← België

Arrest 251744 - Examens (onderwijs) - 05/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.744 Rolnummer: A. 234662/IX-9952 Zaak: Arrest 251744 - Examens (onderwijs) - 05/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-06 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-18 20:10 Fiche Arrest nr 251.744 van 5 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.744 van 5 oktober 2021 in de zaak A. 234.662/IX-9952 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SECUNDAIR ONDERWIJS SINT QUINTINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Secundair Onderwijs Sint Quintinus van 13 september 2021 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9952-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2021, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde (ASO) in het Virga Jessecollege te Hasselt. 3.
  5. Op het einde van het schooljaar besluit de delibererende klassenraad aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen, met volgende motivering: “[…] je behoudt 3 jaartekorten voor je richtingsvakken wiskunde (45,5%), biologie (47,5%) en chemie (47%), voor een totaal van 10 jaaruren. Daarnaast heb je voor het tweede semester 5 tekorten behaald (wiskunde, biologie, chemie, fysica, LO) en presteerde je ondermaats tijdens de eindexamens, met 3 tekorten en 2 nipte resultaten. De klassenraad besluit dat je de leerplandoelstellingen onvoldoende gerealiseerd hebt om over te gaan naar het zesde jaar.” IX-9952-2/18 Nadat overleg niet leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad, stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. 3.
  6. De door het schoolbestuur ingestelde beroepscommissie hoort verzoeker op 30 augustus
  7. Op 3 september 2021 deelt de beroepscommissie verzoeker mee dat bijkomende proeven worden georganiseerd voor chemie, biologie en wiskunde op 9, 10 en 13 september
  8. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd – motivering die verzoeker overigens pas op 10 september 2021 mocht ontvangen: “De commissie is van oordeel dat: - de klassenraad wel degelijk een oordeel heeft gegeven over het bereiken van de leerdoelstellingen in zijn geheel; - rekening werd gehouden met de houding en inzet en de lockdown probleemproblematiek. Voor wat betreft de beweerde schending van artikel 147/1 van de Code[x] Secundair onderwijs wordt ondermeer verwezen naar de problematiek van corona-veilige maatregelen die door de scholen mogen worden genomen, ook m.b.t. de evaluaties (art. 27.11/11/2020 van de Codex). Er was minstens een gevaar voor nieuw samengestelde groepen, naast de vaste klasgroepen. Voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel wijst de commissie erop dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling. Zoals de raadsman terecht opmerkt dient een globale beoordeling te worden gemaakt en is de cijfermatige vergelijking zeker niet van dien aard om hieruit tot een niet gelijke behandeling te besluiten. Gezien de aanvullende nota en de bijgebrachte stukken werd besloten om op 30/8/2021 de zitting verder te verdagen naar 3/9/[2021] om de leden toe te laten kennis te nemen van deze nota en stukken. Op 3/9/2021 werd dan het beroep opnieuw besproken en werd rekening gehouden met een aantal argumenten en werd conform artikel 123/15 § 3, 2° beslist om bijkomende proeven op te leggen alvorens tot een eindbeslissing te komen. Deze beslissing werd onder meer gebaseerd op de volgende argumenten: - De zeer specifieke persoonlijke problematiek […] (ADHD, dyslexie, hoogbegaafdheid); - Ondermeer wordt hierbij verwezen naar het attest van dokter […] dd. 23/8/2021 en de andere in het kader van het beroep bijgebrachte stukken - Het feit dat […] de leerstof nog opnieuw heeft doorgenomen. - Hij in begeleiding gaat voor de persoonlijke problematiek.” IX-9952-3/18 3.
  9. Verzoeker legt op de aangegeven data de bijkomende proeven af. 3.
  10. Op 13 september 2021 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Zij motiveert: “Mevrouw […] licht toe dat voor de bijkomende proef chemie een totaal werd behaald van 36,44%. Op het ene onderdeel behaalde de leerling 8/20, op het andere 13,5/39 zodat in totaal 21,5/59 werd behaald. Vervolgens licht […] de bijkomende proef van biologie toe. Daar werd een totaal van 72/105 behaald, in totaal 68,57%. Voor wat betreft het vak wiskunde wordt toelichting gegeven door […]. Voor het 2de semester onderdeel 3: limieten van functies en afgeleiden werd een percentage behaald van 41,25%. Voor de wiskundeproef met de leerstof van het 1ste semester werd een percentage behaald van 50% (veeltermfuncties, rationale en irrationale functies (27,5/50; goniometrische functies 23,5/
  11. Het totaal voor wiskunde van de afgenomen proeven zou op zich zodoende 47,53% bedragen. In het bijzonder bij de proeven voor wiskunde en chemie heeft men rekening gehouden met de bedoeling om de proeven af te nemen over die delen van het programma waarop expliciet verder wordt gebouwd in het 6de jaar. De leerkrachten van chemie en wiskunde stellen vast dat de leerplandoelstellingen onvoldoende werden bereikt. De directeur licht toe dat aan de leerling ruim voldoende extra tijd werd verleend voor het maken van de proeven, meer dan in het zorgcontract is voorzien. Om zich voor te bereiden op de bijkomende proeven, diende de leerling niet aanwezig te zijn in de school. De bijkomende proeven tonen aan dat er onvoldoende significante, nieuwe elementen zijn die een wijziging van het C-attest rechtvaardigen, zelfs met inachtneming van het positieve resultaat voor biologie. De Beroepscommissie besluit dan ook dat het C-attest behouden blijft en bevestigt dit.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9952-4/18 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  13. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel
  14. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), artikel 115/6, §§ 1 en 4, van de Codex Secundair Onderwijs, de artikelen 38, 1°, en 57, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“organisatiebesluit”), artikel 2.3.3.2 van het pedagogisch project van de verwerende partij en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “waaronder de formele en materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie haar beslissing enkel laten afhangen van de resultaten van de bijkomende proeven en heeft zij geen “globale” beoordeling gemaakt, rekening houdend met alle elementen van het dossier. Er wordt geen aandacht besteed aan “alle punten” en niet alleen “de punten behaald op de bijkomende proeven”. De motivering is beperkt tot slechts enkele vakken uit het jaarrapport, namelijk die waarvoor verzoeker bijkomende proeven heeft afgelegd. Van deze vakken wordt vermeld dat de leerplandoelstellingen niet gehaald zijn, terwijl niet vermeld wordt welke leerplandoelstellingen niet gehaald zijn. IX-9952-5/18 Resultaten van bijkomende proeven zijn evenwel niet alléénbepalend maar vormen een bijkomend element in de beoordeling. Voorts stelt verzoeker nog dat hij geen C-attest had mogen krijgen, daar er – zo stelt hij – slechts één jaartekort is, namelijk voor het vak chemie. Voor biologie is hij immers “zonder meer geslaagd” gelet op het resultaat van 68,57% voor de bijkomende proef. Voor wiskunde is hij met 50,93% geslaagd “indien de resultaten van de bijkomende proeven worden aangevuld met de resultaten op de delen die [hij] niet opnieuw hoefde af te leggen”. Beoordeling
  15. Een formelemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur lijkt niet te bestaan – reden ook waarom die verplichting is opgelegd bij de wet van 29 juli
  16. Voor zover het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het prima facie naar recht en is het niet ernstig.
  17. In de toelichting bij het middel – althans vanaf het punt waarop verzoeker zijn rechtsgeleerde beschouwingen verlaat en die toelichting voor de beoordeling in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid relevant is, namelijk bij de “toepassing in casu” – komen artikel 115/6, §§ 1 en 4, van de Codex Secundair Onderwijs, de artikelen 38, 1°, en 57, eerste lid, van het organisatiebesluit en artikel 2.3.3.2 van het pedagogisch project van de verwerende partij niet meer ter sprake. In die mate is het middel in de huidige stand van de procedure niet ontvankelijk en is het niet ernstig.
  18. De beslissing van de beroepscommissie van 13 september 2021 voegt zich toe, zo lijkt, aan de beslissing van 3 september 2021 en vult deze aan. IX-9952-6/18 Op laatstgenoemde datum heeft de beroepscommissie immers niet enkel beslist om verzoeker bijkomende proeven toe te staan; zij heeft ook reeds een aantal bezwaren van verzoeker beantwoord. Zij overweegt onder meer dat de klassenraad “een oordeel heeft gegeven over het bereiken van de leerdoelstellingen in zijn geheel”. De beroepscommissie lijkt zich hiermee impliciet maar zeker aan te sluiten bij de motieven van de klassenraad, waar deze niet enkel refereert aan de drie jaartekorten maar ook opmerkt dat verzoeker “voor het tweede semester 5 tekorten [heeft] behaald (wiskunde, biologie, chemie, fysica, LO)”, “ondermaats [presteerde] tijdens de eindexamens, met 3 tekorten en 2 nipte resultaten” en besluit dat verzoeker “de leerplandoelstellingen onvoldoende gerealiseerd [heeft] om over te gaan naar het zesde jaar”. De Raad van State valt in de huidige stand van de rechtspleging dan ook niet bij dat een “globale” beoordeling zou ontbreken.
  19. Die “globale” beoordeling doet evenwel niets af aan het gegeven dat verzoeker jaartekorten heeft voor drie vakken, waarbij het profielbepalende vak wiskunde en de eveneens richting-specifieke vakken chemie en biologie en, zoals de klassenraad vaststelt, voor een totaal van tien jaaruren. Het is een resultaat waarbij de leerling in de richting wiskunde-wetenschappen zich op het eerste gezicht aan een C-attest mag verwachten. Verzoeker ziet het overigens niet anders, want in zijn bezwaarschrift aan het schoolbestuur vraagt hij niet om een A-attest, maar wel “om de eindbeslissing inzake de leerlingenevaluatie […] uit te stellen tot na het afleggen van deze bijkomende examens, proeven of vakantietaken”, omdat hij “een kans zou moeten krijgen om herexamens of vakantie[taken] af te leggen voor de vakken waarvoor hij tekorten heeft”. Hij stelt “dat hij mits hij deze 3 vakken […] nog eens grondig studeert of daarover een serieus vakantiewerk uitvoert, in principe zou moeten in staat zijn om de vereiste basis te hebben om aan het zesde middelbaar te beginnen”. Hij wijst erop “dat de beroepscommissie haar beslissing kan laten voorafgaan door het opleggen van bijkomende proeven en opdrachten”. IX-9952-7/18 Dat verzoeker die “vereiste basis” niet had aan het einde van het schooljaar, lijkt hij alvast in zijn bezwaarschrift dus niet te betwisten. De beroepscommissie mag dan ook niet worden verweten, zo lijkt, daaraan niet veel woorden meer te hebben gespendeerd. Verzoeker heeft de beroepscommissie wel ervan kunnen overtuigen bijzondere persoonlijke omstandigheden in aanmerking te nemen en, zoals hij uitdrukkelijk vroeg in zijn bezwaarschrift, om hem bijkomende proeven toe te staan. Op die bijkomende proeven behaalt verzoeker 36,44% voor chemie, 68,57% voor biologie en 47,53% voor wiskunde.
  20. Verzoeker getuigt van een wel zeer groot voluntarisme om zelf zijn punten vast te stellen. Terwijl hij refereert aan rechtspraak van de Raad van State die erop wijst dat het resultaat van de bijkomende proef maar één element is, leidt hij niettemin louter uit zijn resultaat voor de bijkomende proef biologie af dat hij geslaagd is voor dit vak. Voor wiskunde componeert hij dan weer zelf een totaalcijfer door de punten van de bijkomende proef op te tellen met zelfgekozen onderdelen van de tijdens het schooljaar behaalde resultaten.
  21. De resultaten voor chemie en wiskunde lijken aan te tonen dat verzoeker minstens voor die vakken niet geslaagd is en de leerplandoelstellingen niet heeft behaald. Immers, uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht ligt de motivering van het al dan niet slagen van een leerling in de eerste plaats besloten in de behaalde punten. Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling, zoals die door de betrokken leerkracht zijn geëvalueerd. IX-9952-8/18 Aangenomen wordt dat het voor elk opleidingsonderdeel ordentelijk toegekende jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen – zowel tijdens het dagelijks werk, tijdens een eventuele permanente evaluatie of tijdens de eventuele examenperiodes – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod zijn gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. Een onvoldoende jaartotaal voor een vak impliceert bijgevolg in beginsel dat niet voldaan is aan de leerplandoelstellingen voor dat vak. Welnu, de Raad van State ziet niet in – en verzoeker toont vooralsnog niet aan – hoe die vaststelling gekeerd kan worden door een bijkomende proef waarvan het resultaat opnieuw een onvoldoende is.
  22. Het valt, zo lijkt, verzoeker – en alleen hem – toe om met onderbouwde argumenten het vermoeden van deskundigheid dat aan de hoedanigheid van leerkracht kleeft, aan het wankelen te brengen. Verzoeker, die zijn examens heeft kunnen inkijken en er een kopie van heeft ontvangen, contesteert zijn tekorten evenwel niet. De beroepscommissie mag zich dan ook beperken tot een verwijzing naar het aldus vastgestelde resultaat, zonder te moeten opsommen welke specifieke leerplandoelstellingen niet zijn behaald. Voor zover het middel uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt het prima facie naar recht.
  23. De beroepscommissie heeft aangegeven dat de leerstof waarop verzoeker voor biologie en wiskunde bijkomend is ondervraagd, specifiek handelt “over die delen van het programma waarop expliciet verder wordt gebouwd in het 6de jaar”. Verzoeker weerspreekt dit niet. IX-9952-9/18 Verzoeker is dus voor die vakken niet geëxamineerd over de gehele leerstof van het leerjaar, maar zeer gericht over die onderdelen die peilen naar de vereiste basiskennis om het volgende en laatste leerjaar van de studierichting met enig succes te kunnen aanvatten. Nu de beroepscommissie moest vaststellen dat verzoeker ook op die bijkomende proeven faalt – en de “vereiste basis” nog steeds ontbeert – mocht zij daaruit op het eerste gezicht concluderen “dat er onvoldoende significante, nieuwe elementen zijn die een wijziging van het C-attest rechtvaardigen, zelfs met inachtneming van het positieve resultaat voor biologie”.
  24. De beroepscommissie heeft zich prima facie niet enkel laten leiden door énkel de bijkomende proeven, maar zij heeft vastgesteld dat de bijkomende informatie ingewonnen door de bijkomende proeven niet van aard is om de voorheen gedane vaststellingen door de klassenraad en de door hem toegekende beoordeling van een C-attest op grond van de vastgestelde jaartekorten te wijzigen. Verzoeker zet niet uiteen hoe “de vakken waarvoor wel een positief resultaat werd behaald” die conclusie kunnen weerleggen. Overigens mag eraan worden herinnerd dat verzoeker, met de woorden van de klassenraad, “voor het tweede semester 5 tekorten [heeft] behaald (wiskunde, biologie, chemie, fysica, LO)” en “ondermaats [presteerde] tijdens de eindexamens, met 3 tekorten en 2 nipte resultaten”.
  25. Een schending van hetzij de formele- hetzij de materiëlemotiveringsplicht is vooralsnog niet aangetoond.
  26. Een duidelijke uiteenzetting hoe de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht schendt, lijkt te ontbreken. Minstens geeft verzoeker aan de aangevoerde schending van die beginselen geen IX-9952-10/18 afzonderlijke of bijkomende toelichting, zo lijkt, die met wat voorafgaat zonder antwoord is gebleven. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
  27. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  28. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 38, 1°, van het organisatiebesluit. Verzoeker voert andermaal aan dat de beroepscommissie geen “globale” beoordeling heeft gemaakt. Verzoeker wijst erop dat hij ondanks zijn tekorten meer dan 50% heeft behaald en voor veel andere vakken is geslaagd. Hij zet ook uitvoerig uiteen dat hij tijdens het schooljaar de nodige inspanningen heeft gedaan en door de lockdown voor zijn leerstoornis minder ondersteuning van de school heeft gekregen. Beoordeling 20.
  29. Artikel 38, 1°, van het organisatiebesluit leert dat een leerling met vrucht het eerste leerjaar van de derde graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. 20.
  30. Zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt is de beroepscommissie van oordeel dat verzoeker niet bekwaam wordt geacht om zijn IX-9952-11/18 studies voort te zetten. Verzoeker heeft de onwettigheid van dat oordeel vooralsnog niet aangetoond. Voornoemde bepaling is op het eerste gezicht dan ook niet geschonden.
  31. Het wordt niet ontkend dat de lockdown bijzonder moeilijk is geweest, inzonderheid voor jonge mensen die zoals verzoeker lijden aan een aandachtstoornis of een complexe persoonlijkheidsstructuur hebben. Evenmin wordt in twijfel getrokken dat verzoeker er alles aan heeft gedaan om goed te scoren. Integendeel, de beroepscommissie heeft wel degelijk oog gehad voor de specifieke situatie van verzoeker en ze heeft haar ertoe geleid, zoals gevraagd, de uitzonderlijke omstandigheden te erkennen die het organiseren van bijkomende proeven toelaten. Voor de leerstof van die proeven is ook rekening gehouden met wat de “vereiste basis” is voor het volgende leerjaar.
  32. Voor zover verzoeker het de school kwalijk neemt dat zij onvoldoende passende begeleiding heeft aangeboden of dat de aangeboden remediëring niet “op niveau” was, moet worden opgemerkt dat die kritiek, daargelaten of ze in feite klopt, in rechte faalt. Het is, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Zelfs indien aangenomen wordt dat de schoolorganisatie tijdens de lockdown bijgedragen heeft aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, brengt dit niet met zich mee dat dat resultaat gunstiger wordt. De vaststelling van de oorzaak van het minder presteren laat niet toe het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is gepresteerd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft hij het schooljaar niet met vrucht beëindigd, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden. Volledigheidshalve merkt de Raad van State op dat verzoeker in het middel niet aanvoert dat tussen hem en de school een individueel IX-9952-12/18 begeleidingsplan is opgesteld met zogenaamde sticordimaatregelen, laat staan dat bepaalde van die maatregelen niet zijn nageleefd. Overigens signaleert de verwerende partij in de nota dat de diagnose ‘hoogbegaafdheid’ pas na de beslissing van de delibererende klassenraad aan de school is gemeld, zodat zij alvast met die voor haar nieuwe situatie geen rekening heeft kúnnen houden tijdens het schooljaar. Verzoeker refereert in de toelichting bij het middel nog aan “richtlijnen van de Vlaamse Overheid” waarmee de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden, die hij evenwel niet nader preciseert of bij het verzoekschrift voegt en waarvan hij evenmin aantoont dat ze een afdwingbare rechtsnorm zijn. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk.
  33. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  34. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 147/1 van de Codex Secundair Onderwijs, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van “het materiële motiveringsbeginsel”. Verzoeker licht toe dat het vak “seminarie programmeren” in het curriculum is opgenomen, maar dat het niet is gegeven in het schooljaar 2020-2021 en niet is geëvalueerd. Het valt niet toe aan de onderwijsinstelling om op eigen initiatief te bepalen welke vakken te schrappen uit het curriculum, zodat artikel 147/1 van de Codex Secundair Onderwijs is geschonden. Verzoeker licht toe een bijzondere affiniteit te hebben met het seminarie en dat dit “een bijzonder groot resultaatsverschil” had uitgemaakt waarmee op heden geen rekening kan worden IX-9952-13/18 gehouden. Verzoeker heeft hierop gewezen maar de beroepscommissie heeft er niet op geantwoord. IX-9952-14/18 Beoordeling
  35. De Raad van State ziet in de huidige stand niet welk belang verzoeker heeft bij dit middel, aangezien verzoeker niet aantoont hoe een zelfs uitmuntend resultaat voor het seminarie iets kan veranderen aan zijn andere resultaten en, in het bijzonder, aan zijn jaartekorten of, anders gesteld, hoe verzoeker met dit bijkomende resultaat wél zou aantonen dat hij de leerplandoelstellingen voor de profielbepalende vakken chemie en wiskunde zou kunnen behalen en hoe sommige andere vakken niet zouden resulteren in ondermaatse eindexamens. Daarenboven lijkt dit een grief die enkel kan worden hersteld door verzoeker alsnog het seminarie te laten volgen en het te evalueren, om dan te onderzoeken welke weerslag zijn resultaat voor het seminarie de weegschaal in zijn voordeel kan doen overhellen. Het is, met andere woorden, een middel waarvan prima facie niet wordt ingezien hoe, zelfs als het gegrond ware, het ertoe kan leiden dat verzoeker het schooljaar niet verliest. Minstens in de fase van de schorsingsprocedure is het dus niet dienstig. Om diezelfde reden heeft verzoeker, zo lijkt, geen belang bij zijn grief dat de beroepscommissie verzuimt hierop te antwoorden. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat de beroepscommissie in haar beslissing van 3 september 2021 wel heeft geantwoord op de beweerde schending van artikel 147/1 van de Codex Secundair Onderwijs. Verzoeker betrekt dat antwoord niet in het middel.
  36. Het middel, dat niet ontvankelijk lijkt, is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel IX-9952-15/18
  37. Het vierde middel is geput uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker zet uiteen dat een leerling uit zijn klas met mindere resultaten en minder onvoldoendes in juni een A-attest verkreeg met de mogelijkheid zich bij te schaven met vakantiewerk voor wiskunde. Verzoeker acht het gelijkheidsbeginsel geschonden daar die kans hem niet is geboden. Pas na het instellen van een beroep mocht hij bijkomende proeven afleggen. Daarenboven heeft hij minder voorbereidingstijd gekregen (amper een week) dan zijn klasgenoot (twee maanden). Beoordeling
  38. Zoals verzoeker het zelf schrijft heeft zijn klasgenoot minder onvoldoendes dan hijzelf. Die klasgenoot heeft meer bepaald slechts één jaartekort, terwijl verzoeker drie jaartekorten behaalt. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat het om gelijke gevallen gaat die gelijk behandeld moeten worden. Of, zoals de beroepscommissie ook reeds overwoog, “is de cijfermatige vergelijking zeker niet van die aard om hieruit tot een niet gelijke behandeling te besluiten”.
  39. Het is voorts eigen aan een vakantietaak dat die tijdens de vakantie wordt gemaakt. Verzoeker vroeg aan en kreeg van de beroepscommissie uitgestelde proeven. Voor die proeven kreeg verzoeker inderdaad minder voorbereidingstijd. De Raad van State betreurt mét verzoeker dat een schoolbestuur niet in staat blijkt te zijn, zich zo te organiseren dat de beroepscommissie zich sneller kan uitspreken en al zeker alvorens het volgende schooljaar al is begonnen. Wat daarvan ook aan is, de beroepscommissie noteert in de bestreden beslissing dat verzoeker “ruim voldoende extra tijd werd verleend” om zich op de proeven voor te bereiden. Hij betwist die vaststelling in het middel niet. IX-9952-16/18
  40. De schending van de aangevoerde beginselen is vooralsnog niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. E. Besluit
  41. Bij gebrek aan ernstig middel moet de vordering worden verworpen. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt de vordering.
  43. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  44. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9952-17/18 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9952-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.