← België

Arrest 251836 - Tucht (openbaar ambt) - 12/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.836 Rolnummer: A. 229663/IX-9655 Zaak: Arrest 251836 - Tucht (openbaar ambt) - 12/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-19 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-14 02:33 Fiche Arrest nr 251.836 van 12 oktober 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.836 van 12 oktober 2021 in de zaak A. 229.663/X-17.960 In zake : Ingrid VERSTREPEN woonplaats kiezend te 8670 KOKSIJDE Zeedijk 210/021 tegen :

  1. de VLAAMSE GEMEENSCHAP
  2. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  3. De vordering, 18 juni 2021 gedateerd, strekt tot de wraking van auditeur Depester in de zaak A. 229.663/IX-
  4. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Auditeur Wendy Depester heeft, gelet op artikel 65 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna het algemeen procedurereglement), een verklaring opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
  6. X-17.960-1/7 Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoekster en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Verzoekster is het voorwerp van een tuchtstraf, opgelegd wegens het in de wereld sturen van loutere geruchten en verdachtmakingen met betrekking tot een afdelingshoofd, waarbij zij wist of moest weten dat voor geen enkel van de feiten waarvan zij het afdelingshoofd beschuldigt zelfs maar een begin van bewijs voorligt. Zij stelde er bij de Raad van State het annulatieberoep met nr. A. 229.663/IX-9655 tegen in. Over dat beroep heeft auditeur Depester op 12 november 2020 een verslag opgesteld waarin zij voorstelt de vier middelen, en daarmee het hele beroep, te verwerpen. Verzoekster heeft op 24 november 2020 van het verslag kennis genomen en vervolgens een 18 december 2020 gedateerde laatste memorie ingediend. De zaak is door de IXde kamer behandeld in de openbare terechtzitting van 14 juni 2021 om 15 u. X-17.960-2/7 IV. Onderzoek van de vordering Standpunt van verzoekster
  9. Verzoekster zet uiteen dat de aanleiding tot de vordering tot wraking, “de démarche van de auditeur [Wendy Depester is], die ertoe strekte mijn aanvulling ter zitting, [met betrekking tot het eerste middel] aangaande de verjaring, als niet genotuleerd te beschouwen”. Ter zake wordt alleen toegelicht wat volgt: “Ter zitting na de behandeling van mijn zaak, heb ik kunnen vaststellen, dat Mevr. Depester aan de zetelende rechter volgend voorstel deed ‘kunnen we dat niet zo laten, en doen alsof ze die aanvulling niet heeft gezegd’; waarop de rechter afkeurend heeft geantwoord ‘nee, daar doe ik niet aan mee!’.” Toegevoegd wordt dat de wettige verdenking “ook nog gestaafd” wordt door de “indruk van partijdigheid ten aanzien van mijn middelen; de door mij aangevoerde middelen worden enkel beoordeeld als ze niet tot nietigheid kunnen leiden; maar als het middel wél tot nietigheid leidt, dan geeft de auditeur niet thuis!” Daarop volgt een ruime uitweiding over het tweede, derde en vierde middel en de manier waarop ze door de auditeur in haar verslag en ter terechtzitting zijn behandeld of net niet zijn behandeld.
  10. In een 28 september 2021 gedateerde nota verduidelijkt verzoekster dat het wrakingsverzoek “niet tegen het beredeneerd verslag als zodanig [is] gericht”. Geviseerd wordt “de houding van de auditeur ter zitting” en “het wederrechtelijk voorstel dat de auditeur op het einde van de zitting aan de Voorzitter van de 9de kamer heeft gedaan”. Wat “de houding van de auditeur ter zitting” betreft, gaat het, samengevat, om “de vaststelling dat essentiële onderdelen van middelen ter zitting niet werden voorgedragen en beantwoord, alsmede het zonder énig onderzoek X-17.960-3/7 aanvaarden van de stellingen van de tuchtoverheid, terwijl hetgeen verzoekster aanvoert stelselmatig wordt genegeerd”. Over het zogenaamde “wederrechtelijk voorstel” verklaart verzoekster: “Op 14 juni ’21 stond er in dezelfde zittingszaal geen nieuwe zaak meer gepland om 15u30: alle leden van de 9de kamer hebben de rechtszaal omstreeks 15u30 quasi tegelijk verlaten, de voorzitter en de auditeur liepen daarbij voorop, de deur van de zittingszaak bleef open staan, waardoor ik in de gang/traphal nog een langdurige en spitante discussie waarnam, waarbij de auditeur telkens opnieuw bleef aandringen bij de voorzitter, en de Voorzitter vervolgens telkens even halt hield, om duidelijk verbolgen ‘nee’ te gebaren met een kordate hoofdbeweging; ogenschijnlijk leek het erop dat de discussie – aangaande het wederrechtelijk voorstel van de auditeur – nog werd verder gezet na het verlaten van de rechtszaal, en vermits de auditeur duidelijk stellig én herhaaldelijk bij de voorzitter op iets bleef aandringen, kreeg ik een zeer onbehaaglijke indruk… Omstreeks 15u38 heb ik, als laatst aanwezige persoon, de leeggestroomde rechtszaak verlaten. De griffie had me voorafgaandelijk aan de zitting reeds meegedeeld, dat mijn zaak de laatste was die op 14/06 stond geagendeerd voor de 9de kamer!” Beoordeling
  11. Krachtens artikel 62 van het algemeen procedurereglement kunnen de leden van het auditoraat gewraakt worden om de redenen die luidens artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven. Tot die redenen behoort: “wettige verdenking” (artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek). Dat er tegen een lid van het auditoraat geen “wettige” of gewettigde verdenking mag bestaan, houdt niet alleen in dat hij of zij niet partijdig mag zijn (subjectief aspect), maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent zijn of haar onpartijdigheid uit te sluiten (objectief aspect).
  12. Artikel 63 van het algemeen procedurereglement schrijft voor dat wie wil wraken, dat moet doen “zodra hij van de wrakingsgrond heeft kennis gehad”. X-17.960-4/7 Verzoekster heeft van het auditoraatsverslag kennis genomen op 24 november
  13. Het verzoekschrift tot wraking is van meer dan een half jaar later. Niet alleen bevestigt verzoekster dat haar wrakingsverzoek niet tegen het verslag is gericht, bovendien zou in voorkomend geval het wrakingsverzoek in zoverre het betrekking heeft op het auditoraatsverslag ruim te laat zijn, gelet op artikel 63 van het algemeen procedurereglement.
  14. Volgens de auditeur was haar advies ter zitting “uitsluitend beperkt” tot een verwijzing naar het verslag. Dat vindt bevestiging in de verklaring van de voorzitter van de IXde kamer van 6 september 2021, zoals bijgevallen door elk van de twee andere leden van de kamer. De loutere verwijzing naar een verslag waaraan geen – tijdige – wrakingsgrond wordt ontleend, kan geen gewettigde verdenking verantwoorden.
  15. Blijft de beweerde demarche “die er toe strekte [verzoeksters] aanvulling ter zitting […] aangaande de verjaring, als niet genotuleerd te beschouwen”. Zoals in de bijkomende nota nader toegelicht, gaat het om een levendige discussie (“spitante”), waarbij de auditeur hardnekkig (“langdurige”, “telkens opnieuw”, “herhaaldelijk”) aandrong bij de kamervoorzitter, die duidelijk boos was. Dat gebeurde volgens verzoekster nadat zij de zittingzaal omstreeks 15.30 u verlieten. Zoals verzoekster, die om 15.38 u als laatste de zittingzaal verliet, zelf kon vaststellen, was er nadien in dezelfde zaal geen nieuwe zaak meer voor de IXde kamer. Verzoeksters relaas strookt niet met de verklaringen van de gewraakte auditeur, van de drie leden van de IXde kamer, van de advocaat van de verwerende partijen, en met de processen-verbaal van de zittingen van de IXde kamer op 14 juni
  16. Het relaas staat er integendeel haaks op. Volgens de gewraakte auditeur bleven de leden van de kamer na de sluiting van het debat in verzoeksters zaak zitten, om de zaak die voor de zitting van 15.30 u was opgeroepen, en waarin de partijen al aanwezig waren, te X-17.960-5/7 behandelen. Aangezien de gewraakte auditeur niet ook in die zaak optrad, verliet zij, volgens haar verklaring, de zittingzaal, zonder met wie dan ook een woord te wisselen. Naar blijkt uit de processen-verbaal van de zittingen die de IXde kamer op 14 juni 2021 hield, was de zitting in de zaak van verzoekster, om 15 u, anders dan verzoekster beweert, niet de laatste zitting van die namiddag. Om 15.30 u werd door de IXde kamer nog de zaak A. 226.043 behandeld, met een andere auditeur. Voorts deelt de voorzitter van de IXde kamer op 6 september 2021 mee “in ieder geval” niet met auditeur Depester nog van gedachten te hebben gewisseld na de sluiting van het debat en ook niet te hebben opgemerkt dat een van zijn collega’s dat nog zou gedaan hebben. Elk van de twee betrokken collega’s sluit zich daar expliciet bij aan. Ook de advocate die in de zaak van verzoekster voor de verwerende partijen was opgetreden, verklaart na de behandeling van de zaak geen enkele interactie, hoe lang of kort ook, waargenomen te hebben tussen de voorzitter of een ander lid van de IXde kamer, enerzijds, en, auditeur Depester, anderzijds. De conclusie hieruit kan niet anders zijn dan dat de beweerde discussie op 14 juni 2021 omstreeks 15.30 u, waarin auditeur Depester aan een lid van de IXde kamer een afkeurend onthaald voorstel zou hebben gedaan, zich niét heeft voorgedaan en een louter verzinsel is.
  17. De vordering tot wraking wordt verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot wraking. X-17.960-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.960-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.836 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.