id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.723 Rolnummer: A. 234629/IX-9948 Zaak: Arrest 251723 - Examens (onderwijs) - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-04 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 11:31 Fiche Arrest nr 251.723 van 1 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.723 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 234.629/IX-9948 In zake: Justine GEVAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Gillis en Dominique De Waele kantoor houdend te 9000 Gent Vlaanderenstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2021 waarbij het beroep van Justine Gevaert ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 132 op 240 punten behaalde en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. Tevens wordt gevorderd om “[Justine Gevaert], bij wijze van voorlopige maatregel, gunstig te rangschikken en de toelating te geven om zich in te schrijven voor de opleiding arts in het academiejaar 2021-2022”. IX-9948-1/26 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2021, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Thomas Gillis en Dominique De Waele, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende IX-9948-2/26 toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). IX-9948-3/26 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2021 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2021). Luidens artikel 49 van dat reglement bestaat het examenonderdeel ‘generieke competenties’ uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG. CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. De desbetreffende proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “vragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”. 3.
- Verzoekster neemt op 6 juli 2021 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 69 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 63 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 132 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 135 op 240 punten. De examencommissie besluit dat verzoekster niet gunstig gerangschikt is, omdat haar examenresultaat lager is dan de cesuur, zodat zij zich niet mag inschrijven voor de opleiding geneeskunde. IX-9948-4/26 3.
- Verzoekster stelt op 30 juli 2021 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement 2021 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. In haar beroepschrift formuleert zij haar bezwaren tegen de beslissing van de examencommissie als volgt: “A. Voorafgaandelijk Verzoekster studeerde in juni 2020 af aan de middelbare school in de richting Latijn-Wiskunde. Zoals genoegzaam bekend, werd dat schooljaar ernstig verstoord door de COVID-19 uitbraak, waardoor de lessen niet konden doorgaan zoals gepland en bijgevolg voor het toelatingsexamen arts-tandarts bepaalde leerstof diende geschrapt te worden uit het overzicht (zie bijlage 2). Verzoekster nam na afloop van dit schooljaar voor de eerste maal deel aan het toelatingsexamen arts-tandarts. Ze behaalde een totaalscore van 143 op 240, terwijl de cesuur 154 op 240 bedroeg. Opvallend hierbij is wel dat zij vorig jaar een uitmuntende score haalde op het CLEAR-onderdeel door maar liefst 14 van de 15 vragen juist te beantwoorden (zie bijlage 3). Dat zij de cesuur vorig jaar niet haalde, kwam dus vooral omdat zij punten liet liggen in het KIW-gedeelte. Om zich optimaal voor te bereiden op het toelatingsexamen van dit jaar, en in het bijzonder het KIW-gedeelte, koos ze ervoor om in het academiejaar 2020-2021 de Bachelor of Science in de Biomedische Wetenschappen aan te vatten, waarvan zij het eerste jaar met succes volbracht (zie bijlage 4). Op 6 juli 2021 nam zij – met hernieuwde moed – vervolgens voor de tweede keer deel aan het toelatingsexamen arts-tandarts. Ditmaal behaalde ze, zoals eerder aangegeven, een totaalscore van 132 op 240, waardoor zij net 3 punten tekort kwam om de cesuur van 135 op 240 te halen en de opleiding tot arts te kunnen aanvatten. Gelet op de geldende giscorrectie betekent dit dus concreet dat zij deze opleiding wel zou kunnen aanvatten mocht één vermeend foutief antwoord toch als juist aanzien worden. In dat geval zou zij immers een totaalscore van 136 halen. Opvallend aan haar resultaat van dit jaar is dat de score op het CLEAR-gedeelte merkbaar lager is dan vorig jaar. Waar zij vorig jaar nog 14 van de 15 vragen juist beantwoordde, was dat dit jaar slechts het geval voor 9 van de 15 vragen. Dit is uiteraard des te frappanter nu het CLEAR-gedeelte volgens de opgave (zie bijlage 5) de communicatieve competenties toetst. Waar het evident is dat verzoekster (of breder nog: iedere student van haar leeftijd) op een jaar tijd – door specifieke studie en ervaring – beter is geworden in het KIW-gedeelte, lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat verzoekster (of opnieuw breder: iedere student van haar leeftijd) op een jaar tijd plots significant slechter zou worden op het vlak van communicatieve competenties. Op basis van deze markante vaststelling en de waarlijk minieme marge tot de IX-9948-5/26 cesuur, werden door verzoekster meteen na kennisname van haar resultaat drie vragen geïdentificeerd uit het CLEAR-gedeelte, met name CLE01, CLE02 en CLE06, waarvan zij meent dat haar oplossing eveneens als juist kan aanzien worden. Zij vindt hiervoor steun in de literatuur en de expertise van psycholoog [X]. Pas nadien werd vastgesteld dat deze drie CLEAR-vragen allen aan bod komen in het verslag van de beraadslagingsvergadering examencommissie arts-tandarts van 12 juli
- Uit de itemresponsanalyse kwam immers, op basis van objectieve criteria, naar voren dat deze drie CLEAR-vragen mogelijk als problematisch dienen aanschouwd te worden. Bij elk van de desbetreffende vragen werd immers een ander antwoord (een vermeend foutief antwoord) meer frequent gekozen dan het antwoord dat als juist aanzien wordt. Voor CLE06 geldt bovendien niet dat het meer gekozen vermeend foutieve antwoord vooral gekozen wordt door de laagst scorende deelnemers én geldt ook niet dat de hoogst scorende groep meer frequent het juiste antwoord kiest. B. Bespreking van de CLEAR-vragen (CLE01, CLE02 en CLE06) ● Algemene bemerkingen omtrent de CLEAR-vragen Hoewel verzoekster zich hierna zal toespitsen op de specifieke behandeling van de desbetreffende problematische CLEAR-vragen, dient inleidend opgemerkt te worden dat het CLEAR-gedeelte uiteraard van een andere aard is dan het KIW-gedeelte. Het KIW-gedeelte peilt naar kennis en inzicht in wiskunde, biologie, fysica en chemie. De juistheid van de mogelijke antwoorden is doorgaans niet voor discussie vatbaar aangezien dit gebaseerd is op wetenschappelijke consensus door doorgedreven, vaststaand onderzoek, waarbij dus – bij de beoordeling van het antwoord – geen rekening dient gehouden te worden met de persoonlijkheid van een ander of een specifieke (persoonlijke) context. De juistheid van het antwoord staat dus eveneens volledig los van de zienswijze van de opsteller van de vraag. Het CLEAR-gedeelte toetst volgens de examenopgave de ‘communicatieve competenties’ en volgens artikel 49 van het examenreglement 2021 ‘de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts of tandarts van belang zijn.’ CLEAR staat voor Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect. Volgende aspecten komen in deze vragen aan bod volgens de opgave en het examenreglement 2021: - Persoonlijke aandacht geven aan de ander en respectvol met elkaar omgaan - Zich inleven in de situatie en de belevingswereld van de ander - Constructief communiceren binnen een (familiaal) relatienetwerk, met aandacht voor loyaliteit en waardigheid van alle betrokkenen - Een constructieve houding aannemen in conflictsituaties en situaties met hevige emoties of uitzichtloosheid - De gevolgen van je eigen gedrag inschatten in een relationele situatie met andere personen - Een onderscheid maken tussen objectieve feiten, interpretatie ervan en subjectieve beleving. De juistheid van de antwoorden op de vragen in het CLEAR-gedeelte is, door de aard van de vragen en de getoetste vaardigheden/competenties, veel IX-9948-6/26 minder zwart-wit dan bij het KIW-gedeelte. Immers, deze CLEAR-vragen behandelen situaties en interacties tussen mensen. Wat in een bepaalde situatie dus het meest aangewezen is, hangt voor een groot stuk af van de specifieke, individuele persoonlijkheden van de interagerende personen, de wederzijdse kennis van deze persoonlijkheden en hun voorafbestaande relatie en geschiedenis. Dit geldt des te meer wanneer er sprake is van een voorafbestaande vriendschap, zoals het geval is in zowel CLE01, CLE02 als CLE
- Bovendien zal in de praktijk de meest aangewezen gedraging/communicatie steeds afhangen van talloze contextelementen, die uiteraard nooit allemaal kunnen worden weergegeven in een beknopte vraagstelling. Verzoekster meent dat de competenties en vaardigheden die in het CLEAR-gedeelte worden getoetst dermate belangrijk en complex zijn, dat het, voor sommige vragen, allesbehalve evident is om te stellen dat er slechts één correct of juist antwoord is, zoals aangegeven in de opgave en het examenreglement 2021 en zoals ook vereist wordt door de rechtspraak terzake van de Raad van State. Dat dit voor sommige CLEAR-vragen een moeilijk houdbare premisse is, blijkt eigenlijk ook uit de formulering in de opgave en het examenreglement, waarin men de deelnemer meegeeft voor elke casus de reactie of houding aan te duiden die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken en in de andere vragen de uitspraak of boodschap die het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Tot slot wordt het er gesteld dat er slechts één juist antwoord is, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling. Er wordt tot slot aan toegevoegd goed te letten op wat er in de opgave staat en enkel deze informatie te gebruiken bij het oplossen van de vraag. Met andere woorden, deze omschrijving geeft aan dat er voor sommige vragen meerdere antwoorden, zijnde reacties/houdingen/uitspraken/boodschappen, bestaan die gepast zijn om een uitkomst te bereiken, beantwoorden aan de relationele stijl of gespreksstijl in de opgave en, meer in het algemeen, voldoen aan de vraagstelling. Deze antwoorden kunnen, afhankelijk van de specifieke context en persoonlijkheden, in de praktijk wel degelijk een juiste optie, of zelfs de beste optie, zijn en zouden dus ook als juiste antwoorden aanzien moeten kunnen worden. Alleen worden deze antwoorden als binair en dus volstrekt foutief aanzien indien zij door opsteller van de vraag niet als meest gepast, best beantwoordend of meest voldoenend aan de vraagstelling beschouwd worden. Een ander gegeven antwoord kan dus perfect juist zijn, maar niet als het meest juiste aanzien worden. De zienswijze van de opsteller speelt dus een bepalende rol, waar dit uiteraard zelden tot nooit het geval is voor vragen uit het KIW-gedeelte. Deze zullen bijna steeds eensluidend als juist of fout aanzien worden ongeacht de zienswijze of identiteit van de opsteller (wat betreft dit alles, zie bijlage 5 en 6). Zoals eerder gezegd, zal deze redenering slechts opgaan voor heel specifieke CLEAR-vragen, en niet voor alle. Met die specifieke, mogelijks problematische vragen, zoals ook geïdentificeerd in het verslag van 12 juli 2021, moet er echter met de meeste omzichtigheid worden omgesprongen, aangezien ze, zoals in het geval van verzoekster, een wezenlijk verschil kunnen uitmaken en iemand IX-9948-7/26 ervan kunnen weerhouden zijn/haar droom waar te maken. Iemand voor wie het, op basis van haar resultaten in de beide toelatingsexamens, objectief naar voren komt dat zij over alle vereiste competenties beschikt om de opleiding arts aan te vatten. Verzoekster vraagt daarom om haar antwoorden op de bewuste drie CLEAR-vragen, zoals hieronder toegelicht, nogmaals met de meeste omzichtigheid te willen bekijken en vast te stellen dat op zijn minst bij één van deze drie vragen haar antwoord als juist aanzien kan worden. ● CLE01 Bij de vraag over de vier vrienden op fietsdriedaagse in de Vogezen koos verzoekster voor het antwoord: ‘De loden zon maakte het wel heel erg zwaar vandaag.’ Het antwoord dat als goed aanzien werd, is ‘Ik merkte dat je met veel te grote versnelling reed vandaag.’ Vooreerst dient aangestipt te worden dat de opgave niet vermeldt dat de afhakende persoon in kwestie effectief met een te hoge versnelling rondreed. Het is dus geen vaststaand gegeven, waarop verzoekster zich kon baseren voor haar antwoord. Er dient aan herinnerd te worden dat in de algemene opgave duidelijk aangegeven werd enkel de informatie in de vraag te gebruiken bij het oplossen van de vraag. Doordat de te grote versnelling geen vaststaand gegeven is, loopt men bij een opmerking hieromtrent het risico dat deze vermeende observatie niet met de waarheid overeenstemt en men aldus door dergelijke uitspraak demotiveert eerder dan motiveert. Verzoekster koos er daarom voor te verwijzen naar de weersomstandigheden, die dan wel voor iedereen gelijk mogen zijn, maar waarop ieder persoon anders kan reageren, waardoor er gewettigde hoop is dat het de volgende dag beter kan gaan, ofwel door andere weersomstandigheden, ofwel door een betere aanpassing aan deze weersomstandigheden. Dit antwoord is empathisch en veroordeelt niet (zie ook bijlage 6, verslag [X] 28 juli 2021). Verzoekster meent dat de door haar gekozen communicatie op zijn minst evenveel kans maakt dat de vriend zijn mening herziet en blijft meestappen. ● CLE02 […] ● CLE06 Deze vraag gaat over de vriendinnen op trektocht door de bergen. Verzoekster koos hier voor het antwoord ‘De eerste dag is veruit de moeilijkste voor iedereen’ terwijl ‘Je stapte vandaag vaak voorop aan een onnodig hoog tempo’ wordt aanzien als het juiste antwoord. Meteen valt op dat deze vraag nagenoeg identiek is aan vraag CLE
- In het verslag van 12 juli 2021 wordt nota genomen van deze opmerking, zonder daar verder op in te gaan. Het moge duidelijk zijn dat men in deze vraag opnieuw dezelfde redenering toepast en aanstuurt op een communicatie die een controleerbare gedragsverandering mogelijk maakt. Opnieuw dient echter vastgesteld te worden dat in de vraagstelling geen melding wordt gemaakt van een onnodig hoog tempo voorop. Het is dus geen vaststaand gegeven, waarop verzoekster zich kon baseren voor haar antwoord, gelet op de duidelijke richtlijn om enkel rekening te houden met informatie in de vraag zelf. Omdat de waarneming van het hoge tempo voorop niet met IX-9948-8/26 zekerheid vaststaat en dus mogelijks niet volledig accuraat is, loopt men met deze uitspraak het risico opnieuw demotiverend eerder dan motiverend te werken. Verzoekster opteerde er bijgevolg voor om te verwijzen naar de moeilijkheid van de eerste dag op een trektocht in de bergen, in andere omstandigheden dan gewoonlijk. Opnieuw mogen dit dan wel voor iedereen dezelfde omstandigheden zijn, de ene persoon verteert deze nieuwe omstandigheden al beter dan de andere, waardoor er gewettigde hoop is op een significant beter gevoel de dag(en) nadien. De gekozen boodschap is opnieuw empathisch, niet veroordelend of adviserend (zie bijlage 6) en geeft hoop aan de persoon in kwestie. Verzoekster meent dat de door haar gekozen communicatie op zijn minst evenveel kans maakt dat vriendin in kwestie haar mening herziet en blijft meestappen. Doordat een quasi identieke vraag tweemaal terugkomt, telkens met informatie in het als juist geziene antwoord die niet in de vraag is opgenomen, wordt er verhoudingsgewijs extra gewicht toegekend aan dit type vraag en betekent een doorgetrokken alternatieve redenering meteen een dubbel nadeel. Verzoekster vraagt met aandrang om hiervoor aandacht te hebben en dit gegeven mee te nemen in de eindbeoordeling. Indien deze vraag immers slechts eenmaal in plaats van tweemaal in het examen was opgenomen, bestond er een reële kans dat een CLEAR-vraag in de plaats zou zijn gekomen die verzoekster wel juist beantwoord zou hebben en zij wel de vereiste cesuur zou gehaald hebben. Het dient in dat opzicht opgemerkt te worden dat in de CLEAR-vragen van vorig jaar (zie bijlage 7), waarop verzoekster een uitmuntende score behaalde (41/45), geen enkele vraag van dit type voorkwam. Een type vraag dat, zo blijkt uit de objectieve parameters van de itemresponsanalyse, als problematisch naar voren komt. Dit geldt des te meer voor vraag CLE06, waar drie van de vier criteria een alarmerend signaal geven. ● Slotbemerking Verzoekster meent dat haar antwoorden op boven vernoemde CLEAR-vragen minstens evenzeer beantwoorden aan de vraagstelling, gelet op de informatie die uitdrukkelijk in deze vraagstelling is opgenomen, en de informatie die er niet in is opgenomen. Zoals eerder gesteld, twijfelt verzoekster niet aan de waarde van de CLEAR-vragen en al zeker niet aan de waarde van de communicatieve competenties en interpersoonlijke vaardigheden die ermee getoetst worden en naar haar inzien cruciaal zijn voor ieder persoon, doch in het bijzonder voor deze die de opleiding arts willen aanvatten. Zij meent echter wel op dat vlak over de vereiste competenties/vaardigheden te beschikken, hierin gesteund door haar CLEAR-resultaat van vorig jaar, en verzoekt daarom, gelet op de verstrekte toelichting, om de juistheid van haar antwoorden te herbekijken. Verzoekster stelt niet dat de door opstellers gekozen antwoorden niet als juist kunnen aanzien worden, maar meent op basis van de algemene opgave, de specifieke vraagstelling, de informatie erin vervat, de literatuur en de expertise van psycholoog [X], dat haar antwoorden als minstens even juist kunnen aanzien worden. Het is evident dat verzoekster in het bijzonder aandringt op een heroverweging van deze antwoorden, nu de marge met de cesuur miniem is en IX-9948-9/26 in concreto afhangt van één anders beoordeeld antwoord. Overeenkomstig artikel 67 van het examenreglement 2021 vraagt verzoekster dan ook de beslissing ten gronde te herzien, vast te stellen dat haar examenresultaat de cesuur bereikt en haar derhalve gunstig te rangschikken voor de opleiding tot arts. In toepassing van datzelfde artikel, verzoekt zij ondergeschikt bovendien om, in het bijzijn van haar raadslieden, gehoord te worden door de examencommissie om onderhavig verzoekschrift persoonlijk te komen toelichten. Verzoekster wenst afsluitend nog eens te verwijzen naar de vaststaande rechtspraak van de Raad van State dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze moeten zijn opgesteld, niet alleen doordat ze relevant en pertinent zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook en vooral doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en slechts één correct antwoord kunnen krijgen. Aan deze zorgvuldigheidsplicht is wat betreft de CLEAR-vragen CLE0l, CLE02 en CLE06 heel duidelijk niet voldaan, met enorm verstrekkende gevolgen voor verzoekster, die – het weze herhaald – vorig jaar een uitmuntende score behaalde op het CLEAR-onderdeel.” 3.
- Op 25 augustus 2021 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat verzoekster een score van 132 op 240 punten behaalt en niet gunstig gerangschikt is, wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De beroepsinstantie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. U motiveert uw beroep ten gronde met argumenten die de exameninhoud betreffen van het onderdeel Generieke competenties. U formuleert met name inhoudelijke argumenten ten aanzien van vraag l, vraag 2 en vraag 6 uit CLEAR. De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de kandidaat om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een kandidaat de validiteit van bepaalde vragen in vraag stelt, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen. Vervolgens wijst de beroepsinstantie erop dat de CLEAR-toets een specifiek format volgt. Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de IX-9948-10/26 antwoordmogelijkheden) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen...’, ‘het meest kans op...’ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling. Ook het Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021 geeft duidelijk aan dat er bij CLEAR slechts één juist antwoord is. Artikel 49 van het Werkings- en examenreglement bepaalt met name […]: CLEAR (...) De deelnemers krijgen 15 vragen. Sommige vragen vertrekken van een situatie waarmee een adolescent in aanraking kan komen, bijvoorbeeld in familie- of vriendenkring, in schoolverband, tijdens een stage of studentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub. Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling. Een laatste algemene opmerking betreft de vermeende willekeur van de CLEAR-toets. Het is er de examencommissie niet om te doen om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is. Met deze overwegingen als achtergrond gaat de beroepsinstantie dieper in op de inhoudelijke argumenten bij de vragen die u betwist. Voor elke betwiste vraag wordt uiteengezet waarom het door de examencommissie aangeduide juiste antwoord inderdaad het best beantwoordt aan de vraagstelling en waarom IX-9948-11/26 de andere antwoordmogelijkheden, inclusief het door de deelnemer gekozen antwoord, fout zijn. De beroepsinstantie komt na onderzoek van de betwiste vragen tot de hiernavolgende conclusie. Vraag 1 CLEAR: Hieronder vindt u de casus met alle antwoordmogelijkheden. Antwoord D is het juiste antwoord. Vier vrienden zijn op fietsdriedaagse in de Vogezen. Bij het avondmaal op de eerste dag kondigt één van de vier aan dat hij de volgende dag niet meer mee fietst, maar met de trein naar huis wil terugkeren. Hij heeft immers ondervonden dat hij de zwakste van de vier is en voelt zich na één dag al leeggereden. Hij vreest dat het alleen maar erger zal worden en dat hij de volgende dagen echt een blok aan het been zal zijn voor de anderen. Welke communicatie maakt de grootste kans dat de vriend zijn mening herziet en blijft meefietsen? A. ‘Samen uit, samen thuis’ is toch altijd ons motto geweest, niet? Dit is misschien wel vaag motiverend, maar zal de vrees van de vriend dat hij een blok aan het been is niet wegnemen. Kan ook als beschuldigend ervaren worden en daardoor minder een aanzet tot gedragsverandering. B. Ik vind dat je de voorbije maanden enkele kilo’s bent aangekomen. Het overgewicht zal niet verdwijnen na een nachtje slapen, en de vrees van de vriend dat hij een blok aan het been is wellicht enkel bevestigen. Zet hierdoor niet aan tot gedragsverandering. C. De loden zon maakte het wel heel erg zwaar vandaag. Een oncontroleerbare verklaring – men heeft geen vat op het schijnen van de zon de volgende dag – biedt geen toekomstperspectief en zal de vrees van de vriend dat hij een blok aan het been is niet doen afnemen. D. Ik merkte dat je met veel te grote versnelling reed vandaag. Met welke versnelling men rijdt is onder de eigen controle, men heeft er zelf vat op, en daardoor gunstig voor de toekomstverwachting. Dit optimaliseert de kans dat de vriend verder wil rijden. De door de deelnemer geraadpleegde expert schuift ‘De loden zon maakte het wel heel erg zwaar vandaag’ als juist antwoord naar voor met als argumentering: ‘Je oordeelt niet, je bent empathisch, je geeft geen raad (altijd fout in interpretaties van een situatie)’. Evenwel toetst dit item niet het empathisch vermogen van de deelnemer. Dit blijkt duidelijk uit de vraagstelling: ‘Welke communicatie maakt de grootste kans dat de vriend zijn mening herziet en blijft meefietsen?’. Het gaat hier over effectieve communicatie in een moeilijke situatie, met als doel dat de vriend zijn mening herziet en zijn gedrag aanpast. Dit sluit aan bij de omschrijving van de CLEAR-toets op de website en in het Werkings- en examenreglement, met name het aspect ‘Een constructieve houding aannemen in conflictsituaties en situaties met hevige emoties of uitzichtloosheid.’ Overigens houdt het voorkeursantwoord van de expert wel een (be)oorde(e)ling in. Het veronderstelt immers dat de vriend die wil opgeven, veel last zou hebben gehad van de loden zon, terwijl dat niet noodzakelijkerwijze zo is. De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct IX-9948-12/26 is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft. Vraag 2 CLEAR: […] Vraag 6 CLEAR: Hieronder vindt u de casus met alle antwoordmogelijkheden. Antwoord A is het juiste antwoord. Vier vriendinnen doen mee aan een tiendaagse trektocht door de bergen. Op het einde van de eerste dag, laat één van hen horen dat ze de volgende morgen op haar eentje wil terugkeren naar de vertrekplaats. Ze vertelt dat ze zich na één dag al uitgeput voelt en vreest dat ze één van de volgende dagen zou moeten afhaken, wat voor iedereen veel vervelender zou zijn dan morgen terug te keren. Welke communicatie maakt de grootste kans dat ze haar mening herziet en blijft meestappen? A. Je stapte vandaag vaak voorop aan een onnodig hoog tempo. Realistische verklaring die gedragsverandering (aan lager tempo stappen; volgen i.p.v. leiden) stimuleert die de betrokkene zelf onder controle heeft. Biedt dus hoop op beterschap en zet aan om morgen toch mee te stappen. B. Op hoogte wandelen vraagt altijd een dag aanpassing. Weinig kans dat deze communicatie (verklaring) aanvaard wordt door de betrokkene, want zij is de enige die zich uitgeput voelt en vreest ... Zo versterkt dit ook het gevoel dat zij niet meekan. C. De eerste dag is veruit de moeilijkste voor iedereen. Weinig kans dat deze vage communicatie (verklaring) aanvaard wordt door de betrokkene, want zij is de enige die zich uitgeput voelt en vreest ... Het is ook eerder een dooddoener dan wel een concreet handvat tot gedragsverandering. D. Jouw fysieke conditie kan vermoedelijk beter. Deze verklaring (communicatie) geeft betrokkene weinig hoop dat het morgen beter zal zijn en biedt geen toekomstperspectief op korte termijn. De fysieke conditie zal morgen niet anders zijn. De door de deelnemer geraadpleegde expert schuift ‘De eerste dag is veruit de moeilijkste voor iedereen’ als juist antwoord naar voor met als argumentering: ‘Je oordeelt niet, je bent empathisch, je geeft geen raad (altijd fout in interpretaties van een situatie)’. Evenwel toetst dit item niet het empathisch vermogen van de deelnemer. Dit blijkt duidelijk uit de vraagstelling: ‘Welke communicatie maakt de grootste kans dat ze haar mening herziet en blijft meestappen?’. Het gaat hier over effectieve communicatie in een moeilijke situatie met als doel dat de vriend zijn mening herziet en gedrag aanpast. Dit sluit aan bij de omschrijving van de CLEAR-toets op de website en in het Werkings- en examenreglement, met name het aspect ‘Een constructieve houding aannemen in conflictsituaties en situaties met hevige emoties of uitzichtloosheid.’ De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft. Verder dient aangestipt te worden dat een afwijkende itemresponsanalyse geen dwingende reden is om een vraag te neutraliseren. Het vraagt wel een grondig inhoudelijk onderzoek naar de validiteit van de vraag. Dit is ook wat de IX-9948-13/26 examencommissie tijdens de beraadslagingsvergadering van 12 juli 2021 gedaan heeft, en wat de beroepsinstantie nu heeft overgedaan. Voor de betwiste vragen van CLEAR komt zij telkens tot het besluit dat de vragen inhoudelijk valide zijn en dus in het examen behouden blijven. De conclusie is dan dat het een intrinsiek moeilijkere vraag betreft, maar het spreekt voor zich dat een examen ook moeilijkere vragen mag bevatten. De beroepsinstantie stelt vast dat de deelnemer er niet in slaagt om, aan de hand van de literatuur en de geraadpleegde expert, de validiteit van de aangehaalde CLEAR-vragen in vraag te stellen. De beroepsinstantie besluit dat de betrokken examenvragen wel degelijk zorgvuldig en eenduidig zijn opgesteld en slechts één juist antwoord hebben. Ten overvloede stipt de beroepsinstantie nog aan dat het louter goed voorbereid of zeer gemotiveerd zijn op zich onvoldoende is; net zoals alle andere deelnemers dient de deelnemer, om gunstig gerangschikt te worden, geslaagd te zijn voor beide examenonderdelen én de vastgelegde cesuur te behalen, die in casu vastgelegd is op 135/
- Deze cesuur behaalde de deelnemer met een resultaat van 132 op 240 echter niet. Eveneens ten overvloede haalt de beroepsinstantie aan dat de verwijzing naar de vorig jaar door de deelnemer behaalde score op de CLEAR-toets of het reeds met succes een eerste jaar hoger onderwijs te hebben gevolgd, niet dienstig is. Artikel 61 van het Werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021 schrijft in dit verband immers uitdrukkelijk voor: ‘Het is niet mogelijk om een vrijstelling te bekomen voor het examen of een deel van het examen op basis van een reeds gevolgde opleiding of specifieke werkervaring. Evenmin is het mogelijk om een vrijstelling te bekomen voor een (onder)deel van het examen waarvoor de deelnemer tijdens een vorige deelname aan het examen de helft van de punten of meer heeft behaald. Beide onderdelen van het examen moeten per sessie integraal worden afgelegd voor quotering van het examen en eventuele rangschikking van de deelnemer.’ Het middel is ongegrond.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9948-14/26 IX-9948-15/26 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van “de formele motiveringsplicht en het materieel motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, “[d]oordat elke beslissing van een administratieve overheid moet gesteund worden op een afdoende uitdrukkelijke motivering, bestaande uit daadkrachtige overwegingen die feitelijk juist zijn en inhoudelijk pertinent, vermeld in de beslissing zelf”, “[t]erwijl de bestreden beslissing nalaat om te antwoorden op één van de meest essentiële bezwaren in het intern beroepschrift, met name dat in de vragen CLE01 en CLE06 tot tweemaal toe informatie is opgenomen in het als juist aanziene antwoord die niet is opgenomen in de vraag, terwijl de instructies bij de CLEAR-vragen duidelijk vermelden dat men bij elke vraag goed moet letten op wat er in de opgave staat en dat enkel deze informatie mag worden gebruikt bij het oplossen van de vraag”. Verzoekster licht toe dat in de opgave van vraag 1 van de CLEAR-proef, over een fietsdriedaagse van vier vrienden in de Vogezen, geen enkele informatie, laat staan een objectief gegeven, is vermeld over het beweerde gebruik van een veel te grote versnelling. Net zomin is in de opgave van vraag 6 van diezelfde proef, over een tiendaagse trektocht van vier vriendinnen door de bergen, informatie of enig objectief gegeven vermeld over een vermeend onnodig hoog tempo. Volgens verzoekster blijkt uit haar beroepschrift bij de beroepsinstantie dat, gelet op de voormelde instructies bij de CLEAR-vragen, dit voor haar “één van de voornaamste gronden” was om de beslissing van de examencommissie aan te vechten. Ondanks de ogenschijnlijk uitgebreide, maar grotendeels gestandaardiseerde motivering van de bestreden beslissing, gaat de verwerende partij flagrant daarop niet in. Verzoekster acht de formelemotiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 IX-9948-16/26 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) geschonden, omdat zij – door het uitblijven van een antwoord op haar bezwaar – niet kan inschatten wat het inhoudelijke standpunt van de beroepsinstantie daarover is en zij aldus niet over voldoende kennis van zaken beschikt om de bestreden beslissing op dat vlak te beoordelen en te betwisten. Ook de materiëlemotiveringsplicht acht zij geschonden, omdat “de bestreden beslissing, bij gebrek aan antwoord op één van de meest voorname bezwaren, inhoudelijk onvoldoende gemotiveerd is”. Beoordeling
- Verzoekster doet op het eerste gezicht in haar eerste middel in essentie gelden dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op “één van de meest voorname bezwaren” van haar beroepschrift. Alzo lijkt zij een schending aan te voeren van de formelemotiveringsplicht, zoals die op de verwerende partij rust op grond van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. Verzoeksters grief betreffende het ontbreken, in de bestreden beslissing, van een antwoord op haar bezwaar lijkt als zodanig niet de materiële motivering van de bestreden beslissing te betwisten, maar alleen aan te klagen dat een formele veruitwendiging van de motieven van de bestreden beslissing wat haar bezwaar betreft, in deze beslissing ontbreekt. Voor zover het middel mede gesteund is op een schending van “het materieel motiveringsbeginsel” lijkt het in de huidige stand van de rechtspleging daarom niet ontvankelijk. Hierna wordt het middel onderzocht voor zover het de schending van de formelemotiveringsplicht inroept.
- De artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die IX-9948-17/26 aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formelemotiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- Verzoekster voerde in haar beroepschrift bij de beroepsinstantie met betrekking tot vraag 1 van de CLEAR-proef aan dat “dient aangestipt te worden” dat de opgave niet vermeldt dat de afhakende persoon effectief met een te hoge versnelling reed, zodat dit geen vaststaand gegeven is en een opmerking over deze vermeende observatie derhalve het risico in zich draagt dat ze niet met de waarheid overeenstemt en aldus veeleer demotiveert dan motiveert. Zij licht toe daarom te hebben gekozen voor een ander antwoord en zij besluit dat “de door haar gekozen communicatie op zijn minst evenveel kans maakt”. Een analoge argumentatie ontwikkelde zij in haar beroepschrift met betrekking tot vraag 6 van de CLEAR-proef. Verzoekster voert aldus niet aan dat het door de beroepsinstantie als juist in aanmerking genomen antwoord, hoe dan ook wegens strijdigheid met de aan de deelnemers verstrekte instructies met betrekking tot de proef niet een juist antwoord kan zijn, laat staan niet de communicatie kan zijn – zoals geformuleerd in de vraagstelling – die de grootste kans met zich meebrengt dat de vriend zijn mening herziet en blijft meefietsen (vraag 1) of dat de vriendin haar mening herziet en blijft meestappen (vraag 6). De formelemotiveringswet noopte de beroepsinstantie dan ook niet tot een formeel antwoord op een dergelijke grief. IX-9948-18/26 Integendeel verklaart verzoekster uitdrukkelijk in haar beroepschrift dat zij “niet [stelt] dat de door [de] opstellers gekozen antwoorden niet als juist kunnen aanzien worden, maar [dat zij] meent op basis van de algemene opgave, de specifieke vraagstelling, de informatie erin vervat, de literatuur en de expertise van psycholoog [X], dat haar antwoorden als minstens even juist kunnen aanzien worden”. Verzoekster “verzoekt [de beroepsinstantie] daarom, gelet op de verstrekte toelichting, om de juistheid van haar antwoorden te herbekijken”. Dit laatste lijkt precies wat de beroepsinstantie in haar bestreden beslissing heeft gedaan. In de bestreden beslissing, waarvan de motivering hiervóór sub 3.6 is aangehaald, heeft de beroepsinstantie aan de hand van een beoordelende commentaar bij alle mogelijke antwoorden uitdrukkelijk verwoord waarom, volgens haar, het door haar als juist in aanmerking genomen antwoord de communicatie inhoudt die, zoals gevraagd, de grootste kans biedt op een herziening van de mening van de betrokken persoon uit de opgave en waarom de andere mogelijke antwoorden, waaronder het door verzoekster gekozen antwoord op de respectieve vragen 1 en 6, dat niet doen. De beroepsinstantie besluit dat de betwiste vragen “eenduidig en inhoudelijk correct [zijn] opgesteld en slechts één juist antwoord [hebben]”. Zij laat daarmee tevens blijken dat de gegevens uit de opgave voldoende zijn om tot het juiste antwoord te komen. De bestreden beslissing is in dat opzicht alvast afdoende formeel gemotiveerd, zoals voorgeschreven door de formelemotiveringswet. Indien verzoekster van oordeel is dat die formeel tot uitdrukking gebrachte motieven niet deugdelijk zijn, omdat ze niet beantwoorden aan hetgeen IX-9948-19/26 zij voor ogen heeft, is zij wel degelijk in de mogelijkheid zich in rechte ertegen te verweren, wat zij in haar tweede middel overigens ook doet.
- Het eerste middel is bijgevolg niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 49, in fine, van het werkings- en examenreglement 2021, alsook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “[d]oordat de examencommissie haar examenvragen op een zorgvuldige wijze moet opstellen, met vragen die zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het werkings- en examenreglement [2021], slechts één correct antwoord kunnen krijgen”, “[t]erwijl de bestreden beslissing, als formeel en materieel gebrekkig gemotiveerde bevestiging van de beslissing van de examencommissie, geen problemen lijkt te zien in twee quasi identieke CLEAR-vragen, zijnde CLE01 en CLE06, waarin telkens informatie is opgenomen in het als juist aanziene antwoord die niet in de vraag staat, terwijl de instructies bij de CLEAR-vragen duidelijk vermelden dat men bij elke vraag goed moet letten op wat er in de opgave staat en dat enkel deze informatie gebruikt mag worden bij het oplossen van de vraag”. Verzoekster licht toe dat de examencommissie, met de duidelijke instructies in de opgave van de CLEAR-proef, bij haar het rechtmatige vertrouwen had gewekt dat zij zich diende te beperken tot informatie die in de vraagstelling vermeld was. Doordat de als juist in aanmerking genomen antwoorden op de vragen 1 en 6 van de CLEAR-proef ontegensprekelijk informatie bevatten die niet in de opgave vermeld was, werd zij “op het verkeerde been gezet” bij het beantwoorden van die vragen. Zo vermeldde de opgave van vraag 1 van de CLEAR-proef, over een fietsdriedaagse van vier vrienden in de Vogezen, geen enkele informatie, laat staan een objectief gegeven, over het beweerde gebruik van IX-9948-20/26 een veel te grote versnelling. Net zomin was in de opgave van vraag 6 van diezelfde proef, over een tiendaagse trektocht van vier vriendinnen door de bergen, informatie of enig objectief gegeven vermeld over een vermeend onnodig hoog tempo. Aldus werden de verwachtingen, zo stelt verzoekster, die bij haar waren gewekt door de instructies, niet gehonoreerd en werd zij ertoe aangezet een ander antwoord te geven dan hetgeen door de examencommissie als het juiste antwoord werd beschouwd, waardoor zij finaal één juist antwoord tekortkwam om de cesuur te halen. Zij acht aldus het vertrouwensbeginsel op een duidelijke wijze geschonden. Verzoekster betoogt voorts dat aangezien de betwiste vragen daardoor niet langer kunnen worden beschouwd als ondubbelzinnig en met slechts één mogelijk juist antwoord, eveneens dient te worden vastgesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden zijn. De examencommissie komt immers haar eigen regel van het werkings- en examenreglement 2021 niet na en de vraagstelling is niet zorgvuldig opgesteld. Beoordeling
- Voorafgaandelijk dient erop te worden gewezen dat de Raad van State als wettigheidsrechter bij de beoordeling van het standpunt dat de examencommissie met betrekking tot de vragen van het toelatingsexamen heeft ingenomen, niet in de plaats mag treden van die commissie. Zo mag hij, onder meer, niet in de plaats van de examencommissie oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie. Hij mag enkel nagaan of de examencommissie, binnen de IX-9948-21/26 grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. De Raad van State moet daarbij bovendien uitgaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie, wat impliceert dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze relevant en pertinent zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in artikel 27, vierde lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’ en artikel 49 van het werkings- en examenreglement 2021 slechts één correct antwoord kunnen krijgen.
- Artikel 49 van het werkings- en examenreglement 2021, waarvan verzoekster de schending aanvoert, bepaalt met betrekking tot de CLEAR-proef, onder meer: “De deelnemers krijgen 15 vragen. Sommige vragen vertrekken van een situatie waarmee een adolescent in aanraking kan komen, bijvoorbeeld in familie- of vriendenkring, in schoolverband, tijdens een stage of studentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub. Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.” Zoals is vastgesteld bij de beoordeling van het eerste middel heeft de beroepsinstantie aan de hand van een beoordelende commentaar bij de verschillende antwoordmogelijkheden gemotiveerd waarom de door haar in aanmerking genomen antwoordmogelijkheid D het enige juiste antwoord is op vraag 1 van de CLEAR-proef en antwoordmogelijkheid A het enige juiste antwoord is op vraag 6 van diezelfde proef, in die zin dat de communicatie die in IX-9948-22/26 die antwoorden is weergegeven, de grootste kans oplevert dat de betrokken persoon uit de opgave zijn of haar mening herziet.
- Verzoekster betwist de voormelde beoordeling van de beroepsinstantie als zodanig niet. Wel argumenteert zij dat het door de beroepsinstantie in aanmerking genomen juiste antwoord, wat beide vragen betreft, afbreuk doet aan het rechtmatige vertrouwen dat zij stelt te mogen putten uit de instructies aan de deelnemers van het examen. Die instructies vermelden wat de CLEAR-proef betreft: “Gelieve bij elke vraag goed te letten op wat er in de opgave staat en enkel deze informatie te gebruiken bij het oplossen van de vraag.” Verzoekster verwijt aan het door de beroepsinstantie in aanmerking genomen juiste antwoord, wat beide betwiste vragen betreft, dat het daaraan voorbijgaat, omdat het uitgaat van een vermelding die niet voorkomt in de opgave.
- Verzoekster kan op het eerste gezicht evenwel niet in haar standpunt worden bijgevallen. Zij gaat immers ten onrechte ervan uit, zo lijkt, dat zij in de opgave over bijkomende informatie diende te beschikken om het door de beroepsinstantie als juist aangemerkte antwoord te kunnen geven. Met de verwerende partij lijkt te moeten worden aangenomen dat het niet ter zake doet, wat vraag 1 betreft, dat de betrokken vriend effectief met een te grote versnelling reed of, wat vraag 6 betreft, dat de betrokken vriendin effectief aan een onnodig hoog tempo voorop stapte. De beroepsinstantie lijkt haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid niet te buiten te gaan wanneer zij aanneemt dat met de respectievelijk in antwoord D en antwoord A vermelde communicaties als zodanig, in het licht van de opgave zoals ze voor de deelnemers IX-9948-23/26 aan het examen voorhanden was, de kans het grootst is dat de vriend of vriendin zijn of haar mening herziet, overeenkomstig de vraagstelling. Die vraagstelling peilt naar de communicatie die het meeste kans biedt dat de vriend of vriendin de volgende dag verder meefietst of meewandelt. Het door de beroepsinstantie in aanmerking genomen juiste antwoord voegt niets toe aan de opgave en vergt op het eerste gezicht ook geen dergelijke toevoeging. Verzoekster toont derhalve niet aan dat de beroepsinstantie met haar bestreden beslissing de in het middel aangevoerde bepaling en beginselen zou hebben geschonden.
- Het tweede middel is bijgevolg alvast evenmin ernstig. VI. Besluit wat de vordering tot schorsing betreft
- Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. VII. Besluit wat de gevorderde voorlopige maatregel betreft
- Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, kan er ook geen aanleiding zijn om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de door haar gevorderde voorlopige maatregel op te leggen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9948-24/26
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9948-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9948-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.