← België

Arrest 251715 - Examens (onderwijs) - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.715 Rolnummer: A. 234636/IX-9949 Zaak: Arrest 251715 - Examens (onderwijs) - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-01 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 11:26 Fiche Arrest nr 251.715 van 1 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.715 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 234.636/IX-9949 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Ringscholen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 23 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de scholengroep Ringscholen van 25 augustus 2021 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend, met clausulering voor de onderwijsvormen ASO, TSO en KSO. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9949-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2021, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste jaar van de derde graad gezondheids- en welzijnswetenschappen (TSO) in het atheneum Vijverbeek te Asse, onderwijsinstelling die behoort tot de scholengroep Ringscholen van het Gemeenschapsonderwijs. 3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster jaartekorten voor Frans (42%), wiskunde (38,5%), geschiedenis (48,5%), aardrijkskunde (39%) en toegepaste fysica (48%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest B toe, met clausuleringen voor de onderwijsvormen ASO, TSO en KSO. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “1. De rapportcijfers Volgens de deliberatiecriteria heeft de leerling een jaaronvoldoende voor volgende vakken (zie addendum van het schoolreglement IX-9949-2/21 Frans Wiskunde Geschiedenis Aardrijkskunde Toegepaste fysica 2. Tekorten EX2 Voor volgende vakken heeft de leerling een examentekort behaald (zie addendum van het schoolreglement): Frans Wiskunde Aardrijkskunde Toegepaste fysica Voeding 3. Tekorten qua basiskennis Op basis van de vastgestelde tekorten qua basiskennis voor volgende vakken die in de geclausuleerde richtingen een belangrijk onderdeel van het lessenpakket uitmaken is de klassenraad van oordeel dat de kansen om de studie met kans op succes verder te zetten in de geclausuleerde studierichtingen te zwaar gehypothekeerd zijn. Toegepaste fysica Frans Wiskunde 4. Negatieve evolutie van de resultaten Op basis van de vastgestelde negatieve evolutie van de resultaten voor volgende vakken is de klassenraad van oordeel dat de kansen om de studie met kans op succes verder te zetten in de geclausuleerde studierichtingen te zwaar gehypothekeerd zijn omdat deze negatieve evolutie wijst op een snel groeiende leerachterstand qua basiskennis en/of studie-inzet. Toegepaste fysica 5. De studiehouding Ondanks de adviezen die ter zake werden gegeven gedurende het afgelopen schooljaar, kon hier niet voldoende verbetering worden vastgesteld. Vermits er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de studieresultaten volgend schooljaar spectaculair zullen verbeteren, is de klassenraad dan ook van oordeel dat een studierichting aangewezen is waar de studie-eisen en/of studie-inspanningen niet zo hoog liggen. 6. De mogelijkheden van de leerling beter tot hun recht zouden komen in een andere studierichting/andere onderwijsvorm. De delibererende klassenraad was van oordeel dat het afsluiten van voornoemde studierichtingen noodzakelijk was omdat de leerling in de geclausuleerde richtingen wegens bovengenoemde redenen in onoverkomelijke problemen zou geraken.” IX-9949-3/21 Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoekster stelt daarop een beroep in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 25 augustus 2021 bevestigt de beroepscommissie het oriënteringsattest B én de clausuleringen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “5. Over de grond van de zaak a. Wat de beslissing van de klassenraad betreft De klassenraad oordeelde dat mevrouw [...] het 5de jaar gezondheids- en welzijnswetenschappen met vrucht heeft beëindigd en overeenkomstig de toelatingsvoorwaarden tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in de hierna vermelde onderwijsvorm, algemeen secundair onderwijs, technisch secundair onderwijs en kunst secundair onderwijs en steunt hierop onderstaande motieven. • [...] behaalde tijdens examen 1 een onvoldoende voor Frans (32,6%), wiskunde (23%), geschiedenis (33,3%), aardrijkskunde (33%), opvoedkunde (40%) en verzorging (43,3%). • Tijdens examen 2 behaalde [...] een onvoldoende voor Frans (31,6%), wiskunde (29,2%), aardrijkskunde (28%), toegepaste fysica (28,1%), voeding (44,5%). • De klassenraad stelde tegelijkertijd een tekort op jaarbasis vast voor Frans (42%), wiskunde (38,5%), geschiedenis (48,5%), aardrijkskunde (39,5%), en toegepaste fysica (48%). • Op dagelijks werk (DW1, DW2 en DW3) behaalde [...] volgende tekorten: Frans (3,3/10 - DW1), aardrijkskunde (4,8/10 - DW1) en Frans (4,8/10 - DW2). • Op basis van de vastgestelde tekorten qua basiskennis voor de vakken (toegepaste fysica, Frans, wiskunde) die in de geclausuleerde richtingen een belangrijk onderdeel van het lessenpakket uitmaken, is de klassenraad van oordeel dat de kansen om de studie met kans op succes verder te zetten in de geclausuleerde studierichtingen te zwaar gehypothekeerd zijn. • Op basis van de vastgestelde negatieve evolutie van de resultaten voor het vak toegepaste fysica, is de klassenraad van oordeel dat de kansen om de studie met kans op succes verder te zetten in de geclausuleerde studierichtingen te zwaar gehypothekeerd zijn omdat deze negatieve evolutie wijst op een snel groeiende leerachterstand qua basiskennis en studie-inzet. • Ondanks de adviezen die ter zake werden gegeven gedurende het afgelopen schooljaar, kon hier niet voldoende verbetering worden vastgesteld. De klassenraad [is] van oordeel dat een studierichting aangewezen is waar de studie-eisen en -inspanningen niet zo hoog liggen. IX-9949-4/21 b. Wat het overzitten en het advies na examen één betreft [...] behaalde in juni 2019 eveneens een B-attest in het 4de leerjaar sociaal-technische wetenschappen. De klassenraad adviseerde […] in juni 2019 om over te stappen naar het BSO, dit advies werd niet opgevolgd. […] besloot haar jaar over te zitten. Voor examen 1 (2020-2021) behaalde […] 6 tekorten en opnieuw kreeg zij het advies over te stappen naar BSO. Opnieuw werd dit advies naast zich neergelegd. c. Wat de studiehouding en de ondersteuning van de betrokkene betreft • In samenspraak met de school werd een begeleidingsplan voor [...] opgesteld teneinde haar zo goed mogelijk te ondersteunen. Dit begeleidingsplan werd op 14 september 2020 via Smartschool aan de ouders bezorgd en begin december door de ouders ondertekend. Tijdens de examens kreeg […] de mogelijkheid haar examens af te leggen in de zorgklas. [...] ging niet in op dit aanbod en besloot alle examens af te leggen in het examenlokaal. Hierdoor ontnam ze haar mogelijkheden om samen met de vakleerkracht alle examenvragen rustig te overlopen en bijkomende vragen te stellen. [...] nam ook niet deel aan de extra lessen wiskunde op het einde van het schooljaar. • Ondanks de adviezen die ter zake werden gegeven en het intensieve begeleidingstraject gedurende het afgelopen schooljaar, vertaalde dit zich niet in een ernstige verbetering en kon hier niet voldoende verbetering worden vastgesteld. d. Verweer verzoekende partij • Verzoekende partij stelt dat een B-attest demotiverend is gezien de geleverde inspanningen. De commissie begrijpt de stelling maar oordeelt dat dit niet doorslaggevend kan zijn bij het bepalen van de beslissing. • Verzoekende partij verwijst naar het afstandsonderwijs waardoor er te weinig begeleiding heeft plaats gevonden. In functie van de corona-problematiek, voorzag de school in volgende structurele ondersteuning, geldend voor alle leerlingen en voor de verzoekende partij (dit los van de extra ondersteuning welke de verzoekende partij werd geboden): o Online lesaanbod aangevuld met... o Tweewekelijks de kans om fysiek op school aanwezig te zijn en er les te volgen. o Een wekelijks opdrachtenpakket, via Smartschool gecommuniceerd. Leerkrachten bleven beschikbaar om toelichting te verstrekken wanneer nodig. o Waar nodig genoten leerlingen van individuele coaching. • Verzoekende partij is van mening dat de school te weinig gevolg heeft gegeven aan de gemaakte afspraken die in het begeleidingsplan werden opgenomen. De school wijst er de commissie op dat het aanbieden van fysieke bijlessen niet steeds mogelijk was vanwege de geldende en dwingende corona-maatregelen. De school vervolledigt de door de verzoekende partij aangehaalde argumenten […]: IX-9949-5/21 o ‘niet evident was om zich te concentreren aangezien er in de thuisomgeving veel meer prikkels aanwezig zijn dan op school (p. 4). Voorgaande enkel om aan te tonen dat [...] bereid is zich in te zetten er ook veel beter in zal slagen wanneer er de nodige omkadering zal worden gegeven’. De school wijst erop dat het aanbod om de examens tot het afleggen van de examens in het zorglokaal (welke prikkel-arm

  1. is)werd afgewezen door de leerlinge. o ‘als compenserende maatregel voor toetsen en examens wordt vermeld dat de vakleerkracht controleert of de vragen en instructies begrepen zijn en dat de leerling de kans krijgt om vragen te stellen. De school wijst erop dat het feit dat de leerlinge de examens niet wou afleggen in het zorglokaal het uitvoeren van deze maatregel niet mogelijk maakte. o Het nakijken van de toetsen op onbeantwoorde vragen en het uitdelen van kleine delen bij examens werd niet nageleefd. De school merkt op dat bijvoorbeeld voor het vak Frans, het examen werd opgesplitst in kleinere delen, met name per vaardigheid. • Verzoekende partij haalt de problematiek aan voor het vak wiskunde en verwijst naar de beperkte leerplandoelen die werden getoetst op het examen. De school ontkent de problematiek voor het vak wiskunde niet. Na een lange periode van afwezigheid werd een vervanger gevonden en werd er gefocust op specifieke onderdelen van het leerplan teneinde de lacunes in de basiskennis weg te werken. Er werden extra lessen voorzien. Zoals reeds vermeld nam [...] hier niet aan deel. De school wijst op het feit dat men werkt met graads-leerplannen. Het bereiken van alle doelen wordt gespreid over de twee jaren. • Verzoekende partij vraagt om een A-attest om naar het volgende jaar (6GWW) te kunnen overgaan. • Rekening houdend met het hele dossier vraagt verzoekende partij om de beslissing van de delibererende klassenraad te herzien. e. De regelgeving Deliberatie criteria § 5. De delibererende klassenraad zal zich bij zijn beslissingen laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval: • resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; • de resultaten van de geïntegreerde proef; • de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. f. De rechtspraak ‘Voor de beoordeling over het slagen van de leerling ligt de motivering in de eerste plaats in het geheel van de behaalde punten (RvS 22 september 2016, nr. 235.835 [...]; RvS 22 september 2016, nr. 235.836 [...])’ IX-9949-6/21 ‘Aangenomen wordt bijgevolg dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen.’ (RvS 22 september 2016, nr. 235.836 [...]; RvS 22 september 2016, nr. 235.835 [...]; RvS 11 oktober 2012, nr. 220.963 [...]; RvS 17 april 2012, nr. 218.919 [...]). g. Besluit De beroepscommissie stelt samen met de delibererende klassenraad vast dat de cijfers onvoldoende waren. Uit de stukken in het leerling dossier blijkt wel degelijk dat remediëring voorzien werd maar dat de leerling hier onvoldoende gevolg heeft aangegeven.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. De verwerende partij betwist terecht niet dat de voorwaarde van uiterst dringende voorwaarde is vervuld. IX-9949-7/21 VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen 6. In een “eerste en enig middel” voert verzoekster de schending aan van “de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing niet antwoordt op haar “meest cruciale grieven” die zij in haar bezwaarschrift had aangevoerd, tenzij “compleet naast de kwestie”. Meer bepaald verwijst verzoekster naar haar “cruciale vragen” over de afgesproken begeleiding van de school, haar bezorgdheid omtrent de tekorten in gemiddelden en mediaan voor verschillende vakken – wat volgens haar aantoont dat de leerstof “(
  2. te)moeilijk” was – en haar vraag over de leerplandoelstellingen die niet werden getoetst. Verzoekster neemt er onder meer aanstoot aan dat de beroepscommissie overweegt dat zij niet is ingegaan op het aanbod om de examens in het zorglokaal af te leggen. Die maatregel is volgens haar niet opgenomen in het afgesproken begeleidingsplan, zodat de relevantie van deze opmerking haar ontgaat. Voorts doet verzoekster opmerken dat in de bestreden beslissing niet is toegelicht waarom dat ook de toepassing van alle andere afgesproken maatregelen heeft verhinderd. Een nadere motivering van de wijze waarop het begeleidingsplan per vak werd uitgevoerd – verzoekster overloopt namelijk voor elk vak concreet de correcte uitvoering ervan of wat er is misgelopen – ontbreekt in de bestreden beslissing. Voor de toetsen en examens moest de vakleerkracht telkens controleren of de leerling de vragen of instructies begrepen had en de leerling moest ook de kans krijgen om vragen te stellen. Bij de examens is dat volgens verzoekster niet gebeurd. Alleen voor Frans voert de beroepscommissie IX-9949-8/21 aan dat het examen werd opgesplitst per vaardigheid, maar dit gold voor alle leerlingen. Volgens verzoekster blijkt uit de bestreden beslissing ook niet waarom zij in het volgende schooljaar geen kans op slagen zou hebben. Op haar argumenten dat op graadniveau geëvalueerd moet worden en dat zij voor “quasi alle vakken” een positieve evolutie van de cijfers kan voorleggen, wordt volgens verzoekster evenmin geantwoord. Het enkele motief dat de cijfers voor toegepaste fysica geen positieve evolutie laten zien, is naar het oordeel van verzoekster dan weer niet overtuigend. Zij blijft erbij dat de cijfers niet representatief zijn en dat dit ene vak geen doorslaggevend motief kan zijn om haar iedere kans op slagen te ontzeggen. 7. De verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen dat de “positieve evolutie” die verzoekster in haar resultaten ziet, niet blijkt uit het dossier dat de examenresultaten weergeeft. Zij merkt op dat de beroepscommissie zich aansluit bij de klassenraad die heeft gesteld dat – ondanks de adviezen gedurende het afgelopen schooljaar – onvoldoende verbetering wordt vastgesteld. Het dossier van de beroepscommissie bevat voorts een overzicht waarbij elke vakleerkracht heeft aangeduid welke maatregelen nuttig werden geacht voor het specifieke vak en dus werden genomen. Verzoekster leidt louter uit de examenresultaten af dat de begeleiding niet afdoende is geweest. Het begeleidingsplan voorziet in overleg als er problemen zijn en stipuleert dat de leerling moeilijkheden signaleert aan de leerlingenbegeleider. Hiertoe is nooit een vraag gekomen. Indien verzoekster meende dat haar begeleiding gebrekkig zou zijn, heeft zij ook een meldingsplicht. Met betrekking tot de examens in juni dient vastgesteld te worden dat opmerkingen gemaakt worden na het inkijken van de examens, maar dat nauwelijks opmerkingen gemaakt worden die tijdens of vlak na het examen gemaakt dienden te worden, niet na de attestering. IX-9949-9/21 Het begeleidingsplan bevat maatregelen waarvan de school het nuttig heeft gevonden deze voor bepaalde examens (Frans, wiskunde en verzorging) toe te passen in een apart prikkelarm lokaal, waar verzoekster de nodige uitleg kon krijgen, ook zonder de andere leerlingen te storen. Verzoekster heeft dit geweigerd en heeft de examens met de andere leerlingen afgelegd. Zij heeft zelf de mogelijkheden tot toepassen van bepaalde maatregelen beperkt. Specifiek voor Frans, wiskunde en toegepaste fysica schrijft de verwerende partij: “Wat het vak Frans betreft, valt in de beroepsbeslissing te lezen dat het examen werd opgedeeld in kleinere delen. Wat betreft het vak Wiskunde werd op de examens aangegeven dat verzoekster het examen als ‘normaal’ moeilijk heeft ervaren. Verzoekster geeft zelf aan dat de te kennen leerstof zeer beperkt was. Er waren geen opmerkingen van verzoekster tijdens het examen. Toch wordt een 29,2 (!) op 100 behaald. De oorzaak hiervoor is niet terug te vinden in een gebrek aan [be]geleiding maar, zoals de beroepscommissie terecht vaststelt, in het feit dat verzoekster geen gebruik maakt van de maatregelen die de school heeft geïmplementeerd om het onverwachts wegvallen van een leerkracht op te vangen, door het inlassen van remediëringslessen en extra uren Wiskunde. Wat het vak Toegepaste Fysica betreft, stelt verzoekster: ‘[...] kreeg geen duidelijk antwoord op de vraag wat betreft het gebruik van schema’s. Wel noteerde de leerkracht de dag van het examen twee formules op haar examenblad. [...] heeft nood aan duidelijke afspraken om rustig haar examen te kunnen afleggen. Ook kreeg [...] het verkeerde examen van 6 GWW waardoor ze in paniek sloeg. Er werd geen tijd genomen om haar gerust te stellen. Het examen werd ook niet overlopen.’ Blijkens het dossier van de school werd bij deze opmerking op het beroepschrift gemeld […]: ‘Lkr: [...] vroeg 2 dagen voor ex. of ze formularium mocht gebruiken. -> was ok’. Wat verzoekster aan ‘duidelijk antwoord’ verwacht, kan de beroepscommissie blijkbaar niet afleiden uit de argumentatie van verzoekster. Bovenstaand antwoord in het administratief dossier is alvast duidelijk. Wederom zijn er geen opmerkingen op of na de examens, enkel als reactie op de attestering.” IX-9949-10/21 Het begeleidingsplan verwacht ook inspanningen van de leerling. De beroepscommissie heeft terecht vastgesteld dat verzoekster onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de aangeboden remediëring. Beoordeling 8. Eensdeels verwijt verzoekster de beroepscommissie niet te hebben geantwoord op haar bezwaren. Zij lijkt daarmee wezenlijk de schending van de formelemotiveringsplicht aan te voeren. Anderdeels luidt haar kritiek dat de beroepscommissie “naast de kwestie” antwoordt. Dat lijkt de materiëlemotiveringsplicht te raken. 9. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs bieden aan een leerling om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over haar delibererende klassenraad. Wanneer de leerling aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, moet deze commissie kennisnemen van haar grieven, ze beoordelen en ze beantwoorden. 10. Noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist zijn en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ leggen aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de verplichting op om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aangevoerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. IX-9949-11/21 Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat haar beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij haar aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom haar beroep wordt verworpen. 11. In haar bezwaar voor de beroepscommissie heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat de school een aantal compenserende maatregelen die in een begeleidingsplan zijn afgesproken, niet nagekomen is. Zij heeft aangegeven dat de maatregel dat de vakleerkracht bij examens controleert of de leerling de vragen of instructies heeft begrepen en dat de leerling de kans krijgt om vragen te stellen ter verduidelijking, niet werd nagekomen voor de examens Frans, wiskunde, aardrijkskunde en toegepaste fysica. Voor voeding werd het examen wel klassikaal overlopen maar konden volgens verzoekster geen vragen worden gesteld ter verduidelijking. Ook van de maatregel dat de leraar de leerling bij toetsen en examens erop wijst als vragen onbeantwoord zijn gebleven en dat grote toetsen en examens in ‘stukjes’ worden uitgedeeld, heeft verzoekster in haar bezwaarschrift aangegeven dat dit niet werd nageleefd voor de examens van dezelfde vakken. Zij heeft de beroepscommissie ook gewezen op de lage gemiddelden en medianen voor wiskunde en aardrijkskunde. IX-9949-12/21 Wat wiskunde betreft, heeft verzoekster ook de aandacht gevestigd op haar vaststelling dat op het examen slechts vier van de eenenveertig leerplandoelstellingen waren getest, dat op het eindexamen slechts over “2 zeer kleine leerinhouden” zou zijn ondervraagd – “telproblemen en kansrekening” – waarvan verzoekster stelt dat deze niet tot de “basisdoelen” behoren. Voor geschiedenis wees verzoekster ook op een positieve evolutie van haar cijfers. Wat aardrijkskunde aangaat, voerde verzoekster ook aan dat de onlinelessen in feite als “zelfstudie” was opgevat, dat alleen “links” en géén taken aan de leerlingen werden gegeven. Zij merkte tevens op dat de leerkracht laattijdig op het examen arriveerde, wat niet alleen extra stress met zich bracht – er waren volgens haar die dag twee examens af te leggen – maar er ook voor zorgde dat er “onvoldoende tijd” was om het examen te “overlopen” en dat verzoekster van iedere individuele begeleiding verstoken bleef. Met betrekking tot het examen voor toegepaste fysica vermeldde verzoekster nog dat zij aanvankelijk een verkeerd examenformulier kreeg toebedeeld. Voor voeding heeft verzoekster nog aangevoerd dat een leerkrachtwissel voor moeilijkheden heeft gezorgd die de schooldirectie erkend heeft. 12.1. Verzoekster wijst wel op lage gemiddelden en medianen voor wiskunde en aardrijkskunde, maar zij komt op het eerste gezicht in haar bezwaarschrift niet verder dan “de vraag” te stellen “welke de mogelijke oorzaken hiervan zijn”. Een dergelijke “vraag” lijkt geen grief waarop zij van de beroepscommissie zonder meer een antwoord mocht verwachten. IX-9949-13/21 Als verzoekster bedoelt dat zij twijfels heeft omtrent de wijze waarop de beide vakken in de loop van het schooljaar werden onderwezen, of de wijze waarop de examens werden opgesteld dan wel verbeterd, zoals zij ter terechtzitting laat verstaan, dan valt het, zo lijkt, haar – en alleen haar – toe om die twijfels met zodanige argumenten en stukken te onderbouwen dat het vermoeden van deskundigheid dat aan de hoedanigheid van leerkracht kleeft, aan het wankelen wordt gebracht. Dat doet zij op het eerste gezicht niet door alleen naar gemiddelden en medianen te verwijzen. 12.2. In die mate is het middel niet ernstig. 13.1. Op de kritiek van verzoekster dat voor wiskunde slechts een uiterst beperkt aantal leerplandoelstellingen werd getest, antwoordt de beroeps- commissie alleen dat de school “de problematiek voor het vak wiskunde niet [ontkent]”, dat “[n]a een lange periode van afwezigheid […] een vervanger [werd] gevonden” en dat “[er] werd […] gefocust op specifieke onderdelen van het leerplan teneinde de lacunes in de basiskennis weg te werken”. Ook wordt erop gewezen dat in “extra lessen [werd] voorzien”, maar dat verzoekster “hier niet aan [deelnam]”. Er wordt op gewezen “dat men werkt met graads-leerplannen”: “[h]et bereiken van alle doelen wordt gespreid over de twee jaren”. Ook al verwijst de beroepscommissie slechts naar het standpunt van de school, vooralsnog moet worden aangenomen dat de beroepscommissie daarmee de problemen voor het vak wiskunde zoals ze door verzoekster werden aangekaart, bevestigt. Om verzoeksters grief te weerleggen, wijst zij op de afwezigheid van verzoekster in de “extra lessen” voor wiskunde. Die afwezigheid kan op het IX-9949-14/21 eerste gezicht niet in verband worden gebracht met – en dus ook geen antwoord vormen op – de kritiek dat het examen niet representatief was. Dat de school met graadleerplannen werkt, kan dan mogelijk verklaren waarom niet alle leerplandoelstellingen werden getoetst. Het biedt nog altijd geen antwoord op het bezwaar van verzoekster dat op het examen slechts “2 zeer kleine leerinhouden” aan bod kwamen die volgens verzoekster niet tot de “basisdoelen” behoren. De motieven lijken dan ook niet te kunnen volstaan om een afdoende antwoord te geven aan verzoekster. 13.2. In die mate is het middel ernstig. 14.1. De school heeft met verzoekster op 8 december 2020 een ‘begeleidingsplan voor leerlingen met een aandachtsstoornis’ afgesproken. Daarin zijn diverse stimulerende en compenserende maatregelen opgenomen. Verzoekster heeft in haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie gerefereerd aan een aantal daarvan en aangevoerd dat die niet zijn nagekomen, in het bijzonder niet wat de examens aangaat. Zo verzoekster het op dat vlak bij het rechte eind heeft, lijkt dat euvel af te kleuren op de deugdelijkheid van de behaalde resultaten voor de vakken waarvoor haar de betrokken compenserende maatregelen zijn onthouden. 14.2. Prima facie kan dus bezwaarlijk worden betwist dat dit een ernstige grief is die, mocht hij gegrond zijn, voor verzoekster een gunstiger resultaat zou kunnen opleveren. In die omstandigheden vermocht verzoekster erop te rekenen dat de beroepscommissie haar bezwaar daadwerkelijk in overweging zou nemen en in de nieuwe beoordeling betrekken – er zelfs formeel op antwoorden, zodanig dat zij IX-9949-15/21 zou kunnen begrijpen waarom dat argument de beroepscommissie niet kon overtuigen. 14.3. In de bestreden beslissing wordt op het bezwaar dat bepaalde compenserende maatregelen niet zijn nageleefd, op het eerste gezicht alleen geantwoord dat “de leerlinge de examens niet wou afleggen in het zorglokaal” en dat verzoekster daardoor “het uitvoeren van deze maatregel niet mogelijk maakte” en dat “bijvoorbeeld voor het vak Frans, het examen werd opgesplitst in kleinere delen, met name per vaardigheid”. Het ontbreekt, zo lijkt, deze motieven aan de nodige draagkracht. 14.4. Met verzoekster moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat uit het begeleidingsplan alvast niet blijkt dat de compenserende maatregelen waaraan verzoekster refereert – “[d]e vakleraar controleert of de vragen en instructies begrepen zijn en geeft de leerling de kans vragen te stellen ter verduidelijking”, “[d]e leraar wijst de leerling erop wanneer vragen niet zijn beantwoord” en “[g]rote toetsen en examens worden in ‘stukjes’ uitgedeeld” – aan enige voorwaarde zijn verbonden, laat staan aan de voorwaarde die de beroepscommissie thans vooropstelt. Nergens uit blijkt, zo lijkt, dat die voorwaarde op een andere wijze duidelijk, ondubbelzinnig én op een nuttig tijdstip aan verzoekster ter kennis zou zijn gebracht. In die omstandigheden moet, in de huidige stand van de rechtspleging, worden aangenomen dat de school – en met haar ook de beroepscommissie – zich niet kan verschuilen achter een dergelijke “voorwaarde” opdat zij niet ertoe gehouden zou zijn de afgesproken compenserende maatregelen na te komen. IX-9949-16/21 14.5. Voorts wordt op het eerste gezicht in de bestreden beslissing ook niet toegelicht, laat staan overtuigend toegelicht, dat – en waarom – het feit dat verzoekster haar examens niet in een zorglokaal heeft afgelegd, het voldoen aan de compenserende maatregelen onmogelijk zou hebben gemaakt. Daarbij dient trouwens bedacht dat de beroepscommissie zelf aangeeft dat voor Frans – het enige vak dat in dat verband met naam wordt genoemd – wél tegemoet werd gekomen aan de maatregel om het examen in ‘stukjes’ – namelijk “per vaardigheid” – aan te leveren. Waarom dat voor de andere vakken dan niet mogelijk was, verduidelijkt de beroepscommissie prima facie dan weer niet. Evenmin is het aan de Raad van State spontaan duidelijk waarom een leerkracht niet in staat zou zijn om te controleren of leerlingen de vragen en instructies hebben begrepen en om hen de mogelijkheid te bieden om verduidelijking te vragen, tenzij wanneer die leerlingen in een afgezonderd lokaal zitten. 14.6. De verwerende partij kan op het eerste gezicht niet nuttig verwijzen, thans, naar stuk 8 – in het bijzonder stuk 8.1 – van het administratief dossier, namelijk het dossier van de beroepscommissie. Uit het voormelde stuk blijkt dat de directie heeft gepeild bij de leerkrachten naar, bijvoorbeeld, de vraag of de betrokken leerkrachten “het examen (indien groot) in kleinere deeltjes (2 is al voldoende) [hebben] uitgedeeld”. Vooralsnog blijkt uit de bestreden beslissing – of uit andere stukken van het dossier – niet dat verzoekster over het bedoelde overzicht met opmerkingen van de vakleerkrachten kon beschikken, aangenomen dat de beroepscommissie het bij haar beoordeling betrok en impliciet bijviel. De bedoelde tabel 8.1 kan dus prima facie niet toegerekend worden aan de formele motieven van de bestreden beslissing. Maar er is méér. Ook uit oogpunt van de materiële motivering lijkt de tabel niet steekhoudend: net voor toegepaste fysica, wiskunde en voeding – vakken waarvan verzoekster aanvoert dat de afgesproken begeleidingsmaatregelen niet zijn nageleefd op het examen – is in de tabel niets ingevuld, behoudens een “ok” bij de rubriek dat spelfouten niet bestraft worden. IX-9949-17/21 Voorts leest de Raad van State in de overige, wel ingevulde kolommen niet spontaan een antwoord op verzoeksters specifieke grieven. Over twee andere maatregelen waarover verzoekster zich uitdrukkelijk heeft beklaagd – “[d]e vakleraar controleert of de vragen en instructies begrepen zijn en geeft de leerling de kans vragen te stellen ter verduidelijking” en “[d]e leraar wijst de leerling erop wanneer vragen niet zijn beantwoord” – werden door de directie volstrekt géén vragen gesteld en lijkt er dus op verzoeksters grieven in dat verband prima facie geen repliek gekomen. 14.7. Daargelaten nog het bestaan en de draagwijdte van de “meldingsplicht” die volgens de verwerende partij als een inspanningsverbintenis op verzoekster rust om het begeleidingsplan af te dwingen – verzoekster zou nooit enige vraag tot “extra overleg” hebben gesteld en nooit moeilijkheden hebben gesignaleerd aan de leerlingbegeleider – lijkt dit enkel nuttig betrokken te kunnen worden op problemen tijdens het schooljaar en niet op de moeilijkheden die zij bij de eindexamens in juni beweert ondervonden te hebben. De kritiek van verzoekster betreft in wezen het examenverloop in juni. In dat verband valt echter op het eerste gezicht niet in te zien hoe eventuele opmerkingen daarover nog enig nuttig effect hadden kunnen sorteren. Het examen waarvoor de afgesproken maatregelen niet waren nageleefd, was op dat ogenblik immers per definitie achter de rug. 14.8. In die mate is het middel eveneens ernstig. 14.9. Bij de kritiek dat de compenserende maatregel dat examens in ‘stukjes’ moeten worden uitgedeeld voor het examen Frans werd toegepast op alle leerlingen, lijkt verzoekster dan weer geen belang te hebben. Zij laat immers niet begrijpen welk nadeel dat specifiek voor haar zou hebben opgeleverd. In die mate is het middel niet ernstig. 15. Voorts blijkt uit niets dat de beroepscommissie de verschillende andere argumenten van verzoekster, die hiervóór werden aangehaald, bij haar IX-9949-18/21 beoordeling heeft betrokken. Zo zij deze niet bijvalt, staat het aan de commissie uitdrukkelijk aan te geven waarom zij het anders ziet. Nu laat zij verzoekster – en met haar de Raad van State – prima facie in het ongewisse waarom die argumenten van verzoekster niet konden overtuigen. De beroepscommissie lijkt derhalve schromelijk tekortgeschoten in haar opdracht. Met eventuele argumenten en motieven die in de nota met opmerkingen voorkomen maar niet in de bestreden beslissing, kan op het eerste gezicht geen rekening worden gehouden. Daar blijkt immers alvast niet van dat ze uitgaan van de beroepscommissie, laat staan dat die commissie deze elementen ook daadwerkelijk heeft voorgestaan op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Ook in die mate is het middel ernstig. 16.1. Verzoekster lijkt er nog vanuit te gaan dat op haar argument in verband met de positieve evolutie van haar cijfers – in haar beroepschrift legt zij trouwens de nadruk op een gunstige evolutie van haar resultaten voor geschiedenis – werd beantwoord door alleen te wijzen op een neerwaartse evolutie voor toegepaste fysica. Lezing van de bestreden beslissing leert op het eerste gezicht dat deze passus voorkomt in het onderdeel waarin de beroepscommissie slechts de voor haar bestreden beslissing van de delibererende klassenraad in herinnering brengt. Zo begrepen, heeft deze grief van verzoekster dus evenmin een antwoord gekregen. IX-9949-19/21 16.2. Zo de beroepscommissie daarmee (ook) heeft willen bedoelen dat zij zich bij die argumentatie van de klassenraad aansluit, moet dan weer worden geoordeeld, zo lijkt, dat de beroepscommissie niet kan volstaan met het louter bijvallen van een klassenraadbeslissing op die punten van de motivering die in beroep precies en op beargumenteerde wijze worden betwist. Er valt immers op het eerste gezicht niet in te zien hoe de motieven van een klassenraad waar de beroepscommissie aansluiting bij zoekt, reeds een evident antwoord zouden kunnen zijn op de later ingeroepen argumenten van verzoekster die net geen antwoord hebben gekregen in die klassenraadbeslissing. 17. De vraag of verzoekster wel of niet ervan heeft getuigd enige kans op slagen te hebben in een volgend leerjaar in de door haar geambieerde studierichting, lijkt vooralsnog voorbarig. Na de hierna uit te spreken schorsing en indachtig de uiterst dringende noodzakelijkheid en het recht van een leerling op een vaststaand studieresultaat, valt het aan de beroepscommissie toe om de in haar tenuitvoerlegging geschorste beslissing onverwijld te heroverwegen en zich in het licht van de ernstig bevonden grieven uit te spreken over de diverse argumenten van verzoekster en er desgevallend gevolgen aan te verbinden voor wat betreft de haar toegekende cijfers en de representativiteit ervan. Pas wanneer daarover zekerheid en duidelijkheid is gebracht, lijkt de vraag over verzoeksters slaagkansen in een volgend leerjaar nuttig te kunnen worden gesteld en beantwoord. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de scholengroep Ringscholen van 25 augustus 2021 waarbij aan XXXX een IX-9949-20/21 oriënteringsattest B wordt toegekend, met clausulering voor de onderwijsvormen ASO, TSO en KSO. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9949-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.715 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.