id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.747 Rolnummer: A. 225593/IX-9325 Zaak: Arrest 251747 - Varia (onderwijs en cultuur) - 05/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-11 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 11:47 Fiche Arrest nr 251.747 van 5 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.747 van 5 oktober 2021 in de zaak A. 225.593/IX-9325 In zake : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Impact bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Len Augustyns kantoor houdend te 2018 Antwerpen Brusselstraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Onderwijs van 3 januari 2018, waarbij de programmatieaanvraag voor het Zeelyceum – school bij het Zeepreventorium tot oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9325-1/19 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Adviseur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker dient op 21 november 2016 bij de afdeling Secundair Onderwijs, Scholen en Leerlingen een aanvraag in tot oprichting van vestigingsplaatsen OV4 type 5 van de bestaande ziekenhuisschool Zeelyceum in het AZ Sint-Lucas te Assebroek, de kliniek Sint-Jozef te Pittem en het PZ Heilige Familie te Kortrijk voor het schooljaar 2017-
- IX-9325-2/19 3.
- Bij brief van 3 januari 2018 antwoordt de Vlaamse minister van Onderwijs op een aantal vragen van het Zeelyceum. Specifiek wat de voormelde aanvraag betreft, antwoordt zij: “Een volgend punt is uw aanvraag tot oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen (dd. 21/11/2016). Deze vraag is zorgvuldig bestudeerd. Op basis van uitgewerkte simulaties en berekeningen schatten we de budgettaire meerkost hiervan tussen de anderhalf tot bijna 3 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen optie. Momenteel is hiervoor geen budgettaire ruimte. Tijdens het overleg deed u de suggestie om de samenwerking van uw school met de drie ziekenhuizen eerder projectmatig te benaderen in plaats van via programmatie. Omdat dit te zeer een voorafname op de programmatie is, staan we open voor eventuele andere projectvoorstellen. Ik verwijs hiervoor ook graag naar het onderhoud dat u hierover had met mijn raadgever op 19 oktober ll.” Dat is de bestreden beslissing. 3.
- Op 27 november 2017 dient verzoeker bij de afdeling Secundair Onderwijs, Scholen en Leerlingen een nieuwe aanvraag in tot oprichting van vestigingsplaatsen OV4 type 5 van de bestaande ziekenhuisschool Zeelyceum in het AZ Sint-Lucas te Assebroek, de kliniek Sint-Jozef te Pittem en het PZ Heilige Familie te Kortrijk, voor het schooljaar 2018-
- De Vlaamse regering beslist op 20 april 2018 dat aan de programmatieaanvraag geen gunstig gevolg kan worden gegeven. IV. Precisering van het voorwerp van het beroep
- Met het voorliggende verzoekschrift vraagt verzoeker de nietigverklaring van de beslissing waarbij de oprichting van vestigingsplaatsen voor zowel het Zeelyceum De Haan als voor de basisschool Aan Zee geweigerd zou zijn. IX-9325-3/19 In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het formulier ‘Melding van de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats voor het secundair onderwijs’ enkel is ingediend door het Zeelyceum en dat enkel akte van de aanvraag is verleend aan het Zeelyceum. Hieruit wordt afgeleid dat de brief van 3 januari 2018, uitsluitend gericht aan het Zeelyceum, enkel uitspraak doet over de aanvraag van 21 november 2016 van verzoeker als bevoegd gezag van het Zeelyceum en dat het voorwerp van huidig beroep geen betrekking heeft op een aanvraag tot oprichting van vestigingsplaatsen voor basisschool Aan Zee. Verzoeker weerspreekt zulks niet in zijn laatste memorie en verklaart met betrekking tot de ontvankelijkheid, zich aan te sluiten bij het auditoraatsverslag.
- Vastgesteld wordt dat het voorwerp van het beroep enkel betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag voor het Zeelyceum tot oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet langer blijk geeft van het rechtens vereiste actueel belang bij het beroep. Zij argumenteert dat het belang van verzoeker erin bestaat dat hij na een nietigverklaring van de bestreden beslissing een nieuwe kans verwerft op de goedkeuring van zijn aanvraag voor het Zeelyceum tot oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen. Verzoeker heeft echter al een nieuwe kans benut door voor het schooljaar 2018-2019 een nieuwe aanvraag in te dienen. Die aanvraag is evenmin ingewilligd en verzoeker heeft die niet-inwilliging niet bestreden, zodat die beslissing definitief is geworden. Voor zover verzoeker zijn belang zou situeren in het aanspraak maken op subsidies voor het schooljaar 2017-2018, merkt de verwerende partij op dat, zelfs in de veronderstelling dat de oprichting van IX-9325-4/19 vestigingsplaatsen retroactief kan worden goedgekeurd, zij moeilijk subsidies zou kunnen geven voor vestigingsplaatsen die nooit daadwerkelijk zijn opgericht. Zij verwijst in dat verband naar ’s Raads arrest nr. 235.977 van 4 oktober
- Beoordeling
- Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling Bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Dit belang moet niet alleen bestaan op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover.
- Het belang van verzoeker bij huidig beroep bestaat erin dat hij ingevolge de gevorderde nietigverklaring van de weigering om de programmatieaanvraag goed te keuren, een nieuwe kans verwerft op een goedkeuring. Verzoeker heeft met de bestreden beslissing niet verkregen wat hij beoogde, namelijk de oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen. Het feit dat hij de weigeringsbeslissing van zijn aanvraag tot programmatie van drie vestigingsplaatsen voor het schooljaar 2018-2019 niet heeft aangevochten, maakt niet dat zijn belang bij huidig beroep is teloorgegaan. Zoals verzoeker opmerkt, wordt een aanvraag tot programmatie ingediend voor een bepaald schooljaar, maar geldt een goedkeuring voor onbepaalde tijd. In ieder geval plaatst een nietigverklaring van de thans bestreden weigering de verwerende partij opnieuw voor de aanvraag, waarover zij alsdan moet beslissen met respect voor de vernietigingsgrond op straf het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest te schenden. Het feit dat verzoeker niet retroactief aanspraak zou kunnen maken op subsidies, doet hieraan geen afbreuk. Anders dan de verwerende partij beweert en dan in arrest nr. 235.977 van 4 oktober 2016 het geval is, situeert IX-9325-5/19 verzoeker zijn belang immers niet in het louter aanspraak maken op subsidies voor het jaar 2017-
- De exceptie wordt verworpen. IX-9325-6/19 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht zoals opgelegd door de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”) juncto artikel 3 van het internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (“IVRK”). Verzoeker voert aan dat artikel 3 IVRK een bijzondere invulling geeft aan de door de formelemotiveringswet opgelegde formelemotiveringsplicht. Om afdoende gemotiveerd te zijn moet uit de bestreden beslissing blijken dat de belangen van de langdurig in een ziekenhuis opgenomen kinderen in overweging werden genomen. Deze bijzondere motiveringsplicht blijkt echter niet uit de bestreden beslissing, waarin het budgettaire de enige overweging is.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de motivering moet blijken uit de bestreden beslissing zelf. De bestreden beslissing geeft er geen blijk van dat met de belangen van de leerlingen – die in casu duidelijk in het gedrang zijn – rekening is gehouden.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat niet kan worden ingezien hoe een overheid een beslissing over het onderwijs aan kwetsbare kinderen afdoende kan motiveren zonder iets over de belangen van deze kinderen op te nemen in de motivering. IX-9325-7/19 Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formelemotiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- Die formelemotiveringsplicht impliceert op zich niet dat het bestuur sowieso een motivering met betrekking tot het belang van het kind moet opnemen in de bestreden beslissing.
- Artikel 3.1 IVRK luidt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.”
- Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 IVRK in het Belgische recht – verzoeker beroept zich ook niet rechtstreeks op de schending ervan – volgt uit de formelemotiveringswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1 IVRK, niet dat op de overheid de bijzondere, versterkte motiveringsplicht rust die verzoeker eruit afleidt. Enkel blijkt dat de betrokken IX-9325-8/19 autoriteiten zich rekenschap dienen te geven van de belangen van het kind bij het nemen van hun beslissingen.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is eveneens genomen uit de schending van de formelemotiveringswet. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Gelet op het maatschappelijk belang van de aanvraag en de relevantie van de erin opgenomen argumenten moet in de bestreden beslissing minstens worden ingegaan op die argumenten. In de bestreden beslissing wordt echter met geen woord gerept over de nood aan een volwaardige onderwijssituatie, een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt voor langdurig zieke kinderen en het verminderen van de maatschappelijke meerkost. Het is volstrekt onduidelijk of deze argumenten ook maar in overweging zijn genomen bij het nemen van de bestreden beslissing.
- In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat er geen enkel standpunt wordt ingenomen over twee dragende motieven van de aanvraag, namelijk de nood aan een volwaardige onderwijssituatie en het terugverdieneffect van de maatregel. Dat de bestreden beslissing een beleidskeuze is van het bestuur, doet volgens verzoeker geen afbreuk aan de noodzaak om aandacht te besteden aan de grondslag van de aanvraag en te expliciteren waarom beleidsmatig geen passende onderwijssituatie kan worden ondersteund. IX-9325-9/19
- Verzoeker benadrukt in de laatste memorie dat van een afdoende motivering mag worden verwacht dat de determinerende motieven van de aanvraag worden onderzocht en beantwoord, hetgeen te dezen duidelijk niet het geval is. Bij de motivering in verband met de meerkost die met het inwilligen van de aanvraag gepaard zou gaan, is zelfs de argumentatie met betrekking tot het terugverdieneffect niet beantwoord. Beoordeling
- Anders dan verzoeker het ziet, vereist de formelemotiveringsplicht niet dat op alle argumenten van zijn aanvraag wordt geantwoord en dat de gronden van de motieven in de bestreden beslissing kenbaar worden gemaakt. Het volstaat daarentegen dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen.
- In de brief van 3 januari 2018 spreekt de minister van Onderwijs vooreerst haar uitdrukkelijke dank en waardering uit voor verzoekers “betrokkenheid op onderwijs en de doelgroep van leerlingen met specifieke onderwijsnoden in het bijzonder”. Voorts wordt in verband met verzoekers vraag tot oprichting van drie vestigingsplaatsen in drie ziekenhuizen overwogen: “Op basis van uitgewerkte simulaties en berekeningen schatten we de budgettaire meerkost hiervan tussen de anderhalf tot bijna 3 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen optie. Momenteel is hiervoor geen budgettaire ruimte.”
- De bestreden beslissing verschaft verzoeker duidelijkheid over het determinerend motief waarom de verwerende partij de aanvraag heeft geweigerd. Aan de formelemotiveringsplicht is bijgevolg voldaan. Overigens blijkt dat de bijzondere situatie van deze specifieke doelgroep van leerlingen aan de verwerende partij niet is ontgaan. IX-9325-10/19
- Het tweede middel is ongegrond. IX-9325-11/19 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker voert in het eerste onderdeel van het middel aan dat de bestreden beslissing enkel verwijst naar de “budgettaire meerkost” die zou liggen “tussen de anderhalf tot bijna 3 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen optie” terwijl aan de verwerende partij geen optie werd voorgesteld en het dan ook een raadsel is welke optie wordt bedoeld. Het is ook volstrekt onduidelijk hoe de verwerende partij aan de genoemde bedragen komt, die worden gekenmerkt door een zéér grote discrepantie. De aanvraag betreft louter de oprichting van een aantal vestigingsplaatsen binnen ziekenhuizen, in bestaande lokalen die geschikt zijn voor onderwijsactiviteit. Er worden geen schoolgebouwen opgetrokken en er zijn dan ook geen enorme investeringen nodig. De bijkomende personeelskost die met het inwilligen van de aanvraag gepaard gaat, ligt volstrekt niet in de grootteorde van wat de verwerende partij beweert, zeker niet als de budgettaire ruimte duidt op de jaarbegroting. Bovendien weegt deze personeelskost volstrekt niet op tegen het sociale voordeel. Door de diensten van de verwerende partij werd in gesprekken reeds met cijfers gegoocheld om de kost van het project aan te tonen. Op de rechtstreekse vraag van verzoeker aan de verwerende partij om simulaties of berekeningen bij te brengen, werd niet ingegaan. Toch beroept de verwerende partij zich in de bestreden beslissing opnieuw op “uitgewerkte simulaties of berekeningen”. De bestreden beslissing gaat uit van verkeerde gegevens door de kostprijs van vestigingsplaatsen schromelijk te overschatten. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat in de bestreden beslissing geen enkele afweging wordt gemaakt. De stelling dat er “momenteel geen budgettaire ruimte” is, wordt door niets gestaafd. Het hanteren IX-9325-12/19 van het begrip “budgettaire ruimte” zoals dit in de bestreden beslissing wordt gedaan, veronderstelt een totaal gebrek aan beleidsruimte en de onmogelijkheid om binnen het onderwijs prioriteiten te leggen of te wijzigen, en dit blijkbaar al sinds de eerste aanvraag in
- Indien zich echter een belangrijke maatschappelijke nood aandient, moet het beschikbare budget minstens opnieuw onder de loep worden genomen en moet worden nagegaan of extra middelen beschikbaar kunnen worden gemaakt, dan wel of bepaalde uitgaven even belangrijk zijn. Een dergelijke afweging dient te blijken uit de bestreden beslissing. Door louter te verwijzen naar “budgettaire ruimte” is er geen enkele controle mogelijk, noch door verzoeker, noch door de Raad van State. Bovendien kan budgettaire ruimte worden gecreëerd.
- Met betrekking tot het eerste middelonderdeel repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord op de argumentatie van de verwerende partij dat de inwilliging van verzoekers aanvraag eenzelfde vraag zou genereren van alle resterende K-diensten. Hij betoogt dat een dergelijke vraag niet voorligt en dat het dus gaat om een fictieve situatie. Bovendien blijkt uit de Codex Secundair Onderwijs dat voor de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium ook op andere vlakken een bijzondere rechtspositie is gecreëerd. Over het tweede middelonderdeel benadrukt verzoeker het doel van de motiveringsplicht. Hij stelt dat beleidsvrijheid en budgettaire ruimte geen afdoende motivering kunnen vormen voor het uitblijven van een noodzakelijke maatregel.
- In de laatste memorie stelt verzoeker dat de aanname van eenzelfde vraag van alle K-diensten uitsluitend hypothetisch is en dat hij de meerkost daarvan geenszins heeft aanvaard tijdens het overleg. Het gaat om niet- onderbouwd cijferwerk aangezien er geen andere aanvragen zijn. IX-9325-13/19 Ten slotte benadrukt hij dat er geen opportuniteitsafweging is gebeurd en dat de stelling dat er “momenteel geen budgettaire ruimte” is door niets wordt gestaafd en bijgevolg kan dienen als motivering voor eender welke overheidsbeslissing. Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Aan een eigen opportuniteitsoordeel mag de Raad van State al helemaal niet toekomen.
- In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat het onduidelijk is hoe de verwerende partij tot de in de bestreden beslissing genoemde bedragen komt en hij beweert dat de kost van de aangevraagde bijkomende vestigingsplaatsen schromelijk wordt overdreven. De verwerende partij zet in de memorie van antwoord uiteen dat zij op een overleg van 11 januari 2017 van het ‘Platform van Onderwijs aan Zieke Leerlingen in Vlaanderen’ aan de directie van de basisschool Aan Zee een document heeft overhandigd over de ‘vergelijking kostprijs DMOB (Dienst met onderwijsbehoeften) en type 5’. Daarin wordt de berekende meerkost uiteengezet voor de transitie van de drie West-Vlaamse DMOB, eensdeels, en voor de transitie van het volledige DMOB veld, anderdeels. Zij stelt dat de inwilliging IX-9325-14/19 van verzoekers aanvraag eenzelfde vraag van alle resterende K-diensten zou genereren en dat bij een beslissing over verzoekers aanvraag dus rekening moet worden gehouden met de mogelijke totaalkost. Het is die totaalkost die in de bestreden beslissing wordt vermeld. Verzoeker betwist niet bij dit overleg aanwezig te zijn geweest en op die wijze als bevoegd gezag van het Zeelyceum inzicht te hebben gekregen in de budgettaire meerkost van zijn aanvraag. De verwerende partij kan dan ook worden bijgevallen dat verzoeker niet onwetend kan zijn over de berekening van de meerkost. Verzoeker stelt dan wel dat er geen enorme investeringen nodig zijn en dat de bijkomende personeelskost niet in de grootteorde ligt van wat de verwerende partij beweert en bovendien niet opweegt tegen het sociale voordeel, maar hij laat na dit ook maar enigszins concreet en cijfermatig toe te lichten. Verzoeker slaagt er dan ook niet in om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste gegevens of op een onredelijke budgettaire beleidsoptie.
- Daarin slaagt verzoeker evenmin in het tweede middelonderdeel. Hij beperkt zijn kritiek hier immers tot het uiten van loutere opportuniteitskritiek die de onwettigheid van de bestreden beslissing niet vermag aan te tonen.
- Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel IX-9325-15/19
- Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 28.1, b, IVRK juncto de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat het uit artikel 28 IVRK blijkende engagement al gerealiseerd is in de in Vlaanderen geldende leerplicht zodat het gelijkheidsbeginsel bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet – en voor het onderwijs nog explicieter verwoord in artikel 24, § 3, van de Grondwet – dan ook ten volle speelt. Het loutere feit dat kinderen buiten hun wil om langdurig gehospitaliseerd zijn, is geen afdoende reden om hen op het vlak van onderwijs ongelijk te behandelen met hun leeftijdsgenoten die niet op een dergelijke wijze worden getroffen. Deze kinderen zijn geestelijk bekwaam om gewone studies te volbrengen en zij zijn in staat om in het ziekenhuis, buiten hun therapiemomenten, gewoon les te volgen. Artikel 24, § 1, van de Grondwet verplicht de gemeenschap tot het inrichten van neutraal onderwijs. Verzoeker is het bevoegd gezag van dit onderwijs en dient er dan ook op toe te zien dat aan die verplichting wordt voldaan. De bestreden beslissing belet dit echter.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat er gebrekkig onderwijs wordt verstrekt aan langdurig zieke kinderen die in een ziekenhuis verblijven, terwijl er geen enkele reden is om hen niet het onderwijs te bieden dat ook aan andere kinderen wordt geboden. Voor zover de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat verzoeker als onderwijsverstrekker geen belang heeft bij het inroepen van artikel 24, § 3, van de Grondwet dat rechten van ouders en leerlingen beoogt te waarborgen, repliceert verzoeker dat hij het bevoegd gezag is van het onderwijs voor gehospitaliseerde kinderen, dat overeenkomstig het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs de personeelsleden tot taak hebben het belang van de leerlingen, cursisten en consultanten te behartigen en ook de ambtsplicht hebben de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het IX-9325-16/19 bijzonder te respecteren en dat hij dan ook belang heeft bij het middel, ook in zoverre het steunt op artikel 24, § 3, van de Grondwet.
- In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de reden voor de aanvraag is dat de betrokken kinderen verstoken blijven van kwalitatief en kwantitatief evenwaardig onderwijs. Hij verwijst naar de visie hierop van kinder- en jeugdpsychiaters. De bewering dat deze kinderen op gelijke voet worden behandeld met hun leeftijdsgenoten en dat verzoeker in de huidige omstandigheden een werkelijk onderwijs kan aanbieden, is volgens verzoeker feitelijk onjuist. Beoordeling
- Verzoeker stelt in het middel zelf dat het uit artikel 28 IVRK blijkende engagement al is gerealiseerd, zodat niet kan worden ingezien waarom hij hiervan alsnog de schending aanvoert.
- Verzoeker spitst zich voorts toe op de schending van het gelijkheidsbeginsel, meer specifiek zoals het voor het onderwijs expliciet is verwoord in artikel 24, § 3, eerste lid, van de Grondwet. Hij stelt dat het loutere feit dat kinderen buiten hun wil om langdurig gehospitaliseerd zijn, geen afdoende motivering is om hen op het vlak van onderwijs ongelijk te behandelen. Artikel 24, § 3, van de Grondwet waarborgt het recht op onderwijs en de kosteloze toegang tot het onderwijs. Deze bepaling waarborgt de rechten van ouders en van leerlingen, zodat verzoeker als onderwijsverstrekker geen belang heeft bij dit middelonderdeel. De verwerende partij merkt overigens terecht op dat leerlingen die in ziekenhuizen verblijven, niet zijn verstoken van onderwijs. Zij wijst erop dat deze ziekenhuizen (de zogenaamde K-diensten) zijn opgenomen in de IX-9325-17/19 subsidieregeling als “diensten met onderwijsbehoeften” en een subsidie ontvangen om in onderwijs te voorzien.
- In zoverre verzoeker de schending aanvoert van artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet doordat de bestreden beslissing hem belet neutraal onderwijs in te richten, moet worden vastgesteld dat nergens uit de aanvraag blijkt dat met het oprichten van drie vestigingsplaatsen werd beoogd neutraal onderwijs in te richten en aldus om de keuzevrijheid van ouders te waarborgen om voor hun kinderen het onderwijs te kiezen dat het meest bij hun levensopvatting aansluit. Verzoeker kan de schending van artikel 24, § 1, van de Grondwet dan ook niet dienstig aanvoeren.
- Het vierde middel is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9325-18/19 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9325-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div