id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.794 Rolnummer: A. 234691/IX-9953 Zaak: Arrest 251794 - Examens (onderwijs) - 08/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-11 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-11 12:20 Fiche Arrest nr 251.794 van 8 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.794 van 8 oktober 2021 in de zaak A. 234.691/IX-9953 In zake: Anwar BUGRI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BISDOM ANTWERPEN VOORKEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vorderingen
- De vordering, ingesteld op 29 september 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen Voorkempen van 6 september 2021 waarbij aan Anwar Bugri een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering doorstroom en dubbele finaliteit en met ongunstig advies overzitten. Verzoeker vordert eveneens “als voorlopige maatregel ter begeleiding van de schorsing op te leggen dat de beroepscommissie een nieuwe beslissing dient te nemen en aan verzoekende partij dient te betekenen binnen een IX-9953-1/15 termijn van vijf werkdagen na de kennisgeving van het arrest van de Raad van State”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2021, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Geert Van Engelgem, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Christophe Vangeel, die loco advocaat Jean Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in het tweede leerjaar van de eerste graad, onderwijsvorm A, basisoptie maatschappij en welzijn, in het Heilig Hart van Maria-Instituut te ’s Gravenwezel. IX-9953-2/15 3.
- Verzoekers jaarrapport geeft volgend beeld: Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad – gelet op “[d]e tekorten aardrijkskunde, wiskunde, Frans de proefwerkenreeks 1, 2 en 3 en het proefwerkentotaal” – om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met ongunstig advies voor overzitten en clausulering voor de studierichtingen maatschappij en welzijn, maatschappij- en welzijnswetenschappen en biotechnische wetenschappen (domein STEM). Op vraag van verzoeker beslist de directeur om de klassenraad opnieuw samen te roepen, wat gebeurt op 23 augustus
- De klassenraad bevestigt zijn beslissing met de volgende motivering: “Anwar behaalde het B-attest met clausulering voor de studierichtingen Maatschappij en welzijn. Maatschappij en welzijnswetenschappen en Biotechnische wetenschappen, met tekorten op jaartotaal voor Frans 47.5%, aardrijkskunde 47.7%, wiskunde 31.4%, proefwerken 39.2% en proefwerkreeks l, 2 en
- IX-9953-3/15 Het behaalde B-attest betekent dat Anwar geslaagd is voor het gevolgde leerjaar en kan worden toegelaten tot een derde leerjaar, echter niet tot de studierichtingen Maatschappij en welzijn, Maatschappij en welzijns- wetenschappen en Biotechnische wetenschappen (domein STEM). In antwoord op uw vraag is Anwar bijgevolg formeel toegelaten tot de andere studierichtingen met een D en D/A finaliteit. Anwar startte zijn schoolloopbaan in het eerste leerjaar B vanuit het advies van de lagere school. Het voorbije schooljaar verliep zeer moeizaam met het advies over te stappen naar een studierichting binnen BSO. De klassenraad heeft begrip voor de familiale context en de gevolgen vanwege de pandemie, echter voor verschillende vakken ontbreekt bij Anwar de noodzakelijke basiskennis om zijn studie verder te zetten in dezelfde studierichting. Hij heeft twee schooljaren de kans gekregen om zijn mogelijkheden te benutten. De delibererende klassenraad heeft derhalve de beslissing om Anwar het B-attest toe te kennen bevestigd. Het advies van de klassenraad luidt: een studierichting naar interesse binnen de A-finaliteit en ongunstig met betrekking tot het hernemen van het leerjaar gelet op de reeds hernomen leerjaren.” 3.
- Hierop stelt verzoekers moeder een beroep in bij het schoolbestuur. Zij schrijft: “Ik ben hier niet mee akkoord om verschillende redenen.” Nader gevraagd naar deze redenen, schrijft verzoekers moeder in een e-mail nog aanvullend: “Hierbij voeg ik de redenen toe. Anwar heeft een bijzonder moeilijke periode mee gemaakt door de pandemie (Corona) Moeilijke familiale omstandigheden: twee opa’s overleden en ik zijn mama auto-ongeluk gehad. Gezien deze zware omstandigheden heeft Anwar niet kunnen presteren het werd Anwar allemaal te veel. Hij zou graag een studierichting volgen binnen de D of D/A finaliteit. Zijn interesse liggen in M&W en na afstuderen hoge school. Ik hoop dat het bestuur daar begrip mee heeft Hopelijk mag Anwar zo snel mogelijk in Het Hart Van Maria het schooljaar in 3M&W starten.” IX-9953-4/15 3.
- Op 6 september 2021 beslist de beroepscommissie, verzoeker en zijn moeder gehoord, om de beslissing van de klassenraad te wijzigen. Zij kent verzoeker een B-attest toe met clausulering Doorstroomfinaliteit en Dubbele (Doorstroom/arbeidsmarkt) finaliteit. De beroepscommissie bevestigt het ongunstig advies met betrekking tot het overzitten van het leerjaar. Dat is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “
- De beroepscommissie constateert wat volgt: - met Kerstmis haalt Anwar 3 onvoldoendes: voor ICT, aardrijkskunde (DW en PW) en Wiskunde (PW) (5 weekuren); - met Pasen haalt hij l onvoldoende: wiskunde. Voor de paasexamens haalt hij 3 (4 examens) onvoldoendes: Geschiedenis, natuurwetenschappen, wiskunde. - in juni haalt hij 3 onvoldoendes: Frans (47,3%), aardrijkskunde (47,7 %) en wiskunde (31,4%) (7 weekuren) - het jaartotaal bedraagt 54,9 %. Opvallend: voor de 4 vakken waarvoor examens afgenomen worden, is Anwar met kerst en juni op 2 examens niet geslaagd, met Pasen op 3 examens. De slaagcijfers zijn niet van aard om deze zwaar onvoldoende resultaten te compenseren: - op Nederlands behaalt Anwar 54,5 % (Kerstmis: 58, 1; Pasen: 57,8%); - op Geschiedenis 54,3 % (DW 51,5%, PW1 54,2%; DW 58,4%, PW2 46,4%; DW 53,3% PW3 63,8%); - op natuurwetenschappen 50,5 % (DW 66,5%, PW1 53, 1%; DW 61,6%, PW2 30,9%; DW 54,9%, PW3 48,4%)
- Verzoeker betwist die resultaten trouwens niet. De beroepscommissie heeft begrip voor de ‘omstandigheden’, maar constateert dat Anwar het volledige schooljaar aanwezig was, geen melding maakte van de moeilijke familiale omstandigheden, de leerkrachten hebben geen wijzigingen in zijn welbevinden vastgesteld. Ter zitting werd ondanks expliciete vraag geen toelichting gegeven omtrent de moeilijke familiale omstandigheden.
- Ondanks de waarschuwing voor studiehouding lukte het voor Anwar niet om extra inspanning te leveren voor de vakken met tekorten. Ter zitting werd duidelijk dat hij niet de motivatie vond om alle schooltaken af te werken. De beroepscommissie stelt vast dat Anwar op de 3 proefwerkenreeksen ernstige tekorten behaalde. Dit toont aan dat de leerling onvoldoende kennis en vaardigheden verworven heeft (te veel leerplandoelen werden niet behaald) om in het schooljaar 2021-2021 een studierichting van de D finaliteit of D/A finaliteit aan te vatten.” IX-9953-5/15 IX-9953-6/15 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist in de nota met opmerkingen dat verzoeker voldoende alert is opgetreden: de beslissing is hem met een schrijven van 7 september 2021 bezorgd en de huidige vordering is slechts drie weken later ingesteld. De verantwoording die verzoeker weliswaar geeft voor deze vertraging kan niet overtuigen, volgens de verwerende partij.
- Van een verzoeker die meent dat zijn zaak zo dringend is dat de Raad van State ze vóór alle andere moet onderzoeken, wordt inderdaad verwacht zich te gedragen naar die ingeroepen urgentie, wat betekent dat hij onverwijld zijn vordering moet instellen. Drie weken daarmee wachten, getuigt in de regel niet van die vereiste voortvarendheid. IX-9953-7/15 Verzoeker heeft evenwel een beroep moeten doen op het bureau voor juridische bijstand (BJB) voor het verkrijgen van juridische tweedelijnsbijstand. De verwerende partij merkt terecht op dat vooralsnog niet blijkt wanneer (de moeder van) verzoeker precies contact nam met het BJB en zij merkt op dat verzoeker als minderjarige in een spoedeisende zaak normaal onmiddellijk hulp toegewezen zou krijgen. Wel blijkt de moeder met een e-mail van 23 september 2021 aan het BJB te schrijven “alle documenten binnen gebracht” te hebben, “zo snel mogelijk contact met de advocaat” te willen want “[n]u zijn we al 2 weken verder” en haar zoon “moet verder kunnen”. Hieruit begrijpt de Raad van State dat het BJB nu eenmaal niet nader gespecificeerde “documenten” hééft gevraagd en na twee weken aangespoord moest worden om een raadsman aan te stellen – wat dan diezelfde dag ook is gebeurd. De raadsman is aangesteld op 23 september 2021, minder dan een week voor het instellen van de huidige vordering dus. In die concrete omstandigheden kan, naar het oordeel van de Raad, de opgelopen vertraging niet aan verzoeker kwalijk worden genomen. Voor het overige betwist de verwerende partij terecht niet dat de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VII. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Het enige middel is geput uit de schending van artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. IX-9953-8/15 De beroepscommissie, aldus verzoeker, “is overgegaan tot een beperkte, onzorgvuldige en kennelijk onredelijke, minstens niet-afdoende gemotiveerde, beoordeling van het dossier; terwijl de beroepscommissie in concreto geen afdoende rekening heeft gehouden met de individuele situatie van verzoekende partij; terwijl de beroepscommissie heeft nagelaten de wijziging van de beslissing van de delibererende klassenraad nader te motiveren; terwijl de beroepscommissie geen enkele duiding en motivering heeft gegeven omtrent de nodige stappen die een gefundeerde beslissing kunnen verantwoorden”. De bestreden beslissing is “een drastische wijzigingsbeslissing” ten opzichte van die welke genomen is door de delibererende klassenraad. Bijgevolg kan van de beroepscommissie verwacht worden dat zij meer omstandig motiveert waarom zij tot deze wijzigingsbeslissing is gekomen. De beroepscommissie beperkt zich hoofdzakelijk tot de vaststelling dat verzoeker doorheen het jaar een aantal keren voor hetzelfde vak gebuisd was. Dit had de delibererende klassenraad evenwel eveneens vastgesteld. Bovendien dient hoofdzakelijk gekeken te worden naar het eindtotaal van het betreffende vak (en alle andere vakken), niet zozeer het aantal tekorten van dat vak doorheen het jaar. Nergens wordt gestipuleerd welke argumenten een rechtvaardigingsgrond kunnen zijn om de beslissing van de delibererende klassenraad te wijzigen. Gelet op het zwaarwichtige karakter van de wijzigingsbeslissing, heeft de verwerende partij dit niet afdoende gemotiveerd. Bovendien diende de beroepscommissie overeenkomstig artikel 123/17, § 2, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs “stappen te ondernemen” om tot een gefundeerde beslissing te komen. De bestreden beslissing geeft geen enkele uitdrukkelijke blijk weer van de genomen stappen en de motivering omtrent het eventuele resultaat dat deze stappen heeft opgeleverd. Mede gelet op de wijziging van de oorspronkelijke beslissing, mag van de verwerende partij worden verwacht dat zij 1) verschillende belangrijke stappen zou ondernemen en 2) deze stappen IX-9953-9/15 toelicht in haar beslissing. Beide aspecten ontbreken in de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft in die optiek geen zorgvuldig onderzoek gevoerd. Daarnaast verdient ook de familiale en maatschappelijke situatie van verzoeker aandacht. Uit het bestaan van een georganiseerd administratief beroep in de school zelf, in samenhang met de motiveringsplicht, wordt aangenomen dat de bezwaarprocedure, wil ze enig nut hebben, ertoe moet leiden dat een leerling in de loop van die procedure een antwoord krijgt op zijn bezwaren, of toch minstens op die grieven waarvan een eventuele inwilliging mogelijk tot een gunstiger resultaat kan leiden. De motivering van de verwerende partij is dienaangaande geenszins afdoende. Beoordeling
- De aard van de hervormingsbevoegdheid van de beroepscommissie houdt in dat zij over een eigen, autonome discretionaire bevoegdheid beschikt. De commissie spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. Ingevolge haar beslissing verdwijnt de beroepen beslissing van de klassenraad uit het rechtsverkeer; de beslissing van de beroepscommissie komt ervan in de plaats. De beroepscommissie mag, zo leert artikel 123/15, § 1, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs, het oorspronkelijke evaluatieresultaat bevestigen, maar zij mag het ook “door een ander evaluatieresultaat vervangen”, als zij meent anders te moeten staan tegenover de nuttige elementen in het dossier. Dit “ander evaluatieresultaat” kan in principe voor de leerling zowel gunstiger, als ongunstiger uitvallen dan wat de klassenraad voorheen heeft beslist. De Codex Secundair Onderwijs verbiedt niet aan de beroepscommissie, handelend binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid, om grotere gestrengheid te tonen dan de klassenraad vóór haar. Door de devolutieve werking van het beroep heeft de beroepscommissie de beslissingsmacht over de zaak in haar geheel verworven. IX-9953-10/15
- Ingevolge de hervormingsbevoegdheid waarover de beroepscommissie beschikt mag op grond van de formelemotiveringsplicht op het eerste gezicht niet van haar worden verwacht dat zij expliciteert om welke redenen zij het eventueel anders ziet dan de oorspronkelijk oordelende klassenraad. De beroepscommissie lijkt niet verplicht om in te gaan op de redenen die de delibererende klassenraad ertoe hebben aangezet om een bepaalde beslissing te nemen en zij is er niet toe gehouden te verantwoorden waarom zij de opvatting van de klassenraad niet bijvalt. Het volstaat, zo lijkt, dat zij als delibererend orgaan in hoger beroep motiveert hoe zij het zelf ziet en wat háár ertoe brengt op grond van de voorliggende gegevens de uiteindelijk toegekende evaluatiebeslissing te nemen. Het middel, dat van een tegenovergestelde opvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht en is niet ernstig.
- Verzoeker heeft drie jaartekorten – voor Frans (47.3%), aardrijkskunde (47,7%) en wiskunde (31.4%) – die hij niet betwist. In de bestreden beslissing houdt de beroepscommissie bovendien rekening met het gegeven dat verzoeker zowel bij Kerst, Pasen als in juni onvoldoendes heeft op het merendeel van de proefwerken. De beroepscommissie heeft die “ernstige tekorten” op de drie proefwerkreeksen geplaatst naast de andere cijfers en vastgesteld dat de slaagcijfers “niet van aard [zijn] om deze zwaar onvoldoende resultaten te compenseren”. Met die gegevens voor ogen, concludeert de commissie dat verzoeker “onvoldoende kennis en vaardigheden verworven heeft (te veel leerplandoelen werden niet behaald) om in het schooljaar 2021-2021 een studierichting van de D finaliteit of D/A finaliteit aan te vatten”. Hiermee heeft de beroepscommissie op het eerste gezicht, overeenkomstig de formelemotiveringsplicht, haar redenen uiteengezet om tot het bestreden B-attest te besluiten. De vaststelling dat de commissie, geplaatst voor hetzelfde dossier als de delibererende klassenraad, strenger oordeelt toont daarom nog niet aan dat zij onwettig oordeelt. IX-9953-11/15
- De beroepscommissie beschikt over eigen, ruime bijkomende onderzoeksmogelijkheden om het leerlingdossier zo nodig aan te vullen, waarbij artikel 123/17, § 2, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs als zulke “stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen” uitdrukkelijk maar niet limitatief het horen van leden van de klassenraad en het opleggen van bijkomende proeven of opdrachten vermeldt. De beroepscommissie heeft verzoeker en zijn moeder gehoord. Zij betwisten niet de behaalde studieresultaten op zich. Verzoeker overtuigt vooralsnog niet welke bijkomende “stappen” de beroepscommissie naast het horen van hemzelf en zijn moeder dan nog moest zetten om zijn dossier te vervolledigen en hij zegt niet wat ontbreekt om een gefundeerde beslissing te nemen. Uit de notulen van de hoorzitting blijkt overigens ook niet dat verzoeker om bijkomende proeven of andere door de commissie te ondernemen stappen heeft gevraagd. In zoverre mist het middel ernst. 13.
- Het kan een beroepscommissie niet kwalijk worden genomen dat zij nalaat rekening te houden met aanvullende informatie die de leerling zelf nalaat te gepasten tijde aan de commissie voor te leggen. Wie voorts in een procedure voor de Raad van State aan de beroepscommissie verwijt te hebben verzuimd om te antwoorden op zijn bezwaren en argumenten, moet met de nodige precisie aangeven welke de argumenten zijn die zonder antwoord zijn gebleven en die van aard waren een voor hem gunstiger licht op de zaak te werpen. Hij moet die argumenten ook accuraat en duidelijk aan de beroepscommissie hebben voorgelegd, minstens op de hoorzitting. 13.
- De grief waarvan verzoeker in het verzoekschrift aangeeft dat ze zonder adequaat antwoord is gebleven, heeft betrekking op de “familiale en maatschappelijke situatie”. IX-9953-12/15 Verzoeker heeft inderdaad verwezen naar familiale omstandigheden en daarbij het overlijden van zijn beide opa’s vermeld en een auto-ongeluk waardoor zijn moeder niet voor hem heeft kunnen zorgen en hem naar school brengen. Als de beroepscommissie meer informatie vraagt op de hoorzitting, wordt daarover het volgende genotuleerd: “De commissie vraagt op welke manier het overlijden van de opa’s een invloed heeft gehad op Anwar en op zijn studieresultaten. Moeder antwoordt dat dit privé is en dat ze daarover niet wenst te praten. […] De commissieleden vragen aan Anwar waarom hij dan bijvoorbeeld de extra taken die de leerkracht voor wiskunde gegeven heeft, niet gemaakt heeft zoals het gevraagd werd. Dat zou hem geholpen hebben met het bijwerken van de leerstof. Anwar antwoordt dat hij de taken regelmatig wel gemaakt heeft, maar dat hij ze niet volledig gemaakt heeft. Soms waren het vijf bladzijden, maar dan is hij na 3 bladzijden gestopt omdat hij het teveel vond. […] Op de vraag van de voorzitter of de moeder of Anwar nog iets wil toevoegen aan wat er tijdens de zitting werd gezegd, antwoordt de moeder dat het een recht is om in de studierichting te zitten waarin men geïnteresseerd is.” 13.
- In de huidige stand van de rechtspleging oordeelt de Raad van State dat de beroepscommissie op de grief die verband houdt met de familiale en maatschappelijke situatie van verzoeker heeft geantwoord door te stellen dat verzoeker “het volledige schooljaar aanwezig was”, dat hij “geen melding maakte van de moeilijke familiale omstandigheden”, dat “de leerkrachten […] geen wijzigingen in zijn welbevinden [hebben] vastgesteld” en dat op de hoorzitting “ondanks expliciete vraag geen toelichting [werd] gegeven omtrent de moeilijke familiale omstandigheden”. Aan de formelemotiveringsplicht lijkt op dit punt te zijn voldaan. Verzoeker mag het oneens zijn met dit antwoord, maar dat is vreemd aan de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht. 13.
- Ook in die mate is het middel niet ernstig. IX-9953-13/15
- Verzoeker noemt ook de “motiveringsplicht” als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Wat die materiëlemotiveringpslicht betreft, werkt verzoeker het middel echter niet nader uit, minstens niet op een wijze die hiervóór zonder antwoord is gebleven. Hierbij mag nogmaals worden opgemerkt dat verzoeker de representativiteit van zijn rapportcijfers niet contesteert en, bijvoorbeeld, niet om bijkomende proeven heeft verzocht. Wat hij opmerkt over corona en familiale omstandigheden kan dan mede verklaren waarom zijn cijfers zijn wat ze zijn, maar een duiding over de oorzaken kan op het eerste gezicht niet die cijfers beter maken dan ze zijn. De conclusie die de beroepscommissie uit de resultaten afleidt, namelijk dat verzoeker “onvoldoende kennis en vaardigheden verworven heeft” om een studierichting in de D of D/A finaliteit aan te vatten, wordt in het verzoekschrift op het eerste gezicht niet weerlegd. Ook in zoverre is het middel niet ernstig.
- Verzoeker overtuigt in de huidige stand niet dat de beroepscommissie de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen heeft geschonden. Het middel is niet ernstig. De vordering tot schorsing kan niet worden ingewilligd. VIII. Andere voorlopige maatregel
- Bij gebrek aan een ernstig middel, moet ook de andere door verzoeker gevorderde voorlopige maatregel worden verworpen. IX-9953-14/15 IX. Rechtsplegingsvergoeding
- Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, RvS-Wet wordt de door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding herleid tot het minimumbedrag. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vorderingen.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9953-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.794 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.