← België

Arrest 251718 - Plannen van aanleg - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.718 Rolnummer: A. 229470/X-17609 Zaak: Arrest 251718 - Plannen van aanleg - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 11:28 Fiche Arrest nr 251.718 van 1 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.718 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 229.470/X-17.609 In zake : de NV BELTRAMI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD HARELBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9420 Erpe-Mere Schoolstraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Harelbeke van 15 juli 2019 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Natuurgebied Harelbeke Zuid’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.609-1/13 De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Het bestreden besluit heeft betrekking op een park dat is gelegen te Stasegem, ten zuidwesten van het centrum van de stad Harelbeke. Het betreft een park dat vroeger hoorde bij het kasteel-Vanackere, dat in het begin van de jaren ’70 werd afgebroken om plaats te ruimen voor het industriegebied/bedrijventerrein Harelbeke-Stasegem. Het park is gaandeweg verwilderd geraakt, en ligt nu geprangd tussen dit industriegebied/bedrijventerrein en de spoorweg met verhoogde berm. De verzoekende partij is eigenaar van het park en exploiteert naast het park een inrichting voor het bewerken en de opslag van natuursteen: X-17.609-2/13 3.
  6. Het park is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk grotendeels gesitueerd in parkgebied. Het uiterste zuidelijke deeltje ervan ligt in gebied voor milieubelastende industrie. 3.
  7. In opdracht van de stad Harelbeke en na een aantal terreinbezoeken, maakt de intercommunale Leiedal in maart 2017 een zogenaamde natuurtoets van het park op, met een inventarisatie van de in het gebied aanwezige natuurwaarden. 3.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke neemt op 28 maart 2017 kennis van deze natuurtoets en beslist om de mogelijkheid tot herbestemming naar natuurgebied van het park te onderzoeken. 3.
  9. Op 27 juni 2017 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke de principiële beslissing tot de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Parkgebied Harelbeke Zuid’ (hierna: het gemeentelijk RUP). 3.
  10. De gemeenteraad van de stad Harelbeke neemt op 17 juli 2017 kennis van de voormelde beslissing. De procedure tot opmaak van het gemeentelijk RUP wordt formeel opgestart, met achtereenvolgens een start- en procesnota en een scopingsnota. X-17.609-3/13 3.
  11. Op 17 september 2018 brengt de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (de dienst Mer) de stad Harelbeke ter kennis dat voor het plan geen plan-milieueffectrapport (plan-MER) moet worden opgemaakt, op voorwaarde dat de scopingsnota op een aantal punten nog verder wordt uitgewerkt. Uit de conclusies met betrekking tot de plan-milieueffectscreening die zijn opgenomen in de toelichtende nota bij het bestreden gemeentelijk RUP blijkt dat de dienst Mer op 16 november 2018 heeft bevestigd dat geen plan-MER nodig is. 3.
  12. De gemeenteraad van de stad Harelbeke stelt op 17 december 2018 het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. 3.
  13. Gedurende het openbaar onderzoek, dat van 11 januari 2019 tot en met 11 maart 2019 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP wordt georganiseerd, worden drie bezwaarschriften ingediend, waaronder door de verzoekende partij. 3.
  14. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (Gecoro) van de stad Harelbeke verleent op 22 mei 2019 advies over het dossier, en stelt daarbij voor de bezwaren van de verzoekende partij niet in te willigen. 3.
  15. Met het bestreden besluit van 15 juli 2019 stelt de gemeenteraad van de stad Harelbeke het gemeentelijk RUP definitief vast. De gemeenteraad schaart zich achter het advies verleend door de Gecoro en het plan ondergaat geen wijzigingen meer. Het grootste deel van het park krijgt de bestemming natuurgebied met een gedeeltelijke overdruk ‘kasteelvijver’. Een zuidelijk gelegen kleiner gebiedsdeel wordt ingekleurd als ‘zone voor laagdynamische functie’, waar volgens de stedenbouwkundige voorschriften ofwel “een ondergeschikte activiteit van een bedrijf aangrenzend aan de contouren van het RUP met inbegrip van het bedrijf aan de overkant van de openbare weg” kan worden gelokaliseerd, ofwel een autonoom bedrijf dat door zijn schaal en activiteit een beperkte impact heeft op de omgeving. Tussen het ‘natuurgebied’ en de ‘zone voor laagdynamische functie’ bevindt zich een bufferstrook. Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het grafisch plan van het gemeentelijk RUP: X-17.609-4/13 IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 4.
  16. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 1.1.4, 2.1.2, § 3, 2.2.5, 2.2.18 en 2.2.21, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’, alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betoogt dat de motieven om af te wijken van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Harelbeke (hierna: het GRS) niet draagkrachtig zijn en geen steun kunnen bieden voor het gemeentelijk RUP. De verwerende partij blijft in gebreke aan te tonen dat er sprake is van “onvoorziene ontwikkelingen van ruimtelijke behoeften voor maatschappelijke activiteiten”. Er wordt niet verduidelijkt over welke ruimtelijke behoeften voor welke X-17.609-5/13 maatschappelijke activiteiten het gaat. De verwijzing die wordt gemaakt naar de waterproblematiek in het gebied noemt de verzoekende partij “zo lek als een zeef”, nu de studie daarover reeds in 2009 werd opgestart, dit is ruim vóór het herziene GRS, dat pas in 2012 door de deputatie werd goedgekeurd. De voorgehouden waterproblematiek is volgens de verzoekende partij evenmin nieuw. Zij acht het ook weinig ernstig om voor te houden dat de bijkomende bestemming van anderhalve hectare nieuw bedrijventerrein op de totaliteit van het bedrijventerrein van meer dan 100 ha enige impact zou kunnen hebben op de waterproblematiek. Ook is reeds op de watertoetskaart van 2011 te zien dat de gronden als “mogelijk overstromingsgevoelig” zijn aangemerkt, zodat dit niet als “onvoorziene omstandigheid” kan worden aangevoerd. Wat de in het gebied aanwezige natuurwaarden betreft, vindt de verzoekende partij het “bevreemdend” dat dit een “onvoorziene omstandigheid” zou kunnen uitmaken die is opgetreden sedert de goedkeuring van het GRS. In de natuurtoets die de stad Harelbeke liet opmaken, staat letterlijk te lezen dat er in het betreffende gebied “gedurende een aantal decennia weinig of geen inmenging [is] geweest van menselijke activiteiten”. De verzoekende partij acht die natuurtoets ook “erg mager”, nu er bijvoorbeeld geen beschermde diersoorten zijn aangetroffen en er zelfs geen watervogels zijn op of rond de vijver, die dichtgeslibt blijkt te zijn. Het GRS bestempelt het park trouwens als niet waardevol, wat dan “blijkbaar heel snel moet zijn veranderd”. De verzoekende partij besluit dat het duidelijk is dat op die manier niet kon worden afgeweken van het GRS en dat de stad Harelbeke door dit toch te doen, onzorgvuldig heeft gehandeld. 4.
  17. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat “het niet bestaan van documentatie en/of studies over de natuurwaarde” van het kwestieuze gebied” heeft geleid tot de uitspraken in het GRS, en dat die “leemte in de kennis” sedertdien werd opgevuld middels een natuurtoets. Bij de opmaak van het GRS kon de mogelijke natuurontwikkeling van het park niet worden voorzien, gelet op het gebrek aan studies over de natuurwaarden. Naar aanleiding van drie terreinbezoeken werden die natuurwaarden geïnventariseerd, en werd ook vastgesteld dat het gebied “een sterke en uitermate positieve impact heeft op de luchtkwaliteit, een punt dat toch wel zeer belangrijk is in dergelijke industriële X-17.609-6/13 omgeving”. Het vroegere park is door het nulbeheer mettertijd geëvolueerd naar een bospark met een vrijwel “gesloten bladerendek”. Een omzetting naar bedrijventerrein zou de natuurwaarden volledig verloren doen gaan, hetgeen moeilijk te verantwoorden is. Met de belangen van de verzoekende partij werd zo veel als mogelijk rekening gehouden en er is voortdurend een dialoog met haar geweest. De toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid om van het GRS af te wijken wordt grondig gemotiveerd. Vervolgens verwijst de verwerende partij naar de revitaliseringsstudie die werd opgestart in 2009 en werd opgesteld naar aanleiding van een verouderingsproblematiek van het ganse bedrijventerrein, en dus niet enkel voor het parkgebied. Die studie resulteerde in een projectnota van juni 2012, dit is ná de definitieve vaststelling van het GRS, en leverde nieuwe gedetailleerde kennis betreffende de waterproblematiek op. De opmaak van het GRS en de revitaliseringsstudie verliepen bijna simultaan, en de problematiek van de wateroverlast en de rol van het parkgebied daarin kunnen als een “onvoorziene ontwikkeling” worden beschouwd. De revitaliseringsstudie wijst uit “dat de bestaande pompen onvoldoende capaciteit hebben”, en bevat de aanbeveling om de onbebouwde delen van het industrieterrein te gebruiken als bufferbekken en het betrokken gebied niet te bebouwen en te behouden als groene ruimte. Het park heeft immers een zeer groot waterbergend vermogen en een groot nut voor de wateropvang en waterinfiltratie. Dit wordt ook zo gemotiveerd in de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP. Concluderend stelt de verwerende partij dat de afwijking van het GRS steun vindt in de natuurtoets van 2017 en de revitaliseringsstudie van juni
  18. Zij meent “dat de maatschappelijke activiteit er één is als natuurgebied, welke een grote impact heeft op fauna en flora als op de waterproblematiek van het grotere gebied”, zoals ook wordt benadrukt in de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP. 4.
  19. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord het “frappant” te vinden dat de verwerende partij nu argumenteert dat zij haar GRS “zonder zorgvuldig onderzoek” heeft opgemaakt, “om te vergoelijken dat ze X-17.609-7/13 vandaag haar geweer van schouder verandert”. De memorie van antwoord staat bol van post factum-motieven om de afwijking van het GRS te rechtvaardigen. De “dialoog” waarover de verwerende partij het heeft, werd gevoerd met de vorige eigenaar en doet niets af aan de onwettigheid van het gemeentelijk RUP. De resultaten van de revitaliseringsstudie waren maar al te goed bekend bij de herziening van het GRS en de verwerende partij kan zich niet verschuilen achter een onzorgvuldig opgesteld GRS. De natuurwaarden van het park zijn sedert het GRS niet meer gewijzigd, en er worden dus geen onverwachte of onvoorziene omstandigheden aangetoond. 4.
  20. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat het GRS niet de duidelijke taakstelling geeft “dat er koste wat kost een omvorming naar industriegebied dient te komen”. Met de gegevens die toen voorhanden waren werd “de stelling geuit dat het misschien zou passen om deze omvorming te verwezenlijken, echter zonder enige verplichting”. In het GRS worden zelfs nog verschillende mogelijkheden vooropgesteld voor een eventuele compensatie. Dit duidt erop dat de omvorming van het parkgebied naar een gebied voor (milieubelastende) industrie zeker geen vaststaand gegeven was. De opmaak van het gemeentelijk RUP houdt derhalve geen afwijking in van het richtinggevend gedeelte van het GRS, “zo niet kan niet anders dan worden gesteld dat [...] er wel degelijk sprake is van een onvoorziene omstandigheid”. Beoordeling 5.
  21. Het door de verzoekende partij geschonden geachte artikel 2.1.2, § 3, VCRO bepaalt in zijn toepasselijke versie dat een overheid niet mag afwijken van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan, “tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen”. De uitzonderingsgronden voor een afwijking moeten volgens dezelfde bepaling “uitgebreid gemotiveerd” worden, en “mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. X-17.609-8/13 5.
  22. Het richtinggevend gedeelte van het GRS, zoals herzien en definitief vastgesteld door de gemeenteraad van de verwerende partij op 16 april 2012 en goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen op 12 juli 2012, bepaalt: “In kader van de optimalisering van het industrieterrein Harelbeke-Stasegem past eveneens de omvorming van het parkgebied naar industriegebied, als uitbreiding voor het bedrijf Beltrami. Ruimtelijk bestaat hiervoor weinig bezwaar. Het parkgebied (restant van een voormalig kasteelpark) is niet meer functioneel op deze plek. Het wordt omringd door bedrijvigheid en wordt van de stedelijke woonomgeving afgesneden door de spoorwegtalud. De recreatieve waarde ervan is hierdoor zeer beperkt. De groene corridor langs de spoorweg dient wel behouden te blijven in functie van zijn verbindende rol in de natuurlijke structuur. De bestemming parkgebied wordt beter voorbehouden voor zones waar een parkfunctie een waardevolle betekenis heeft. Er wordt daarom voorgesteld om de omzetting van parkgebied naar milieubelastende industrie te compenseren. De herbestemming van de Groeningeververij tot woonpark (met een ruime zone voor openbaar park) vormt de ideale pasmunt en is reeds via een RUP geconcretiseerd. De realisatie van het project wordt op korte termijn gepland. Een andere mogelijkheid is het voorzien van parkgebied tussen de weerhouden zoekzone voor lokale bedrijvigheid langs de Bavikhoofsestraat en de dichtstbij gelegen woningen. Het parkgebied kan hierbij een multifunctionele rol vervullen: als buffer en als nieuw openbaar park voor Bavikhove, dat aan het netwerk voor traag verkeer wordt gekoppeld via een verloren gegane voetweg. Voor deze compensatie werd nog geen planinitiatief ondernomen.” 5.
  23. De voormelde richtinggevende bepalingen van het GRS voorzien derhalve duidelijk in de omvorming van het kwestieuze parkgebied naar industriegebied, “als uitbreiding voor het bedrijf Beltrami”. Anders dan de verwerende partij in haar laatste memorie voorhoudt, wijkt de door het gemeentelijk RUP voor dit gebied voorziene bestemming ‘natuurgebied’ van deze bepalingen af. Dit laatste wordt overigens ook door de Gecoro erkend, die stelt dat “[d]e omzetting naar natuurgebied [inderdaad] [af]wijkt van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. In de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP geeft de plannende overheid de volgende verantwoording voor die afwijking: X-17.609-9/13 “Op vandaag bestaat er ondertussen een nieuwe beleidsoptie op het parkgebied. In het GRS wordt er uit gegaan van de veronderstelling dat het parkgebied geen enkele ruimtelijke kwaliteit meer heeft. Vooral de contextloze ligging en de jarenlange verwaarlozing van het park spelen hier een grote rol in. Het enige (volgens het GRS) te behouden deel zou de groene corridor langs de spoorweg zijn. Bij deze beoordeling wordt het parkgebied enkel beschouwd vanuit een strikt juridisch en recreatief oogpunt, los van de feitelijke situatie. Dit is éénzijdige benadering waar heel wat kanttekeningen bij te maken zijn. Bovenstaande paragraaf is aan het GRS toegevoegd na een opmerking uit het openbaar onderzoek (conform artikel 2.1.3 § 9) waardoor er nooit een geïntegreerde beoordeling van het parkgebied gebeurde, waarbij ook het ecologisch, natuurlijk en maatschappelijk element aan bod komen. In de eerder gemaakte natuurtoets werd het voormalige parkgebied beoordeeld in een ruimere waardering. Dit stelde het parkgebied in een heel ander daglicht. Zoals eerder aangegeven is er net door de jarenlange verwaarlozing, nulbeheer en de contextloze ligging weinig of geen recreatieve waarde voor het parkgebied. De ecologische waarde is dan weer in overgrote mate aanwezig. Het stadsbestuur wenst met dit RUP dan ook beroep te doen op artikel 2.1.2 § 3 waar vermeld wordt dat er enkel kan afgeweken worden van het richtinggevend gedeelte van het GRS door onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten (...). Tijdens de studie voor de revitalisering van het bedrijventerrein Harelbeke-Stasegem werden de verschillende problematieken aangeduid en verder onderzocht. Eén van deze problematieken bleek de waterproblematiek en de overstromingsgevoeligheid waar het bedrijventerrein mee kampt. Uit een controle is gebleken dat de bestaande pompen over onvoldoende capaciteit beschikken. Dit is het gevolg van de grote verharde oppervlakte op het bedrijventerrein gecombineerd met een beperkte buffering. Deze onvoldoende capaciteit resulteert bij hevige regenval in wateroverlast op verschillende locaties op het bedrijventerrein. Het uitvoeren van de bovenstaande paragraaf uit het GRS en het parkgebied aldus ontwikkelbaar maken zou het waterbergend vermogen van het plangebied zwaar aantasten en de waterproblematiek van het bedrijventerrein enkel vergroten. Bovendien is het noordoostelijk deel van het plangebied aangeduid als mogelijks overstromingsgevoelig gebied. Het ontwikkelen van deze zone zou problematische gevolgen hebben voor het bedrijventerrein en mogelijks de directe omgeving van het bedrijventerrein. In het GRS wordt voorgesteld om de omzetting van het parkgebied naar milieubelastende industrie te compenseren op een plaats waar de recreatieve waarde hoger zou zijn (woonomgeving). Deze compensatie zou de woonomgeving van de Groeningeververij kunnen opwaarderen met een openbaar park. Een andere optie was het voorzien van een park tussen de X-17.609-10/13 weerhouden zoekzone voor lokale bedrijvigheid langs de Bavikhoofsestraat en de dichtstbij gelegen woningen. Het parkgebied kan hierbij een multifunctionele rol vervullen: als buffer en als nieuw openbaar park voor Bavikhove, dat aan het netwerk voor traag verkeer wordt gekoppeld via een verloren gegane voetweg. Beide van deze compensaties doelen op het verloren gaan van de recreatieve waarde van het parkgebied zonder rekening te houden met de hoge ecologische en biologische waarden die het plangebied bezit. In de natuurtoets werd uitvoerig beschreven dat vooral de jarenlange verwaarlozing en nulbeheer de oorzaak zijn van de hoge natuurwaarden en dat dergelijke natuurwaarden heel moeilijk (en duur) te compenseren zijn. Het oorspronkelijke park is een biotoop geworden van talrijke fauna- en flora elementen. Hoogstammige bomen van dergelijke ouderdom kunnen niet zomaar gecompenseerd worden in een nieuw park. Het nieuwe park zou daardoor heel wat tijd nodig hebben om dezelfde natuurwaarden te bezitten als het bestaande parkgebied en zou overigens een volledig andere (meer recreatieve) functie meekrijgen. De hoge ecologische waarde van het plangebied werd hier buiten beschouwing gelaten.” 5.
  24. Het toepasselijke artikel 2.1.2, § 3, VCRO vereist, zoals gezien, dat de uitzonderingsgronden voor een afwijking van het richtinggevend gedeelte van een structuurplan “uitgebreid gemotiveerd” worden. Enkel met de onder randnummer 5.3 vermelde, uitgedrukte motieven kan rekening worden gehouden om de verantwoording van de afwijking van de richtinggevende bepalingen van het GRS te beoordelen. De argumentatie die de verwerende partij daartoe bijkomend in haar procedurestukken aanvoert, is niet dienstig. 5.
  25. Dat de door de intercommunale Leiedal opgestelde natuurtoets eerst op 28 maart 2017 aan het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij werd ter kennis gebracht, kan niet doen voorbijzien dat de aanwezige natuurwaarden reeds bij het beleidsvoorbereidend onderzoek van het GRS hadden kunnen betrokken worden. Dat het bestuur de natuurwaarden van het park bij de wijziging van het GRS in 2012 veeleer wetens en willens niet bij haar beoordeling heeft betrokken, blijkt bevestiging te vinden in de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP, die stelt dat het park bij die opmaak van het GRS “enkel [wordt] beschouwd vanuit een strikt juridisch en recreatief oogpunt, los van de feitelijke situatie”, wat neerkomt op een “éénzijdige benadering waar heel wat kanttekeningen bij te maken zijn”. De omstandigheid dat het bestuur thans middels het gemeentelijk RUP invulling wil geven aan een andere ruimtelijke behoefte dan X-17.609-11/13 deze vertolkt in het richtinggevend gedeelte van het GRS, doet geenszins blijken van een “onvoorziene” ontwikkeling van een ruimtelijke behoefte van een maatschappelijke activiteit die zou toelaten om van het GRS af te wijken. Evenmin kan de aangevoerde waterproblematiek als een dergelijke “onvoorziene” ontwikkeling begrepen worden, nu de verwerende partij haar uiteenzetting daaromtrent uitsluitend steunt op gegevens die dateren van 2012 en eerder, zoals vermeld in de revitaliseringsstudie. Reeds in 2009 gaf de gemeenteraad de opdracht tot het opstarten van de onder meer op de waterproblematiek betrekking hebbende revitaliseringsstudie. Dat die studie “werd gefinaliseerd in een projectnota van juni 2012”, dit is kort na de definitieve vaststelling van het herziene GRS door de gemeenteraad op 16 april 2012 en vóór de goedkeuring ervan door de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen op 12 juli 2012, doet niet anders besluiten. De waterproblematiek, zoals geformuleerd in de toelichtende nota, betreft een element dat, net als de natuurwaarde van het kwestieuze gebied, reeds bij het beleidsvoorbereidend onderzoek van het GRS had kunnen betrokken worden, zodat er bij de goedkeuring van het GRS rekening mee gehouden kon zijn. Noch de in de motivering aangevoerde waterproblematiek, noch de daarin aangevoerde ecologische waarde van het kwestieuze parkgebied wijzen een onvoorziene evolutie uit van “de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten”. 5.
  26. Gelet op wat voorafgaat, moet aangenomen worden dat de onder randnummer 5.3 vermelde verantwoording niet voldoet aan de door artikel 2.1.2, § 3, gestelde vereiste tot afwijking van de richtinggevende bepalingen van het GRS. 5.
  27. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-17.609-12/13 BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Harelbeke van 15 juli 2019 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Natuurgebied Harelbeke Zuid’.
  29. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  30. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.609-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.