← België

Arrest 251923 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.923 Rolnummer: A. 227694/XIV-37978 Zaak: Arrest 251923 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-29 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 13:52 Fiche Arrest nr 251.923 van 25 oktober 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.923 van 25 oktober 2021 in de zaak A. 227.694/XIV-37.978 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Merelbeke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A ------------------------------------------------------------------------------------------------ I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de Gerechtelijke Politie van 22 januari 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.978-1/14 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021 om 14u
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale Politie. 3.
  6. Per nota van 6 april 2016 bezorgt de gewone tuchtoverheid drie informatieverslagen lastens verzoeker aan de hogere tuchtoverheid. Op 3 mei 2016 evoceert de hogere tuchtoverheid het dossier en stelt dat uit die informatieverslagen blijkt dat er momenteel gerechtelijke onderzoeken lopen ten laste van verzoeker. 3.
  7. Met een brief van 14 juli 2016 vraagt de hogere tuchtoverheid de procureur des Konings naar de stand van zaken van de onderzoeken en vraagt zij inzage en afschrift van de gerechtelijke dossiers. XIV-37.978-2/14 Met een e-mail van 28 juli 2016 antwoordt de substituut-procureur des Konings dat de opsporingsonderzoeken nog steeds lopende zijn, dat in het belang van dat onderzoek voorlopig geen inzage in deze dossiers wordt verleend, dat zijn ambt bezwaar heeft tegen een intern onderzoek parallel aan de lopende opsporingsonderzoeken en dat er geen bezwaar bestaat tegen de kennisgeving aan verzoeker “dat de bestuurlijke verjaringstermijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat mijn ambt u de gerechtelijke eindbeslissing ter kennis brengt.” Ook wordt gesteld dat een handhaving van de ordemaatregel tot voorlopige schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de lopende opsporingsonderzoeken. 3.
  8. Met een brief van 22 december 2017 vraagt de hogere tuchtoverheid de procureur des Konings naar de stand van zaken inzake het opsporingsonderzoek en om de toestemming tot inzage en afschrift van de stukken van de strafdossiers. 3.
  9. Op 2 februari 2018 beslist de hogere tuchtoverheid toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
  10. Met e-mails van 16 februari 2018, 26 februari 2018 en 20 april 2018 meldt verzoeker aan de hogere tuchtoverheid (dienst TIWK) dat het parket de drie dossiers lastens verzoeker heeft geklasseerd zonder gevolg. Bij de laatstgenoemde e-mail worden ook de brieven van het parket gevoegd waarin dat is bevestigd. 3.
  11. Met een brief van 6 maart 2018 vraagt de hogere tuchtoverheid de procureur des Konings naar de stand van het onderzoek en vraagt zij de toestemming tot inzage en afschrift van de stukken van de strafdossiers. XIV-37.978-3/14 Met brieven van 18 en 19 april 2018 bezorgt het parket van de procureur des Konings te Brussel de strafdossiers. Telkens wordt vermeld dat de dossiers zonder gevolg zijn gerangschikt. Met een brief van 15 mei 2018 antwoordt het parket bij het hof van beroep te Brussel dat, in antwoord op de voornoemde brief van 6 maart 2018, de drie dossiers lastens verzoeker zonder gevolg zijn gerangschikt en dat de procureur des Konings meedeelde dat hij de hogere tuchtoverheid kopie van de drie dossiers toegezonden heeft. 3.
  12. Op 25 juni 2018 stelt de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op waarin zij voorstelt om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. 3.
  13. Op 10 augustus 2018 stelt de hogere tuchtoverheid verzoeker in kennis van haar voorstel om hem de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  14. Op 15 januari 2019 adviseert de Tuchtraad dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn en hem dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is. 3.
  15. De hogere tuchtoverheid legt op 22 januari 2019 aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.978-4/14 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  16. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn. Na verwijzing naar inzonderheid de principes vervat in het arrest Van Haandel, nr. 197.017 van 19 oktober 2009 stelt verzoeker dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de tuchtoverheid zich een actieve rol moet aanmeten tijdens de tuchtprocedure en dat een tuchtoverheid zich niet (gemakshalve?) kan verschuilen achter het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek teneinde dan maar zelf niets te doen en zich finaal te beroepen op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Die bepaling vormt immers de uitzondering op de regel. Alvorens van die uitzondering kan worden gebruikgemaakt, moet eerst vaststaan dat de tuchtoverheid in redelijkheid niet zonder die uitzondering het nodige had kunnen doen en wanneer dat zo zou zijn, dan nog dient de tuchtoverheid actief te blijven en diligent op te treden door in redelijkheid doch met respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel, bij het openbaar ministerie te informeren naar de stand van zaken en dus het nodige te doen om zodra mogelijk kennis te kunnen nemen van de strafrechtelijke bevindingen. Ook de zorgvuldigheidsplicht gebiedt dat de tuchtoverheid op een zorgvuldige wijze te werk gaat en aldus de nodige inspanningen levert, indien mogelijk, om tot een opheldering te komen. Concreet betwist verzoeker niet dat de tuchtoverheid zich pas een dienstig beeld van de feiten kon vormen na kennisneming van de inhoud van de strafdossier(s), doch dit impliceert niet dat de tuchtoverheid er zich mee kan vergenoegen om het openbaar ministerie eenmalig aan te schrijven dienaangaande en zich dan langdurig passief op te stellen. Te dezen is er al te veel tijd verstreken tussen het schrijven van de tuchtoverheid van 14 juli 2016 en het navolgende schrijven van 22 december 2017 en dat terwijl de strafdossiers reeds waren geseponeerd op 4 september
  17. Aldus is een periode van niet minder dan XIV-37.978-5/14 17 maanden verstreken. Deze langdurige inertie staat haaks op de plicht van de verwerende partij tot het aanhouden van een actieve houding teneinde de noodzakelijke en voldoende inspanningen te leveren om binnen een redelijke termijn klaarheid te brengen in verzoekers situatie. Verzoeker wijst er ook op dat de rechtspraak de plicht erkent van de tuchtoverheid om de nodige diligentie aan de dag te leggen ten einde zich te informeren over de stand van de strafprocedure. Door aldus inert te blijven kan de tuchtoverheid zich niet meer met goed gevolg beroepen op de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet teneinde de datum van kennisneming van de feiten te plaatsen op de datum van ontvangst van de strafdossiers (18 april 2018) en is de vordering verjaard. Gelet op de extreem lange termijn die is verstreken sinds de initiële kennisname van de feiten door de tuchtoverheid (29 maart 2016) en de betekening van het inleidend verslag (5 mei 2017) is eveneens de redelijke termijn in tuchtzaken geschonden. Door haar inerte houding is de tuchtoverheid eveneens onzorgvuldige geweest bij de behandeling van de zaak en is aldus het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
  18. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord vooreerst dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat zij op een eerder tijdstip dan de kennisneming van de afschriften van de gerechtelijke dossiers over voldoende concrete en bewijskrachtige elementen kon beschikken om de tuchtvoering in te stellen. Zij argumenteert dat standpunt omstandig om eruit te besluiten dat de tuchtoverheid niet anders kon dan het strafrechtelijk onderzoek af te wachten. Voorts stelt zij dat de kennisneming van de feiten niet moet worden geplaatst op 4 september 2017 zijnde de datum van de seponering van de strafdossiers, maar op 26 april 2018, zijnde de datum waarop de tuchtoverheid kennisnam van de afschriften van de strafdossiers. Voorts wijst de verwerende partij erop dat op het openbaar ministerie de plicht rust om de tuchtoverheid in te lichten wanneer een zaak zonder gevolg wordt gerangschikt en dat het haar niet kan worden verweten dat het openbaar ministerie in gebreke bleef haar te verwittigen van zodra de seponeringsbeslissing werd genomen, noch dat zij geen antwoord ontving op haar brief van 22 december
  19. XIV-37.978-6/14 Inzake de stelling van verzoeker dat de tuchtoverheid heeft stilgezeten tussen 14 juli 2016 en 22 december 2017, doet de verwerende partij gelden dat verzoeker hierdoor geen nadeel heeft geleden en dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat zij vroeger kennis had kunnen krijgen van de strafdossiers. Voorts citeert de verwerende partij ter zake het advies van de Tuchtraad. Besluitend stelt zij dat zij pas op 16 april 2018 bij de kennisname van de afschriften van de dossiers over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om op een correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en dat het inleidend verslag een ruime twee maanden na die kennisname ter kennis werd gebracht van verzoeker.
  20. In de laatste memorie doet de verwerende partij gelden dat de beoordeling van de duur van een tuchtprocedure moet gebeuren in het licht van de omstandigheden van de zaak. Zij wijst erop dat de hogere tuchtoverheid kennis kreeg van drie gerechtelijke onderzoeken ten laste van verzoeker en dat zij op 14 juli 2016 het parket bevroeg naar de stand van zaken en inzage vroeg van de strafdossiers. Op 28 juli 2016 antwoordde het parket uitdrukkelijk dat in het belang van het onderzoek geen inzage kon worden verleend en uitte het uitdrukkelijk bezwaar tegen het voeren van een intern onderzoek parallel aan de lopende opsporingsonderzoeken. Het is volgens haar niet onredelijk dat de tuchtoverheid in het begin van het onderzoek niet elke maand het parket bevraagt naar de stand van zaken, maar ervoor opteert om de gerechtelijke overheid in eerste instantie zijn werk te laten doen en pas eind 2017 een tweede maal het parket te bevragen. Deze intentie blijkt volgens haar uit het feit dat de tuchtoverheid niet heeft stilgezeten en niet heeft gewacht tot zij op de hoogte werd gesteld van de definitieve eindbeslissing, maar zelf op 22 december 2017 contact opnam met het parket. Voorts wijst de verwerende partij erop dat, gelet op de op het openbaar ministerie rustende verplichting om de tuchtoverheid in te lichten wanneer een zaak is geseponeerd, zij er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat zij hiervan zou worden ingelicht. De nalatigheid van de gerechtelijke overheid kan niet tot gevolg hebben dat er geen tuchtprocedure meer kan worden opgestart. De verwerende partij wijst er ook op dat zij geen actor is in het strafrechtelijk onderzoek noch in de XIV-37.978-7/14 gerechtelijke procedure. Het doel van het bevragen door de tuchtoverheid van het parket naar de stand van zaken is niet het katalyseren van het strafrechtelijk onderzoek. Tot slot doet de verwerende partij gelden dat, eenmaal zij op de hoogte werd gesteld van de sepotbeslissingen en kopie ontving van de dossiers, verzoeker wel degelijk een vlotte behandeling heeft gekregen van de lastens hem lopende tuchtprocedure, zodat zij de vereiste diligentie aan de dag heeft gelegd. Beoordeling
  21. De tuchtoverheid maakte toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker betwist dit overigens niet en bevestigt in de memorie van wederantwoord dat hij bij de ontwikkeling van het middel expliciet heeft aangegeven niet te betwisten dat de tuchtoverheid zich pas een dienstig beeld van de feiten kon vormen na kennisneming van de inhoud van het strafdossier, “zodat het buiten betwisting is dat de tuchtoverheid het strafrechtelijk onderzoek diende af te wachten.”
  22. Aan de orde in het voorliggende middel is inzonderheid de vraag of, wanneer de tuchtoverheid toepassing maakt van de in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet bepaalde mogelijkheid om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheid haar onderzoek heeft beëindigd, de hogere tuchtoverheid, door langdurig passief te blijven alvorens zich een tweede keer te bevragen bij het openbaar ministerie vooraleer de tuchtprocedure op te starten, niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, zodat het beginsel van de redelijke termijn zou zijn geschonden. Het middel wordt enkel vanuit dit oogpunt en binnen het kader van de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet onderzocht.
  23. In het kader van een tuchtvordering houdt het algemene beginsel van de redelijke termijn onder meer in dat, zodra de bevoegde tuchtoverheid op de hoogte is van feiten die aanleiding kunnen geven tot een sanctie, zij ertoe gehouden XIV-37.978-8/14 is om met de nodige voortvarendheid de procedure op te starten en voort te zetten. Doet zij dat niet, dan verliest zij de mogelijkheid om een tuchtstraf op te leggen. Dit algemene beginsel is het uitvloeisel van het algemene beginsel van rechtszekerheid en beoogt te vermijden dat de politieambtenaar in de onzekerheid blijft inzake de intentie van de tuchtoverheid om hem te vervolgen voor de feiten die hij heeft gepleegd. De tuchtoverheid mag immers het personeelslid dat een tuchtmaatregel riskeert niet te lang in onzekerheid laten verkeren aangaande zijn lot. Er bestaat, wat de schending van de redelijketermijnvereiste betreft, geen absolute drempel waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen. Te dezen komt het aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is.
  24. Niet wordt betwist dat de tuchtoverheid gedurende zeventien maanden heeft gewacht om zich een tweede maal te bevragen bij het openbaar ministerie omtrent de stand van zaken van de lopende gerechtelijke dossiers. Uit het dossier noch uit de bestreden beslissing blijkt hier enige verklaring of redengeving voor. In acht genomen het hiervoor aangehaalde principe dat de tuchtoverheid het betrokken personeelslid niet te lang in onzekerheid mag laten en zijn dossier met bekwame spoed moet behandelen, getuigt deze abnormale niet te verklaren passiviteit om zich te bevragen bij het openbaar ministerie alvorens de tuchtprocedure op te starten, niet van de vereiste nodige zorgvuldigheid die van een diligente tuchtoverheid die toepassing maakt XIV-37.978-9/14 van de uitzonderlijke regel voorzien in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, moet worden verwacht.
  25. De argumenten van de verwerende partij overtuigen niet. In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat verzoeker geen nadeel heeft geleden door haar stilzitten, omdat zij niet vroeger dan 18 april 2018 voldoende kennis had van de feiten, herinnert de Raad van State aan het hiervoor uiteengezette doel van het algemeen beginsel van de redelijke termijn, namelijk dat moet worden vermeden dat het personeelslid in onzekerheid verkeert over het voornemen van de tuchtoverheid om een tuchtmaatregel tegen hem te nemen. Derhalve kan niet worden aangenomen dat het niet in verzoekers belang was om zo snel mogelijk te worden ingelicht over zijn lot. Het nadeel dat verzoeker aldus leidt bestaat er aldus in dat hij langer dan noodzakelijk heeft moeten wachten op duidelijkheid over de tuchtvervolging. Overigens blijkt uit de gegevens van de zaak dat verzoeker wel degelijk een snellere afhandeling van zijn dossier had verwacht nu blijkt dat, na zelf de procureur des Konings te hebben gecontacteerd over de stand van zaken, verzoeker daarop de tuchtoverheid informeerde dat de strafdossiers intussen geseponeerd waren, waarna de tuchtoverheid pas de stap zette tot het contacteren van het openbaar ministerie. Zulks volstaat te dezen om te doen blijken dat het passief handelen van de tuchtoverheid wel degelijk verzoeker benadeelde. Evenmin overtuigt het argument, ontleend aan het advies van de Tuchtraad, dat indien de tuchtoverheid wel vroeger had geïnformeerd bij het openbaar ministerie, het geenszins vaststond dat de zaak niet hetzelfde tijdverloop zou hebben gekend en het inleidend verslag vroeger zou zijn betekend. Los van de vaststelling dat dit slechts een eigen visie of hypothese betreft van de verwerende partij waarvan niet blijkt dat die steun vindt in enig objectief feit, is zulks in het licht van de beoordeling van de redelijketermijnvereiste irrelevant. Het informeren naar de stand van zaken is immers een van de modaliteiten of technieken die de tuchtoverheid kan aanwenden om te doen blijken dat zij, in afwachting van het XIV-37.978-10/14 resultaat van het strafonderzoek, geen passieve houding heeft aangenomen die strijdt met de naleving van de redelijketermijneis. Of dat informeren de facto niet als katalysator van het lopende onderzoek zou zijn opgetreden mocht de overheid zich in tussentijd wel hebben geïnformeerd, betreft derhalve niet de vraag of dat abnormaal laat informeren al dan niet getuigt van een passief gedrag dat strijdt met de plicht van de tuchtoverheid om verzoeker niet te lang in de onzekerheid te laten over zijn lot. Inzake haar argument dat de tuchtoverheid er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat zij op grond van de interne richtlijnen van het parket op de hoogte zou worden gebracht door het parket ingeval een klassering zonder gevolg zich voordoet en dat de gerechtelijke overheid naliet om met bekwame spoed de kopieën en beslissingen te bezorgen, kan die nalatigheid weliswaar op zich niet tot gevolg hebben dat geen tuchtprocedure meer opgestart kon worden, maar verhindert zulks evenmin dat de miskenning van de redelijketermijneis aan de tuchtoverheid tegengeworpen kan worden, nu artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de tuchtoverheid niet vrijstelt van de verplichting om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen en om in functie daarvan alles in het werk te stellen om de tuchtprocedure voortgang te doen vinden. Een wettelijke bepaling inzake de stuiting of de schorsing van de verjaringstermijn stelt de tuchtoverheid immers niet vrij van de verplichting om diligent te handelen en het bestaan van een gerechtelijk onderzoek mag op zich geen verontschuldiging zijn om een tuchtvordering te blijven uitstellen totdat de gerechtelijke overheid op haar eigen initiatief de tuchtoverheid informeert over de genomen eindbeslissing. Wat het in de laatste memorie aangevoerde argument betreft dat gelet op de feiten, het niet onredelijk is dat de tuchtoverheid in het begin van het onderzoek niet elke maand het parket heeft bevraagd maar ervoor opteerde de gerechtelijke overheid in een eerste instantie zijn werk te laten doen, kan het inderdaad een tuchtoverheid niet worden verweten dat zij zich in een tuchtzaak zorgvuldig opstelt en daarom initieel prefereert met het oog op de zorgvuldige feitenvinding en in het licht van het niet-interfereren in een lopend gerechtelijk of XIV-37.978-11/14 opsporingsonderzoek, de gerechtelijke overheid “in een eerste instantie zijn werk te laten doen”. Dat laat haar evenwel niet toe om, zoals te dezen, zonder redelijke verklaring, gedurende zeventien maanden na een eerste verzoek tot informatie - dat klaarblijkelijk in het begin van het strafonderzoek werd ingediend -, inactief te blijven. Het argument overtuigt niet, te meer dat deze intentie die de verwerende partij voor het eerst aanvoert in de laatste memorie geen enkele objectieve steun vindt in de stukken van het dossier, noch kan worden afgeleid uit het feit dat zij niet heeft gewacht op de eindbeslissing. Eenzelfde vaststelling geldt inzake het argument opgeworpen in de laatste memorie dat de beoordeling van het karakter van de duur van de procedure moet gebeuren in het licht van de omstandigheden van de zaak en dat de procureur des Konings uitdrukkelijk bezwaar had tegen het voeren van een parallel intern onderzoek. Ook dit argument verleent evenmin een vrijgeleide om inactief te blijven gedurende een lange periode, zonder op een of andere wijze gedurende die periode terug te koppelen naar het parket met de vraag of haar initieel bij de aanvang ingenomen standpunt, verder gestand houdt. Het argument overtuigt te dezen derhalve niet. Voorts is het geenszins de plicht van verzoeker om te waken over het regelmatig verloop van de tuchtprocedure. Het argument dat het verzoeker toekwam, indien hij meent dat het strafonderzoek te lang aansleept, hierover het openbaar ministerie te bevragen en aan te sporen, kan derhalve niet worden verdisconteerd in de beoordeling van de redelijkheid van de termijn die de overheid in deze fase van de procedure liet lopen. Het argument tot slot dat, eenmaal de tuchtoverheid in het bezit is van de geseponeerde strafdossiers en de toelating om die in tuchtzaken aan te wenden, zij geen tijd meer heeft verloren en diligent heeft opgetreden, overtuigt evenmin. Dit mag dan al correct zijn, maar de redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure en de duur van de eindfase, maar ook aan de hand van de XIV-37.978-12/14 zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure. Dat, zoals de verwerende partij stelt, eenmaal zij een kopie had van de dossiers, “verzoeker wel degelijk vlotte afhandeling heeft gekregen van de lastens hem lopende tuchtprocedure”, biedt aldus geen antwoord op de vraag waarom er een abnormale lange termijn is verstreken vooraleer de tuchtoverheid actief optrad in het dossier door bij het openbaar ministerie te informeren naar de stand van zaken in het strafonderzoek.
  26. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker het voldoende aannemelijk maakt dat de duur van inactiviteit door de tuchtoverheid abnormaal lang is. Door aldus niet met de nodige voortvarend de procedure op te starten schendt de tuchtoverheid aldus het hiervoor (supra, punt 9) nader omschreven algemeen beginsel van de redelijke termijn. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van de Gerechtelijke Politie van 22 januari 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal is opgelegd.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  29. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-37.978-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.978-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.