← België

Arrest 251717 - Monumenten en Landschappen - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.717 Rolnummer: A. 228137/X-17499 Zaak: Arrest 251717 - Monumenten en Landschappen - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 11:27 Fiche Arrest nr 251.717 van 1 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.717 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 228.137/X-17.499 In zake : 1. de NV LINHOVE 2. Mark LEYSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 17 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 14 maart 2019 ‘tot vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen’, in zoverre het betrekking heeft op het herenhuis “villa Henriette” aan de Kapelstraat 94 A-B te Hove. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.499-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2021. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katrien Vergauwen, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij, waarvan tweede verzoeker zaakvoerder is, is eigenaar van een herenhuis met conciërgewoning aan de Kapelstraat 94 A-B te Hove (hierna: de villa Henriette). 3.2. Ter verduidelijking is hierna een uittreksel afgebeeld uit een in het administratief dossier van het bestreden besluit opgenomen foto van de villa Henriette, die gemaakt werd op 16 februari 2018. X-17.499-2/13 4.1 In 2018 neemt de verwerende partij het initiatief om de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen vast te stellen. 4.2. Van 1 juni tot 30 juli 2018 wordt een openbaar onderzoek gehouden over de eventuele opname van onder meer de villa Henriette in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. 4.3. Tweede verzoeker dient een bezwaarschrift in waarin hij vooreerst uiteenzet dat in casu de beweerde erfgoedwaarden van de villa Henriette op zeer summiere en nietszeggende wijze omschreven werden. Volgens het bezwaarschrift blijkt nergens dat er een afdoende en grondig onderzoek werd gedaan om met voldoende kennis van zaken de erfgoedwaarde van het goed te kunnen beoordelen. In voorliggend geval is slechts verwezen naar één enkele literaire bron, te weten de publicatie “Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen”, die overigens al meer dan twintig jaar oud is. De vereiste kritische toetsing werd niet doorgevoerd. Tweede verzoeker vervolgt in zijn bezwaarschrift dat louter wordt verwezen naar het bestaan van een vermeende “historische waarde” en “architecturale waarde”, zonder nadere specificering. Zo wordt nergens verduidelijkt waarom het goed een historische waarde zou hebben. Volgens X-17.499-3/13 tweede verzoeker is geen enkele verwijzing terug te vinden naar één van de vijf door de regelgeving opgelegde selectiecriteria, te weten “zeldzaamheid”, “herkenbaarheid”, “representativiteit”, “ensemblewaarde” en “contextwaarde”. De toetsing aan deze selectiecriteria wordt op geen enkele manier gemotiveerd. Als er al verwezen wordt naar bepaalde aspecten van erfgoedwaarden, dan bevat het bestreden besluit helemaal geen appreciatie van die waarden, nog minder gaat het om een actuele toetsing. Tweede verzoeker stelt in zijn bezwaarschrift dat zich een actuele beoordeling opdrong om na te gaan of de villa Henriette wel voldoende bewaard is gebleven. De actuele waarde van de villa en zijn omgeving zijn echter niet bekeken, noch nader onderzocht. De verwerende partij heeft de eigenaar nooit verzocht om de villa Henriette te komen bezoeken en bezichtigen. Volgens tweede verzoeker is de voorgenomen opname in de inventaris een “één-op-één overname” van de vorige erfgoedinventaris, die vastgesteld is vóór het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Tweede verzoeker voert in zijn bezwaarschrift verder aan dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier niet deugdelijk werden geïnventariseerd en gecontroleerd. Om aan te tonen dat onwettig gehandeld werd, verwijst tweede verzoeker naar een uitspraak van het Milieuhandhavingscollege waarin geoordeeld is dat een kwalificatie als historisch permanent grasland die volledig en uitsluitend gesteund is op de biologische waarderingskaart niet volstaat als bewijs van het bestaan van het milieumisdrijf bestaande in de omzetting van het zogezegde historisch permanent grasland in een maïsakker. Het bezwaarschrift van tweede verzoeker besluit dat het pand geen authentieke waarde meer heeft en niet beeldbepalend of uniek is in de buurt. De villa verkeert in slechte staat, zodat een opname niet opportuun en onterecht is. Een en ander blijkt overigens ook uit de foto’s op de tijdens het openbaar onderzoek ter inzage gelegde fiche. 5. Op 17 januari 2019 geeft de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed advies. X-17.499-4/13 6.1. Met een besluit van 14 maart 2019 stelt de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen vast. Om reden van de architecturale en historische waarden wordt de villa Henriette er in opgenomen (hierna: de bestreden opname). 6.2. In verband met de bestreden opname vermelden de bijlagen bij het laatstgenoemde besluit het volgende: “Zogenaamde Villa Henriette (zie opschrift in schoudergevel). Herenhuis met rechthoekige plattegrond en vierkante toren aan westelijke zijgevel, van circa 1900 in eclectisch stijl met neo-Vlaamse renaissance-elementen, in omringende tuin. Zuidelijke voorgevel van vier traveeën en twee bouwlagen onder schilddak (kunstleien) met dakkapellen. Bakstenen gebouw op vernieuwde breukstenen plint. Rechter risaliet van drie traveeën onder schoudergevel met hardstenen aflijning en aediculum. Vierkante toren met pseudo-galmgaten, onder tentdak met lantaarnbekroning. Overvloedige natuur- en baksteenornamentiek onder meer puilijst, banden, boogvelden en zo meer. Rechthoekige vensters met arduinen dorpels, ontlastingsbogen; bovenverdieping met rondboogvormige ontlastingsbogen en verdiepte versierde velden. Rechthoekige deur in omlijsting van natuursteen met tussendorpel en rechthoekig bovenlicht onder driezijdig fronton; brede bordestrap. Bron: Plomteux G., Steyaert R. & Wylleman L. 1985: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10N2 (Ho-Ra), Brussel - Gent. Auteurs : Wylleman, Linda Datum : 1985”. IV. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van de middelen 7.1. De twee aangevoerde middelen zijn genomen uit de schending van de artikelen 4.1.1, 3°, 4.1.2 en 4.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de artikelen 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.5 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 en van het ministerieel besluit van 17 juli 2015 ‘tot vaststelling van de inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed’ (hierna: het ministerieel besluit van 17 juli 2015), evenals van het X-17.499-5/13 materiëlemotiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7.2. In het verzoekschrift worden de middelen toegelicht met de in randnummer 4.3 aangehaalde argumenten. Daaraan wordt toegevoegd dat de stelling die de verwerende partij bij de weerlegging van het bezwaarschrift van tweede verzoeker heeft ingenomen als zou de vergelijking met de uitspraak van het Milieuhandhavingscollege niet relevant zijn, niet opgaat daar de onderhavige zaak wél vergelijkbaar is met deze uitspraak. 8.1. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat er vragen rijzen over de betrouwbaarheid van de publicatie “Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen”. De auteur is immers, blijkens LinkedIn, een ambtenaar van het overheidsdepartement dat bepaalt welke panden op inventaris werden opgenomen. Bovendien heeft zij een diploma licentiate kunstgeschiedenis en beschikt zij niet over een kwalificatie als architecte. 8.2. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen verder dat de verwerende partij er niet omheen kan dat zij nooit op het terrein zelf de actuele stand van zaken van het gebouw is nagegaan. 8.3. Tot slot wijzen de verzoekende partijen er in hun memorie van wederantwoord op dat tweede verzoeker in zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift aangevoerd heeft dat de villa Henriette in slechte staat verkeert, geen authentieke waarde meer heeft en niet beeldbepalend of uniek is in de buurt. 9. In hun laatste memorie schrijven de verzoekende partijen dat de foto van 16 februari 2018 waarop de verwerende partij zich beroept “niet op het terrein [werd] genomen, doch [gemaakt werd] vanaf de straatzijde [en] enkel een algemeen beeld van de voorgevel [weergeeft], zonder enig detail”. X-17.499-6/13 Beoordeling 10. Met de in randnummer 8.1 weergegeven argumentatie uit de memorie van wederantwoord geven de verzoekende partijen een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan hun middelen. 11. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de overheid, die met betrekking tot de opname in een erfgoedinventaris beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of zij die correct en met een zorgvuldige afweging heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 12. Over het afwegingskader dat gehanteerd wordt om een onroerend goed te waarderen wordt in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 het volgende gesteld: “De inventaris van bouwkundig erfgoed bevat een selectie van het gebouwde patrimonium in Vlaanderen. De term ‘bouwkundig erfgoed’ wordt gehanteerd in de meest ruime zin van het woord […]. Naast de grote, monumentale gebouwen gaat er ook aandacht naar de meer bescheiden architectuur zoals woonhuizen […] Om een gedegen afweging te maken of een onroerend goed kan worden opgenomen in de inventaris, wordt rekening gehouden met de erfgoedwaarden en de selectiecriteria. Die waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. De totale beoordeling vormt het uitgangspunt voor de evaluatie. Voor de opname in de inventaris wordt rekening gehouden met de geografische of de thematische context. Bij deze beoordeling wordt steeds een relevantie voor Vlaanderen voor ogen gehouden. a. De erfgoedwaarden […] Architecturale waarde: Een onroerend goed heeft architecturale waarde als het getuigt van een fase of aspect van de (landschaps)architectuur of de bouwkunst in het verleden. Het kan gaan om typologie, stijl, oeuvre of materiaalgebruik. […] X-17.499-7/13 Historische waarde: Een onroerend goed heeft historische waarde als het getuigt van een (maatschappelijke) ontwikkeling, gebeurtenis, figuur, instelling of landgebruik uit het verleden van de mens […] b. De selectiecriteria […] Herkenbaarheid geeft aan in hoeverre het onroerend goed een goed herkenbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie, uitzicht of vormgeving. Representativiteit geeft aan in hoeverre het onroerend goed typerend is voor een geografische of historische context of een welbepaalde typologie of een bepaald oeuvre. […].” 13. Met de woorden van het bestreden besluit, is de bestreden opname gemotiveerd door het feit dat de villa Henriette een “herkenbaar en authentiek voorbeeld vormt van een vroeg-20ste-eeuws losstaand herenhuis in eclectische stijl” en aldus “getuigt van een fase […] van de […]architectuur of de bouwkunst in het verleden”. De architecturale kwaliteiten van het “eclectisch herenhuis met neo-Vlaamserenaissance elementen” worden in het bestreden besluit gedetailleerd beschreven. Het blijkt niet dat de verwerende partij aldus geen correcte toepassing zou hebben gemaakt van de selectiecriteria “herkenbaarheid” en “representativiteit”. 14. Anders dan de verzoekende partijen beweren, heeft de verwerende partij wel degelijk rekening gehouden met de huidige toestand van de villa Henriette, wat bevestigd wordt door het feit dat in het administratief dossier een op 16 februari 2018 genomen foto van de villa opgenomen is (randnr. 3.2). Uit de gegevens van de zaak volgt dat het ten onrechte is dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie voorhouden dat deze foto “enkel een algemeen beeld […] zonder enig detail” zou weergeven. Anders dan de verzoekende partijen blijkbaar menen, verhindert het enkele feit dat een foto van een woning genomen is vanaf de straat en niet op het terrein zelf, niet dat deze foto voldoende informatie geeft om een opname in de erfgoedinventaris te rechtvaardigen. X-17.499-8/13 15.1. In het verzoekschrift wordt de kritiek herhaald die tweede verzoeker heeft aangevoerd in zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift. De verwerende partij heeft deze kritiek als volgt weerlegd: “6. De inventarisatiemethodologie zoals deze blijkt uit de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 werd volledig gevolgd. Deze bijlage vermeldt dat de Inventarisatiemethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed naast een inleiding volgende onderdelen bevat: (

  1. i)een korte beschrijving van de inventaris; (
  2. ii)de wijze van beschrijving van de erfgoedwaarden; (iii) het afwegingskader dat gehanteerd wordt om het onroerend goed te waarderen: (a.) de erfgoedwaarden; (b.) de selectiecriteria De bezwaarindiener betwist niet dat de methodologie een korte beschrijving van de inventaris bevat. Zij betwist wel dat aan de punten 2 en 3 zou zijn voldaan. De wijze van beschrijving van de erfgoedwaarden 7. De bezwaarindiener stelt dat geen afdoende en grondig onderzoek is gebeurd om met voldoende kennis van zaken de erfgoedwaarde van het goed te kunnen beoordelen. De bezwaarindiener meent dat geen enkele geraadpleegde bron werd opgenomen in de inventaris. 8. De inventarisatiemethodologie zoals opgenomen in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 vermeldt welke bronnen bij het onderzoek worden geraadpleegd, als die beschikbaar en relevant zijn. Het dossier over het pand van de bezwaarindiener, zoals het ter inzage werd gebracht via volgende link https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/13187, verwijst naar het onroerend goed zelf als bron en naar de inventarissen en databanken van het agentschap. Eveneens wordt verwezen naar de wetenschappelijke reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen. Bijgevolg werden er voldoende relevante bronnen bij het onderzoek betrokken. 9. De bezwaarindiener vermeldt geen andere bronnen, die beschikbaar en relevant zouden zijn voor het bouwkundig relict. […] Het afwegingskader 10. Om een afweging te maken of een onroerend goed kan worden opgenomen in de inventaris, stelt de inventarisatiemethodologie dat rekening wordt gehouden met de erfgoedwaarden en de selectiecriteria. Zij worden niet afzonderlijk beschouwd, maar het is de totale beoordeling die het uitgangspunt vormt voor de evaluatie. 11. Als erfgoedwaarden wordt voor het pand van de bezwaarindiener de historische en architecturale waarde aangeduid en toegelicht in de beschrijving. De bezwaarindiener betwist niet dat het pand deze erfgoedwaarden bezit en betwist ook niet de concrete omschrijving van deze waarden. [Hij] stelt enkel dat er geen actuele toetsing zou zijn gebeurd […]. 12. In de inventaris zou, volgens de bezwaarindiener, voor het betreffende pand geen verwijzing terug te vinden zijn naar de selectiecriteria. Dit is niet correct. Het is niet omdat de bewoordingen niet uitdrukkelijk verwijzen naar een selectiecriterium dat niet in de beschrijving van het pand is terug te X-17.499-9/13 vinden dat het onroerend goed aan één (of meerdere) van deze selectiecriteria voldoet. Er wordt onder meer verwezen naar de typologische en vormelijke aspecten van het herenhuis evenals de bouwperiode. Op basis van de beschrijving van het erfgoedobject en de beschreven erfgoedkenmerken en – elementen valt op te maken dat het goed aan volgende erfgoedcriteria voldoet: herkenbaarheid en representativiteit. […] De opname in de inventaris als representatief en herkenbaar voorbeeld van een eclectisch herenhuis met neo-Vlaamserenaissance elementen van ca. 1900 wordt als dusdanig gegrond geacht. 13. De bezwaarindiener meent vervolgens dat door het louter overnemen van de bestaande vaststellingslijst geen rekening wordt gehouden met de Inventarisatiemethodologie. Het onroerend goed was inderdaad reeds opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed van 2009 en nadien vastgesteld in 2014. Het loutere feit dat het pand ook reeds vroeger, op dezelfde wijze, was opgenomen in de inventaris, toont […] niet aan dat de methodologie niet werd gevolgd. Uit de beschrijving en het afwegingskader zoals in [het] ter inzage gelegde dossier opgenomen, blijkt dat de inventarisatiemethodologie wel in rekening werd gebracht. Reeds bij de eerdere vaststellingen werd trouwens vertrokken van eenzelfde wijze van methodologie. Deze werd later net verankerd in het ministerieel besluit van 17 juli 2015. 14. De bezwaarindiener roept tot slot bij dit onderdeel de schending in van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat niet zou zijn nagegaan aan welke selectiecriteria het goed voldoet om te worden opgenomen. Hoger bleek dat deze criteria wel zij af te leiden uit de beschrijving van het pand. Er kan dan ook niet ernstig worden gesteld dat de eigenaar in het ongewisse zou blijven omtrent de motieven voor de opname van het pand op de inventaris. Onvoldoende bewaard 15. De bezwaarindiener werpt op dat conform artikel 4.1.1 Onroerenderfgoedbesluit moet worden onderzocht of het onroerend goed dat men wenst te inventariseren, wel voldoende goed bewaard is. Omdat het pand niet zou zijn bezocht, zou niet kunnen worden nagegaan of het goed voldoende goed bewaard is. Er zou geen deugdelijke inventarisatie en controle van de juridische en feitelijke aspecten van het dossier voorliggen. Het loutere feit dat het reeds was opgenomen in de inventaris zou niet volstaan als bewijs van het feit dat het pand nog over de noodzakelijke en actuele erfgoedwaarde beschikt. De laatste adrescontrole zou dateren van 2007 en er zou niet blijken of het interieur van het pand ook werd onderzocht. 16. Artikel 4.1.1. Onroerenderfgoedbesluit stelt dat een onroerend goed kan worden opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed als het één of meer erfgoedwaarden bezit en voldoende goed bewaard is. In casu werden als erfgoedwaarden de historische en de architecturale waarde aangeduid. De concrete omschrijving hiervan heeft enkel betrekking op de buitenzijde van het gebouw. Het feit dat de ambtenaren geen toegang hebben gevraagd en niet zou blijken of het interieur zou zijn onderzocht, is niet relevant voor de vaststelling van deze erfgoedwaarden. X-17.499-10/13 Om een pand in de inventaris op te nemen volstaat het dat het één van de dertien decretaal bepaalde erfgoedwaarden bezit. In casu liggen die voor, zodat dit volstaat voor een opname in de inventaris. […] 17. De bezwaarindiener lijkt van mening dat ook het interieur diende te worden onderzocht omdat daaruit bijkomende erfgoedwaarden zouden blijken om tot inventarisatie over te gaan. Zij meent dus dat ook het interieur diende te worden opgenomen. Dit brengt niet mee dat de erfgoedwaarden die gekoppeld zijn aan het exterieur niet aanwezig zouden zijn. 18. Een onroerend goed heeft historische waarde als het getuigt van een(maatschappelijke) ontwikkeling, gebeurtenis, figuur, instelling of landgebruik uit het verleden van de mens. Een onroerend goed heeft architecturale waarde als het getuigt van een fase of aspect van de (landschaps)architectuur of de bouwkunst in het verleden. Het kan gaan om een typologie, stijl oeuvre of materiaalgebruik. Dergelijke waarden kunnen niet ‘geactualiseerd’ worden zoals de bezwaarindiener lijkt te suggereren. Ook wanneer het pand in mindere goede staat zou zijn, sinds de eerste vaststellingen daaromtrent, zal het pand deze erfgoedwaarden blijven bezitten. De bezwaarindiener voert niet aan dat het pand werd gesloopt of dermate werd verbouwd dat de vermelde erfgoedwaarden zouden zijn verdwenen. 19. Artikel 4.1.1. Onroerenderfgoedbesluit legt op dat het pand voldoende goed bewaard moet zijn om op een inventaris te kunnen worden opgenomen. De bezwaarindiener beweert niet dat dit niet zo zou zijn, enkel stelt hij dat het diende te worden geverifieerd. In het kader van het openbaar onderzoek is het aan de bezwaarindiener om opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden te geven. De bezwaarindiener merkt in casu niet op dat er geen voldoende goed bewaard pand zou voorliggen. Het mag duidelijk zijn dat, indien hij zou menen dat er geen voldoende goed bewaard pand zou voorliggen, hiervan het nodige feitelijke materiaal zou moeten voorleggen. Ook op de burger rust een zorgvuldigheidsplicht; Op basis van een desktoponderzoek bleek dat het goed in juli 2016 (Mobile Mapping toepassing Informatie Vlaanderen) en mei 2017 (Google Streetview) in voldoende goed bewaarde toestand geregistreerd werd. De bezwaarindiener stelt bijgevolg volledig ten onrechte dat het pand zonder enige verificatie over het voldoende bewaard karakter, werd opgenomen in de inventaris. 20. Er ligt ook geenszins een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel voor. Alle juridische en feitelijke aspecten werden onderzocht en gecontroleerd. De bezwaarindiener betwist geen van deze aspecten in concreto. 21. De vergelijking met de beslissing van het Milieuhandhavingscollege is niet relevant. Dit betreft een volledig andere feitelijke context. […] 22. Bezwaarindiener merkt op dat het pand geen authentieke waarde meer heeft en niet beeldbepalend of uniek is in de buurt. Bovendien moet worden opgemerkt dat het in slechte staat verkeert, zodat een opname niet opportuun of onterecht is. E.e.a. blijk overigens uit de foto’s op de fiche. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de authentieke waarde van een onroerend goed, noch het beeldbepalend of uniek karakter officiële X-17.499-11/13 selectiecriteria voor opname in de inventaris uitmaken. Louter volledigheidshalve dient aangegeven te worden dat het erfgoedrelict in tegenstelling tot wat bezwaarindiener lijkt aan te geven wel degelijk een herkenbaar en authentiek voorbeeld vormt van een vroeg-20ste-eeuws losstaand herenhuis in eclectische stijl. In de gemeente Hove is op heden slechts één gelijkaardig relict gekend dat opgenomen werd in de inventaris bouwkundig erfgoed (erfgoedid 13167/aanduidingsid 107789). Het pand is gelet op haar typologie en erfgoedkenmerken wel degelijk uniek in de buurt. Zoals reeds aangegeven werd op basis van desktoponderzoek vastgesteld dat het goed voldoende bewaard bleef. Bezwaarindiener voegt geen deskundig onderzoek toe aan haar schrijven, waaruit zou blijken dat het goed in een bouwfysische staat verkeert die een opname in de inventaris verhindert. De opname in de inventaris wordt als dusdanig geacht gegrond te zijn.” De middelen zijn niet deugdelijk geadstrueerd doordat de hiervoor geciteerde weerlegging er nauwelijks of niet is in betrokken. 15.2. De verzoekende partijen kunnen er niet van overtuigen dat het onterecht is dat de verwerende partij heeft geoordeeld dat de aangehaalde uitspraak van het Milieuhandhavingscollege “een volledig andere feitelijke context” betreft, zodat die uitspraak niet dienstig kan worden aangewend om af te zien van de bestreden opname. 15.3. Het blijkt niet dat de verwerende partij het bezwaarschrift van de tweede verzoeker niet afdoende zou hebben weerlegd. 16. De conclusie is dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de verwerende partij met de bestreden opname de grenzen van de redelijkheid te buiten zou zijn gegaan of de aangevoerde rechtsregels anderszins zou hebben geschonden. 17. De middelen worden verworpen. V. Kosten 18. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een X-17.499-12/13 Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april 2017. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.499-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.