id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.782 Rolnummer: A. 221593/VII-39929 Zaak: Arrest 251782 - Milieuvergunningen - 07/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-11 12:12 Fiche Arrest nr 251.782 van 7 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.782 van 7 oktober 2021 in de zaak A. 221.593/VII-39.929 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen :
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen
- de BURGEMEESTER VAN DE STAD GERAARDSBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Pastorijstraat 19 Tussenkomende partij : de VZW VLAAMS ZWEEFVLIEGCENTRUM PHOENIX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van 15 december 2016 waarbij het bestuurlijk VII-39.929-1/6 beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de stad Geraardsbergen van 29 november 2016 in zake het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot de exploitatie van een vliegveld, gelegen te Geraardsbergen, onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 23 oktober 2020 een verslag opgesteld. De eerste verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Matthijs De Bruyn, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor de tweede verwerende partij en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.929-2/6 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In Geraardsbergen, deelgemeente Overboelare, tussen de Dender en de Veldekenslaan, wordt sinds 1969 een vliegveld geëxploiteerd. De percelen krijgen later in het gewestplan de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Sinds 1996 wordt het vliegveld geëxploiteerd door de vzw Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix. De Raad van State heeft verscheidene milieuvergunningen voor de exploitatie van de inrichting vernietigd (zie arrest nr. 193.593 van 28 mei 2009, arrest nr. 220.586 van 13 september 2012, arrest nr. 224.600 van 10 september 2013, arrest nr. 228.685 van 7 oktober 2014 en arrest nr. 235.295 van 30 juni 2016). 3.
- Na het vernietigingsarrest nr. 235.295 van 30 juni 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de milieuvergunning. Daarop vraagt de verzoekende partij om bij bestuurlijke maatregel de niet-vergunde exploitatie te laten stopzetten. 3.
- Ingevolge voormeld verzoek beslist de burgemeester van de stad Geraardsbergen op 29 november 2016 om als bestuurlijke maatregel aan de vzw Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix op te leggen dat “uitsluitend klasse 3-activiteiten mogen worden uitgeoefend”. 3.
- Het tegen voormelde beslissing ingestelde bestuurlijk beroep wordt op 15 december 2016 door het afdelingshoofd van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer onontvankelijk verklaard. VII-39.929-3/6 Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Actueel belang van de verzoekende partij Exceptie
- De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie op dat de verzoekende partij geen actueel belang meer heeft bij de gevorderde nietigverklaring omdat zij vanaf 9 juli 2020 beschikt over een omgevingsvergunning die geldig is voor een termijn van vijf jaar. In de gegeven omstandigheden meent de tussenkomende partij dat de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij geen enkel voordeel kan opleveren.
- In haar laatste memorie merkt de verzoekende partij op dat tegen de omgevingsvergunning van 9 juli 2020 een beroep tot vernietiging werd ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en dat zij na de gebeurlijke nietigverklaring van de thans bestreden beslissing “nog steeds een eventuele weigering van het treffen van bestuurlijke maatregelen [kan] betwisten mede omwille van de geachte onwettigheid van die omgevingsvergunning van 9 juli 2020 en de geachte onwettigheid van de opname van de 510 m start- en landingsbaan als vergund geacht in het vergunningenregister”. Beoordeling
- Het belang van de verzoekende partij steunt in essentie op haar streven dat aan de tussenkomende partij bestuurlijke maatregelen worden opgelegd wegens het exploiteren van een vergunningsplichtige inrichting zonder in het bezit te zijn van een geldige (milieu)vergunning, waarbij inzonderheid wordt gewezen op de juridische toestand na het vernietigingsarrest nr. 235.295 van 30 juni
- VII-39.929-4/6 Het actueel belang van de verzoekende partij bij voorliggend beroep moet beoordeeld worden in het licht van dit initiële streven.
- Thans wordt vastgesteld dat de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 9 juli 2020 een omgevingsvergunning heeft verleend aan de vzw Vlaams Zweefvliegcentrum Phoenix voor het verder exploiteren en veranderen van het zweefvliegcentrum. Deze omgevingsvergunning wordt aangevochten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, zodat het niet aan de Raad van State toekomt om zich uit te spreken over de beweerde onwettigheid van die vergunningsbeslissing. Derhalve kan ook niet worden aangenomen dat er sprake is van een milieumisdrijf waarvoor op grond van artikel 16.4.5 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd.
- Het beroep is niet ontvankelijk. V. Kosten
- De eerste verwerende partij vraagt de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.
- Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “§
- De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie”.
- De verzoekende partij is sinds langer dan een decennium betrokken bij een aanslepende rechtsstrijd over de wettige exploitatie van het VII-39.929-5/6 betrokken vliegveld (zie randnr. 3.1). De cascade aan onwettige overheidsbeslissingen rechtvaardigt het besluit dat er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie die toelaat de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het wettelijke minimum van 140 euro dat is bepaald bij artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.929-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.782 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div