← België

Arrest 251925 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.925 Rolnummer: A. 226634/IX-9448 Zaak: Arrest 251925 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 13:54 Fiche Arrest nr 251.925 van 26 oktober 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.925 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 226.634/IX-9448 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van: “- het besluit van de (decaan van de faculteit Bio- Ingenieurswetenschappen van

  1. de)Universiteit Gent van 14 september 2018 […] waarmee aan [XXXX] volgende ‘maatregelen van inwendige orde’ werden opgelegd: o ‘1. U wordt op datum van 1 oktober 2018 administratief gemuteerd van de vakgroep Landbouweconomie (BW27) naar het decanaat van de FBW (BW51). Teneinde uw onderzoeksactiviteiten met uw medewerkers (doctorandi, projectmedewerkers) en uw onderwijsengagementen binnen de vakgroep Landbouweconomie te kunnen voor[t]zetten, wordt u het statuut van geassocieerd lid van de vakgroep Landbouweconomie toegekend. Deze administratieve maatregel gaat in op 1 oktober 2018. o 2. Uw huidige werkplek bevindt zich in lokaal 38.03.110.088 op de eerste verdieping van Blok A, Campus Coupure. Na overleg met de vakgroepvoorzitter van de vakgroep Landbouweconomie […] wijzig ik IX-9448-1/9 uw werkplek naar haar bureel in lokaal 38.03.120.095, op de tweede verdieping van Blok A, Campus Coupure’.” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 249.789 van 9 februari 2021 is het debat heropend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. IX-9448-2/9 III. Feiten 3. Voor de weergave van de feiten wordt verwezen naar het tussenarrest van 9 februari 2021. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van “het recht van verdediging, minstens de hoorplicht, schending van de artikelen 2 en 3, Wet 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij onderscheidt in het middel vier onderdelen. In het voormelde tussenarrest heeft de Raad van State het derde middelonderdeel verworpen, zodat daarop thans niet meer wordt ingegaan. 4.2. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij niet is gehoord over de betrokken maatregelen, noch over de aanleiding hiertoe. Verzoeker licht toe geen idee te hebben wat er concreet aan de hand is en wat hem verweten wordt. Hij wordt beticht zich schuldig te hebben gemaakt aan respectloos, ongewenst grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer, doch de schuldige tekortkomingen die hem worden verweten, worden op geen enkele manier geconcretiseerd. Tijdens het onderhoud op 4 juli 2018 met de directeur bestuurszaken, heeft verzoeker geen enkele bijkomende toelichting gekregen, noch de gelegenheid om enig standpunt naar voor te brengen voor zover dat op basis van het gebrek aan gegevens op een nuttige wijze zou hebben gekund. IX-9448-3/9 Verzoeker is uitgenodigd voor een gesprek met de decaan van de faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen op 13 juli 2018. De raadsman van verzoeker heeft verzocht om een kort uitstel van dit gesprek wegens zijn verblijf in het buitenland en vroeg tegelijkertijd meer informatie op over de aard van het gesprek, de procedure die wordt gevolgd en de beschikbare documenten, om alzo het geplande gesprek te kunnen voorbereiden. Er is op deze vraag nooit een antwoord ontvangen. Volgens verzoeker kunnen dergelijk “zwaarwichtige maatregelen” niet worden genomen zonder enige vorm van tegenspraak, zodat het “recht van verdediging, minstens de hoorplicht” is geschonden. 4.3. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker de schending aan van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De formelemotiveringsplicht is volgens verzoeker geschonden door de “absolute vaagheid zonder enige concretisering van de redenen die een verantwoording zouden vormen” voor de opgelegde maatregelen. Bovendien is de motivering “gewoonweg foutief” daar het niet klopt dat verzoeker op 13 juli 2018 niet kwam opdagen voor een persoonlijk gesprek “en daar waar wordt beweerd dat de interne werking binnen de vakgroep Landbouweconomie verstoord is en verzoekende partij hiervan ‘op de hoogte zou zijn’”. 4.4. In het vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat uit het verslag van de faculteitsraad van 13 september 2018 blijkt dat de leden van de faculteitsraad slechts vaag op de hoogte zijn gebracht over de achterliggende reden van de vraag van de decaan voor een mandaat tot het nemen van de maatregelen naar aanleiding van een risicoanalyse psychosociaal welzijn binnen de vakgroep bio-ingenieurswetenschappen. De leden van de faculteitsraad hebben IX-9448-4/9 geen inzage gekregen en aldus een blind mandaat gegeven aan de decaan. Het mandaat en hierdoor de bestreden beslissing zijn onzorgvuldig tot stand gekomen. 4.5. Verzoeker voert in zijn laatste memorie, aansluitend bij het vierde middelonderdeel, ook de schending van de bevoegdheid van de steller van de akte aan. De beslissing gaat immers buiten de grenzen van het mandaat dat de faculteitsraad aan de decaan gaf om maatregelen van inwendige orde te nemen en dat uitdrukkelijk het nemen van tucht- en ordemaatregelen uitsloot. 5. De verwerende partij werpt met betrekking tot het eerste middelonderdeel in hoofdorde tegen dat de hoorplicht niet van toepassing is omdat – zoals de Raad van State niet nalaat te onderstrepen in het tussenarrest – de maatregelen die aan verzoeker zijn opgelegd hem geen ernstig nadeel berokkenen en, integendeel, “slechts verwaarloosbare gevolgen” hebben. Ondergeschikt argumenteert zij dat verzoeker werd bericht van de draagwijdte van het rapport van Idewe en de voorgenomen maatregelen. En wat er ook van zij, aldus nog de verwerende partij, er was een onderhoud geregeld maar verzoeker “stuurde hierbij zijn kat”. Beoordeling a. eerste middelonderdeel 6. In het tussenarrest is het derde middelonderdeel verworpen, waarin verzoeker de verwerende partij verweet een verdoken tuchtmaatregel te hebben opgelegd. Hieruit volgt dat het eerste middelonderdeel, voor zover het de schending aanvoert van de rechten van verdediging, faalt naar recht. IX-9448-5/9 7. Wat dan weer de hoorplicht betreft, mag eraan worden herinnerd dat in het tussenarrest is vastgesteld dat de bestreden maatregelen steunen op verzoekers gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend en dat ze beogen een verstoring van de dienst die daarvan het gevolg is, te verhelpen. Anders dan de verwerende partij het ziet, is een maatregel die steunt op het gedrag van het personeelslid, ook al is dit zonder zich uit te spreken over de schuldvraag, onderworpen aan de hoorplicht. 8. De verwerende partij betoogt dat verzoeker “maar al te goed” “de problematiek” kende. Zelfs indien daarin wordt meegegaan, en zelfs indien wordt meegegaan met de verwerende partij dat verzoeker uit een aantal gesprekken en e-mails mocht begrijpen dat hem een maatregel boven het hoofd hing – reden zelfs waarom hij een advocaat inschakelde – dan nog blijkt nergens dat de intentie om de voorgenomen maatregelen te nemen aan verzoeker is meegedeeld op een wijze die hem in staat stelde zijn visie voor het bestuur te laten gelden en dit verweer voor te bereiden – zelfs spijts de uitdrukkelijke vraag van zijn raadsman om duiding te geven over de inhoud van het gesprek van 13 juli 2018. Of verzoeker dan zelf present tekende op dat gesprek of verkoos zijn huisdier te sturen, is niet meer relevant. 9. Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. b. tweede middelonderdeel 10. Hiervóór is vastgesteld dat de verwerende partij de hoorplicht heeft miskend. IX-9448-6/9 11. De hierna uit te spreken nietigverklaring houdt in dat – in geval de verwerende partij de procedure wenst te hernemen – dit minstens moet gebeuren vanaf het punt waarop ze is misgelopen. Gelet op de vernietigingsgrond betekent dit dat zij verzoeker in de gelegenheid moet stellen om nuttig voor zijn standpunt op te komen. Verzoeker zal daarbij alle elementen kunnen voorleggen die hij nuttig acht om de verwerende partij tot een zorgvuldige besluitvorming te brengen. De daaropvolgende nieuwe beslissing zal een eigen motivering hebben die rekening houdt met verzoekers relevante argumenten. Daarop mag en kan de Raad van State niet vooruitlopen, zodat het tweede middelonderdeel voorbarig is. 12. Het tweede middelonderdeel is niet ontvankelijk. c. vierde middelonderdeel 13. De faculteitsraad gaf de decaan unaniem delegatie “tot het nemen van maatregelen van inwendige orde n.a.v. een risicoanalyse psychosociaal welzijn binnen een vakgroep van de FBW”. Hierbij worden de volgende maatregelen als voorbeeld opgesomd: “- het muteren van een personeelslid naar een andere bestuurlijke eenheid binnen de faculteit, - het toekennen van een geassocieerd lidmaatschap aan een andere bestuurlijke eenheid binnen de faculteit, - de toekenning van een ander lokaal (‘werkplek’) aan een personeelslid (binnen een redelijke afstand van het huidige) binnen de faculteit, - de wijziging van de registratie van een lokaal op de facultaire legger.” De aan verzoeker opgelegde maatregelen passen volkomen binnen de concreet gegeven voorbeelden. Verzoeker overtuigt dan ook niet dat de faculteitsraad, door het nemen van tuchtmaatregelen en ordemaatregelen uit te sluiten, zou hebben bedoeld niet aan de decaan te delegeren wat hij net als voorbeelden uitdrukkelijk heeft opgesomd te willen delegeren naar aanleiding van de voormelde risicoanalyse. IX-9448-7/9 Voor zover het middelonderdeel de onbevoegdheid van de decaan aanvoert, is het niet gegrond. 14. Het mandaat dat gegeven wordt door de faculteitsraad is voorts beperkt in de tijd – maximum één jaar – en is eveneens begrensd tot de desbetreffende risicoanalyse. Bij de bespreking werd in de faculteitsraad toegelicht dat na herhaalde meldingen bij de facultaire ombudspersoon en de vertrouwenspersoon overgegaan is tot een risicoanalyse psychosociaal welzijn van de bestuurlijke eenheid door een externe, gespecialiseerde organisatie en dat de gevraagde delegatie een onderdeel is van het actieplan dat op basis van het rapport van de risicoanalyse is opgesteld. Hierbij werd onderstreept dat het rapport vertrouwelijk is en dat de delegatie ertoe bijdraagt “een zekere discretie in dit proces te kunnen handhaven” – discretie die in het belang is “tegenover het betrokken personeel”, “om te voorkomen dat op de [faculteitsraad] de ganse problematiek uitvoerig moet toegelicht worden”. Naar het oordeel is hiermee voldoende verantwoord waarom de faculteitsraad geen inzage is gegeven in het dossier van Idewe en kan hem geen onzorgvuldigheid worden verweten als hij zijn beslissingsbevoegdheid voor de bedoelde maatregelen tijdelijk delegeert aan de decaan. Ook in die mate is het middelonderdeel niet gegrond. d. conclusie 15. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de decaan van de faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen van de Universiteit Gent van 14 september IX-9448-8/9 2018 waarmee aan XXXX een mutatie en een wijziging van werkplek worden opgelegd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9448-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.925 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.789 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.