← België

Arrest 251719 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.719 Rolnummer: A. 231259/X-17754 Zaak: Arrest 251719 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-11 11:29 Fiche Arrest nr 251.719 van 1 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.719 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 231.259/X-17.754 In zake : de NV PELCKMANS TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Jean-Christophe Beyers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout waarbij aan Proost – Van Gorp NV een socio-economische vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de uitbreiding met 13.529 m² netto-verkoopsoppervlakte van het tuincentrum gelegen te 2300 Turnhout, Kleine Reesdijk 79 naar een totale oppervlakte van 19.523 m²”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.754-1/14 De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jean-Christophe Beyers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RVS-wet). III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij baat aan de Parklaan 2 te Turnhout, dit is de zuidelijke ringweg rond de stad, een vijver- en tuincentrum uit. De nv Proost – Van Gorp baat een bedrijf uit aan de Kleine Reesdijk 79 te Turnhout, op korte afstand van de gewestweg N19 die aansluit op de zuidelijke ringweg rond Turnhout. 3.
  5. Op 22 augustus 2002 verkrijgt de nv Proost – Van Gorp van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout een socio-economische machtiging, waarbij echter het aangevraagde gedeelte tuindecoratie wordt geweigerd, en de vestiging voor het overige wordt aanvaard voor zover “de nadruk ligt op de verkoop van zelf gekweekte bloemen en planten”. X-17.754-2/14 Deze socio-economische machtiging betreft een netto-verkoopoppervlakte van 6.000 m². 3.
  6. In maart 2014 dagvaardt de verzoekende partij de nv Proost – Van Gorp om te verschijnen voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Turnhout, wegens het uitbaten van een handelszaak in strijd met de voorschriften van de ruimtelijke-ordeningsreglementering en de wetgeving op de handelsvestigingen. 3.
  7. Op 14 mei 2014 dient de nv Proost – Van Gorp een aanvraag in voor “de regularisatie van de uitbreiding met 13.529 m² netto verkoopsoppervlakte van het tuincentrum naar een totale oppervlakte van 19.523 m²”. Met een besluit van 7 augustus 2014 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout “goedkeuring aan de aanvraag tot regularisatie van tuincentrum Proost-Van Gorp nv [...] met een totale netto verkoopsoppervlakte van 19.523 m², waarvan 4.500 m² in open lucht”. 3.
  8. Op 12 maart 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij aan de nv Proost – Van Gorp een milieuvergunning “mits de exploitatie zich beperkt tot agrarische en para-agrarische activiteiten”. Gesteld wordt dat de eerder op 7 augustus 2014 aan de nv Proost – Van Gorp verleende socio-economische vergunning “ongeldig [is] voor wat betreft een deel van de aanvraag, zijnde 1.500 m² voor tuindecoratie”. Op diezelfde datum dient de nv Proost – Van Gorp bij de verwerende partij een aanvraag tot het verkrijgen van een planologisch attest in. Tijdens het openbaar onderzoek over deze aanvraag dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in. 3.
  9. Met een besluit van 14 december 2015 verleent de gemeenteraad van de stad Turnhout een planologisch attest, waarin wordt gesteld “dat het bedrijf Proost – Van Gorp NV op zijn huidige locatie behouden kan blijven, om het bedrijf zijn behoeften op korte termijn toe te staan en om [voor] het bedrijf een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken”, en waarbij “minstens […] X-17.754-3/14 de nodige aandacht [moet] worden geschonken aan de landschappelijke inkleding van het bedrijf”, het “wenselijk [is] dat rondom de bedrijfsgebouwen een landschappelijk gepaste groenbuffer wordt voorzien”, het “niet wenselijk [is] dat de mobiliteitsdruk in de toekomst sterk toeneemt”, en “de oppervlakte of het aandeel aanvullende assortimenten […] ondergeschikt [moet] blijven aan de agrarische kweekactiviteiten van het bedrijf”. 3.
  10. Op vordering van de verzoekende partij vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 235.086 van 14 juni 2016 het onder randnummer 3.4 vermelde besluit van 7 augustus 2014 om reden dat een eigen onderbouwd standpunt van de verwerende partij ter zake van de planologische verenigbaarheid van het gevraagde ontbreekt. Na dit vernietigingsarrest vraagt de nv Proost – Van Gorp aan de verwerende partij op 23 juni 2016 om een nieuwe beslissing over de aanvraag tot sociaal-economische vergunning te nemen. 3.
  11. Met een besluit van 15 september 2016 verleent de verwerende partij goedkeuring aan “de aanvraag socio-economische [vergunning] i.f.v. de regularisatie van tuincentrum Proost – Van Gorp NV, Kleine Reesdrijk 79 te Turnhout met een totale nettohandelsoppervlakte van 19.523m² waarvan 4.500m² in open lucht”. Het college verwijst daarbij uitdrukkelijk naar het onder randnummer 3.6 vermelde planologisch attest. 3.
  12. De door de verzoekende partij ingestelde stakingsvordering (zie randnummer 3.3) is bij een vonnis van de rechtbank van koophandel te Turnhout van 26 november 2015 ingewilligd. Bij arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 10 november 2016 is dit door de eerste rechter bevolen stakingsbevel opgeheven. Met een arrest van 14 juni 2018 vernietigt het Hof van Cassatie het voormelde arrest, “behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en het oordeelt over het incidenteel beroep”. 3.
  13. De verzoekende partij heeft tegen de onder randnummer 3.8 vermelde socio-economische vergunning een vernietigingsberoep bij de Raad van X-17.754-4/14 State ingediend. Met zijn arrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 vernietigt de Raad van State die vergunning “aangezien het planologisch attest van 14 december 2015 onwettig is” en “het bestreden besluit […] voor zijn planologische toets op dit planologisch attest steunt” . 3.
  14. De verzoekende partij legt uit dat zij vervolgens bij de verwerende partij heeft aangedrongen op het nemen van een nieuwe beslissing in het socio-economische aanvraagdossier. Met een brief van 4 juni 2020 laat de verwerende partij weten dat “de bewering dat de NV Proost – Van Gorp thans niet over een socio-economische vergunning beschikt […] foutief [is] en in strijd met de procedureregeling conform de oude Handelsvestigingenwet”. 3.
  15. De verwerende partij betwist niet dat zij, volgend op de betekening van ’s Raads voormelde vernietigingsarrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 heeft nagelaten om binnen de wettelijk voorgeschreven termijn een beslissing te nemen over de bij haar ingediende socio-economische vergunningsaanvraag. Het toepasselijke artikel 8, § 3, van de wet van 13 augustus 2004 ‘betreffende de vergunning van handelsvestigingen’ (hierna: de handelsvestigingenwet) voorziet dat bij ontstentenis van tijdige betekening van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een aanvraag tot het verkrijgen van een handelsvestigingsmachtiging, “de beslissing geacht [wordt] gunstig te zijn”. Die stilzwijgende beslissing is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 4.
  16. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ en van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-17.754-5/14 Zij zet uiteen dat het bestreden besluit “een stilzwijgende beslissing [is] die, net omwille van haar stilzwijgend karakter, gekenmerkt wordt door een gebrek aan formele motivering”. Het ontbreken van een formele motivering maakt het niet mogelijk om uit te maken “op welke gronden het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout er, in weerwil van de reeds tussengekomen vernietigingsarresten van Uw Raad, is toe gekomen om aan de NV Proost – Van Gorp toch een socio-economische vergunning toe te kennen”. De verzoekende partij verwijst naar “vaste rechtspraak” van de Raad van State inzake dergelijke stilzwijgende beslissingen die “steevast worden vernietigd”, en waarvan de redenering “naadloos [kan] worden getransponeerd naar huidige casus”. Ook hier “zijn er immers geen voor de hand liggende motieven aanwezig voor het verlenen van de socio-economische vergunning, […] wel integendeel”. Het verleende planologisch attest is immers onwettig, en de in de vestiging “uitgeoefende louter commerciële activiteiten, bestaande uit de verkoop van (tuin)decoratie en potterie [zijn] niet bestaanbaar […] met het gewestplanvoorschrift agrarisch gebied”. 4.
  17. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het niet zo is dat stilzwijgende vergunningen “de facto” door de Raad van State worden vernietigd. Uit de stukken van het dossier kan blijken waarom zij tot haar beslissing is gekomen. Inzonderheid is er het planologisch attest “op grond waarvan de socio-economische vergunningsaanvraag volledig vergund kan worden”. De omstandigheid dat dit attest reeds door de Raad van State onwettig werd verklaard, is niet relevant. Verzoeksters redenering gaat voorbij aan de draagwijdte van de onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet. Die onwettigverklaring geldt enkel in de vernietigingsprocedure gericht tegen de op 15 september 2016 verleende vergunning. Het planologisch attest werd niet uit het rechtsverkeer verwijderd, is “nog steeds verbindend in andere zaken/procedures waarin een andere (vergunnings)beslissing wordt bestreden” en blijft gedekt door het vermoeden van wettigheid. De verzoekende partij beroept zich in haar middel niet op de onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet ten aanzien van het planologisch attest. X-17.754-6/14 4.
  18. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat uit niets blijkt dat de stilzwijgende socio-economische vergunning werd verleend op grond van het planologisch attest dat met ’s Raads arrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 onwettig werd bevonden en conform artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing werd verklaard. Zij had bij het instellen van haar beroep het raden naar de motieven op grond waarvan de bestreden stilzwijgende beslissing werd genomen. De verwerende partij is dan ook slecht geplaatst om haar te verwijten dat zij in de huidige procedure artikel 159 van de Grondwet tegen het planologisch attest had moeten inroepen. De verwijzing die de verwerende partij naar dat attest maakt, betreft een loutere a posteriori motivering die het ontbreken van enige formele motivering niet kan herstellen. De verzoekende partij meent dat het standpunt van de verwerende partij getuigt van manifest onzorgvuldig bestuur, nu zij blijkbaar van oordeel is dat zij het voormelde arrest van de Raad van State naast zich neer kan leggen. Beoordeling 5.
  19. De bestreden beslissing betreft een fictieve beslissing, die zelf geen enkel formeel motief bevat dat de inwilliging van de aanvraag zou kunnen schragen. Integendeel blijkt de fictieve beslissing enkel het gevolg van het verstrijken van de in artikel 8, § 3, van de handelsvestigingenwet bedoelde betekeningstermijn. Het administratief dossier blijkt evenmin enig stuk of gegeven te bevatten dat het verlenen van de vergunning voor het project kan schragen. 5.
  20. De verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord tevergeefs naar het planologisch attest van 14 december 2015, op grond waarvan de socio-economische vergunningsaanvraag volgens haar volledig vergund zou kunnen worden. Met ’s Raads arrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 werd geoordeeld dat “[a]angezien het planologisch attest van 14 december 2015 onwettig is, [...] het bestreden besluit dat voor zijn planologische toets op dit planologisch attest steunt, evenzeer onwettig [is]”. Anders dan de verwerende partij dit ziet, is zij door dit dragend motief van ’s Raads vernietigingsarrest X-17.754-7/14 gebonden. Het door de Raad van State onwettig bevonden planologisch attest kan geen grondslag bieden voor het verlenen van een socio-economische vergunning. Voorts heeft de Raad met zijn arrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 geoordeeld dat de geviseerde activiteiten van de nv Proost – Van Gorp niet met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied verenigbaar zijn. De verzoekende partij heeft bij de uiteenzetting van haar middel op goede gronden op beide voormelde wettigheidsbezwaren gewezen. 5.
  21. Gelet op wat voorafgaat, moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel door de bestreden beslissing worden aangenomen. 5.
  22. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. V. Vraag tot substitutie Standpunt van de partijen 6.
  23. De verzoekende partij vraagt om de toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, RvS-wet, dat in een substitutiebevoegdheid voorziet indien de vergunningverlenende overheid na vernietiging over een gebonden bevoegdheid beschikt. Dit laatste is te dezen het geval. De verwerende partij zal alleen nog kunnen vaststellen dat de kwestieuze aanvraag strijdig is met de gewestplanbestemming agrarisch gebied en niet voor vergunning in aanmerking komt. Dit geldt “eens te meer” nu met ’s Raads arrest nr. 246.779 van 21 januari 2020 tot de onwettigheid van het aan de nv Proost – Van Gorp verleende planologisch attest werd besloten, en werd geoordeeld dat de door deze vennootschap uitgeoefende louter commerciële activiteiten, bestaande uit de verkoop van (tuin)decoratie en potterie, niet bestaanbaar zijn met het gewestplanvoorschrift agrarisch gebied. 6.
  24. In haar memorie van antwoord verzet de verwerende partij zich tegen het “verzoek tot substitutie” van de verzoekende partij. Zij betoogt dat de bevoegdheid van de Raad van State tot indeplaatsstelling “een beperkt karakter” heeft en slechts “onder bepaalde stringente voorwaarden” kan worden uitgeoefend. X-17.754-8/14 Er moet sprake zijn van een “zuiver gebonden bevoegdheid”, en het toepassen van die mogelijkheid mag niet in strijd komen met “het beginsel van de scheiding der machten”. De Raad van State moet met die bevoegdheid “spaarzaam” omgaan en mag er slechts “hoogst uitzonderlijk” gebruik van maken. Indien er nog “een marge van beoordeling bestaat en de bestuursrechter niet zonder meer van het tegendeel kan uitgaan”, behoort hij een verzoek tot substitutie af te wijzen. De verwerende partij stelt dat die marge in casu nog voorhanden is en verwijst daartoe naar het planologisch attest dat “niet uit het rechtsverkeer verdwenen is” en dat tot gevolg heeft “dat de aangevraagde te regulariseren handelingen vatbaar zijn voor socio-economische vergunning, gesteund op dat planologisch attest”. In dat opzicht meent de verwerende partij nog steeds te beschikken over een discretionaire bevoegdheid om te oordelen over de vergunningsaanvraag. Nu de verzoekende partij zich in het annulatiemiddel niet beroept op de onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet om het planologisch attest buiten toepassing te laten, bestaat er na een gebeurlijk vernietigingsarrest geen “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” om de aanvraag op grond van dat attest te vergunnen. Het beginsel van de scheiding der machten verbiedt “dat een rechter zich, zoals het bestuur, een autonome beslissingsbevoegdheid zou toe-eigenen”. Indien de Raad van State toch van oordeel zou zijn dat een substitutie zich opdringt, “los van het vernietigingsmotief, in deze beperkt tot de motivering”, suggereert de verwerende partij om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 36, §1, tweede lid Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de bepalingen en beginselen die door de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid en verhoudingen tussen het bestuur en de rechtscolleges, waaronder het grondwettelijk principe van de scheiding der machten, in zoverre uit de draagwijdte van voormeld artikel 36, §1, tweede lid Gecoördineerde Wetten op de Raad van State zou volgen dat de indeplaatsstelling wordt bevolen in geval van een gebonden bevoegdheid in hoofde van de verwerende partij, zonder rekening te moeten houden met het voor de vernietiging noodzakelijk ontvankelijk en gegrond bevonden middel tot vernietiging?” 6.
  25. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat er “in deze veel meer aan de hand is dan een louter motiveringsgebrek”. De X-17.754-9/14 verwerende partij zal na een gebeurlijk vernietigingsarrest slechts een gebonden bevoegdheid hebben en zal tot het besluit moeten komen dat de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komt. De verwerende partij wist reeds na het vorige vernietigingsarrest duidelijk “van geen hout meer pijlen te maken” en heeft daarom de beslissingstermijn laten verstrijken en de vergunning stilzwijgend verleend. De gesuggereerde prejudiciële vraag gaat uit van een “foutieve premisse” en komt neer op “een dilatoir manoeuvre dat laakbaar is zoals de ganse houding gedurende vele jaren van de stad in dit dossier”. Beoordeling 7.
  26. Artikel 36, §1, tweede lid, RvS-wet luidt: “Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de substitutiebevoegdheid om “redenen van efficiëntie” aan de Raad van State werd toegekend, met name wanneer “de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de bestuurlijke overheid”, waarbij onder meer gedacht wordt aan “de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26-27). 7.
  27. Zoals hiervoor gezien, onder randnummer 5.2, heeft de verzoekende partij bij de uiteenzetting van haar middel op goede gronden de strijdigheid van het gevraagde met de gewestplanbestemming en de onwettigheid van het planologisch attest aangevoerd, en is de verwerende partij door de dragende motieven van ’s Raads meervermelde vernietigingsarrest gebonden. Zoals daarin geoordeeld, zijn de geviseerde activiteiten van de nv Proost – Van Gorp strijdig met de gewestplanbestemming agrarisch gebied en is het aan deze X-17.754-10/14 vennootschap verleende planologisch attest onwettig, zodat het geen grondslag kan bieden voor het verlenen van de gevraagde socio-economische vergunning. De verwerende partij die opnieuw uitspraak over de kwestieuze aanvraag dient te doen, heeft dan ook geen andere mogelijkheid dan de vergunning te weigeren; zij heeft geen enkele appreciatiemarge meer en haar bevoegdheid terzake is gebonden. 7.
  28. De door de verwerende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof (zie randnummer 6.2) berust op het foutieve uitgangspunt dat bij de gevraagde indeplaatsstelling geen rekening zou worden gehouden met “het voor de vernietiging noodzakelijk ontvankelijk en gegrond bevonden middel tot vernietiging” en dient niet te worden gesteld. 7.
  29. Bijgevolg is er reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de verwerende partij over de op 14 mei 2014 ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een socio-economische vergunning van de nv Proost - Van Gorp. VI. Kosten Standpunt van de partijen 8.
  30. In het inleidend verzoekschrift vraagt de verzoekende partij om de verwerende partij te veroordelen tot het betalen van de “maximale” rechtsplegingsvergoeding van 1.400 €, “rekening houdend met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie”. Zij schetst de administratieve voorgeschiedenis van de bestreden beslissing, waarmee de verwerende partij volgens haar “kleur [zou hebben] bekend […] om de verdere oneerlijke marktpraktijken van de NV Proost – Van Gorp verder te kunnen blijven toedekken” en zodoende “hand- en spandiensten” heeft verleend voor die “onwettige marktpraktijken”. Alles wijst volgens de verzoekende partij op “onzorgvuldig bestuur”, wat de toekenning van de dubbele rechtsplegingsvergoeding wettigt. X-17.754-11/14 8.
  31. In haar memorie van antwoord verzet de verwerende partij zich tegen de toekenning van een verhoogde rechtsplegingsvergoeding. Zij meent dat de verzoekende partij zich ter ondersteuning van haar vordering bedient van bewoordingen die “roekeloos” zijn en die neerkomen op “aantijgingen die enkel en alleen maar voortkomen uit de onderliggende verhouding tussen de twee kemphanen in de sfeer van de tuincentra”. De verwerende partij distantieert zich van de uitspraken van de verzoekende partij, “die volstrekt uit de lucht gegrepen zijn”. Zij wijst erop dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat het toekennen van een bepaald bedrag aan rechtsplegingsvergoeding “geen sanctionerend karakter heeft” en dat in dat kader geen rekening kan worden gehouden met “de (proces)houding van de verwerende partij in andere, voorafgaande rechtsgedingen”. 8.
  32. In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot een verwijzing naar het inleidend verzoekschrift. Beoordeling 9.
  33. Overeenkomstig artikel 30/1 RvS-wet kan de afdeling bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Luidens artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, RvS-wet: “§
  34. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie”. X-17.754-12/14 De voormelde bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. 9.
  35. De vraag tot verhoging van de rechtsplegingsvergoeding blijkt in essentie een sanctionerend oogmerk te hebben, gericht tegen de houding van de verwerende partij, die “onwettige marktpraktijken” zou willen mogelijk maken en van “onzorgvuldig bestuur” blijk zou geven. Dit past niet binnen het raam van het criterium van “de kennelijk onredelijke aard van de situatie”, waarop de verzoekende partij zich beroept. De rechtsplegingsvergoeding strekt ertoe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat in de procedure voor de Raad van State, en heeft geen sanctionerend karakter. De verzoekende partij doet te dezen niet blijken van een “kennelijk onredelijke situatie” in de zin van de aangehaalde bepaling. 9.
  36. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat er geen bijzondere redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te verhogen. BESLISSING
  37. De Raad van State vernietigt de stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout waarbij aan de nv Proost – Van Gorp een socio-economische vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de uitbreiding met 13.529m² netto-verkoopsoppervlakte van het tuincentrum gelegen te 2300 Turnhout, Kleine Reesdijk 79 naar een totale oppervlakte van 19.523m².
  38. De op 14 mei 2014 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout ingediende aanvraag van de nv Proost – Van Gorp voor de regularisatie van de uitbreiding met 13.529 m² netto verkoopsoppervlakte X-17.754-13/14 van het tuincentrum naar een totale oppervlakte van 19.523 m² wordt geweigerd.
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.754-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.719 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.