← België

Arrest 251843 - Milieuvergunningen - 14/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.843 Rolnummer: A. 224722/VII-40224 Zaak: Arrest 251843 - Milieuvergunningen - 14/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-19 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 12:59 Fiche Arrest nr 251.843 van 14 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.843 van 14 oktober 2021 in de zaak A. 224.722/VII-40.224 In zake : de BVBA BUKA 2000 (in staat van faillissement) vertegenwoordigd door curator Thomas Debaene kantoor houdend te 2600 Berchem Koninklijkelaan 60 eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Björn Cloots kantoor houdend te 2000 Antwerpen Jan Van Gentstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 december 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 23 juni 2017, houdende het weigeren van de vergunning aan de bvba Buka voor het verder exploiteren van een discotheek, gelegen aan de Lange Brilstraat 10-12 te Antwerpen, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 249.483 van 14 januari 2021 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak. VII-40.224-1/7 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 maart 2021 een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Björn Cloots, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Voor de gegevens van de zaak wordt verwezen naar tussenarrest nr. 249.483 van 14 januari
  6. IV. Onderzoek van het tweede middel (eerste onderdeel) Standpunt van de partijen
  7. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke VII-40.224-2/7 motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij zet in een eerste middelonderdeel uiteen dat in de bestreden beslissing niet afdoende wordt gemotiveerd waarom de in beroep verleende gunstige adviezen niet worden gevolgd en dat evenmin wordt geantwoord op haar opmerkingen met betrekking tot de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren. Volgens haar wekt het in het bijzonder verbazing dat de bestreden beslissing de gunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) niet bijtreedt.
  8. De verwerende partij antwoordt, onder verwijzing naar de in de bestreden beslissing opgegeven motieven, dat zij wel degelijk de redenen heeft laten kennen op grond waarvan zij de in beroep uitgebrachte adviezen niet heeft willen bijtreden. Meer bepaald is het volgens haar duidelijk dat de door de inrichting teweeggebrachte omgevingshinder niet toelaat om de gevraagde milieuvergunning te verlenen.
  9. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat met de loutere verwijzing naar de motivering van de bestreden beslissing haar kritiek niet wordt weerlegd. Beoordeling
  10. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. VII-40.224-3/7
  11. De redengeving van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag moet des te concreter en preciezer zijn wanneer die beslissing afwijkt van een voorafgaand advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In een dergelijk geval mag de overheid zich niet beperken tot een niet gemotiveerd tegenspreken van het advies, maar moet zij integendeel duidelijk maken waarom zij van oordeel is de argumenten waarop de adviesverlenende instantie steunt, niet te kunnen volgen.
  12. De bestreden vergunningsweigering steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat bij de sluiting van het openbaar onderzoek werd vastgesteld dat er 84 bezwaren werden ingediend; dat de bezwaarschriften zonder uitzondering handelen over diverse vormen van afgeleide hinder ten gevolge van de exploitatie van de inrichting als lokaal met muziekactiviteiten; dat het gaat om nachtlawaai door wachtende klanten, wildplassen, braaksel, glasbreuk, schade aan voertuigen, agressief gedrag van dronken bezoekers, achterlaten van afval, vechtpartijen, verstoring van de openbare orde en nachtrust; Overwegende dat ook doordat de ‘reguliere’ uitgaansuren in de loop der jaren steeds meer na middernacht zijn te situeren, de problemen en klachten rond afgeleide hinder de laatste tijd sterk toegenomen zijn; dat deze verschuiving in de uitgaanscultuur en de beperkte capaciteit van de inrichting maken dat er zeer regelmatig klanten buiten de inrichting moeten wachten (aanschuiven) alvorens met mondjesmaat in de inrichting te worden toegelaten; dat dit onder meer te maken heeft met de ruime schaal, waarop de inrichting via sociale media haar promotie voert, tenslotte is de capaciteit van de dancing beperkt tot een driehonderdtal bezoekers; Overwegende dat ondanks het toezicht en optreden van de politie en de maatregelen die de exploitant zelf heeft genomen (al dan niet opgelegd in de lopende milieuvergunning), zoals het werken met stewards en security-personeel, de afgeleide hinder nog steeds aanwezig is en zelfs in toenemende mate; dat de afgeleide hinder dermate toegenomen is dat er in tegenstelling tot de vorige exploitatieperiode niet langer een lokaal draagvlak bestaat voor een inrichting die enkel open is tijdens de nachtelijke uren en die meer klanten trekt dan ze aankan, waardoor de hoger beschreven vormen van overlast voor de inkomdeur en de directe omgeving van de inrichting zich blijven voordoen; dat de overlast en hinder dan ook als buitenproportioneel moeten worden gekenmerkt, gezien de buurt en plaatselijke omstandigheden; Overwegende dat op basis van de evaluatie van de gevolgen van de exploitatie voor de directe woonomgeving moet worden besloten dat de exploitant niet in staat is voldoende mitigerende maatregelen te nemen om de veroorzaakte hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken en dat een VII-40.224-4/7 louter op nachtleven gerichte exploitatie op deze locatie niet langer mogelijk is; dat de inrichting niet verenigbaar is met de directe omgeving”.
  13. Ter voorbereiding van de bestreden beslissing hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen, de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar als de PMVC een gunstig advies uitgebracht over de vergunningsaanvraag. In het advies van de PMVC wordt geconcludeerd dat de gevraagde milieuvergunning verleend kan worden voor een termijn van vijf jaar -termijn die afgesteld is op “gelijkaardige inrichtingen gelegen op het grondgebied van de stad Antwerpen” en niet ingegeven is door “andere motieven”- op voorwaarde dat, uitgezonderd de maanden september en oktober die de start van het academiejaar markeren, drie vaste sluitingsdagen per week in acht worden genomen, het aantal exploitatiedagen per jaar begrensd wordt op maximaal 110, de inrichting vanaf 5u00 wordt gesloten en de exploitant binnen een maand na het verlenen van de vergunning een klachtenmeldpunt voor de buurtbewoners opricht. In dat advies wordt ook uitdrukkelijk aangegeven dat de inrichting “milieutechnisch aan de toepasselijke voorwaarden kan voldoen” en dat de afgeleide hinder, waarvan gewag wordt gemaakt tijdens het openbaar onderzoek, “zich voordoet op het openbaar domein” en “er moeilijk kan worden uitgemaakt of de afgeleide hinder afkomstig is van deze inrichting, gegeven het feit dat er zich in de nabije omgeving nog andere inrichtingen bevinden”.
  14. In de zelfstandige motieven van de bestreden beslissing wordt niet ingegaan op het genuanceerde advies van de PMVC. De verwerende partij blijkt bij het nemen van de bestreden vergunningsweigering in hoofdzaak oog te hebben gehad voor het feit dat er “84 bezwaren werden ingediend” over “diverse vormen van afgeleide hinder”, zoals “nachtlawaai door wachtende klanten, wildplassen, braaksel, glasbreuk, schade aan voertuigen, agressief gedrag van dronken bezoekers, achterlaten van afval, vechtpartijen, verstoring van de openbare orde en nachtrust”. Echter laat de bestreden beslissing in het midden of die afgeleide hinder, behalve wat betreft de hinder die rechtstreeks verband houdt met het feit dat bezoekers “zeer regelmatig” buiten de inrichting met “beperkte capaciteit” moeten wachten of aanschuiven, specifiek toegeschreven kan worden aan de betrokken discotheek. Dit klemt nog meer aangezien niet tegengesproken wordt dat de inrichting gelegen is in een uitgaansbuurt en een deskundige tijdens VII-40.224-5/7 de zitting van de PMVC heeft verklaard dat het “bij afgeleide hinder moeilijk is om de juiste oorzaak te vinden”. Daarenboven wordt vastgesteld dat de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven dat “afgeleide hinder nog steeds aanwezig is en zelfs in toenemende mate” en er “niet langer een lokaal draagvlak bestaat voor een inrichting die enkel open is tijdens de nachtelijke uren en die meer klanten trekt dan ze aankan”, geen steun vinden in de adviezen die in het kader van het heronderzoek van de zaak in graad van beroep, werden uitgebracht. De motieven van de bestreden weigeringsbeslissing brengen bijgevolg onvoldoende tot uiting waarom het advies van de PMVC om de gevraagde milieuvergunning te verlenen voor een beperkte termijn van vijf jaar, onder naleving van bijzondere voorwaarden die de activiteiten direct en zonder omwegen beperken, niet kon worden bijgetreden.
  15. Het middel is gegrond. BESLISSING
  16. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 december 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 23 juni 2017, houdende het weigeren van de vergunning aan de bvba Buka voor het verder exploiteren van een discotheek, gelegen aan de Lange Brilstraat 10-12 te Antwerpen, ongegrond wordt verklaard.
  17. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  18. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de failliete boedel van de verzoekende partij. VII-40.224-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.224-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.843 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.