← België

Arrest 251743 - Handelsvestigingen - 05/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.743 Rolnummer: A. 233958/XIV-38744 Zaak: Arrest 251743 - Handelsvestigingen - 05/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-12 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 11:45 Fiche Arrest nr 251.743 van 5 oktober 2021 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 251.743 van 5 oktober 2021 in de zaak A. é.958/XIV-38.744 In zake: de bv CLEAN PRO SERVICES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Stuckens kantoor houdend te 1600 Sint-Pieters-Leeuw Bergensesteenweg 277 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 juni 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing houdende onmiddellijke intrekking van de erkenning van verzoekster zoals genomen op 1 september 2020 door de afgevaardigde van het Vlaams Ministerie van Werk”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. XIV-38.744-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september 2021 om 10.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alain Stuckens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hubert Van Den Bulcke, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoekende partij is opgericht bij notariële akte van 17 oktober 2018 en heeft op 18 december 2018 een erkenning gekregen voor dienstencheque-activiteiten nr. V06011 voor begeleid vervoer van personen met een beperkte mobiliteit, strijken buitenshuis, boodschappen en schoonmaken ten huize van de gebruiker. 3.
  5. In de periode maart-september 2019 controleert de Vlaamse Sociale Inspectie de activiteiten van de verzoekende partij. Dit onderzoek mondt uit in een eindverslag van 21 november
  6. Gelet op de vastgestelde inbreuken wordt voorgesteld de erkenning met onmiddellijke ingang in te trekken en de tegemoetkoming terug te vorderen. XIV-38.744-2/10 3.
  7. In zitting van 18 december 2019 adviseert de adviescommissie dienstencheque-activiteiten met unanimiteit om de erkenning van de verzoekende partij onmiddellijk in te trekken3 om de volgende redenen: “De commissie adviseert een onmiddellijke intrekking van de erkenning van de onderneming. Uit het onderzoek blijkt dat de onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan het leveren van fictieve prestaties, vertegenwoordiging en valsheid in geschrifte waardoor er geen sprake kan zijn van handelingen te goeder trouw. De vastgestelde onregelmatigheden beperken zich niet tot de onderneming alleen. Uit de vaststellingen van de Vlaamse Sociale Inspectie blijkt dat de onregelmatigheden direct [in] verband kunnen gebracht worden met onregelmatigheden bij de dienstencheque-ondernemingen L’as du Balai, Perfect Quick Cleaning en BN Titres Service en dat de zaakvoerder een geschiedenis heeft van wanbeheer en inbreuken bij erkende ondernemingen die werken met dienstencheques. De Vlaamse Sociale Inspectie stelde een Pro Justitia op. Zij stellen tevens een terugvordering voor en een onmiddellijke intrekking van de erkenning van de onderneming.” 3.
  8. Op 1 september 2020 beslist de afgevaardigde van de Vlaamse minister van Werk om de erkenning van de verzoekende partij in te trekken met ingang van 8 september
  9. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekende zending van 1 september 2020 gericht aan “Clean Pro Services, T.a.v. de zaakvoerder, Koning Albertplein 1, te 1600 Sint-Pieters-Leeuw”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  10. Op 4 december 2020 beslist de afgevaardigde van de Vlaamse minister van Werk, nadat de verzoekende partij haar verweermiddelen had ingediend middels een aangetekend schrijven van 24 juli 2020, om 270.007,90 euro terug te vorderen. Het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 4 december 2020 is hangende bij de arbeidsrechtbank te Brussel. XIV-38.744-3/10 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  11. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  13. Wat de spoedeisendheid betreft, stelt de verzoekende partij in haar verzoekschrift onder het kopje “vordering tot schorsing” wat volgt: “Een zaak is spoedeisend en dus vatbaar voor beoordeling in kortgeding zodra de vrees voor schade van enig belang of zelfs voor ernstige nadelen een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt (RvS 23 oktober 2014, nr. 228.882) De onmiddellijke intrekking van de erkenning van verzoekster heeft tot gevolg dat zij haar dienstenchequewerknemers niet meer aan werk mag stellen en dezen hun inkomen verliezen. Het voortbestaan van verzoekster zelf wordt financieel onhoudbaar. De intrekking heeft tot gevolg dat zij geen klanten meer mag bedienen en geen omzet meer kan genereren. Daarenboven staat vast dat haar klantenbestand totaal zal verdwijnen nu klanten beroep zullen doen op de concurrentie. Heropbouw van het klantenbestand wordt moeilijk, zelfs onmogelijk. XIV-38.744-4/10 Er hangt verzoekster dan ook een faillissement boven het hoofd terwijl zij een gezonde onderneming is die tot op heden al haar verplichtingen is nagekomen : fiscaal, lonen, RSZ enz.. De schorsing dringt zich op.”. Beoordeling
  14. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  15. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-38.744-5/10 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  16. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en verifieerbare gegevens op transparante wijze een globaal inzicht verschaft in het financieel nadeel en in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt immers niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een financieel-economisch nadeel in hoofde van een rechtspersoon verantwoordt in de regel niet de spoedeisendheid tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de vernietigingsprocedure niet kan afwachten. De verzoekende partij dient derhalve aan de hand van concrete gegevens duidelijk aan te tonen dat de vernietigingsprocedure te laat zou komen om het onomkeerbare nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. Daarbij mag in beginsel alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing en de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd.
  17. Te dezen stelt de verzoekende partij, samengevat, dat haar voortbestaan financieel onhoudbaar wordt doordat zij geen klanten meer mag bedienen en geen omzet meer kan genereren. Haar klantenbestand zal verdwijnen aangezien klanten beroep zullen doen op de concurrentie. Heropbouw van het klantenbestand wordt moeilijk tot zelfs onmogelijk. Er zou haar een faillissement XIV-38.744-6/10 boven het hoofd hangen terwijl zij tot op heden een gezonde onderneming is. De onmiddellijke intrekking van haar erkenning zal bovendien tot gevolg hebben dat zij haar dienstenchequewerknemers niet meer aan het werk mag stellen en dezen hun inkomen verliezen.
  18. De verzoekende partij brengt geen gegevens bij, laat staan cijfers of andere elementen, die de Raad van State toelaten haar beweringen te verifiëren. Uit de door haar met het verzoekschrift bijgebrachte statuten, zijnde het enige bijgebrachte document dat toelaat enig inzicht in haar activiteiten te verkrijgen, blijkt dat de verzoekende partij tot maatschappelijk doel heeft, zowel in België als in het buitenland, hetzij rechtstreeks, hetzij als tussenpersoon, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden, “Dienstencheques” (“Titres-services”) en Schoonmaakonderneming (“Entreprise de nettoyage”). Zij kan daarnaast alle commerciële, industriële en financiële activiteiten verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met haar maatschappelijk doel of haar verdere ontwikkeling bevorderen, behoudens activiteiten die door de regelgeving zijn voorbehouden aan banken of beursondernemingen. Uit het administratief dossier blijkt voorts dat de zetel van de verzoekende partij initieel was gevestigd was in het Waalse Gewest. Het definitief controleverslag, daarin niet tegengesproken door de verzoekende partij, maakt bovendien melding van activiteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hoewel de intrekking van de erkenning enkel uitwerking heeft in het Vlaamse Gewest, betrekt de verzoekende partij deze activiteiten in het geheel niet in haar betoog. Evenmin blijkt uit haar uiteenzetting of zij naast dienstencheque-activiteiten ook andere activiteiten, waaronder schoonmaak, uitoefent die niet met dienstencheques worden betaald. Het ontbreekt het verzoekschrift voorts aan het minste inzicht in de huidige financiële toestand van verzoekende partij aan de hand van stavingsstukken zoals jaarrekeningen, een winst- en verliesrekening, enzovoort. De verzoekende partij stelt de Raad van XIV-38.744-7/10 State dan ook in het geheel niet in staat om na te gaan of en waarom zij dermate wordt getroffen dat zij op korte termijn in haar voortbestaan is bedreigd en aldus onmogelijk een behandeling van haar beroep ten gronde kan afwachten. De door de verzoekende partij op de terechtzitting bijgebrachte stukken waaruit volgens haar zou moeten blijken dat vier vijfden van haar dienstencheques-activiteiten in Vlaanderen en een vijfde ervan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou worden gerealiseerd, zijn gegevens die zij had kunnen en moeten bijbrengen op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift. De verzoekende partij toont alvast niet aan, noch maakt of poogt zij aannemelijk te maken, dat zij deze gegevens niet reeds met haar verzoekschrift kon bijbrengen. Aan de voorwaarde van de spoedeisendheid moet tot slot zijn voldaan in hoofde van de verzoekende partij zelf. Gevolgen voor derden, zoals de werknemers van de verzoekende partij kunnen door haar aldus niet nuttig ter adstructie van deze voorwaarde worden aangevoerd.
  19. De spoedeisendheid is niet aangetoond.
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Kosten
  21. Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.744-8/10 XIV-38.744-9/10 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.744-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.743 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.