← België

Arrest 251929 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 26/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.929 Rolnummer: A. 229657/IX-9651 Zaak: Arrest 251929 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 13:56 Fiche Arrest nr 251.929 van 26 oktober 2021 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 251.929 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 229.657/IX-9651 In zake: Dorien JANSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et Besluit van de Vlaamse Regering dd. 28 juni 2019 tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 […], wat betreft diverse bepalingen in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015 van de personeelsleden van de federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming […] in zoverre art. 9 van dit besluit het artikel VII 194bis invoegt in het VPS, en meer bepaald lid 1 van dat artikel”. II. Verloop van de rechtspleging IX-9651-1/16 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bryan Geerts, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is statutair personeelslid bij de diensten van de Vlaamse overheid, namelijk bij de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel). 3.2. Voorheen was verzoekster in dienst van de federale overheid. Zij was tewerkgesteld bij de federale overheidsdienst Financiën, waar zij als IX-9651-2/16 administratief assistent behoorde tot de stagiairs van niveau C en haar de salarisschaal NC01 was toegekend. 3.3. Naar aanleiding van de zesde staatshervorming werd verzoekster bij koninklijk besluit van 4 maart 2015 (BS 13 maart 2015) overgedragen aan de Vlaamse Regering. Deze overdracht kreeg uitwerking met ingang van 1 januari 2015. Zij werd daarbij, met toepassing van artikel VII 192 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams personeelsstatuut), naar eigen zeggen en zonder daarin te worden tegengesproken door de verwerende partij, ingeschaald in de organieke salarisschaal C111. 3.4. In het Belgisch Staatsblad van 17 december 2015 werd het besluit bekendgemaakt van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 ‘tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015 van personeelsleden van de federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming’. Het heeft uitwerking gekregen met ingang van 1 januari 2015. Tegen dit besluit werden bij de Raad van State verscheidene beroepen tot nietigverklaring ingesteld. Bij arresten nrs. 240.654 en 240.655 van 5 februari 2018 vernietigde de Raad van State een aantal bepalingen van dit besluit. 3.5. Ten gevolge van de voormelde arresten van de Raad van State, neemt de Vlaamse Regering op 28 juni 2019 een besluit ‘tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 wat betreft diverse bepalingen in het raam van de overheveling vanaf 1 januari 2015 van personeelsleden van de IX-9651-3/16 federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming’. Dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 september 2019. Artikel 9 van dit besluit voegt in het Vlaams personeelsstatuut een artikel VII 194bis in, dat luidt als volgt: “In afwijking van artikel VII 109ter krijgt het personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 overgeheveld werd in het kader van een staatshervorming, een maaltijdcheque met een nominale waarde van 4 euro waarvan 1,09 euro werknemersbijdrage en 2,91 euro werkgeversbijdrage. Artikel VII 109ter is van toepassing op het personeelslid vermeld in het eerste lid als het via een procedure van horizontale mobiliteit vermeld in de artikelen VI 18 tot en met VI 22 of via bevordering vermeld in titel 5 van deel VI, als gevolg van een kandidaatstelling voor een vacature op vrijwillige basis een personeelsbeweging maakt.” Het is dit laatstgenoemde artikel, meer specifiek het eerste lid ervan, dat door verzoekster wordt geviseerd en waarvan de invoeging in het Vlaams personeelsstatuut bij artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep (hierna: de bestreden regeling). Deze regeling is in werking getreden op 1 oktober 2019. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 4. Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zoals het is vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij betoogt dat de bestreden regeling een verschil in behandeling instelt tussen, enerzijds, de personeelsleden die vanaf 1 januari 2015 vanuit de IX-9651-4/16 federale overheid werden overgeheveld naar de Vlaamse overheid en, anderzijds, de “gewone” personeelsleden van de Vlaamse overheid die niet werden overgeheveld vanuit de federale overheid, doordat de personeelsleden die behoren tot de eerstgenoemde categorie, zoals zijzelf, een lager bedrag aan maaltijdcheques ontvangen dan de personeelsleden die behoren tot de laatstgenoemde categorie, en dit gedurende de volledige loopbaan. Ter adstructie voegt zij een vergelijkende tabel bij. Volgens verzoekster is dit verschil in behandeling niet objectief verantwoord, minstens is er geen redelijke verantwoording voor. 5. De verwerende partij antwoordt dat, voortgaande op vernietigingsarrest nr. 240.654 van 5 februari 2018 van de Raad van State en het auditoraatsverslag dat in die procedure was opgesteld, zij bij het nemen van een herstelbesluit rekening diende te houden met een aantal elementen, namelijk dat de overgehevelde personeelsleden een afzonderlijke homogene groep betreffen, dat zij niet verplicht is om maaltijdcheques aan die personeelsleden toe te kennen en dat, indien toch maaltijdcheques worden toegekend, de waarde daarvan niet in rekening mag worden gebracht bij de opmaak van de inschalingstabel, aangezien ze geen “loon” betreffen. De verwerende partij stelt dat zij bij het nemen van het herstelbesluit ervoor heeft geopteerd de organieke inschaling te behouden, maar wel te voorzien in overgangsschalen waarbij “[i]n alle gevallen […] de Vlaamse jaarbasis minstens even hoog [is] als de federale jaarbasis die betrokkenen zouden genoten hebben in hun federale schaal”. Indien daarbovenop maaltijdcheques zouden worden toegekend, zou dit een dubbel voordeel betekenen in hoofde van de betrokken ambtenaren. Vandaar dat in het herstelbesluit werd voorzien in “[een] aangepaste regeling […] voor wat het aspect van de maaltijdcheques betreft”. Ondanks het feit dat het toekennen van maaltijdcheques voor de overgehevelde ambtenaren een dubbel voordeel zou opleveren, opteerde de IX-9651-5/16 verwerende partij ervoor, zo vervolgt zij, om de betrokkenen toch maaltijdcheques toe te kennen met een nominale waarde van 4 euro. Waar de “gewone”, niet-overgehevelde personeelsleden maaltijdcheques ontvangen met een nominale waarde van 7 euro, ziet de verwerende partij geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar staan hier immers twee onderscheiden, niet-vergelijkbare categorieën tegenover elkaar: enerzijds, de personeelsleden die vanuit de federale overheid werden overgeheveld naar de Vlaamse overheid en, anderzijds, de personeelsleden die vanaf het begin van hun tewerkstelling werken voor de Vlaamse overheid en dus niet werden overgeheveld. Omdat het gaat om twee onderscheiden, niet-vergelijkbare categorieën, is een verschil in behandeling verantwoord. Overigens kunnen de overgehevelde personeelsleden wel aanspraak maken op maaltijdcheques met een nominale waarde van 7 euro wanneer zij intern binnen de Vlaamse overheid van positie wijzigen; vanaf dat ogenblik is er geen sprake meer van onderscheiden categorieën. De verwerende partij voegt er nog aan toe dat de auditeur van de afdeling Wetgeving van de Raad van State die betrokken was bij het advies van de Raad van State over het ontwerp van besluit dat heeft geleid tot de bestreden regeling, haar uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld aangaande de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar zich schijnbaar heeft aangesloten bij haar antwoord, aangezien in het advies geen opmerking daarover is gemaakt. In ondergeschikte orde betoogt de verwerende partij dat, zelfs indien er geen sprake zou zijn van onderscheiden categorieën, hoe dan ook een redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling. Het toekennen van maaltijdcheques met een nominale waarde van 7 euro zou de betrokken ambtenaren immers een dubbel voordeel opleveren, zodat het redelijk verantwoord is om aan deze ambtenaren maaltijdcheques met een lagere nominale waarde toe te kennen. IX-9651-6/16 6. In haar laatste memorie houdt de verwerende partij vooreerst staande dat “[h]et bestaan van 2 onderscheiden, niet-vergelijkbare categorieën […] een verschil in behandeling [verantwoordt]”. Zij merkt “[i]n tweede orde” op dat “er evenmin sprake is van een verschil in behandeling” en zij stelt “[l]outer voor de volledigheid” dat in het initiële voorstel van besluit de toekenning van maaltijdcheques volledig werd uitgesloten, dat op vraag van de vakbonden de maaltijdcheques met een nominale waarde van 4 euro toch worden toegekend en dat het toekennen van maaltijdcheques met een nominale waarde van 7 euro een ongelijke behandeling met zich zou meebrengen. De door de verwerende partij aangevoerde nadere verklaring van het voorgaande luidt als volgt: “Het is immers zo dat door de creatie van de SH-schalen waarin de overgehevelde personeelsleden ten gevolge van het bestreden besluit betaald worden, betrokkenen niet alleen een loonsverhoging genieten (

  1. i)ten opzichte van niet-overgehevelde federale personeelsleden, maar ook (
  2. ii)ten opzichte van de Vlaamse personeelsleden die reeds werkzaam waren bij de Vlaamse overheid. De vastgestelde SH-schalen zijn immers een mix van de initiële federale jaarbasissen en de hoger liggende Vlaamse jaarbasissen. De jaarbasis die, op grond van deze SH-schalen, aan de overgehevelde personeelsleden wordt toegekend ligt zodus hoger dan deze van de ‘gewone’ (niet-overgehevelde) Vlaamse personeelsleden en dit ondanks het feit dat ze eenzelfde werk uitoefenen. Zo ligt schaal B111 die aan bestaande Vlaamse personeelsleden in niveau B toegekend wordt, gemiddeld 0,29% lager dan de schaal B111 SH die aan overgehevelden toegekend wordt. Als de volledige reguliere loopbaan bekeken wordt in niveau B loopt het gemiddeld verschil tussen de organieke schalen die de Vlaamse ambtenaren genieten en de SH-schalen die de overgehevelden genieten, op tot meer dan 6%. Er kan moeilijk gesteld worden dat de overgehevelde personeelsleden zouden benadeeld worden. In het licht van bovenstaande kon onmogelijk verantwoord worden dat aan de overgehevelde personeelsleden ook nog maaltijdcheques van 7 euro zouden worden toegekend. Desalniettemin diende met de vakorganisaties een compromis te worden gesloten, hetgeen leidde tot de toekenning van maaltijdcheques, doch met een nominale waarde van 4 euro in plaats van 7 euro.” Beoordeling IX-9651-7/16 7. De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in dezelfde toestand bevinden op een gelijke wijze worden behandeld. Ze laten niet toe dat er een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen burgers. De voormelde regels sluiten niet uit dat er een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, althans voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 8.1. In dit geval houdt de bestreden regeling een verschillende behandeling in van de personeelsleden van de Vlaamse overheid al naargelang zij naar aanleiding van de zesde staatshervorming vanaf 1 januari 2015 van de federale overheid naar de Vlaamse overheid werden overgeheveld, dan wel zij reeds bij de Vlaamse overheid werkten en zij derhalve niet werden overgeheveld. De overgehevelde personeelsleden krijgen maaltijdcheques met een nominale waarde van 4 euro, terwijl de niet-overgehevelde personeelsleden maaltijdcheques krijgen met een nominale waarde van 7 euro. 8.2. Het al dan niet overgeheveld zijn van het personeelslid vanuit de federale overheid naar de Vlaamse overheid, is een objectief criterium van onderscheid. 8.3. Volgens de verwerende partij is het de bedoeling dat het overgehevelde personeelslid geen dubbel voordeel toegekend krijgt bij de IX-9651-8/16 overheveling. In essentie doet zij gelden dat overgehevelde personeelsleden terechtkomen in “overgangsschalen die minstens gelijk zijn aan het federale bedrag van herkomst op datum van overdracht en/of het Vlaams bedrag bij de initiële inschaling op datum van overdracht indien dit hoger was. In alle gevallen is de Vlaamse jaarbasis minstens even hoog als de federale jaarbasis die betrokkenen zouden genoten hebben in hun federale schaal. In geval hier bovenop maaltijdcheques zouden worden toegekend, zou dit een dubbel voordeel in hoofde van de betrokken ambtenaren betekenen”. Zo geformuleerd, lijkt de bekommernis van de verwerende partij erin te bestaan om aan de overgehevelde personeelsleden geen dubbel voordeel toe te kennen in vergelijking met hun situatie vóór de overheveling. De verwerende partij maakt aldus geen vergelijking tussen, enerzijds, de personeelsleden die worden overgeheveld van de federale naar de Vlaamse overheid en, anderzijds, de personeelsleden die reeds voor de Vlaamse overheid werken, maar wel een vergelijking tussen, enerzijds, de personeelsleden die worden overgeheveld van de federale naar de Vlaamse overheid en, anderzijds, de personeelsleden die werken voor de federale overheid, maar niet worden overgeheveld naar de Vlaamse overheid. In de mate dat verzoekster zich erover beklaagt dat de bekommernis van de verwerende partij om de overgehevelde personeelsleden geen dubbel voordeel toe te kennen, impliceert dat een overgehevelde ambtenaar niet méér zou mogen verdienen bij zijn nieuwe werkgever dan bij zijn voormalige werkgever, moet worden vastgesteld dat dit een gevolg is van de beleidsvoering van de verwerende partij op grond van de autonomie waarover zij door of krachtens de Grondwet beschikt. De betrokken personeelsleden zijn immers ambtenaren waarvoor verschillende overheidsdiensten over eigen bevoegdheden beschikken – in dit geval de bevoegdheid van elk bestuur (de Vlaams overheid, c.q. de federale overheid) om voor de eigen ambtenaren een eigen statuut uit te vaardigen, met inbegrip van een regeling van verloning en sociale voordelen. IX-9651-9/16 Het beoogde doel van de verwerende partij kan als zodanig niet als onwettig worden aangemerkt. 8.4. De vraag rijst echter of de verschillende behandeling waartoe het onderscheidingscriterium – het al dan niet overgeheveld zijn vanuit de federale overheid naar de Vlaamse overheid – aanleiding geeft, evenredig is met het doel dat ermee wordt beoogd. Wegens haar bekommernis om de overgehevelde personeelsleden geen dubbel voordeel toe te kennen in vergelijking met hun situatie vóór de overheveling, beperkt de verwerende partij met de thans bestreden regeling het recht van de overgehevelde personeelsleden op maaltijdcheques. Dit leidt tot een verschil in behandeling tussen de personeelsleden van de Vlaamse overheid, al naargelang zij vanuit de federale overheid werden overgeheveld naar de Vlaamse overheid, dan wel zij niet zijn overgeheveld maar zij reeds van meet af aan bij de Vlaamse overheid werken: het overgehevelde personeelslid krijgt maaltijdcheques met een nominale waarde van 4 euro, terwijl het niet-overgehevelde personeelslid maaltijdcheques krijgt met een nominale waarde van 7 euro. Vooreerst moet met verzoekster worden vastgesteld dat de verwerende partij niet consequent is in haar redenering. Eerst betoogt zij namelijk dat de overgehevelde personeelsleden een dubbel voordeel zouden genieten wanneer zij maaltijdcheques zouden krijgen; zij ziet daarbij in arrest nr. 240.654 van 5 februari 2018 van de Raad van State en het auditoraatsverslag in die zaak argumenten dat het gaat om een afzonderlijke homogene groep en dat zij niet verplicht is om maaltijdcheques toe te kennen aan de overgehevelde personeelsleden. Vervolgens stelt zij echter dat het redelijk verantwoord is om de overgehevelde personeelsleden maaltijdcheques toe te kennen met een lagere nominale waarde dan het geval is voor de niet-overgehevelde Vlaamse personeelsleden. De verwerende partij licht niet toe waarom, ondanks het gelaakte dubbele voordeel, toch werd besloten om de overgehevelde personeelsleden IX-9651-10/16 maaltijdcheques toe te kennen, laat staan waarom werd gekozen voor een nominale waarde van 4 euro. Wat er ook van zij, ondanks het feit dat beide categorieën – overgehevelde en niet-overgehevelde personeelsleden – objectief van elkaar te onderscheiden zijn en ondanks de eerder vermelde autonome bevoegdheid van de verwerende partij om voor haar eigen ambtenaren een eigen statuut met een regeling inzake verloning en sociale voordelen uit te vaardigen, is de thans bestreden regeling inzake maaltijdcheques problematisch in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De overgehevelde personeelsleden mogen op zich dan wel een afzonderlijke homogene groep uitmaken, zij komen echter terecht in diverse diensten van de Vlaamse overheid, waar zij in dezelfde omstandigheden als de niet-overgehevelde personeelsleden hetzelfde werk doen. Niettemin genieten de overgehevelde personeelsleden ten gevolge van de thans bestreden regeling niet dezelfde sociale voordelen als de niet-overgehevelde personeelsleden. Weliswaar is de verwerende partij niet verplicht om maaltijdcheques toe te kennen aan al haar personeelsleden. Artikel VII 109bis van het Vlaams personeelsstatuut geeft daar immers blijk van, door in het tweede lid thans reeds een aantal personeelsleden uit te sluiten van het voordeel van de maaltijdcheques. Er moet echter worden opgemerkt dat die uitsluitingen in hoofdzaak worden ingegeven door het soort werk dat de uitgesloten personeelsleden verrichten. Derhalve worden alle personeelsleden die dat soort werk verrichten, op eenzelfde en niet-discriminatoire wijze uitgesloten van het voordeel van de maaltijdcheques. Het al dan niet overgeheveld zijn vanuit de federale overheid kan echter niet gelden als uitsluitingscriterium voor de maaltijdcheques, aangezien dit ertoe leidt dat overgehevelde personeelsleden in de diensten waar zij onder vallen, hetzelfde werk doen als niet-overgehevelde Vlaamse ambtenaren in diezelfde diensten, maar een lager totaal voordelenpakket krijgen dan de niet-overgehevelde personeelsleden die zich nochtans in een IX-9651-11/16 vergelijkbare situatie bevinden. Het gehanteerde onderscheidingscriterium leidt aldus tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen personeelsleden die hetzelfde werk verrichten. Dit discriminerende onderscheid in behandeling wordt niet verholpen door de maaltijdcheques wel toe te kennen aan het overgehevelde personeelslid zodra dat een personeelsbeweging maakt door bevordering of mobiliteit, zoals vermeld in het tweede lid van het nieuw in het Vlaams personeelsstatuut ingevoegde artikel VII 194bis. Integendeel roept dit een bijkomend discriminatoir onderscheid in het leven tussen, enerzijds, overgehevelde personeelsleden die onmiddellijk na overheveling in een bepaalde dienst worden tewerkgesteld en, anderzijds, overgehevelde personeelsleden die na een personeelsbeweging in diezelfde dienst terechtkomen. Het verschil in behandeling inzake maaltijdcheques tussen overgehevelde en niet-overgehevelde personeelsleden klemt des te meer nu de overgehevelde personeelsleden voor andere aspecten van hun rechtspositie (tucht, evaluatie, bevordering, en zo meer) wel worden beschouwd als behorend tot dezelfde categorie als hun niet-overgehevelde collega’s bij de Vlaamse overheid en onder dezelfde regeling van het Vlaams personeelsstatuut vallen. 9. Ter terechtzitting betoogt de verwerende partij nog dat de toekenning van een gelijk bedrag aan maaltijdcheques aan overgehevelde en niet-overgehevelde personeelsleden ertoe zou kunnen leiden dat sommige personeelsleden van de eerstgenoemde categorie – namelijk diegenen die het voordeel van de hogere federale weddeschaal hebben behouden – een hoger totaal voordelenpakket verkrijgen dan personeelsleden van de laatstgenoemde categorie. Ten aanzien van dat argument merkt de Raad van State op dat hij in de huidige zaak niet moet – of kan – beoordelen of het gelijkheidsbeginsel een gedifferentieerde behandeling van overgehevelde en niet-overgehevelde personeelsleden op het vlak van de toekenning van maaltijdcheques in de weg staat wanneer het totaal verleende voordelenpakket eraan kan voldoen. Dat laatste is met IX-9651-12/16 de thans bestreden regeling alvast voor verzoekster niet het geval, zoals blijkt uit de door haar opgestelde vergelijkende tabel, die door de verwerende partij niet wordt betwist. De nominale waarde van de maaltijdcheques in kwestie is voorts vastgesteld “op vraag van de vakbonden” en dus niet ter realisatie van de op de terechtzitting aangegeven doelstelling. Het argument van de verwerende partij is in de voorliggende zaak bijgevolg rechtens niet relevant. 10. Het enige middel is gegrond. IX-9651-13/16 V. Omvang van de uit te spreken nietigverklaring 11.1. Een reglementair besluit is in beginsel één en ondeelbaar. Dit betekent dat wanneer de Raad van State, zoals in dit geval, in het kader van een ontvankelijk annulatieberoep vaststelt dat een gegrond middel wordt aangevoerd tegen sommige bepalingen van dat besluit, hij het besluit in beginsel in zijn geheel dient nietig te verklaren. In afwijking van het voornoemde beginsel vermag de Raad van State slechts over te gaan tot een gedeeltelijke nietigverklaring van het desbetreffende besluit, indien aan twee voorwaarden is voldaan. Vooreerst moet blijken dat de gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit aan de verzoekende partij volledige genoegdoening geeft in het licht van haar belang bij het beroep. Voorts moet vaststaan dat de nietig te verklaren bepalingen kunnen worden afgesplitst van de rest van het besluit en dat de overheid ook afgezien van die bepalingen voor het overige hetzelfde besluit zou hebben genomen. Anders zou de Raad van State het desbetreffende besluit als het ware hervormen en zich aldus begeven op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid. 11.2. Aangezien verzoekster blijkens haar inleidend verzoekschrift en het daarin aangevoerde enige middel zich slechts gegriefd acht door de regeling van artikel VII 194bis, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, zoals ingevoegd door artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, wordt genoegzaam aan haar belangen tegemoetgekomen door de nietigverklaring van die regeling. 11.3. Artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 in zoverre het een nieuw artikel VII 194bis invoegt in het Vlaams personeelsstatuut, kan klaarblijkelijk worden afgesplitst van de overige bepalingen van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering. De verwerende partij IX-9651-14/16 betwist dit standpunt, dat is ingenomen in het auditoraatsverslag, niet in het minst in haar laatste memorie, noch ter terechtzitting. Het eerste lid van het bedoelde artikel VII 194bis van het Vlaams personeelsstatuut, zoals ingevoegd door artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, blijkt nauw samen te hangen met het eveneens ingevoegde tweede lid van artikel VII 194bis. Dat tweede lid bepaalt immers wanneer het personeelslid onder de toepassing komt van artikel VII 109ter van het Vlaams personeelsstatuut, waarvan het initieel was uitgesloten op grond van het eerste lid van artikel VII 194bis. Indien de Raad van State enkel artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 zou vernietigen in zoverre het artikel VII 194bis, eerste lid, invoegt in het Vlaams personeelsstatuut, verliest het bij hetzelfde artikel 9 ingevoegde artikel VII 194bis, tweede lid, elke betekenis. Derhalve dient artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 in zijn geheel te worden vernietigd. VI. Kosten 12. In haar laatste memorie vraagt verzoekster de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 770 euro. Zij verantwoordt evenwel niet waarom haar méér moet worden toegekend dan het basisbedrag van 700 euro. Het bedrag van de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding blijft dan ook beperkt tot het voormelde basisbedrag. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 ‘tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 wat betreft diverse bepalingen in het raam van de IX-9651-15/16 overheveling vanaf 1 januari 2015 van personeelsleden van de federale overheid naar de Vlaamse overheid naar aanleiding van een staatshervorming’. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9651-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.