id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.786 Rolnummer: A. 233666/VII-41117 Zaak: Arrest 251786 - Bewakingsondernemingen - 07/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 12:15 Fiche Arrest nr 251.786 van 7 oktober 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Bevolen prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.786 van 7 oktober 2021 in de zaak A. é.666/VII-41.117 In zake: Jonas LUYPAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Saar Verhulst kantoor houdend te 8310 Brugge Prins Leopoldstraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II Laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 mei 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 24 maart 2021 waarbij de identificatiekaart van verzoeker voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.117-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Saar Verhulst verschijnt voor verzoeker en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds 15 juli 2020 in het bezit van een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. 3.
- Op 17 december 2020 wordt hij door de politierechtbank van Brugge veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 dagen en een geldboete van 480 euro wegens de niet-naleving van het verbod om zich onnodig op de openbare weg of in openbare plaatsen te bevinden en wegens de niet-naleving van het verbod op samenscholingen in het kader van de bestrijding van de COVID-19 pandemie. 3.
- De directie Private Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken beslist op 24 maart 2021 voor de minister dat verzoeker niet meer voldoet aan de persoonsvoorwaarden bepaald in artikel 61, 1°, van de wet van VII-41.117-2/13 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: wet van 2 oktober 2017). Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. A. Ernst van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel voert verzoeker aan dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, dat de rechtsgrond vormt voor de bestreden beslissing, niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook dat die wetsbepaling op disproportionele wijze afbreuk doet aan het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid, zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel laat verzoeker gelden dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 voorziet in een verschillende behandeling “tussen veroordelingen wegens een inbreuk op de wegverkeerswet enerzijds en veroordelingen wegens andere inbreuken anderzijds”, dit verschil in behandeling niet berust op een objectief criterium en VII-41.117-3/13 niet redelijk verantwoord is in het licht van de doelstelling van de wetgever om “veroordelingen die doorgaans geen maatschappelijk risico vormen voor het uitoefenen van de activiteit als bewakingsagent in de private veiligheidssector niet in aanmerking te nemen om personen de toegang tot tewerkstelling in de bewakingssector te ontzeggen”. Verzoeker wijst er voorts op dat voor een gelijke behandeling van alle strafrechtelijke veroordelingen, met uitzondering van veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, geen aanvaardbare verantwoording voorhanden is. Bepaalde veroordelingen, zoals bijvoorbeeld wegens de miskenning van een tijdelijke maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, zouden immers “geen enkele invloed op de betrouwbaarheid van verzoeker als bewakingsagent of op zijn professionele kwaliteiten” hebben. Met betrekking tot de aantasting van het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid, laat verzoeker gelden dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 er niet in voorziet dat het bestuur in concreto onderzoekt of de veroordeling tot een correctionele straf het besluit kan wettigen dat verzoeker niet (langer) beschikt over de profielkenmerken die vereist worden door artikel 64 van dezelfde wet. Volgens verzoeker komt de automatische onmogelijkheid om toegang te krijgen tot een bepaald beroep op grond van wettelijke criteria die geen rekening houden met de aard van de strafrechtelijke feiten en de vereiste kwaliteiten voor het uitoefenen van het beroep in kwestie, neer op een disproportionele beperking van het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid. Verzoeker vraagt aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen: “- Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uiteengezette gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, door de politierechtbank gesanctioneerde tenlasteleggingen en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een VII-41.117-4/13 veroordeling wegens een inbreuk op een tijdelijke maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet? - Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart?”.
- In haar nota werpt de verwerende partij vooreerst op dat een prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof een “tijdrovend procedé” is dat “ruime tijd in beslag neemt” en dat haaks staat op de afhandeling van een administratief kortgeding. Zij meent dat het middel om die reden onontvankelijk is. Ten gronde stelt zij dat er geen ernstige twijfels kunnen rijzen over de grondwettigheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober
- Uit de parlementaire voorbereiding van de betrokken wetsbepaling leidt zij af dat de wetgever een “heldere keuze [heeft] gemaakt om de toegang tot het beroep onmogelijk te maken indien getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de betrokkene” van zodra hij een criminele of correctionele straf heeft opgelopen. Het criterium is objectief in zoverre een “duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds inbreuken op de verkeerswetgeving en anderzijds overtredingen van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19”. Voorts wijst het niet in acht nemen van de maatregelen die werden uitgevaardigd in het kader van de bestrijding van het coronavirus COVID-19 en de daarmee gepaard gaande gezondheidscrisis, er volgens de verwerende partij op dat kan getwijfeld worden aan de integriteit en de betrouwbaarheid van verzoeker om VII-41.117-5/13 tewerkgesteld te zijn in de private veiligheidssector. Zij benadrukt dat de veroordeling tot een correctionele straf wegens een inbreuk op de verkeerswetgeving en de veroordeling tot een correctionele straf wegens andere misdrijven behoudens een loutere verkeersinbreuk, geen vergelijkbare categorieën betreft. Bovendien heeft de wetgever “een geoorloofde rechtvaardigingsgrond verschaft tijdens de parlementaire voorbereidingen om de enige uitzondering voor inbreuken op de verkeersreglementering te verantwoorden”. De verwerende partij concludeert dat “er geen sprake [is] van een schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 61, eerste lid, 1° van de Wet private en bijzondere veiligheid”. Het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zouden evenmin in het gedrang worden gebracht omdat artikel 23 van de Grondwet toelaat dat de wetgever de vrije keuze van arbeid reguleert en desnoods beperkt door toelatingsvoorwaarden vast te stellen. Wanneer een strafrechter oordeelt over een strafrechtelijke veroordeling zal daarbij steeds rekening gehouden worden met de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten. De verwerende partij besluit dat het dan ook niet onevenredig is om de toegang tot het beroep van bewakingsagent te verbieden voor elkeen die een criminele of correctionele veroordeling heeft opgelopen, zonder daarbij een mogelijke uitzondering te moeten voorzien in functie van een bijkomende beoordeling van de concrete omstandigheden van de strafrechtelijke inbreuk. Beoordeling
- Artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt dat de personen, bedoeld in artikel 60, onder meer moeten voldoen aan de volgende voorwaarde: “niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een VII-41.117-6/13 gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer”. In deze bepaling wordt een onderscheid gemaakt tussen veroordelingen tot een correctionele of criminele straf en veroordelingen wegens inbreuken op de verkeerswetgeving. Alleen de eerstgenoemde straffen leiden er toe dat aan de door de wet vereiste persoonsvoorwaarde niet is voldaan en de betrokkene geen toegang kan krijgen tot de in artikel 60 van de wet van 2 oktober 2017 vermelde functies of activiteiten. Bovendien volgt het beroepsverbod automatisch uit de wet, zonder dat door de bevoegde administratieve overheid een onderzoek moet worden ingesteld naar de aard en de precieze toedracht van de strafrechtelijke feiten en naar de algemene ingesteldheid van de betrokken persoon.
- Op 17 december 2020 is verzoeker door de politierechtbank van Brugge veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 dagen en een geldboete van 480 euro wegens het overtreden van het verbod om zich onnodig op de openbare weg of in openbare plaatsen te bevinden en wegens de miskenning van het verbod op samenscholingen die als dwingende maatregelen werden uitgevaardigd om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
- De door de bestreden beslissing genomen administratieve maatregel steunt louter op voormelde correctionele veroordeling, zonder dat in concreto werd onderzocht of er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de integriteit of de betrouwbaarheid van verzoeker om werkzaam te zijn in de private beveiliging. Ook heeft de verwerende partij klaarblijkelijk geen rekening willen houden met de omstandigheid dat verzoeker ten tijde van de feiten nog student was.
- Overeenkomstig artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ is de Raad van State niet verplicht om in schorsingszaken een prejudiciële vraag te stellen, tenzij er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de wet met de grondwettelijke bepalingen VII-41.117-7/13 waarop het Grondwettelijk Hof toezicht uitoefent en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is. Het standpunt van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk is omdat het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof absoluut onverenigbaar is met de afhandeling van een schorsingsprocedure, faalt naar recht.
- De Raad van State heeft reeds in arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 ernstige twijfels uitgedrukt over de verenigbaarheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 met de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM. Daarbij werd onder meer het volgende overwogen: “Volgens de verwerende partij heeft de wetgever een ‘heldere keuze’ gemaakt omtrent de beroepstoegang tot de sector van de private en bijzondere veiligheid. Daarmee is evenwel niet gezegd dat die keuze in alle opzichten bestaanbaar is met de Grondwet en het EVRM. In de huidige stand van het geding bedenkt de Raad van State het volgende. Op het eerste gezicht werpt het feit dat verzoeker door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg -en zonder verzwarende omstandigheid- een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een gekwetste is gevallen, geen negatief licht op de ingesteldheid en de betrouwbaarheid die van verzoeker verwacht wordt om de functie van uitvoerend personeelslid in de bewakingssector uit te oefenen. Daarbij komt dat de wetgever de uitzondering voor veroordelingen wegens inbreuken op de verkeerswetgeving, ingevoerd door de wet van 1 maart 2007 ‘houdende diverse bepalingen (III)’, heeft behouden en zelfs uitgebreid tot alle in artikel 60 van de wet van 2 oktober 2017 vermelde personeelscategorieën omdat het in aanmerking nemen van dergelijke veroordelingen blijkens de memorie van toelichting zou leiden tot buitensporige gevolgen. Ook wordt in dit verband opgemerkt dat in de limitatieve lijst van misdrijven van artikel 6 , 1°, van de wet van 10 april 1990 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’, wel sprake was van opzettelijke slagen en verwondingen maar niet van de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek over het onopzettelijk toebrengen van letsel. Daarom kan zelfs de vraag rijzen of de in de memorie van toelichting -aangehaald in randnummer 22- beschreven praktijkervaring dat onder het regime van de wet van 10 april 1990 ‘in bijna alle gevallen’ een correctionele veroordeling ertoe heeft geleid dat de betrokkene niet voldeed aan de veiligheidsvoorwaarden, ook gold voor de in de bewakingssector tewerkgestelde personen die tegen hun wil een verkeersongeval hadden veroorzaakt waarbij onopzettelijk lichamelijke letsels werden toegebracht. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 156/2015 van 29 oktober 2015 is het nastreven door de wetgever van de betrouwbaarheid van de personen die werkzaam zijn in de sector van de private en bijzondere veiligheid, een wettig doel. Ten aanzien van artikel 61, VII-41.117-8/13 1°, van de wet van 2 oktober 2017 kan echter de vraag rijzen of het onderscheid dat gemaakt wordt tussen enerzijds correctionele en criminele veroordelingen en anderzijds veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, of integendeel het gebrek daaraan wat betreft de aard van de correctionele en criminele veroordelingen, pertinent is in het licht van de door de wetgever nagestreefde legitieme doelstelling. Tevens kan het beklemmend gevoel bestaan dat de betrokken wettelijke bepaling in sommige gevallen leidt tot onevenredige gevolgen, te meer omdat in de in randnummer 22 aangehaalde verantwoording ook sprake is van een nevengeschikte doelstelling van procedurele vereenvoudiging”. Bij hetzelfde arrest van 8 maart 2021 heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld: “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, vergelijkbare inbreuken, zoals de inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet?” “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart?”.
- In voorliggende zaak gelden dezelfde bedenkingen over de onderscheiden behandeling in artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 van VII-41.117-9/13 veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer en andere correctionele en criminele veroordelingen, en over de afwezigheid van de verplichting in hoofde van de administratieve overheid om te onderzoeken of de strafrechtelijke veroordeling in kwestie pertinent is om iemand de toegang tot het beroep van bewakingsagent te ontzeggen.
- Bij arrest nr. 251.519 van 17 september 2021 heeft de Raad van State geoordeeld dat het aangewezen is om het Grondwettelijk Hof te adiëren met een aantal nieuwe prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 met de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14, 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 6 ,7, 8 en 14 EVRM en artikel 4 van het protocol nr. 7 bij het EVRM.
- Aangezien de door verzoeker gesuggereerde prejudiciële vragen nauw aansluiten bij de prejudiciële vragen die reeds aan het Grondwettelijk Hof zijn voorgelegd, is het gepast ook deze prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
- Het tweede middel is ernstig. B. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker wijst erop dat zijn arbeidsovereenkomst met de bewakingsonderneming nv Securitas met onmiddellijke ingang werd beëindigd na de beslissing tot intrekking van zijn identificatiekaart, dat hij door het recent toetreden tot de arbeidsmarkt nog niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering en dat hij in afwachting van de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing noodgedwongen aangewezen is op interim-arbeid buiten de private beveiligingssector. VII-41.117-10/13
- In haar nota stelt de verwerende partij dat niet wordt aangetoond dat het beweerd geleden financiële nadeel niet voor de duur van de annulatieprocedure kan worden opgevangen, dat verzoeker geen concreet inzicht geeft in zijn maandelijks te dragen kosten noch in zijn beschikbare liquide middelen en dat hij door het uitvoeren van interim-arbeid effectief beroepsinkomsten kan verkrijgen. Beoordeling
- Een financiële benadeling volstaat in beginsel niet om de behandeling van een vordering tot schorsing te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat het beweerde financiële nadeel door de omvang ervan en/of door de persoonlijke toestand van de betrokkene, een zodanige betreurenswaardige of onherroepelijke impact heeft dat die met zich meebrengt dat zonder uitstel uitspraak moet worden gedaan over de wettigheid van de bestreden bestuurshandeling.
- De verwerende partij betwist niet dat verzoeker geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering. De kans dat verzoeker door het uivoeren van interim-arbeid buiten de private beveiligingssector mogelijk niet blootgesteld zal worden aan ernstige financiële moeilijkheden, doet niets af aan de vaststelling dat de bestreden beslissing verhindert dat hij na het voltooien van zijn opleiding ‘Integrale Veiligheid’ een beroepsloopbaan in de private veiligheidssector kan opbouwen.
- Aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan.
- Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. VII-41.117-11/13 BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 24 maart 2021 waarbij de identificatiekaart van verzoeker voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt ingetrokken.
- De Raad van State stelt de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uiteengezette gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, door de politierechtbank gesanctioneerde tenlasteleggingen en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op een tijdelijke maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet?” “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van VII-41.117-12/13 bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart?”. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.117-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.786 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.729 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div