← België

Arrest 251927 - Luchtvaart - 26/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.927 Rolnummer: A. 231550/IX-9748 Zaak: Arrest 251927 - Luchtvaart - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-06-19 04:17 Fiche Arrest nr 251.927 van 26 oktober 2021 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.927 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 231.550/IX-9748 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het beroepsorgaan inzake Veiligheidsmachtigingen, Veiligheidsattesten en Veiligheidsadviezen AV/2020/022 van 10 juli
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 24 september
  4. IX-9748-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  5. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om een luchthavenidentificatiebadge te krijgen die toegang verleent tot de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van de luchthaven Brussel-Nationaal. IX-9748-2/15 3.
  8. Overeenkomstig artikel 22quinquies/1 van de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ wordt verzoekster onderworpen aan een veiligheidsverificatie. In dit kader wordt een negatief veiligheidsadvies verleend door de Nationale Veiligheidsoverheid dat door het directoraat-generaal Luchtvaart van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (hierna: FOD Mobiliteit en Vervoer) is ontvangen op 5 maart 2020 en ter kennis is gebracht van verzoekster per aangetekend schrijven van 12 maart
  9. 3.
  10. Op 11 maart 2020 beslist de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de FOD Mobiliteit en Vervoer om de afgifte van een luchthavenidentificatiebadge te weigeren, gelet op het negatief veiligheidsadvies. 3.
  11. Op 17 maart 2020 stelt verzoekster beroep in tegen het negatief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid bij het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna: het beroepsorgaan). 3.
  12. Op 10 juli 2020 verklaart het beroepsorgaan het beroep van verzoekster ontvankelijk maar ongegrond. Het negatief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. De overwegingen van de bestreden beslissing luiden als volgt: “In haar beroepsakte laat zij gelden dat zij een geïntegreerde 32-jarige Belgisch-Marokkaanse vrouw is die rookt noch drinkt. Zij verwijst naar haar blanco strafregister en stelt dat ze niet omgaat met criminele of radicale mensen en ook geen contact met hen heeft. Zij stelt dat ze onafgebroken een job heeft uitgeoefend, onder meer voor een advocatenkantoor, en dat zij hoopt aangeworven te worden bij een reisorganisatie. Zij stelt dat de job die zij beoogt voor haar altijd een droomjob is geweest en dat zij al een opleiding van zes weken als airhostess volgde. Zij stelt dat ze in de nabije toekomst – na de coronacrisis – mogelijks vluchten zal kunnen begeleiden maar dat dit zonder badge niet mogelijk is. Verzoekster werd gehoord op de hoorzitting van 11 juni
  13. IX-9748-3/15 Zij stelt dat zij de beslissing niet begrijpt aangezien het dossier geen negatieve elementen lastens haarzelf bevat. Verzoekster verklaart dat zij een jongere broer genaamd [A.] heeft en dat deze in een gevangenis in Syrië verblijft ‘omdat hij het slachtoffer is van een groepering’. Wel zouden de ouders van verzoekster in het recente verleden nog contact hebben gehad met deze broer, maar zou dit niet meer mogelijk zijn gezien zijn gevangenschap in Syrië. Verder verklaart verzoekster dat zij een opleiding bij TUI heeft gevolgd maar dat zij, gelet op de coronacrisis, haar laatste examen niet heeft afgelegd. Verzoekster verduidelijkt dat zij niet onmiddellijk aan de beoogde job kan beginnen maar dat ze integendeel op de start van deze job nog een lange tijd moet wachten, mogelijks nog 1 à 1,5 jaar. Verder stelt zij dat ze op dit ogenblik leeft van een uitkering en dat ze zicht heeft op een administratieve job. Het Beroepsorgaan is van oordeel dat verzoekster, op basis van het integraal administratief dossier dat aan het Beroepsorgaan werd voorgelegd, door haar familiale situatie banden heeft met een crimineel en geradicaliseerd milieu. Deze banden houden steeds een potentieel veiligheidsrisico in. Het Beroepsorgaan stelde ook ter zitting vast – en dit op basis van de verklaring van verzoekster – dat verzoekster op dit ogenblik geen actueel belang kan aantonen, nu haar aanwerving als airhostess voor langere tijd, mogelijks voor 1 à 1,5 jaar, is uitgesteld.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  14. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing niet vatbaar is voor cassatieberoep. Volgens haar is de beslissing van het beroepsorgaan met betrekking tot het veiligheidsadvies slechts een advies waarvan de administratieve overheid nog kan afwijken. De beslissing heeft geen verplichtend of bindend, noch een jurisdictioneel karakter. Daarnaast benadrukt de verwerende partij dat artikel 9, vierde lid, van de wet van 11 december 1998 ‘tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ (hierna: de wet van 11 december 1998) bepaalt dat de beslissingen van het beroepsorgaan niet vatbaar zijn voor enig beroep. Zij wijst erop dat de wetgever oorspronkelijk had bepaald dat tegen de beslissingen van het beroepsorgaan beroep IX-9748-4/15 zou kunnen worden ingesteld bij de Raad van State. De wetgever heeft echter finaal van die oplossing afgezien, om rekening te houden met het bezwaar daartegen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof heeft zich in zijn arrest nr. 14/2006 van 25 januari 2006 uitgesproken over de bestaanbaarheid van artikel 9, vierde lid, van de wet van 11 december 1998 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en deze aanvaard. Artikel 9bis van de wet van 11 december 1998 doet volgens de verwerende partij geen afbreuk aan het principe dat de beslissingen van het beroepsorgaan niet vatbaar zijn voor enig beroep. Volgens de verwerende partij is het cassatieberoep onontvankelijk. Beoordeling
  15. Overeenkomstig artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 kan de persoon die “het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies, [...] binnen acht dagen na ontvangst van het advies bij aangetekend schrijven het beroepsorgaan vatten”. Met dat beroepsorgaan wordt het in artikel 9bis, §§ 1 en 2, van de wet van 11 december 1998 vermelde beroepsorgaan bedoeld dat een onafhankelijk en onpartijdig administratief rechtscollege is dat in laatste aanleg beslist in betwiste zaken (zie ook GwH 18 oktober 2006, nr. 151/2006). Artikel 9bis, §§ 1 en 2, van de wet van 11 december 1998 luidt als volgt: “§
  16. Het beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen dertig dagen nadat het beroep inzake het veiligheidsadvies bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt. Het advies van het beroepsorgaan wordt met redenen omkleed. Het wordt, bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de administratieve overheid en van de veiligheidsoverheid. Art. 9, derde lid, is van toepassing op de kennisgeving aan de eiser. Indien het beroepsorgaan het negatief veiligheidsadvies niet bevestigt, moet IX-9748-5/15 de administratieve overheid de redenen weergeven waarom zij het advies van het beroepsorgaan niet volgt. Zij deelt haar beslissing mee aan de betrokkene en zendt een afschrift over aan het beroepsorgaan en aan de veiligheidsoverheid. De Koning bepaalt de termijnen en de nadere regels voor de kennisgevingen bedoeld in het tweede en derde lid. §
  17. Wanneer de administratieve overheid zich bij de motivering van haar beslissing uitsluitend baseert op het advies van het beroepsorgaan, is deze beslissing niet vatbaar voor enig beroep.” Het feit dat tegen de in artikel 9bis, § 2, bedoelde beslissing van de administratieve overheid geen enkel jurisdictioneel beroep zou openstaan, is door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 151/2006 van 18 oktober 2006 niet strijdig bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag over de rechten van de mens en dit in de volgende bewoordingen: “B.20.
  18. Wanneer de administratieve overheid een negatieve beslissing neemt waarbij zij zich ‘uitsluitend baseert op het advies van het beroepsorgaan’, zou de mogelijkheid om tegen die negatieve beslissing beroep in te stellen, neerkomen op de indirecte mogelijkheid om tegen de beslissing van het beroepsorgaan beroep in te stellen. De wetgever vermocht dus een dergelijk beroep uit te sluiten: ook al wordt in artikel 9bis, § 2, de term ‘advies’ gebruikt, is dat advies in werkelijkheid, in dergelijk geval, een beslissing van het beroepsorgaan waarbij de administratieve overheid zich enkel aansluit. B.20.
  19. Wanneer de nationale veiligheidsoverheid daarentegen een negatief veiligheidsadvies heeft uitgebracht, het beroepsorgaan dat ‘advies’ nietig heeft verklaard of bevestigd, maar de administratieve overheid een negatieve beslissing neemt door ofwel af te wijken van het positieve advies van het beroepsorgaan, ofwel diens negatieve advies te bevestigen, doch hiervoor andere motieven aanvoert, is het die administratieve beslissing die voor de betrokkene griefhoudend is. B.20.
  20. De wetgever vermocht dus de mogelijkheid om beroep in te stellen alleen in te voeren voor de gevallen waarin de negatieve beslissing door de administratieve overheid wordt genomen, waarbij ofwel wordt afgeweken van het positieve ‘advies’ van het beroepsorgaan, ofwel wordt uitgegaan van andere motieven dan die in het negatieve ‘advies’ van dat orgaan.” Aangezien de bestreden beslissing een eindbeslissing is, gewezen door een administratief rechtscollege, is deze vatbaar voor een cassatieberoep op grond van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de IX-9748-6/15 Raad van State. Luidens artikel 14, § 2, doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.
  21. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  22. In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 9bis van de wet van 11 december
  23. Verzoekster stelt dat zij haar beroep aanhangig heeft gemaakt met een brief van 17 maart
  24. Gelet op artikel 9bis, § 1, van de wet van 11 december 1998 luidens hetwelk “[h]et beroepsorgaan beraadslaagt bij meerderheid van stemmen binnen dertig dagen nadat het beroep inzake het veiligheidsadvies bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt”, had de beraadslaging in april moeten plaatsvinden, ten laatste op 16 april
  25. Verzoekster wijst erop dat zij geen kennis heeft van een besluit dat verlenging van de termijnen heeft toegestaan naar aanleiding van de coronacrisis. Doordat de hoorzitting plaatsvond op 11 juni 2020 en de bestreden beslissing pas werd genomen op 10 juli 2020, is de voormelde termijn manifest geschonden, minstens bevat de bestreden beslissing hieromtrent geen enkele verantwoording, zodat de bestreden beslissing onwettig is. IX-9748-7/15 IX-9748-8/15 Beoordeling
  26. Luidens artikel 9bis, § 1, van de wet van 11 december 1998 beraadslaagt het beroepsorgaan bij meerderheid van stemmen binnen dertig dagen nadat het beroep inzake het veiligheidsadvies bij het beroepsorgaan aanhangig is gemaakt. Het beroepsorgaan is een administratief rechtscollege dat, op straffe van rechtsweigering, uitspraak moet doen over het bij hem ingestelde cassatieberoep tegen een negatief veiligheidsadvies. De loutere overschrijding van de daarvoor geldende termijn, die een termijn van orde is, onttrekt de zaak niet aan de bevoegdheid van het beroepsorgaan dat ook na het overschrijden van de termijn van orde gehouden blijft uitspraak te doen over het cassatieberoep. Aan het overschrijden van de termijn bepaald in artikel 9bis, § 1, van de wet van 11 december 1998 kan verzoekster geen ontvankelijk cassatiemiddel ontlenen. Artikel 9bis, § 1, van de wet van 11 december 1998 legt het beroepsorgaan evenmin op om de overschrijding van de aldaar bepaalde termijn van dertig dagen uitdrukkelijk te verantwoorden.
  27. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  28. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 149 van de Grondwet. 11.
  29. In een eerste middelonderdeel stelt verzoekster dat men niet zonder verdere motivering uit de biologische verwantschap aan één iemand die banden heeft met een crimineel en geradicaliseerd milieu, kan afleiden dat IX-9748-9/15 verzoekster zelf of haar familie banden heeft met een crimineel en geradicaliseerd milieu. Het beroepsorgaan bedient zich van een stijlformule “op basis van het integraal administratief dossier” om deze volgens haar overigens manifest foutieve en kennelijke onredelijke conclusie te trekken. Uit de bestreden beslissing blijken dergelijke banden met een crimineel en geradicaliseerd milieu niet. De elementen die verzoekster heeft aangebracht in haar verdediging, namelijk “deze die de afwezigheid van deze banden met een crimineel en geradicaliseerd milieu aantonen”, zijn niet concreet behandeld. Hierdoor worden de hoorplicht en de rechten van verdediging compleet uitgehold, en is de beslissing onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd. 11.
  30. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat zij tot op heden niet weet welke informatie zich in het administratief dossier bevindt, omdat dit grotendeels niet ter inzage werd gelegd. Zij heeft zich bijgevolg verweerd op basis van het vermoeden dat iedere informatie over haar broer gaat en niet over haarzelf. In het licht van haar verweer kan de zinsnede dat zij zich in criminele en geradicaliseerde milieus zou begeven met verwijzing naar een haar grotendeels onbekend dossier, niet gelden als motivering. Verzoekster kan hieruit niet afleiden waarom het beroepsorgaan heeft gemeend dat die zinsnede enige waarheid in zich draagt of waarom men van oordeel was dat geen bijkomende onderzoeksdaden nodig waren. 12.
  31. In een tweede middelonderdeel betwist verzoekster de vermeende afwezigheid van een actueel belang bij het beroep. Betrokken alinea van de bestreden beslissing acht verzoekster intern tegenstrijdig met de ontvankelijkverklaring van het beroep. Minstens zou het beroepsorgaan geen onderscheid mogen maken tussen het belang bij de aanvraag van een luchthavenbadge en het belang bij een beroep tegen een negatief veiligheidsadvies. IX-9748-10/15 Verzoekster beklemtoont dat het niet aan het beroepsorgaan toekomt om – naast een positief veiligheidsadvies – voorwaarden toe te voegen voor de uitreiking van een luchthavenbadge. Door het beroep tegen het negatief veiligheidsadvies ontvankelijk te verklaren, heeft het beroepsorgaan zijn bevoegdheid uitgeput. De betrokken zinsnede kan bijgevolg geen dienende motivering uitmaken van de bestreden beslissing. Vervolgens stelt verzoekster dat haar belang bij de aanvraag van een luchthavenbadge overigens wel degelijk actueel is, gelet op de oproeping die op elk moment kan gebeuren. Bovendien ervaart verzoekster de betrokken overweging als ongepast, gelet op het overschrijden van de beslissingstermijn door het beroepsorgaan zelf (eerste middel) en de verdere evolutie van de coronacrisis, zodat dit tijdsverloop niet tegen haar kan worden gebruikt als argument om het beroep niet in te willigen. Verzoekster besluit dat zij er alle belang bij heeft om in afwachting van een oproeping voor een tewerkstelling als airhostess alles in het werk te stellen om een luchthavenbadge te verkrijgen, die voor onbepaalde duur geldt. 12.
  32. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel verwijst verzoekster in haar memorie van wederantwoord naar het woord “ook” in de laatste alinea van de overwegingen van de bestreden beslissing om hieruit af te leiden dat het duidelijk om een tweede motief gaat. Zij herhaalt dat dit tweede motief enerzijds tegenstrijdig is met de ontvankelijkverklaring van het beroep, hetgeen de gebrekkigheid van dit motief zou aantonen en anderzijds, buiten de bevoegdheid van het beroepsorgaan valt. Voorts besluit verzoekster met de volgende bedenking: “Men kan zich ook afvragen of het Beroepsorgaan bijkomende onderzoekdaden m.b.t. de informatie van de inlichtingendiensten achterwege liet omdat men ervan uitging dat Verzoekster toch geen belang had wegens een vermeend gebrek aan vooruitzicht op tewerkstelling. Nochtans mocht het hiermee geen rekening houden. Men kan zich dan ook ernstige vragen IX-9748-11/15 stellen bij de behandeling van de zaak in het licht van het (grond)recht op een eerlijk proces.” Beoordeling Eerste middelonderdeel 13.
  33. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis “met redenen [is] omkleed”, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Die regel moet door alle rechtscolleges worden geëerbiedigd en dus ook door het beroepsorgaan. Deze bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen en de door de partijen aangevoerde middelen te verwerpen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. Een middel waarin evenwel als motiveringstekort zo een gebrek aan antwoord op de aan de bodemrechter voorgelegde argumentatie wordt opgeworpen, is onontvankelijk wanneer het nalaat te vermelden op welk argument niet werd geantwoord. IX-9748-12/15 De hoorplicht en de rechten van verdediging, waaraan de verzoekster onder het eerste middelonderdeel nog refereert, zijn echter vreemd aan de jurisdictionele motiveringsplicht. 13.
  34. De beslissing van het beroepsorgaan is met redenen omkleed. Ze stelt in antwoord op de middelen van verzoekster het volgende: “Het Beroepsorgaan is van oordeel dat verzoekster, op basis van het integraal administratief dossier dat aan het Beroepsorgaan werd voorgelegd, door haar familiale situatie banden heeft met een crimineel en geradicaliseerd milieu. Deze banden houden steeds een potentieel veiligheidsrisico in.” Hiermee antwoordt het beroepsorgaan op de argumentatie van verzoekster in de beroepsakte en tijdens de hoorzitting dat zij geen banden heeft met een crimineel en geradicaliseerd milieu. Verzoekster zet in haar cassatieberoep niet uiteen welke concrete argumenten “die de afwezigheid van deze banden met een crimineel en geradicaliseerd milieu aantonen”, niet zouden zijn ontmoet. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verklaringen van verzoekster tijdens de hoorzitting bij de beoordeling zijn betrokken. Het betwiste motief moet worden gelezen in samenhang met de – niet door verzoekster in haar betoog betrokken – eerdere paragraaf van de bestreden beslissing met betrekking tot de verklaring van verzoekster dat haar broer “het slachtoffer is van een groepering” en dat haar ouders in een recent verleden contact hebben gehad met deze broer. De Veiligheid van de Staat heeft voorts blijkens de bestreden beslissing verzocht om, overeenkomstig artikel 5, § 3, van de wet van 11 december 1998 bepaalde gegevens niet ter inzage te geven van verzoekster, omwille van “de bescherming van de bronnen, getuigen en slachtoffers”. Nog blijkens de bestreden beslissing heeft de plaatsvervangend voorzitter van het beroepsorgaan op 25 mei 2020 beslist om dit verzoek gedeeltelijk goed te keuren. Overeenkomstig artikel 5, IX-9748-13/15 § 3, derde lid, van dezelfde wet is tegen deze beslissing geen beroep mogelijk. De opmerking van verzoekster dat zij geen inzage van het volledige administratief dossier heeft gekregen, daargelaten de vaststelling dat zij dit voor het eerst aanvoert in haar memorie van wederantwoord, is vreemd aan het aangevoerde cassatiemiddel van de schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. Ten slotte is het middelonderdeel niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroepsorgaan heeft voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. 13.
  35. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede middelonderdeel 14.
  36. Verzoeksters kritiek op de vaststelling van het beroepsorgaan “dat verzoekster op dit ogenblik geen actueel belang kan aantonen, nu haar aanwerving als airhostess voor langere tijd, mogelijks voor 1 à 1,5 jaar, is uitgesteld” heeft geen invloed op de strekking van de bestreden beslissing. Die kritiek heeft betrekking op een overtollig motief en kan niet tot cassatie leiden. 14.
  37. Het tweede middelonderdeel kan niet worden aangenomen.
  38. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  39. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. IX-9748-14/15
  40. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  41. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9748-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.927 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.