerste onderdeel van het cassatiemiddel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.1, §1 van het BPA ‘Molenstraat-Denderhoutem’ en de bewijskracht ervan doordat de RvVb oordeelt dat waar artikel 2.1, §1 van het BPA vermeldt dat de bestemmingen en bijhorende voorschriften van het gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ worden ‘opgeheven en vervangen’, hiermee ‘louter [wordt] bedoeld dat de voorschriften van het BPA moeten worden toegepast’ en hieruit niet afgeleid kan worden dat het BPA afwijkt van het gewestplan. Door onterecht te oordelen dat het BPA niet afwijkt van het gewestplan, schendt het bestreden arrest ook artikel 14, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en artikel 7.4.4, §2 VCRO volgens dewelke er na 1 mei 2008 geen afwijkende plannen van aanleg door de gemeenteraad definitief aangenomen kunnen worden. Om dezelfde reden wordt het BPA onterecht niet buiten toepassing gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet. In een tweede onderdeel wordt de schending aangevoerd van de rechterlijke motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet doordat in punt 41 van het verzoekschrift werd aangevoerd dat de percelen waarop de melding betrekking heeft volgens het BPA gelegen zijn in een zone voor socioculturele en educatieve functie (zone E volgens het BPA waarop de voorschriften van artikel 3.7 van toepassing zijn), terwijl de RvVb niet nagaat of deze voorschriften in overeenstemming zijn met de VII-40.883-8/15 gewestplanbestemming wat aldus betekent dat er niet geantwoord wordt op dit essentieel punt uit het verzoekschrift.” Verzoekers lichten het middel verder toe. Wat het eerste middelonderdeel betreft, zetten zij uiteen dat voor de toepassing van artikel 14, vijfde lid, van het gecoördineerd stedenbouwdecreet afwijken betekent ‘dat een later meer bijzonder plan van aanleg een vroeger meer algemeen plan om redenen buiten werking stelt door er zich van te verwijderen’. Artikel 2.1, §1, van het betreffende BPA stelt dat ‘de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het geldende gewestplan [...] die binnen de begrenzing van dit gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg liggen opgeheven en vervangen [worden] door de bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg’. Zij betogen: “Het bestreden arrest stelt in dat verband ‘Het gegeven dat artikel 2.1, §1 van het bijzonder plan van aanleg vermeldt dat de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het geldende gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ worden ‘opgeheven en vervangen’ door de bestemmingsvoorschriften bij het BPA, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Hiermee wordt louter bedoeld dat de voorschriften van het BPA moeten worden toegepast. De verzoekende partijen tonen bijgevolg niet aan dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het eerste onderdeel van het derde middel is ongegrond.’ [...] Door te oordelen dat artikel 2.1, §1 van het BPA louter betekent dat de voorschriften van het BPA ‘toegepast’ moeten worden en geen afwijking vormt van het gewestplan, miskent het bestreden arrest het voorschrift van artikel 2.1, §1 van het BPA en de bewijskracht ervan. Vermits artikel 2.
- van het BPA zeer duidelijk stelt dat de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het geldende gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ ‘opgeheven en vervangen’ worden, kan deze bepaling niet anders gelezen worden dan dat de gewestplanbestemming ook effectief opgeheven en vervangen wordt. Wanneer de bestemmingen en bijhorende voorschriften volledig worden ‘opgeheven en vervangen’, betekent evident ook dat er ‘afgeweken’ wordt van deze voorschriften. [...] [...] De enige conclusie is dan ook dat het BPA het gewestplan opheft en dus afwijkt van het gewestplan. Het BPA is bijgevolg tot stand gekomen in strijd met artikel 14, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke VII-40.883-9/15 ordening zoals dat van toepassing was bij de definitieve aanname van het BPA Molenstraat-Denderhoutem en waaruit volgt dat er na 1 mei 2008 ‘geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad worden aangenomen’. Door anders te oordelen miskent de RvVb het BPA Molenstraat-Denderhoutem en de bewijskracht ervan en schendt het bestreden arrest de in het middel aangevoerde bepalingen. [...] Het valt in de gegeven omstandigheden ook niet in te zien hoe de RvVb in punt 4.1 en 4.
- van het arrest (pg. 42-43) kan oordelen dat de zone voor openbare wegenis (art. 3.2.1.) de zone voor plein en parking (art. 3.3.
- van het BPA) en de zone voor recreatie (art. 3.4.
- van het BPA) een ‘verfijning’ vormt van de gewestplanbestemming woongebied en van artikel 5.1.
- van het Inrichtingsbesluit in het bijzonder en er niet van afwijkt. Bijgevolg schendt het bestreden arrest ook de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977.” Wat het tweede onderdeel betreft zetten verzoekers uiteen: “[...] De ‘zone voor socioculturele en educatieve functie’ is de zone E volgens het BPA. Hierop zijn de bestemmingsvoorschriften van artikel 3.7 van toepassing. [...] [...] Niettegenstaande de RvVb in punt 3.1 vaststelt dat de gemelde exploitatie deels gelegen is in woongebied volgens gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ en ook gelegen is binnen de zone voor socioculturele en educatieve functie (zone E) volgens het BPA ‘Molenstraat-Denderhoutem’, gaat de RvVb niet na of de bestemming voor de zone voor socioculturele en educatieve functie (zone E, bestemmingsvoorschrift 3.7) afwijkt van de gewestplanbestemming woongebied. De RvVb gaat in op de voorschriften van de artikelen 3.2.1., 3.3.
- en 3.4.
- van het BPA maar gaat in niet in op de overeenstemming van de voorschriften van zone E met de gewestplanbestemming woongebied. De RvVb overweegt: ‘4.1 De verzoekende partijen voeren aan dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan omdat het bijzonder plan van aanleg de gewestplanbestemming deels opheft en verandert naar ‘zone voor plein en parking’, ‘zone voor recreatie’ en ‘zone voor openbare wegenis’. Artikel 5.1.0 van het Inrichtingsbesluit bepaalt: […] Artikel 3.2.1 van het bijzonder plan van aanleg bepaalt dat de zone voor openbare wegenis bestemd is als openbare wegenis. Artikel 3.3.3 van het bijzonder plan van aanleg bepaalt dat de zone voor plein en parking bestemd is als een ruimte om auto’s in functie van de nabijgelegen openbare functies en gemeenschapsvoorzieningen gegroepeerd te parkeren in een overwegend groen parkeerconcept. VII-40.883-10/15 Artikel 3.4.1 van het bijzonder plan van aanleg bepaalt dat de zone voor recreatie bestemd is voor het bouwen van een nieuwe sporthal en de bijhorende ondersteunende functies. De zone is eveneens bestemd voor formele sport en laag dynamische recreatie alsook spel- en ontspanningsactiviteiten op het niveau van de kern van Denderhoutem.’ De RvVb besluit vervolgens dat niet aangetoond is dat het BPA afwijkt van het gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ en dat uit de voormelde bepalingen van het bijzonder plan van aanleg blijkt dat de door de verzoekende partijen aangehaalde bestemmingen van het bijzonder plan van aanleg kunnen worden ingepast in de gewestplanbestemming woongebied en deze er dan ook een verfijning van vormen. ‘4.2 […] [...] De RvVb gaat aldus niet na of de voorschriften van zone E (zone voor socioculturele en educatieve functie) van het BPA verenigbaar zijn met de gewestplanbestemming. Hierdoor miskent de RvVb de in het middel aangevoerde bepalingen. [...] Door dit niet te onderzoeken schendt de RvVb ook de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet. Deze motiveringsplicht verplicht de RvVb immers om te antwoorden op de door verzoekers aangevoerde argumenten en middelen. In nr. 21 van het verzoekschrift […] hebben verzoekende partijen er uitdrukkelijk op gewezen dat de percelen waarop de melding betrekking heeft volgens het BPA gelegen zijn in de zone voor socioculturele en educatieve functie (zone E) en om die reden afwijkt van de gewestplanbestemming. In nr. 50 van de wederantwoordnota werd, met verwijzing naar stuk 8, nogmaals aangegeven dat de exploitatie gelegen is in een ‘zone voor socio-culturele en educatieve funktie’ volgens het BPA ‘Molenstraat-Denderhoutem’. Dit punt wordt dus niet ontmoet in het arrest van de RvVb, zodat de RvVb niet geantwoord heeft op een cruciaal element uit het verzoekschrift en de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet geschonden wordt.” Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het derde middel van verzoekers. Eerste middelonderdeel
- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. die de bewijskracht van de akten betreffen, zijn niet van toepassing op het bij VII-40.883-11/15 ministerieel besluit van 26 maart 2010 goedgekeurde verordenend bijzonder plan van aanleg ‘Molenstraat Denderhoutem’ (hierna BPA).
- Artikel 2.1, § 1, van het BPA bepaalt: “§ 1 Voorschriften, bestemmingen of plannen die door dit bijzonder plan van aanleg opgeheven worden Na de publicatie van de goedkeuring van dit gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg in het Staatsblad, worden de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het geldende gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’, die binnen de begrenzing van dit gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg liggen, opgeheven en vervangen door de bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk Bijzonder Plan van Aanleg.” Voormeld ministerieel besluit dat dit BPA goedkeurt overweegt onder meer: “Overwegende dat de gemeente met dit BPA de leefbaarheid van het centrum van Denderhoutem wenst te versterken, en hierbij een aantal lokale problemen oplost zoals het gebrek aan parkeerruimte, ruimte voor buitensporten, kwalitatieve inrichting van het gemeenteplein; dat het plangebied volgens het gewestplan gelegen is in woongebied en in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; dat het voorliggend plan dan ook een verfijning inhoudt van het vigerende gewestplan.”
- Het middelonderdeel dat de schending door het bestreden arrest van de bewijskracht van “het voorschrift van artikel 2.1, § 1 van het BPA” miskent, wordt om de reden in randnummer 6 verworpen.
- Het bestreden arrest verwerpt de op artikel 2.1, § 1, van het BPA gesteunde stelling in het derde middel van verzoekers dat het BPA afwijkt van het gewestplan, op grond van volgende redenen: “De verzoekende partijen tonen niet aan dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’. Uit voormelde bepalingen van het bijzonder plan van aanleg blijkt dat de door de verzoekende partijen aangehaalde bestemmingen van het bijzonder plan van aanleg kunnen worden ingepast in de gewestplanbestemming woongebied en deze er dan ook een verfijning van vormen. VII-40.883-12/15 De bestemmingsvoorschriften van het bijzonder plan van aanleg zijn in beginsel immers verenigbaar met artikel 5.1.0 Inrichtingsbesluit, minstens wordt het tegendeel niet aangetoond door de verzoekende partijen. Ze beperken zich in hun betoog tot de loutere bewering dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan, zonder concreet toe te lichten waarom het bijzonder plan van aanleg hiervan zou afwijken. Het gegeven dat artikel 2.1, §1 van het bijzonder plan van aanleg vermeldt dat de bestemmingen en de bijhorende voorschriften van het geldende gewestplan ‘Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem’ worden ‘opgeheven en vervangen’ door de bestemmingsvoorschriften bij het BPA, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Hiermee wordt louter bedoeld dat de voorschriften van het BPA moeten worden toegepast. De verzoekende partijen tonen bijgevolg niet aan dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het eerste onderdeel van het derde middel is ongegrond.” Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest niet de in het eerste middelonderdeel aangevoerde bepalingen.
- Het eerste middelonderdeel van het tweede middel wordt verworpen. Tweede middelonderdeel
- Uit de stukken waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat verzoekers: – vermelden dat het project waarop de melding betrekking heeft op percelen is gesitueerd die volgens het BPA gelegen zijn in de zone voor socioculturele en educatieve functie zonder verdere toelichting; – hun stelling dat het BPA afwijkt van het gewestplan “door het woongebied deels op te heffen en te veranderen naar resp. een ‘zone voor plein en parking’, een ‘zone voor recreatie’ en een ‘zone voor openbare wegenis’” verder toelichten. VII-40.883-13/15
- Het bestreden arrest stelt bij de verwerping van het eerste onderdeel van het derde middel van verzoekers vast dat: – de gemelde exploitatie deels in woongebied en deels in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is gelegen volgens het geldende gewestplan en dat het ook in de zone voor socioculturele en educatieve functie van het BPA is gelegen; – verzoekers aanvoeren “dat het bijzonder plan van aanleg afwijkt van het gewestplan omdat het bijzonder plan van aanleg de gewestplanbestemming deels opheft en verandert naar ‘zone voor plein en parking’, ‘zone voor recreatie’ en ‘zone voor openbare wegenis’”. Het bestreden arrest verwerpt vervolgens het eerste onderdeel van dat middel om de redenen aangehaald in randnummer
- Door aldus te beslissen geeft het bestreden arrest duidelijk en ondubbelzinning de redenen aan waarom het eerste onderdeel van het middel van verzoekers wordt verworpen.
- Het tweede middelonderdeel van het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, en een bijdrage van 20 euro. VII-40.883-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.883-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div