← België

Arrest 251926 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.926 Rolnummer: A. 231165/IX-9731 Zaak: Arrest 251926 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-10 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 13:54 Fiche Arrest nr 251.926 van 26 oktober 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.926 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 231.165/IX-9731 In zake: Magdalena VERCAMMEN woonplaats kiezend te 2500 Koningshooikt Liersebaan 46 tegen: het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sébastien Depré kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Stef DE REYCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van het Autonoom Provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen […] om [Magdalena Vercammen] met ingang van 1 januari 2020 vast te benoemen in het ambt van leraar voor 15/29ste PV Tuinbouw in de 3de graad TSO”. IX-9731-1/16 De verzoekende partij vordert daarenboven een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. Stef De Reyck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 mei
  3. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaten Jasper De Fauw en Mateusz Rys, die loco advocaat Sébastien Depré verschijnen voor de verwerende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9731-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 15 oktober 2019 verklaart de verwerende partij 48 uren PV tuinbouw in de derde graad TSO vacant in de Provinciale Scholen voor Tuinbouw en Techniek. Verzoekster, de tussenkomende partij en Pieterjan Goossens melden zich kandidaat voor een vaste benoeming in de vacant verklaarde uren PV tuinbouw. Op het aanvraagformulier beroepen zij zich allen op “een dienstanciënniteit van 690 dagen waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt”. Verzoekster beroept zich daarenboven op “de leeftijd van 55 jaar”. Na onderzoek van de drie kandidaatstellingen meent de verwerende partij dat de drie kandidaten in aanmerking komen voor vaste benoeming en dat geen van hen over een voorrangsrecht beschikt. Om die reden beslist zij op 19 februari 2020 om de drie kandidaten op proportionele wijze vast te benoemen, te weten de tussenkomende partij voor 18/29 uren en verzoekster en Pieterjan Goossens elk voor 15/29 uren. Zij houdt, naar eigen zeggen, hierbij rekening met het feit dat de tussenkomende partij en Pieterjan Goossens al aangesteld zijn in die uren waarin zij vast benoemd worden. Verzoekster is al aangesteld in drie uren teeltleider en krijgt daarbovenop twaalf extra uren toebedeeld. Verzoekster gaat niet akkoord met slechts een deeltijdse vaste benoeming. Zij meent aanspraak te kunnen maken op een voltijdse vaste benoeming. Er volgt hierover dan ook wat heen en weer geschrijf, maar de verwerende partij wenst niet in te gaan op de vraag van verzoekster: zij blijft de mening toegedaan dat de drie kandidaten beschikken over een recht op vaste IX-9731-3/16 benoeming en dat geen enkele kandidaat zich op een voorrangsrecht mag beroepen. IX-9731-4/16 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. In haar laatste memorie werpt verzoekster op dat de laatste memorie van de verwerende partij en van de tussenkomende partij geen verzoek tot voortzetting “bevatten”. Een partij die echter tijdig een laatste memorie indient en ingaat op het auditoraatsverslag, geeft genoegzaam aan de procedure te willen voortzetten, zonder dat zij dit nog in bepaalde sacrale bewoordingen moet schrijven. Er is dan ook geen reden om de zaak volgens de versnelde rechtspleging af te doen, zoals verzoekster vraagt. V. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  8. De rechtspleging voor de Raad van State is inquisitoriaal. Om uit te maken welke overheidshandelingen een verzoekende partij definitief uit het rechtsverkeer beoogt te doen verwijderen, moet de Raad niet enkel acht slaan op de bewoordingen waarmede deze in haar verzoekschrift tot nietigverklaring de te vernietigen handeling omschrijft, maar kan hij ook nagaan welk resultaat die verzoekende partij beoogt te bereiken. Bij dat nazicht kunnen als relevante gegevens in aanmerking worden genomen, het belang waarop de verzoekende partij zich beroept, alsook en vooral de middelen die zij aanvoert, namelijk de vraag op welke rechtshandeling ze betrekking hebben en zelfs op welke vraag ze zinvol betrokken kunnen worden.
  9. Verzoekster vraagt in het inleidend verzoekschrift formeel om de nietigverklaring van haar eigen benoemingsbesluit. Uit het geheel van het verzoekschrift – inzonderheid het feitenrelaas over de communicatie met de verwerende partij voorafgaand aan de huidige procedure en het eerste middel – blijkt evenwel dat wat verzoekster grieft daarin gelegen is dat zij “ten onrechte geen voltijdse vaste benoeming [heeft] IX-9731-5/16 gekregen”, zodat het haar erom te doen is die voltijdse vaste benoeming te verwerven. In het eerste middel beroept verzoekster zich zelfs op “een gebonden bevoegdheid” van het schoolbestuur om haar voltijds vast te benoemen.
  10. Minstens al mag hieruit worden afgeleid dat verzoekster zich richt tegen de weigering om haar die voltijdse vaste benoeming te geven. Zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, heeft verzoekster geen belang bij het aanvechten van haar eigen benoemingsbesluit, voor zover zij met die beslissing reeds een vaste benoeming van vijftien uren heeft verworven.
  11. Mocht verzoekster de bedoelde weigering om de door haar gevraagde voltijdse vaste benoeming te verlenen, afleiden uit de beslissing om haar slechts een deeltijdse vaste benoeming toe te kennen, ze blijkt ook en des te meer uit de beslissingen van de verwerende partij om de door verzoekster beoogde uren toe te kennen aan de overige twee kandidaten. Verzoekster heeft ook maar belang om die weigering aan te vechten en zij kan er maar voordeel uit putten, indien zij minstens ook geacht kan worden de nietigverklaring van de beslissingen te vorderen in zoverre de beoogde uren aan derden worden toegekend.
  12. Tot bewijs van het tegendeel wordt aangenomen dat wie voor zichzelf een betrekking wil, onvermijdelijk ook wil dat wie deze betrekking heeft gekregen eruit verwijderd wordt om voor haar plaats te maken.
  13. Gelet op wat hiervóór is vastgesteld, blijkt die intentie van verzoekster naar het oordeel van de Raad van State duidelijk uit het inleidend verzoekschrift, ook al heeft verzoekster dit niet zo nauwgezet omschreven als voorwerp van haar beroep. IX-9731-6/16
  14. De verwerende partij en de tussenkomende partij argumenteren evenwel dat wat verzoekster naderhand in haar memorie van wederantwoord heeft geschreven, het bewijs vormt dat zij de nietigverklaring van de benoeming van haar collega’s niet nastreeft. De verwerende partij stelt dat verzoekster “bevestigde” dat haar beroep zich niet uitstrekt tot de andere beslissingen. De tussenkomende partij wijst erop dat verzoekster in de memorie van wederantwooord schrijft “dat verzoekster zich bewust is van het feit dat, indien de hierboven beschreven beslissing (...) wordt vernietigd, het in de praktijk voor verwerende partij in principe niet mogelijk is om haar alsnog vast te benoemen voor uren waarvoor andere personen ondertussen reeds vast benoemd zijn”. Daarom heeft verzoekster een schadevergoeding tot herstel gevorderd, ervan uitgaande dat zij pas voor de toekomst terug in aanmerking komt voor een vaste benoeming. Daarmee geeft verzoekster aan dat zij er zelf niet op rekent dat zij na nietigverklaring alsnog een nieuwe benoeming kan verkrijgen met terugwerkende kracht tot 1 januari
  15. De vordering tot een schadevergoeding tot herstel strijdt aldus met de gevolgen die uit een eventuele vernietiging zou voortvloeien.
  16. De Raad van State valt die lezing van de memorie van wederantwoord niet bij en kan er geenszins uit afleiden dat verzoekster zich in die mate ondubbelzinnig heeft uitgesproken, dat zij geacht moet worden de andere benoemingsbesluiten niet te willen aanvechten. Bijgevallen wordt, wat verzoekster daarover schrijft in haar laatste memorie: “De reden waarom verzoekster destijds geen uitdrukkelijk beroep had ingesteld tegen de beslissingen van 19 februari inzake de vaste benoeming van haar twee betrokken collega’s, zijnde eveneens de reden waarom ze wel een verzoek tot schadevergoeding tot herstel had ingediend, was omdat ze onvoldoende kennis had van de omvang van de verplichting tot rechtsherstel van verwerende partij ten gevolge van een vernietigingsarrest […] in die zin dat ze niet op de hoogte was van het gegeven dat de verwerende partij ten gevolge van het vernietigingsarrest verplicht zou zijn om de situatie met terugwerkende kracht volledig recht te zetten. IX-9731-7/16 Zoals ten overvloede moge blijken uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, is het doel van verzoekster in deze procedure absoluut om zelf een voltijdse vaste benoeming met ingang vanaf 1 januari 2020 in het ambt van leraar PV tuinbouw in de 3de graad TSO te bekomen. Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord meermaals uitdrukkelijk dat ze de bestreden beslissing inzake haar slechts deeltijdse (met name voor 15/29ste) vaste benoeming vanaf 1 januari 2020 aanvecht in de mate waarin deze de weigering door verwerende partij bevat om haar vanaf diezelfde datum voor het overige vast te benoemen tot een voltijdse betrekking. […] Verzoekster wilt dus onvermijdelijk dat haar twee betrokken collega’s uit hun betrekkingen worden verwijderd, althans in de mate waarin dit nodig is opdat zij haar voltijdse vaste benoeming met ingang vanaf 1 januari 2020 zou bekomen. Het vermoeden volgens hetwelk verzoekster voor zichzelf een betrekking wil, onvermijdelijk ook wilt zeggen dat wie deze betrekking heeft gekregen eruit verwijderd wordt om voor haar plaats te maken, geldt dus onverkort. Het gegeven dat verzoekster geen uitdrukkelijk beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen inzake de vaste benoeming met ingang vanaf 1 januari 2020 van haar twee voormelde, betrokken collega’s alsook dit heeft vermeld in haar memorie van wederantwoord, doet niets af aan het gegeven dat ze duidelijk in haar rechten wilt worden hersteld en het hierboven beschreven vermoeden aldus geldt, maar kadert enkel in een onwetendheid inzake de verplichting tot rechtsherstel in hoofde van verwerende partij ten gevolge van een vernietigingsarrest uw Raad van State.”
  17. Het beroep moet dan ook geacht worden te zijn gericht tegen de benoeming van de tussenkomende partij en van Pieterjan Goossens, voor zover zij zijn benoemd in de uren die verzoekster beoogt en daaruit de weigering blijkt om verzoekster in die uren te benoemen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  18. Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 35bis, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (“rechtspositiedecreet”). IX-9731-8/16 Verzoekster licht toe dat zij aan alle voorwaarden voldoet, gesteld in de aangevoerde bepaling, zodat zij recht heeft om in de door haar gevraagde betrekking te worden benoemd. Dat is een gebonden bevoegdheid voor het schoolbestuur. Verzoekster merkt op dat de Raad van State in zijn arrest nr. 226.740 van 13 maart 2014 reeds tot dezelfde conclusie is gekomen.
  19. De verwerende partij werpt op dat verzoekster geen belang heeft bij het middel, omdat zij heeft nagelaten de vernietiging te vorderen van de benoemingsbesluiten van de tussenkomende partij en van Pieterjan Goossens. Dit betekent dat wanneer voorliggend beroep gegrond zou worden bevonden, de verwerende partij in de onmogelijkheid verkeert om verzoekster alsnog vast te benoemen voor uren waarvoor intussen andere personen onherroepelijk vast benoemd werden. In ondergeschikte orde argumenteert de verwerende partij dat verzoekster uitgaat van een verkeerde lezing van het rechtspositiedecreet. De aanvraag tot vaste benoeming van verzoekster steunt op artikel 35bis, § 2, van het rechtspositiedecreet, terwijl de aanvragen tot vaste benoeming van haar collega’s steunen op artikel 31, § 1, van hetzelfde decreet. Alle drie de kandidaten beschikten over dezelfde minimumanciënniteit en voldeden tevens aan alle in het rechtspositiedecreet gestelde voorwaarden om vast benoemd te worden. Dit wordt door geen enkele partij betwist. Aangezien noch artikel 35bis, § 2, noch artikel 31, § 1, van het rechtspositiedecreet een voorrangsrecht bevat, beschikten de drie kandidaten over gelijke aanspraken ten aanzien van de toe te kennen vaste benoeming en moest de verwerende partij artikel 5, § 6, van haar rechtspositieregeling van het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel toepassen. Indien zij met een situatie van gelijke aanspraken wordt geconfronteerd, tracht zij steeds om met respect voor de voornoemde bepaling zo billijk mogelijk te werk te gaan, om zo de vacante uren zo gelijk mogelijk te verdelen tussen kandidaten met gelijke aanspraken. Zo ook in casu: alle kandidaten werden proportioneel benoemd voor 18-15-15 uren. Deze gelijklopende verdeling kan bezwaarlijk onbillijk worden genoemd. IX-9731-9/16
  20. De tussenkomende partij argumenteert dat artikel 35bis, § 2, van het rechtspositiedecreet nergens vermeldt dat een personeelslid dat aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling voldoet, op grond daarvan een voorrang kan laten gelden ten opzichte van andere kandidaten die op grond van een andere rechtsgrond eveneens voor benoeming in diezelfde vacante uren in aanmerking komen. Indien de decreetgever de bedoeling zou hebben gehad om aan artikel 35bis, § 2, enig voorrangsrecht te koppelen, dan had de decreetgever dat expliciet in de desbetreffende bepalingen moeten opnemen, quod non. Het is niet aan de verwerende partij of aan de Raad van State om dat in de plaats van de decreetgever te doen. Het loutere feit dat in artikel 31, § 1, van het rechtspositiedecreet staat vermeld dat een personeelslid in vast verband “kan” worden benoemd, houdt niet in dat de overheid op grond van die bewoordingen ten aanzien van de kandidaten dan zomaar over een discretionaire bevoegdheid beschikt om de betrokken kandidaat al dan niet te benoemen. De Raad van State oordeelde reeds over bepalingen met gelijkaardige bewoordingen, dat het bestuur een benoeming enkel kan weigeren op grond van objectieve criteria zoals dat in de desbetreffende bepaling wordt toegelaten en dat het geen bijkomende criteria kan toevoegen om een benoeming alsnog te weigeren. Welnu, in artikel 31, § 1, van het rechtspositiedecreet is geen bepaling opgenomen, op grond waarvan de verwerende partij een objectieve grondslag kan vinden om de benoeming van de tussenkomende partij of van Pieterjan Goossens te weigeren. De verwerende partij heeft terecht beslist om de benoeming proportioneel te verdelen over de drie kandidaten. Beoordeling
  21. De tussenkomende partij en Pieterjan Goossens komen in aanmerking voor een vaste benoeming – en zij werden ook vast benoemd – op grond van artikel 31, § 1, 1°, van het rechtspositiedecreet. Luidens die bepaling IX-9731-10/16 “kan [een personeelslid] in vast verband worden benoemd” indien het onder meer aan een bepaalde dienstanciënniteit voldoet en het zich correct kandidaat heeft gesteld. Niemand betwist dat zij beiden – net zoals overigens verzoekster – aan de voorwaarden van dit artikel voldoen. Niemand betwist voorts dat beiden zich op geen bijzondere bij decreet bepaalde voorrang kunnen beroepen.
  22. Verzoekster beroept zich voor haar aanspraken op een vaste benoeming evenwel ook op artikel 35bis, § 2, van het rechtspositiedecreet, dat luidt: “§
  23. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij: 1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming; 2° de vaste benoeming bij de inrichtende macht aanvraagt; 3° vanaf 1 januari voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is; 4° tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is. De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden. Die vaste benoeming heeft steeds vanaf 1 januari als ingangsdatum.” Niemand betwist dat verzoekster ook aan de voorwaarden van artikel 35bis voldoet, onder meer wat de tijdigheid van haar aanvraag betreft.
  24. Op te merken is, dat deze bepaling in tegenstelling tot artikel 31, § 1, inleidende zin, niet stelt dat het personeelslid “kan” worden benoemd, maar dat het “wordt […] benoemd” – en wel “op zijn verzoek”. Het gaat om een lex specialis, een bijzondere maatregel ten gunste van wie als tijdelijk aangestelde de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, om hen alzo in de aanloop naar hun pensionering een gunstiger statuut toe te kennen. IX-9731-11/16 Anders dan de tussenkomende partij het ziet, kan het specifiek karakter genoegzaam uit de bewoordingen van het artikel worden afgeleid zonder dat een uitdrukkelijke vermelding dat het voorgaat op andere bepalingen is vereist. Zoals de Raad van State voorts schreef in zijn door verzoekster vermeld arrest nr. 226.740 van 13 maart 2014, is een voorrangsrecht “eerder relatief” en een recht op vaste benoeming “veeleer absoluut”: “Een voorrangsrecht is immers niet inherent aan een recht op vaste benoeming bij het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het eerste is eerder relatief, het tweede veeleer absoluut.” De Raad van State valt verzoeksters lezing bij dat, zoals hij ook reeds aannam in voormeld arrest nr. 226.740, artikel 35bis van het rechtspositiedecreet het bestuur tot benoemen verplicht. Om die reden overigens, hoeft de vacante betrekking zelfs niet vacant verklaard te worden. Indien het personeelslid in concurrentie zou komen met andere kandidaten die zich kunnen beroepen op eenzelfde hen door de decreetgever verleende aanspraak op vaste benoeming, zou het bestuur bij de keuze tussen hen over een discretionaire bevoegdheid beschikken. Die claim kunnen de beide andere benoemde kandidaten echter niet voorleggen. Geconfronteerd met de drie kandidaatstellingen, was de verwerende partij dan ook verplicht om éérst verzoekster vast te benoemen voor de uren waarom zij verzoekt – in casu een voltijdse betrekking. Zij heeft dat niet gedaan en aldus heeft zij artikel 35bis van het rechtspositiedecreet geschonden.
  25. Het middel is gegrond. B. Tweede middel
  26. In de memorie van wederantwoord doet verzoekster afstand van het tweede middel. IX-9731-12/16 VII. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring
  27. Hiervóór is vastgesteld dat de verwerende partij moet worden geacht ten onrechte een voltijdse benoeming aan verzoekster te hebben onthouden. In dat geval zal de Raad zich niet beperken tot de vernietiging van de bestreden benoemingen maar zal hij die rechtsplicht expliciteren door ook de impliciete weigering van de verwerende partij om verzoekster voltijds te benoemen uitdrukkelijk te vernietigen.
  28. Verzoekster is benoemd voor 15/
  29. De tussenkomende partij is vast benoemd voor 18/29 en Pieterjan Goossens voor 15/29, wat samen ruim méér is dan de veertien uren die verzoekster voor een voltijdse benoeming te kort komt. Er zijn met andere woorden meer uren vacant en toegewezen aan derden, dan nodig om verzoekster een voltijdse betrekking te bezorgen. Het valt zonder specifieke toelichting daarover vanwege de verwerende partij evenwel niet toe aan de Raad van State om uit te maken om welke uren het gaat, zodat hij niet in staat is de omvang van de hierna uit te spreken nietigverklaring te beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het aan verzoekster te verlenen rechtsherstel en hij de andere benoemingsbesluiten in hun geheel moet vernietigen. In deze omstandigheden zal het de verwerende partij toevallen om niet enkel verzoekster met terugwerkende kracht voltijds te benoemen, maar ook om vervolgens over de resterende uren opnieuw te beslissen en deze uren waarop verzoekster geen aanspraak kan maken eveneens met terugwerkende kracht opnieuw aan de tussenkomende partij en Pieterjan Goossens toe te kennen, volgens de regels die zij zich daarbij zelf heeft opgelegd in haar rechtspositieregeling van het onderwijzend personeel. IX-9731-13/16 VIII. Schadevergoeding tot herstel
  30. In het auditoraatsverslag leest verzoekster: “Het komt verzoekster toe de niet herstelde of te herstellen nadelen te bewijzen aan de hand van concrete gegevens. Welnu, aangezien de door verzoekster beweerdelijk geleden schade (salarisverlies, interesten op de achterstallige wedde en derving van een gedeelte van haar overheidspensioen) schade is die volledig zal worden hersteld ingevolge de uitvoering door verweerster van het vernietigingsarrest van de Raad van State en verzoekster geen enkele andere schadepost aanhaalt, kan het verzoek tot schadevergoeding tot herstel worden afgewezen.”
  31. In haar laatste memorie sluit verzoekster zich “volledig” aan “bij de analyse zoals vermeld in het auditoraatsverslag”, “en vraagt aldus de bevestiging daarvan”. Meer bepaald verklaart zij zich uitdrukkelijk “akkoord met de verwerping van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel”.
  32. Aangezien verzoekster haar verzoek niet handhaaft, wordt het verworpen. BESLISSING
  33. De Raad van State vernietigt: - het besluit van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 19 februari 2020 waarbij Stef De Reyck vast benoemd wordt als leraar PV tuinbouw in de derde graad TSO, geaffecteerd aan de Provinciale Scholen voor Tuinbouw en Techniek voor een opdracht van 18/
  34. - het besluit van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 19 februari 2020 waarbij Pieterjan Goossens vast benoemd wordt als leraar PV tuinbouw in de derde graad TSO, geaffecteerd aan de Provinciale Scholen voor Tuinbouw en Techniek voor een opdracht van 15/
  35. IX-9731-14/16 - de impliciete weigering van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen om Magdalena Vercammen met ingang van 1 januari 2020 een voltijdse vaste benoeming voor een opdracht van 29/29 toe te kennen in het ambt van leraar PV tuinbouw in de derde graad TSO, geaffecteerd aan de Provinciale Scholen voor Tuinbouw en Techniek.
  36. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9731-15/16 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9731-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.