id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.714 Rolnummer: A. 234584/IX-9943 Zaak: Arrest 251714 - Examens (onderwijs) - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-01 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 11:25 Fiche Arrest nr 251.714 van 1 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.714 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 234.584/IX-9943 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF STEDELIJK ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Autonoom Gemeentebedrijf Stedelijk Onderwijs Antwerpen van 26 augustus 2021, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9943-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op donderdag 23 september 2021, om 12 uur en vervolgens in voortzetting op maandag 27 september 2021, om 14 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn op 23 september 2021 gehoord. Advocaat Charlotte Plottier, die loco advocaat Hilde Minnen verschijnt voor de verzoekende partij, is op 27 september 2021 gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.1 Tijdens het schooljaar 2020-2021 is verzoeker ingeschreven in het tweede jaar van de derde graad, in de richting Onthaal en Recreatie (BSO) aan het Stedelijk Lyceum Olympiade te Antwerpen. 3.
- Verzoeker beëindigt het schooljaar met een tekort voor het vak ‘Plastische opvoeding’ (45,1%) en is niet geslaagd voor het vak ‘Stage’. 3.
- Op 28 juni 2021 geeft de klassenraad aan verzoeker een C-attest. Hij motiveert zijn beslissing als volgt: IX-9943-2/19 “De klassenraad adviseert je om volwassenonderwijs te volgen en een gesprek met CLB om een richting te vinden die je past. Je behaalde een jaartekort voor Plastische Opvoeding. Je bent niet geslaagd voor je stage maar wel net geslaagd voor je geïntegreerde proef. Je hebt de waarschuwing voor TV Toerisme/public Relations/AV sport: onthaal behaald. Je waarschuwingen voor TV Toerisme/public Relations/AV sport: sport, voor TV Toerisme/public Relations/AV sport: recreatie en voor de stage heb je niet behaald. De delibererende klassenraad is van oordeel dat je hierdoor onvoldoende doelstellingen van deze graad hebt bereikt en heeft beslist om je het oriënteringsattest C te geven.” Dezelfde dag vindt een overleg plaats met de directeur, die beslist om de klassenraad opnieuw bijeen te roepen. 3.
- Op 30 juni 2021 beslist de klassenraad het C-attest te handhaven. 3.
- Op 5 juli 2021 stelt verzoeker beroep in bij de beroepscommissie. 3.
- Op 26 augustus 2021 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Die beslissing luidt als volgt: “Vraag en argumentatie verzoeker In haar verzoekschrift geeft de raadsvrouw van verzoeker de volgende motivering voor de betwisting van de evaluatiebeslissing: - In het schoolreglement van de school ontbreekt de beroepsprocedure, nochtans een verplicht onderdeel van elk schoolreglement. Op de website van het Stedelijk Onderwijs staat een link die echter niet werkt. - Het C-attest wordt onder meer gemotiveerd op basis van het niet behalen van de waarschuwingen. Daarbij wordt kennelijk ten onrechte uitgegaan van een beoordeling van de hele graad. XXXX behaalde echter een A-attest in het 1ste leerjaar van de derde graad, een beslissing waar de delibererende klassenraad niet op kan terugkomen. Het is ook niet duidelijk hoe verzoeker niet geslaagd zou kunnen zijn op een waarschuwing. - Voor het vak Stage ligt geen eindcijfer voor, waardoor de delibererende klassenraad niet kan concluderen dat XXXX niet geslaagd is voor dit vak. XXXX kreeg positieve commentaren bij zijn eerste stage. Bij zijn tweede stage zou hij niet geslaagd zijn. Dit blijkt echter niet uit het stagerapport aangezien hij geslaagd is voor meer dan de helft van de doelstellingen op dat rapport. Op het stagerapport wordt verder verwezen naar een incident met een vrijwilliger die actief was op de stageplek. XXXX ontkent dat er een incident heeft plaatsgevonden, wat bevestigd wordt door het feit dat de stagegever geen stappen heeft ondernomen. De beslissing niet-geslaagd IX-9943-3/19 voor de tweede stage, gebaseerd op een onbewezen incident, is dan ook onzorgvuldig genomen. - Gelet op de vorige middelen ligt op jaarbasis enkel een tekort van 45% voor op het vak plastische opvoeding. Dit cijfer is bepaald door een nulquotering voor het niet indienen van een taak en is dan ook niet representatief. Het vak plastische opvoeding is bovendien een vak dat niet wezenlijk deel uitmaakt van het profiel van de studierichting Onthaal en recreatie bso. Een loutere verwijzing naar dit ene tekort volstaat dan ook niet om te motiveren dat XXXX niet geslaagd zou zijn. - XXXX meent dat hij door de school niet voldoende begeleid werd om te slagen. Hij zou bepaalde waarschuwingen moeten behaald hebben, hetgeen op zich onwettig is, maar waarin hij evenmin begeleid werd. De school heeft de eigen afspraken rond begeleiding in de schoolafspraken niet nageleefd. De delibererende klassenraad heeft evenmin rekening gehouden met de moeilijke omstandigheden ten gevolge van de thuissituatie van XXXX en het verplichte afstandsonderwijs. - In ondergeschikte orde vraagt XXXX minstens om door middel van een bijkomende proef voor het vak plastische opvoeding aan te tonen dat hij wel degelijk de doelen van dit vak voldoende bereikt heeft. Tijdens de zitting voegen verzoeker en raadsvrouw het volgende toe: - XXXX begrijpt de beslissing van de klassenraad niet. Hij was geslaagd voor de geïntegreerde proef, maar is als enige van zijn klas niet geslaagd voor het leerjaar. - Doorheen het schooljaar was XXXX niet op de hoogte wat er van hem werd verwacht. Hij moest alles zelf doen, zelf initiatief nemen. - Leraren gaven tijdens het schooljaar aan dat XXXX meer zijn best moest doen, maar gaven daarin geen begeleiding. - XXXX wil een 3de leerjaar van de derde graad bso volgen met het oog op een diploma van secundair onderwijs. Vervolgens hoort de beroepscommissie [J.S.], lid van de delibererende klassenraad: - XXXX behaalde dit schooljaar tekorten voor plastische opvoeding en stages. - De studierichting Onthaal en recreatie bso bevat een creatief luik. Leerlingen moeten een activiteitenprogramma kunnen opstellen. Het leerplan van de studierichting (O/2/2012/332) bepaalt dat creativiteit een sleutelcompetentie is die de leerlingen moeten behalen. Stedelijk Lyceum Olympiade bundelt deze onderdelen van het leerplan in het vak plastische opvoeding. - Een aantal leerplandoelen kunnen enkel via stages behaald worden. De stages worden geëvalueerd aan de hand van competenties die telkens vertaald zijn in een aantal concrete doelstellingen op basis van de leerplandoelen. De competenties die tijdens een stage aan bod komen, kunnen verschillen afhankelijk van de stageplaats en dus van stageperiode tot stageperiode. - De competenties die geëvalueerd worden tijdens een stage behoren ofwel tot het praktisch gedeelte ofwel tot het administratief gedeelte van de stage. Om te slagen voor een stage moet de leerling geslaagd zijn op beide IX-9943-4/19 gedeelten. Om te slagen voor het praktisch gedeelte van een stage, moet de leerling geslaagd zijn op meer dan de helft van de aangeboden competenties uit die stage. Deze competenties zijn terug te vinden op het stagerapport. In het evaluatieformulier, dat de leerling met de stagementor overloopt, is een meer gedetailleerd overzicht van de onderliggende doelstellingen terug te vinden. XXXX heeft 2 van de 3 geëvalueerde competenties van het praktisch gedeelte niet behaald in stageperiode
- - De resultaten op de verschillende stages worden niet verrekend. Het slagen op 1 van de 2 stageperiodes volstaat niet om te slagen voor het vak stages. De 2de stageperiode duurt langer en heeft een groter gewicht bij de evaluatie. - Bij de start van dit schooljaar heeft de klassenraad XXXX een remediëringstraject aangeboden met het oog op een aantal zwakke resultaten uit het vorige schooljaar, waarvoor hij ook een waarschuwing had gekregen. XXXX ging pas na herhaaldelijk aandringen door de school akkoord met dit traject. Hij volgde tijdens het schooljaar niet consequent de afspraken rond deze remediëring op. Beslissing De beroepscommissie houdt bij haar beslissing de structuur aan van de middelen uit het verzoekschrift. 1/ Ontbreken van beroepsmogelijkheden in schoolreglement Het schoolreglement van Stedelijk Lyceum Olympiade bestaat uit 2 documenten: het schoolreglement zelf en een bijlage met schoolafspraken. De beroepscommissie voegt beide documenten bij haar beslissing. In punt 11.4 van het schoolreglement staat alle informatie over het betwisten van een evaluatiebeslissing, conform de door verzoeker aangehaalde bepalingen van de codex secundair onderwijs. De beroepscommissie ziet dan ook geen inbreuk op de codex secundair onderwijs. Ze merkt tevens op dat Stedelijk Onderwijs Antwerpen de communicatie over deze procedure niet beperkt tot het schoolreglement. Op de algemene website is informatie terug te vinden over de procedure om een evaluatiebeslissing te betwisten. Men kan op die pagina zelfs rechtstreeks digitaal beroep aantekenen bij de beroepscommissie. 2/ Onterechte deliberatie op basis van resultaten vorig schooljaar. Verzoeker stelt dat het begrip ‘waarschuwing’ niet bestaat en dat de verwijzing naar dit begrip neerkomt op een onrechtmatig terugkomen op het reeds uitgereikte oriënteringsattest A op het einde van het 1ste leerjaar van de derde graad. Op het einde van het schooljaar 2019-2020 behaalde verzoeker op 30 juni een oriënteringsattest C vanwege meerdere tekorten. Verzoeker ging tegen deze beslissing in beroep. De beroepscommissie besliste op 26 augustus 2020 om, mee vanwege de uitzonderlijke omstandigheden dat schooljaar, verzoeker de kans te geven om door te stromen naar het 2de leerjaar van de derde graad. Zij gaf hierbij gelet op de tekorten en nipte slaagcijfers wel een waarschuwing voor Toerisme: sport, Toerisme: onthaal, Toerisme: recreatie en voor Stages. Deze waarschuwingen gelden als een schriftelijk advies. De leerling die 1 of meerdere waarschuwingen krijgt zal tijdens het volgende schooljaar IX-9943-5/19 extra begeleid worden voor deze vakken. De leerling wordt met de waarschuwing verwittigd dat van hem een positieve evolutie verwacht wordt voor dit vak. Bij een tekort in het volgende schooljaar is een waarschuwing een bijkomend element in het dossier dat informatie geeft over het traject dat voor dat vak reeds werd doorlopen. De beroepscommissie bevestigt dat de deliberatie op het einde van het schooljaar gebeurt op basis van de resultaten van dat schooljaar. Dat sluit echter niet uit dat wanneer de klassenraad of de beroepscommissie tekorten vaststelt, men kan nagaan of deze tekorten afwijken van of net in lijn liggen met eerder behaalde resultaten. 3/ Evaluatie van de stages Het klopt niet dat een school enkel zou kunnen evalueren aan de hand van een eindcijfer. Stedelijk Lyceum Olympiade kiest er vanuit haar pedagogische vrijheid voor om de stages te evalueren aan de hand van competenties, zonder deze competenties te verrekenen en zonder gebruik van totaalcijfers. De evaluatie van de stages gebeurt volgens de volgende principes: • De leerling volgt 2 stages in de loop van het schooljaar. De tweede stageperiode is langer dan de eerste en krijgt om die reden een zwaarder gewicht. Bij de beoordeling wordt steeds rekening gehouden met een positieve evolutie. • Elke stageperiode bestaat uit een praktisch en een administratief gedeelte. Om te slagen voor de stageperiode moet de leerling geslaagd zijn op beide gedeelten. • De leerling is geslaagd op het praktisch gedeelte als hij meer dan de helft van de competenties behaalt die in de bewuste stageperiode werden geëvalueerd. • Elke competentie uit het praktisch gedeelte bestaat uit een aantal doelstellingen die beoordeeld worden aan de hand van een lettersysteem: o A (voldoende) o B (voldoende) o C (onvoldoende) o D (onvoldoende) De leerling heeft een competentie behaald als hij op meer dan de helft van de doelstellingen van die competentie een beoordeling A of B heeft behaald. De school heeft deze informatie over de evaluatie van de stages samen met andere praktische informatie opgenomen in een stagebundel. Alle leerlingen ontvangen deze stagebundel bij de start van het schooljaar. Vooraleer leerlingen aan een stage kunnen beginnen, leggen zij een openboektoets af over de stage-afspraken. Wanneer een leerling hierop niet geslaagd is, moet hij deze toets opnieuw afleggen. In het schoolreglement (onderdeel schoolafspraken) wordt het belang van de stages bij de eindbeoordeling expliciet vermeld. Verzoeker kan dan ook niet beweren dat hij niet op de hoogte was van de manier waarop de stages heeft geëvalueerd en van het gewicht van de door hem niet-behaalde doelstellingen. IX-9943-6/19 Bij de evaluatie van de stages aan de hand van het evaluatieformulier bleek dat verzoeker onvoldoendes haalde voor: • Stiptheid (herhaaldelijk te laat) • Inleving • Samenwerking binnen een team • Verantwoordelijkheidsgevoel • Aandacht en veilig werken • Activiteiten voorbereiden • Initiatief nemen • Vragen stellen over inhoud • Oefenen • Creatief werken Het gaat om een aanzienlijk aantal tekorten die tot gevolg hebben dat verzoeker slechts op 1 van de 3 aangeboden competenties een voldoende behaalde. De tekorten hebben betrekking op zowel algemene competenties en attitudes die cruciaal zijn voor het functioneren op een arbeidsplaats, als specifieke aspecten van de studierichting Onthaal en recreatie bso. Bovendien is er sprake van een negatieve evolutie doorheen het schooljaar. Gelet op het bovenstaande oordeelt de beroepscommissie dat verzoeker wel degelijk een tekort behaalde voor het vak stages. Verzoeker stelt dat de beoordeling van stageperiode 2 onterecht bepaald zou zijn door een vermeend incident met een vrijwilliger op de stageplaats. De beroepscommissie stelt vast dat school verwijst naar het incident bij de evaluatie van deze stageperiode, maar dat de negatieve evaluatie volgt uit het niet behalen van 2 van de 3 aangeboden competenties. De beroepscommissie doet geen uitspraak over het incident of over de opvolging ervan door de stagegever en kijkt enkel naar de behaalde competenties. Zoals hierboven aangehaald, stelt ze vast dat de aangeboden competenties effectief onvoldoende heeft behaald. 4/ Onredelijke beslissing op basis van 1 jaartekort In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, ligt er niet enkel een tekort voor op plastische opvoeding, maar ook op stages. Bovendien klopt het evenmin dat de inhouden van dit vak niet gelinkt zouden zijn aan het profiel van de studierichting. De school werkt in het vak plastische opvoeding zowel aan de algemene leerplandoelen als aan de specifieke doelen rond het voorbereiden van recreatieve activiteiten (leerplan O/2/2012/332 voor Onthaal en recreatie bso). Het vak neemt dus wel degelijk een centrale plaats in in het profiel van de studierichting. Verzoeker stelt daarnaast dat het tekort voor plastische opvoeding bepaald zou zijn door het niet indienen van een taak en door niet representatief. Het klopt echter niet dat verzoeker op alle opdrachten voor dit vak voldoende scoorde en louter door de taak in kwestie een jaartekort voorligt. Sowieso is verzoeker zelf verantwoordelijk voor het indienen van taken en opdrachten. Het niet indienen van een herkansingstaak toont geenszins aan dat de beoordeling door de klassenraad op basis van de beschikbare informatie onvoldoende gemotiveerd of onredelijk zou zijn. 5/ Onvoldoende begeleiding tijdens het schooljaar IX-9943-7/19 Verzoeker meent dat hij door de school onvoldoende begeleid werd om te slagen. Hij bezorgt de beroepscommissie geen voorbeelden of bewijzen die deze bewering onderbouwen. In het leerlingenvolgsysteem, waar verzoeker toegang tot had tijdens het schooljaar, zijn echter verschillende meldingen rond remediëring genoteerd. Enkele voorbeelden: - 31 augustus 2020: Actieplan met remediëring na waarschuwing - 15 oktober 2020: evaluatie start schooljaar, samen met ouder - 18 en 20 november 2020: extra uitleg na ongewettigde afwezigheid bij afstandsonderwijs - 24 november 2020: 2de kans om niet-ingediende taak alsnog te bezorgen, niet op ingegaan - 2 december 2020 feedbackmoment, afwezig zonder verwittigen - 22 januari 2021: feedbackmoment, afwezig zonder verwittigen - 19 maart 2021: feedback door klassenraad, waarschuwing vanwege dalende inzet. - 11 juni 2021: feedbackmoment, afwezig zonder verwittigen De beroepscommissie kan verzoeker dan ook niet volgen in zijn bewering dat de school geen ondersteuning bood. Gelet op de herhaalde pogingen tot ondersteuning door de school is het opvallend dat verzoeker tijdens de zitting herhaalt dat hij geen enkele begeleiding kreeg. In een 2de leerjaar van de derde graad mag van verzoeker verwacht worden dat hij minstens ingaat op het ondersteuningsaanbod van de school. 6/ Vraag naar bijkomende proeven De regelgeving voorziet in de mogelijkheid dat de klassenraad voor individuele gevallen het besluitvormingsproces verlengt tot uiterlijk de 1ste schooldag van het volgende schooljaar. In dit dossier beschikten delibererende klassenraad en beroepscommissie echter over een volledig dossier. In tegenstelling tot de bewering van verzoeker, ligt er niet enkel een tekort voor op plastische opvoeding, maar ook op stages. De beroepscommissie kan dan ook op datum van de zitting een beslissing nemen. 7/ Conclusie De beroepscommissie volgt verzoeker niet in de argumenten die hij aanhaalt ter betwisting van de beslissing van de delibererende klassenraad. Onthaal en recreatie bso is een arbeidsmarktgerichte opleiding. In het leerplan ligt de klemtoon op competenties die de leerling toelaten om goed te functioneren op een werkplek waar hij moet samenwerken met anderen om recreanten vlot te ontvangen en te animeren. Veel van deze competenties kunnen enkel op een werkplek geïntegreerd geoefend en beoordeeld worden. Om die reden hecht de school terecht een groot belang aan de resultaten op de stages. Verzoeker behaalde dit schooljaar tekorten voor stage en plastische opvoeding. Beide vakken nemen een belangrijke plaats in in het profiel van de studierichting Onthaal en recreatie bso. Nadat verzoeker vorig schooljaar een aantal tekorten en zwakke resultaten had behaald, heeft de school een extra remediëringsaanbod uitgewerkt om deze tekorten te verhelpen. Uit het dossier blijkt dat verzoeker slechts in beperkte mate op IX-9943-8/19 dit aanbod is ingegaan. Ondanks de waarschuwing vorig schooljaar voor het vak stages en de begeleiding door de school, is er geen positieve evolutie merkbaar in de resultaten. Op basis van bovenstaande concludeert de beroepscommissie dat verzoeker in onvoldoende mate de leerplandoelen heeft bereikt en niet voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het 2de leerjaar van de derde graad Onthaal en recreatie bso. Ze bevestigt het oriënteringsattest C.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Zoals verzoeker terecht opmerkt, is het vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. Meer hoeft over deze schorsingsvoorwaarde niet te worden gesteld, ze is vervuld. IX-9943-9/19 VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker zou volgens de verwerende partij niet geslaagd zijn voor het vak ‘Stage Onthaal en Recreatie’, doch nergens kan hiervoor steun worden gevonden in enig stuk van het administratief dossier. Verzoeker wijst erop dat hij voor zijn eerste stageperiode alle doelstellingen heeft behaald en dat hij voor zijn tweede stageperiode op elf onderdelen slechts twee keer de score “NB” (niet-behaald) heeft gekregen. De evaluatieresultaten, gelezen in samenhang met de stagewijzer 2020-2021 van de school, doen verzoeker besluiten dat de verwerende partij onmogelijk aan de hand van deze informatie ertoe kon besluiten dat hij niet geslaagd is voor het vak ‘Stage Onthaal en Recreatie’. Verzoeker bekritiseert ook het evaluatiesysteem van de stages. De beroepscommissie stelt dat zij niet dient te evalueren aan de hand van eindcijfers, maar eveneens kan opteren voor evaluaties aan de hand van competenties, zonder deze te verrekenen en zonder een gebruik van totaalcijfers. Verzoeker stelt dat dit evaluatiesysteem fundamenteel ambigu is en de leerling niet in staat stelt “zijn beoordeling te voorzien op voorhand noch te begrijpen achteraf”. Tenslotte betoogt verzoeker dat op de evaluatiefiche van de tweede stageperiode wordt verwezen naar een incident met een vrouwelijke collega. Dit incident zou echter nooit hebben plaatsgevonden. Door de vermelding hiervan op het evaluatieformulier blijkt dat de beoordeling van de tweede stageperiode grotendeels is gesteund op een vermeend incident, wat volgens IX-9943-10/19 verzoeker de discrepantie tussen de beoordeling van zijn eerste stageperiode en zijn tweede stageperiode zou kunnen verklaren. Beoordeling a) Vooraf: betwisting met betrekking tot stuk 12 van het administratief dossier
- Ter ondersteuning van haar eerste middel is door verzoeker op de terechtzitting van 23 september 2021 een evaluatieformulier van de tweede stageperiode neergelegd dat ondertekend is door de stagementor en dat verzoeker van de stagementor heeft gekregen. Hieruit zou volgens verzoeker blijken dat hij wel geslaagd is voor de tweede stageperiode. Verzoeker voegt hieraan toe dat uit dit evaluatieformulier blijkt dat het evaluatieformulier dat door de verwerende partij is neergelegd (stuk 12 van het administratief dossier) niet het juiste evaluatieformulier is en hij wijst erop dat dit evenmin door de stagebegeleider is ondertekend. Op de terechtzitting van 27 september 2021 is met betrekking tot stuk 12 van het administratief dossier door de verwerende partij een verklaring op eer neergelegd, uitgaande van de stagebegeleider van verzoeker welke luidt als volgt: “Ondergetekende, [S.C.], stagebegeleider aan het Stedelijk Lyceum Olympiade, en verantwoordelijk voor de beoordeling van de stage van XXXX, verklaart hierbij op eer dat het ‘Evaluatieformulier – stageperiode 2’ dat in de procedure voor de Raad van State, gekend onder het rolnummer G/A 234.584/IX-9943 is neergelegd als stuk 12 van het bestuur, en dat aan deze verklaring ook is aangehecht, de eindbeoordeling is die ondergetekende als stagebegeleider heeft opgesteld.” Gelet op deze verklaring en het feit dat stuk 12 van het administratief dossier door verzoeker niet van valsheid wordt beticht voor de bevoegde rechter, mag de Raad van State ervan uitgaan dat dit stuk de eindbeoordeling is die door de stagebegeleider is opgesteld met betrekking tot de tweede stageperiode van verzoeker. IX-9943-11/19 b) Onderzoek van het middel 8.
- Het standpunt van verzoeker dat uit de stukken van het administratief dossier niet kan worden afgeleid dat hij niet geslaagd is voor het vak stage, kan niet worden bijgevallen. 8.
- Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij niet verplicht is om de prestaties van verzoeker op het vak stage te evalueren aan de hand van een cijfer. De manier waarop verweerster het vak stage evalueert, behoort tot haar discretionaire bevoegdheid. In casu diende de stagementor of de stagebegeleider – na overleg met de stagementor – overeenkomstig de stagewijzer 2020-2021 van de school, de verschillende competenties op het evaluatieformulier te beoordelen aan de hand van een lettersysteem, namelijk ‘A’ (uitstekend), ‘B’ (goed, maar er zijn nog werkpunten), ‘C’ (onvoldoende, er zijn tekortkomingen) of ‘D’ (totaal onvoldoende). Op het stagerapport resulteerde dit dan, per groep van competenties, in hetzij ‘B’ (behaald), hetzij ‘NB’ (niet-behaald). Een dergelijk evaluatiesysteem is voldoende duidelijk. 8.
- Uit de stagewijzer 2020-2021 van de school blijkt voorts nog, zoals ook in de bestreden beslissing correct wordt aangegeven, dat “[d]e tweede stageperiode […] langer [is] dan de eerste stageperiode en […] daardoor zwaarder [zal] doorwegen”, dat de evaluatie van de stageperiode een praktisch en een administratief gedeelte bevat en dat de leerling op beide onderdelen geslaagd moet zijn om voor de betrokken stageperiode te kunnen slagen. Uit de stagerapporten van verzoeker blijkt dat hij inderdaad geslaagd was voor de eerste stageperiode, maar dat hij voor de tweede stageperiode, niet geslaagd was voor het praktisch gedeelte, wat maakt dat hij voor deze stageperiode niet geslaagd kon worden bevonden. Doordat de resultaten van de tweede stageperiode zwaarder doorwegen dan de resultaten van de eerste stageperiode, kon verzoeker dan ook voor het geheel van zijn stage niet geslaagd IX-9943-12/19 worden verklaard. Ten overvloede kan er nog op worden gewezen dat verzoeker voor het vak ‘Stage’ op het einde van het schooljaar 2019-2020 reeds al een ‘waarschuwing’ had gekregen. 8.
- Wat de evaluatie van het praktisch gedeelte van de tweede stageperiode betreft, kan uit het stagerapport worden afgeleid dat verzoeker op twee van de vier onderdelen, dit zijn ook twee onderdelen die in de stagewijzer 2020-2021 terug te vinden zijn en waarvan de omschrijving door verzoeker niet wordt betwist, namelijk de doelstellingen ‘Algemene attitudes en sleutelvaardigheden’ en de doelstellingen ‘Begeleiding en organisatie van activiteiten’, de quotering ‘NB’ heeft gekregen. Voor de quotering ‘NB’ op die twee voormelde onderdelen kan steun worden gevonden in het evaluatieformulier dat door de stagebegeleider, na overleg met de stagementor, werd ingevuld. Voor het onderdeel ‘Algemene attitudes en sleutelvaardigheden’ kreeg verzoeker op de verschillende deeldoelstellingen/competenties één keer A, één keer B en vijf keer C, wat maakt dat hij voor dit onderdeel niet geslaagd is. Voor het onderdeel ‘Begeleiding en organisatie van activiteiten’ kreeg verzoeker op de verschillende deeldoelstellingen/competenties één keer B en drie keer C, wat maakt dat hij ook voor dit onderdeel niet geslaagd is. Aangezien uit de stagewijzer 2020-2021 blijkt dat “[o]m te slagen voor de praktijk moet je op meer dan de helft van de onderdelen die geëvalueerd zijn geslaagd zijn” – ‘de helft’ volstaat dus niet zoals verzoeker foutief aangeeft – en verzoeker al minstens op twee van de vier onderdelen niet-geslaagd is, kan hij voor het praktisch gedeelte van de tweede stageperiode al niet meer geslaagd worden verklaard. Om die reden heeft verzoeker dan ook geen belang bij de kritiek die hij geeft op de omschrijving of de quotering van de overige twee onderdelen voor de evaluatie van het praktisch gedeelte van zijn tweede stageperiode. IX-9943-13/19 8.
- Verzoeker heeft geen belang bij de kritieken die hij uit ten aanzien van de evaluatie van het administratief gedeelte van zijn tweede stageperiode, omdat hij – afgaande op de toelichting die verweerster heeft gegeven aangaande de twee quoteringen ‘0’ – op dit gedeelte schijnbaar geslaagd werd bevonden. 8.
- Verzoeker geeft ook aan de evaluatieresultaten van zijn tweede stageperiode te betwisten, maar hij voert tegen deze resultaten inhoudelijk eigenlijk geen verweer. Hij beweert enkel dat de slechte evaluatieresultaten grotendeels gesteund zouden zijn op een vermeend incident dat zich met een vrouwelijke collega zou hebben voorgedaan op de stageplaats, terwijl dit incident volgens hem nooit heeft plaatsgevonden. Hoewel in het stagerapport gewag wordt gemaakt van een dergelijk incident, wordt het verband tussen dit incident en de slechte evaluatieresultaten, op het eerste gezicht, hiermee niet aangetoond, te meer daar in dit rapport wordt gewezen op verschillende tekortkomingen van verzoeker die op het eerste gezicht geen verband lijken te hebben met dit incident, zoals onder meer het herhaaldelijk te laat aankomen op de stageplaats, verantwoordelijkheidsgevoel, activiteiten voorbereiden, initiatief nemen, vragen stellen over de inhoud, oefenen, creatief werken, en zo meer. Verzoeker betoogt dat er wel een verband zou zijn tussen zijn slechte evaluatieresultaten en het vermeende incident, maar slaagt er niet in – en doet daartoe overigens ook geen enkele poging – om dit verband verder te concretiseren. Daarnaast kan, ten overvloede, er ook nog worden op gewezen dat verzoeker op het einde van het schooljaar 2019-2020 al een ‘waarschuwing’ had gekregen voor het vak stage en dat de werkpunten uit deze waarschuwing overeenkomen met de opmerkingen die verzoeker ook naar aanleiding van de evaluatie van zijn tweede stageperiode heeft gekregen, zodat de competenties van verzoeker door de stagebegeleider – al dan niet in samenspraak met de stagementor – op het eerste gezicht op een correcte en zorgvuldige wijze lijken te zijn ingeschat – mede gelet op het feit dat verzoeker de beoordeling van deze competenties inhoudelijk niet in vraag lijkt te stellen. Ook uit de rapporten en de meldingen via IX-9943-14/19 smartschool blijkt overigens dat verzoeker in het kader van zijn andere vakken meermaals opmerkingen heeft gekregen aangaande een gebrek aan inzet, een gebrek aan stiptheid, het niet respecteren van deadlines, onbeleefd, ongepast en luidruchtig gedrag, het niet-naleven van de corona-regels op school, en zo meer. Dit zijn tekortkomingen die vergelijkbaar zijn met de tekortkomingen die de stagebegeleider heeft aangekaart. Om die reden wordt er in de bestreden beslissing, op het eerste gezicht, dan ook terecht geoordeeld dat “geen uitspraak [wordt gedaan] over het incident of over de opvolging ervan door de stagegever”, dat er “enkel naar de behaalde competenties [wordt gekeken]” en dat “de aangeboden competenties effectief onvoldoende [werden] behaald”.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker stelt dat hij een C-attest heeft gekregen op basis van slechts één jaartekort, namelijk voor het vak ‘Plastische Opvoeding’ (45,1%). Hij wijst er daarbij op dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt vermeld dat het vak ‘Plastische opvoeding’ een centrale plaats inneemt in het profiel van de studierichting en dat geen antwoord wordt geboden op wat in het intern beroep is aangevoerd omtrent het complementair karakter van dit vak. Daarnaast betoogt verzoeker dat in de bestreden beslissing het resultaat voor de geïntegreerde proef niet in rekening is gebracht. IX-9943-15/19 IX-9943-16/19 Beoordeling
- Verzoeker vertrekt wat dit middel betreft, vanuit de foutieve vaststelling dat hij een C-attest heeft gekregen op basis van slechts één jaartekort, namelijk voor het vak ‘Plastische Opvoeding’ (45,1%). Verzoeker steunt zijn tweede middel echter op een verkeerd uitgangspunt. Verzoeker heeft niet enkel een tekort voor het vak ‘Plastische Opvoeding’ (45,1%) maar is ook niet geslaagd voor het vak ‘Stage’.
- Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat hij in het intern beroep, in ondergeschikte orde, heeft gevraagd om bijkomende proeven, een vraag die – zoals verzoeker het thans ook uitdrukkelijk stelt – was gekoppeld aan zijn andere grieven, namelijk een beweerd gebrek in de begeleiding in de loop van het schooljaar en het feit dat er voor het vak ‘Plastische Opvoeding’ een taak ontbrak, hetgeen maakte dat er sprake was van een onvoldoende representatief beeld. De interne beroepscommissie ging niet in op dit verzoek en stelde louter dat de delibererende klassenraad en de beroepscommissie over een volledig dossier zouden beschikken en zodoende een beslissing konden nemen. De interne beroepscommissie toont echter niet aan dat zij effectief een eigen oordeel heeft gevormd, door een eigen beoordeling van het verzoek tot bijkomende proeven te maken. IX-9943-17/19 Beoordeling
- Zoals verzoeker in zijn middel stelt, was de vraag om bijkomende proeven in de interne beroepsprocedure gesteund op het argument dat verzoeker in de loop van het schooljaar onvoldoende is begeleid en voor het vak ‘Plastische Opvoeding’ een taak ontbrak, waardoor er sprake zou zijn “van een onvoldoende representatief beeld”. Verzoeker licht niet nader toe waarom het organiseren van een bijkomende proef of bijkomende proeven het door hem gesignaleerde, maar in het kader van voorliggende vordering niet nader uitgewerkte probleem van een “gebrekkige begeleiding” zou kunnen verhelpen. Het middel is op dit punt onontvankelijk. Dat het tekort op het vak ‘Plastische Opvoeding’ enkel en alleen te wijten zou zijn aan het feit dat verzoeker een taak niet heeft gemaakt of afgegeven, zodat dit tekort eventueel kon worden weggewerkt via het afleggen van een bijkomende proef, omdat enkel dan een voldoende representatief studiecijfer zou kunnen worden bekomen voor dit vak, is niet correct. Uit de studieresultaten van verzoeker op dit vak doorheen het hele schooljaar blijkt dat hij enkel op het eerste rapport een slaagcijfer voor dit vak kon voorleggen, maar dat hij de daaropvolgende drie rapporten voor dit vak telkens onvoldoende presteerde. Het jaarrapport gaf derhalve, zoals de verwerende partij ook in de bestreden beslissing aangeeft, een voldoende representatief beeld van de prestaties van verzoeker op dit vak, zodat het dossier door de verwerende partij als zijnde “volledig” kon worden beschouwd en een bijkomende proef niet hoefde te worden georganiseerd.
- Het derde middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die IX-9943-18/19 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9943-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.714 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.