← België

Arrest 251697 - Examens (onderwijs) - 30/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.697 Rolnummer: A. 234637/IX-9950 Zaak: Arrest 251697 - Examens (onderwijs) - 30/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-30 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-11 08:23 Fiche Arrest nr 251.697 van 30 september 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.697 van 30 september 2021 in de zaak A. 234.637/IX-9950 In zake: Cis VANZIELEGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP KATHOLIEK ONDERWIJS BRUGGE EN OMMELAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Tijs Lust kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Scholengroep Katholiek Onderwijs Brugge en Ommeland van 8 september 2021, waarbij het aan Cis Vanzieleghem toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9950-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2021, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaten Bart Staelens en Tijs Lust verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste jaar van de derde graad elektromechanica (TSO) aan het VTI Brugge. Zijn eindrapport geeft volgend beeld: IX-9950-2/11 De delibererende klassenraad beslist om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Nadat de voorzitter van de klassenraad, na overleg, weigert om de klassenraad opnieuw samen te roepen, stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. Met de thans bestreden beslissing handhaaft de door het schoolbestuur ingestelde beroepscommissie het C-attest. Zij motiveert haar beslissing als volgt: “. De beroepscommissie erkent dat Cis een achterstand had voor de elektromechanische processen. . De beroepscommissie neemt nota van het feit dat corona een rol kan spelen maar gaat ervan uit dat leerlingen in derde graad theoretisch-technische voldoende zelfstandigheid moeten hebben om dit aan te kunnen. IX-9950-3/11 . De school gebruikt LVS en Skore (binnen leerplatform Smartschool). Alle scores en resultaten zijn in real-time door de ouders te raadplegen. Er werden na ieder examen remediëringstaken aangeboden. . Er waren tekorten op het jaartotaal voor Elektriciteit (44%), Lab meet en materiaal (47%) en Machine-elementen (41%). De beroepscommissie stelt vast dat Cis op jaarbasis nog net 50% haalt voor Elektromechanische processen maar dat de tendens over het schooljaar eerder dalend was (SEM 1: 52% - SEM 2: 49%). . De beroepscommissie erkent de score van 72% voor de Algemene Vakken. Maar het betreft hier toch een theoretisch-technische opleiding waarbij de technische component zeer belangrijk is. En daar scoort Cis zwak op. . In de vraag naar de begeleiding van leerlingen die de leeftijd van 18 jaar benaderen en in een theoretisch-technisch zitten, verwacht de school enige zelfstandigheid in het benaderen van leerkrachten/leerlingenbegeleiding. De betrokken leerkrachten [X, Y en Z] geven aan dat er wel degelijk gesprekken en bijkomende opdrachten geweest zijn. . In totaliteit volgt de beroepscommissie de stelling van de school dat er onvoldoende technische bagage en inzicht in de verbindingen tussen de verschillende vakgebieden is waardoor Cis geen slaagkans heeft in het zesde jaar. Zeker in combinatie met de GIP.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. De verwerende partij betwist terecht niet dat is voldaan aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. IX-9950-4/11 VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Het “eerste”, maar ook enige middel, luidt: “Schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel alsook schending van het artikel 57 en artikel 5 van het Organisatiebesluit, artikel 123/17, § 2, 6° codex secundair onderwijs.” Verzoeker voert aan dat hij voor de beroepscommissie “twee fundamentele kwesties” heeft aangekaart. De beroepscommissie geeft volgens verzoeker op die beide kwesties “geen antwoord” en houdt het bij “vage en weinig relevante stellingen”. De eerste “kwestie” betreft “de problematiek inzake zijn overstap van het ASO naar het TSO in tijden van afstandsonderwijs (en de achterstand dus waarmee [hij] aan het jaar diende te beginnen)”. Hij koppelt dit “aan het feit dat de te behalen doelstellingen pas op het einde van de derde graad moeten worden bereikt”; hij heeft dus tijd om zijn achterstand weg te werken tot het einde van de graad. Daarnaast komt er geen enkel antwoord op het feit dat zijn ouders nooit zijn gecontacteerd. Ook de rapportcommentaren zijn zeer summier of onbestaande. Het ontbreken van enige begeleiding van de leerling om de achterstand weg te werken, wordt evenmin besproken door de beroepscommissie. De tweede “kwestie” is “het feit dat de tekorten die voorliggen onderdelen betreffen van een cluster waarop [hij] een globaal slaagcijfer behaalde”. Verzoeker merkt op dat de beroepscommissie “niet over de slaagkansen in een volgend jaar dient te oordelen, maar wel over het wel of niet behalen van de doelstellingen van het huidige jaar”. Die doelstellingen zijn volgens verzoeker bereikt, met 72% voor “algemene vakken” en 50% voor “elektromechanische processen”. Verzoeker verwijst naar arrest nr. 237.902 van 4 april 2017, waaruit hij afleidt dat een clustercijfer “het globaal behalen van de doelstellingen over de IX-9950-5/11 onderliggende vakken heen weergeeft”. Hoe deze twee slaagcijfers dan toch tot een C-attest kunnen leiden, is voor verzoeker een raadsel. Ten slotte merkt verzoeker op dat “nog tal van andere elementen” onbeantwoord bleven, “zoals bijvoorbeeld de uitdrukkelijke vraag om een evaluatie te voorzien einde augustus zodat [hij] zich tijdens de vakantie kan bijwerken in het licht van de achterstand waarmee hij gestart was”, terwijl de achterstand waarmee hij gestart is toch duidelijk een bijzondere omstandigheid uitmaakt. Op geen enkele manier valt een bespreking van het dossier terug te vinden in de beslissing, zo besluit verzoeker. Beoordeling
  8. Op het eerste gezicht wordt noch de schending van artikel 123/17, § 2, 6°, van de Codex Secundair Onderwijs, noch de schending van artikel 57 van het “Organisatiebesluit” (dat is het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’), noch de schending van het redelijkheidsbeginsel in de toelichting bij het middel uitgewerkt en toegepast op de bestreden beslissing. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk en is het niet ernstig.
  9. Verzoeker erkent dat in artikel 5 van het organisatiebesluit enkel gewag wordt gemaakt van de delibererende klassenraad en het niet van toepassing is op de beroepscommissie. Voor zover het middel toch uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht en is het niet ernstig.
  10. Wat de tweede “kwestie” betreft, laat de huidige zaak zich prima facie niet vergelijken met de feiten die voorlagen in de zaak die heeft geleid tot arrest nr. 237.902 van 4 april
  11. Het betreft in die zaak een situatie waarin de IX-9950-6/11 onderwijsinstelling een vak aanbiedt als “clustervak”, dat wil zeggen als een vak dat is samengesteld uit onderdelen die weliswaar ook afzonderlijk worden geëvalueerd maar die resulteren in één totaalbeoordeling voor dat clustervak. De analogie die verzoeker thans poogt te maken, kan in de huidige stand van de procedure niet overtuigen: dat het rapport van verzoeker een algemeen gemiddelde geeft van de resultaten behaald voor algemene vakken en een algemeen gemiddelde voor de technische vakken, lijkt vooralsnog enkel informatief bedoeld te zijn – net zoals overigens het “totaal behaald” jaargemiddelde voor alle vakken van 60% dat is. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij beoogt in de opleiding elektromechanica slechts twee vakken aan te bieden, namelijk het clustervak ‘algemene vakken’ dat samengesteld zou zijn uit de onderdelen aardrijkskunde-natuurwetenschappen, Engels, Frans, geschiedenis, godsdienst, lichamelijke opvoeding, Nederlands en wiskunde en het clustervak ‘elektromechanische processen’, dat samengesteld zou zijn uit de vakonderdelen automatisatie, digitaal tekenen, elektriciteit, lab meet en materiaal, machine-elementen en mechanica. Het betreft, zo lijkt, alle afzonderlijke vakken met een eigen evaluatie(cijfer). Aangenomen wordt dan ook, dat verzoeker jaartekorten optekent voor drie vakken, namelijk voor elektriciteit (44%), lab meet en materiaal (47%) en machine-elementen (41%). Verzoeker trekt die cijfers op zich niet in twijfel, zodat de beroepscommissie mocht vaststellen dat hij voor die vakken de leerplandoelstellingen niet heeft behaald. Impliciet maar zeker verwerpt de beroepscommissie daarmee ook de verkeerd gebleken zienswijze van verzoeker over de “clustering” van de cijfers. Zoals de beroepscommissie voorts terecht opmerkt, is “de technische component” voor de opleiding elektromechanica zeer belangrijk. Gemeten aan het aantal wekelijkse lestijden is het vak elektriciteit (6 uur) zelfs het meest profielbepalende vak van de gekozen richting. De beroepscommissie heeft ook correct een dalende trend vastgesteld van de cijfers voor de technische vakken. IX-9950-7/11 Met dergelijke jaartekorten spoort de vaststelling dat de leerling het jaar niet met vrucht heeft beëindigd en mag die leerling – verzoeker – zich op het eerste gezicht aan een C-attest verwachten. Dat verzoeker “in tijden van afstandsonderwijs” overgestapt is van ASO naar TSO verandert aan die cijfers en vaststellingen niets.
  12. Verzoeker lijkt zichzelf overigens tegen te spreken, wat dan de eerste “kwestie” betreft, als hij de beroepscommissie het recht ontzegt “over de slaagkansen in een volgend jaar […] te oordelen” en tegelijk vraagt oog te hebben voor de mogelijkheid om de leerplandoelstellingen op het einde van de graad te behalen. Anders dan verzoeker het ziet, heeft de beroepscommissie bovendien wel op die vraag geantwoord – weliswaar summier – met de overweging “dat er onvoldoende technische bagage en inzicht in de verbindingen tussen de verschillende vakgebieden is waardoor Cis geen slaagkans heeft in het zesde jaar. Zeker in combinatie met de GIP”. Verzoeker gaat in zijn verzoekschrift aan dit antwoord voorbij en weerlegt het niet.
  13. Volgens verzoeker zijn nog “tal van andere elementen” onbeantwoord gebleven. Hij geeft daarvan echter slechts één voorbeeld, zodat de Raad ook enkel dat voorbeeld onder ogen moet nemen, namelijk de vraag “om een evaluatie te voorzien einde augustus”. In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker dit als volgt geformuleerd: “We vragen aan de beroepscommissie om het C-attest om te zetten in een A-attest met eventueel verplichte bijsturing en evaluatie op het einde van augustus zodat Cis tijdens de vakantie zich voorbereidt op het zesde jaar.” Wat verzoeker vroeg, lijkt dus niet een bijkomende proef om reden dat de klassenraad niet zou beschikken over een volledig dossier, maar wel om een A-attest te geven “met eventueel verplichte bijsturing en evaluatie op het einde van augustus zodat Cis tijdens de vakantie zich voorbereidt op het zesde jaar” – dat wil zeggen, zo lijkt, een A-attest met een vakantietaak. IX-9950-8/11 Aan de beroepscommissie kan niet worden verweten dat zij geen antwoord geeft op een vraag om bijkomende proeven die niet – minstens niet duidelijk en onderbouwd – is gesteld.
  14. Verzoeker verwoordt ook kritiek op de begeleiding en communicatie door de school, waarop de beroepscommissie geen antwoord zou hebben gegeven. Daargelaten de vraag of dit argument van verzoeker in feite juist is – wat de verwerende partij in de nota met opmerkingen betwist – faalt het in rechte. Immers kan, wat ter staving ervan door verzoeker wordt aangewend, mogelijk aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor een minder gunstig resultaat, maar vermag dat niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of de leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat indien een leerling de school terecht verwijt geen opmerkingen in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen passende begeleidingsmaatregelen of remediëringsmaatregelen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding van verzoeker of communicatie met zijn ouders tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is gepresteerd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft hij het schooljaar niet met vrucht beëindigd, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden. Verzoeker heeft bijgevolg ook geen belang bij zijn grief dat de beroepscommissie nagelaten zou hebben om hierop te antwoorden. IX-9950-9/11
  15. Verzoeker vermeldt nog dat zijn vraag “welke meerwaarde het jaar overdoen voor hem zou hebben”, volstrekt genegeerd is. De Raad van State kan begrijpen dat overzitten demotiverend is voor een leerling, maar hij ziet niet dra hoe zulks de wettigheid van de beslissing kan aantasten. Dit aspect is opportuniteitskritiek, waarover de rechter zich niet mag uitspreken. Voor zover verzoeker in dat verband een omzendbrief vermeldt van Katholiek Onderwijs Vlaanderen – waarvan hij geen afschrift neerlegt en het aan de rechter overlaat ernaar te speuren op het internet – mag worden opgemerkt dat zo een omzendbrief geen rechtsnorm lijkt te zijn. Overigens bedenkt de Raad van State dat de onderwijswetgeving voorziet in mogelijkheden om onder bepaalde voorwaarden vrijstellingen en flexibele leerwegen te vragen – bijvoorbeeld voor de algemene vakken waarin verzoeker ruimschoots geslaagd is – zodat met enige goede wil van de school ook bij overzitten een zinvol en motiverend lessenpakket denkbaar is.
  16. Een schending van de motiveringsplicht of van het zorgvuldigheidsbeginsel is in de huidige stand van de procedure niet aangetoond.
  17. Het enige middel is niet ernstig, wat betekent dat de vordering moet worden afgewezen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt de vordering.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9950-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9950-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.