id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.937 Rolnummer: A. 226006/X-17308 Zaak: Arrest 251937 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-05 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-11 14:02 Fiche Arrest nr 251.937 van 26 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 251.937 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 226.006/X-17.308 In zake : Albert DEWAELHEYNS woonplaats kiezend te 3400 Landen Kanunnik Schoolslaan 27 tegen : de STAD LANDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Roggen en Laura Thewis kantoor houdend te 3500 Hasselt Kempische Steenweg 303, bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV B.C.S. INVESTISSEMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Landen van 27 februari 2018 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Herziening RUP Sint-Norbertus’. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 2487.530 van 9 oktober 2020 wordt het debat heropend en wordt aan de partijen een termijn gegeven voor het indienen van een aanvullende memorie. X-17.308-1/26 Verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een aanvullende memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Laura Thewis, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Brecht Geebelen, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De stad Landen beschikt over een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) ‘Sint-Norbertus’, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van de stad Landen bij besluit van 27 maart 2012 en goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant bij besluit van 14 juni
- X-17.308-2/26 Het plangebied van dit RUP omvat een vrij groot gedeelte van de Sint-Norbertuswijk en ligt, met uitzondering van een klein gebied aansluitend aan het station, volledig aan de zuidzijde van het spoor, waarbij de spoorwegzate de grens vormt. De Sint-Norbertuswijk is een kern opgebouwd rond twee parallelle wegen, de Hannuitsesteenweg en de Sint-Norbertusstraat. De Hannuitsesteenweg doorsnijdt het gebied van zuid naar noord en eindigt tegen de spoorwegbedding. Het zuidelijk gedeelte maakt deel uit van de toegangsweg naar het centrum terwijl het noordelijk deel vanaf de Postlaan een woonstraat is. De westelijke begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de verkaveling Brigade Piron. Aan de oostzijde is de oude spoorwegbedding de grens. 3.
- Verzoeker is (mede-)eigenaar van een woning en twee bouwgronden binnen het plangebied van dit RUP, met name aan de Kanunnik Schoolslaan
- 3.
- Omdat de visie van de stad Landen ten aanzien van een aantal deelgebieden in het RUP ‘Sint-Norbertus’ is gewijzigd, beslist zij om dit RUP gedeeltelijk te herzien. 3.
- Op basis van het screeningsdossier van de verwerende partij en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid op 13 juli 2015 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. 3.
- Op 21 september 2015 wordt een plenaire vergadering omtrent het voorontwerp van het gemeentelijk RUP ‘Herziening RUP Sint-Norbertus’ gehouden. 3.
- Op 22 december 2015 stelt de gemeenteraad van de stad Landen het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Herziening RUP Sint-Norbertus’ voorlopig vast. X-17.308-3/26 Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden, gelegen in het centrum van de stad Landen. Deelgebied 1 bevindt zich ten oosten van het station aan weerszijden van de Postlaan. Deelgebied 2 bevindt zich tussen de Hannuitsesteenweg en de St.-Norbertusstraat en betreft de “site domein ’t Park”. Deelgebied 3 situeert zich ten zuiden van het station aan de Smeesterstraat. De gedeeltelijke herziening van het RUP beoogt een herontwikkeling van deze sites met grotere woondichtheden. Daarnaast wenst de stad een aantal kleine wijzigingen aan te brengen aan het RUP, waardoor onder andere het vergunnen van horecaterrassen aan het stationsplein mogelijk wordt. 3.
- De eigendommen van verzoeker grenzen aan het plangebied van deelplan
- 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 27 januari 2016 tot en met 27 maart 2016 wordt een advies uitgebracht door de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant en door het departement Ruimte Vlaanderen en worden verschillende bezwaren ingediend. 3.
- In zitting van 9 mei 2016 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Landen (hierna : de Gecoro) de bezwaren en in zitting van 17 mei 2016 brengt zij een advies uit. 3.
- In zitting van 31 mei 2016 stelt de gemeenteraad van de stad Landen het gemeentelijk RUP ‘Herziening RUP Sint-Norbertus’ definitief vast. 3.
- Op 9 juni 2017 sluiten de stad Landen en de tussenkomende partij een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de gebiedsontwikkeling “Domein ’t Park”. 3.
- Nadat verzoeker op 4 oktober 2016 tegen het onder randnummer 3.10 vermelde besluit een annulatieberoep bij de Raad van State heeft ingesteld, beslist de gemeenteraad van de stad Landen op 27 juni 2017 om dit besluit in te trekken teneinde “de mogelijke onwettigheden recht te zetten en daarna het RUP opnieuw definitief vast te stellen” en “[h]et dossier te hernemen X-17.308-4/26 vanaf [de] voorlopige vaststelling, goedgekeurd door de gemeenteraad van 22 december 2015, en opdracht te geven aan het college van burgemeester en schepenen om een nieuw advies te vragen aan de dienst Veiligheidsrapportage en vervolgens een nieuw openbaar onderzoek te organiseren”. 3.
- Op 11 augustus 2017 brengt de dienst Veiligheidsrapportering een nieuw advies uit. 3.
- Tijdens het tweede openbaar onderzoek, dat van 2 oktober 2017 tot en met 1 december 2017 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP wordt georganiseerd, brengen de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant en het departement Omgeving een advies uit en worden verschillende bezwaren ingediend, waaronder één door verzoeker. 3.
- In zitting van 29 januari 2018 bespreekt de Gecoro de bezwaren en brengt een gunstig advies uit. 3.
- In zitting van 27 februari 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Landen het gemeentelijk RUP ‘Herziening RUP Sint-Norbertus’ definitief vast. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst Standpunt van de partijen 4.
- In haar memorie tot tussenkomst stelt de tot tussenkomst verzoekende partij dat zij een projectontwikkelaar is en de wedstrijd won, georganiseerd door de stad Landen, voor de verkoop onder voorwaarden van de in deze wedstrijd vermelde stedelijke projectgronden. Navolgend werd door haar een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de stad Landen, waardoor zij het exclusieve recht heeft verkregen om de projectsite ‘Domein ’t Park’ te ontwikkelen, te ontwerpen, te financieren, te bouwen, te commercialiseren en X-17.308-5/26 uiteindelijk ook te gelde te maken. Deze ontwikkeling is evenwel pas mogelijk door de realisatie van het bestreden gemeentelijk RUP. 4.
- In de memorie van wederantwoord werpt verzoeker op dat de verzoekende partij tot tussenkomst niet beschikt over het rechtens vereiste belang om tussen te komen in de zaak. Hij argumenteert dat hij niet de schorsing heeft gevraagd van de tenuitvoerlegging van het bestreden gemeentelijk RUP en dat het uitvoerbaar karakter van het bestreden besluit perfect toelaat dat de verzoekende partij tot tussenkomst de projectsite ‘Domein ’t Park’ ongehinderd verder zou ontwikkelen. Beoordeling 5.
- Een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit raakt aan de bestemming van de gronden die de verzoekende partij tot tussenkomst op grond van een samenwerkingsovereenkomst met de verwerende partij mag ontwikkelen. Zij beschikt dan ook over het vereiste belang om tussen te komen in de zaak. Dat verzoeker niet de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft gevraagd, doet daaraan geen afbreuk. 5.
- De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 3 , § 2, 17°, en 8, §§ 1,2 en 5, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: DIWB), alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-17.308-6/26 Hij zet uiteen dat de watertoets is gebeurd in het zogenaamde verzoek tot raadpleging over het gemeentelijk RUP en verwijst naar zijn bezwaarschrift in dat verband. In dat bezwaarschrift heeft hij gewezen op het feit dat de rioleringswerken in de Brugstraat nog niet opgeleverd zijn, op het effect van de geprojecteerde hoogbouw in deelzone 4 van deelplan 1, en op de wateroverlast die hij nu reeds ondervindt. Dit bezwaar werd niet afdoende weerlegd. Tevens heeft hij zich aangesloten bij de bezwaren van de familie Kempeneers en Dewaelheyns die betrekking hadden op het feit dat het plan een hydrologische en/of hydrografische verstoring zal teweegbrengen bij de tenuitvoerlegging, doordat geen oplossing aangereikt wordt om in het kader van de inrichting van het ontsluitingspunt en van de ontsluitingsweg de gevolgen van grondwaterkwetsbaarheid en erosie te reduceren en/of minstens af te wegen tegen het objectief van duurzaamheid en van ruimtelijke kwaliteit voor het leefmilieu. Er werd geen beroep gedaan op de grondwaterkwetsbaarheidskaart van Vlaams-Brabant. Verzoeker meent dat op zijn minst concrete gegevens over de ligging van de grondwatertafel en de grondwaterstromen ter plaatse ingewonnen hadden dienen te worden. Ook deze bezwaren werden niet beantwoord. Een implementatie van concrete maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften ontbreekt. Verzoeker stelt verder dat nu reeds op de site van het voormalig militair domein zeer grote watervergaarbakken ondergronds zijn aangelegd wegens de wateroverlast, en dat hieromtrent niets is voorzien. 6.
- Verzoeker betoogt in zijn memorie van wederantwoord dat de grondwaterkwetsbaarheidskaart waarop de verwerende partij in haar memorie van antwoord allusie maakt, een afschrift betreft uit het Geoloket, maar geenszins het “instrumentarium” betreft waarop hij in zijn bezwaar en zijn verzoekschrift heeft gewezen. 6.
- In zijn aanvullende memorie na heropening van het debat voert verzoeker nog aan dat er op planniveau geen knopen doorgehakt werden met betrekking tot de locatie van de inplanting van wadi’s en de gevolgen van een plaats met permanent water. Hij houdt voor dat wadi’s gekend zijn als broeihaarden van muggen en andere dragers van virussen, zodat de waterpolitiek ernstige gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Uit het oriënterend X-17.308-7/26 bodemonderzoek blijkt ook een overschrijding van de richtwaarden in het grondwater, waarmee rekening moet worden gehouden bij grondverzet. Beoordeling 7.
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat de waterproblematiek onderzocht en geëvalueerd werd tijdens de plan-milieueffectscreening (plan-MER-screening) die de opmaakprocedure van het gemeentelijk RUP is voorafgegaan. De watertoets is vooreerst op algemene wijze geschied aan de hand van, enerzijds, de ‘watertoetskaart overstromingsgevoeligheid 2014’ en, anderzijds, de kaart ‘infiltratiegevoeligheid’. Op basis van deze gegevens wordt vastgesteld dat het plangebied zelf niet binnen de afbakening van de overstromingsgevoelige gebieden ligt, dat een klein deel van deelgebied 2 aangeduid staat als mogelijk overstromingsgevoelig, dat het plangebied niet gelegen is binnen een signaalgebied en dat het volledige plangebied aangeduid is als niet infiltratiegevoelig. De conclusie luidt: “Gezien de niet-overstromingsgevoeligheid van het plangebied worden hier geen problemen verwacht t.g.v. het RUP. Wel dient het RUP maatregelen te treffen opdat de zones stroomafwaarts geen significante impact ondervind[en], zoals het lokaal opvangen en vertraagd afvoeren van hemelwater.” Vervolgens wordt verder ingegaan op de waterproblematiek onder punt 6.4 ‘Potentiële milieueffecten van het plan’ van het verzoek tot raadpleging. 7.
- Verzoeker voert aan dat hij in zijn bezwaarschrift gewezen heeft op het feit dat de rioleringswerken in de Brugstraat nog niet opgeleverd waren en op de bestaande wateroverlast, en stelt dat dit bezwaar niet werd beantwoord. De Gecoro heeft dit bezwaar wel degelijk als volgt beantwoord: “Wat betreft de overstromingsgevoeligheid van het deelgebied 2 moet worden vastgesteld dat volgens de toelichtingsnota een klein deel van het deelgebied gelegen is in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Het X-17.308-8/26 algemeen voorschrift 0.5 garandeert dat steeds de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater moet worden nageleefd. De aanbeveling inzake waterdoorlatende materialen is vertaald in voorschrift 0.8 dat voorziet dat de provinciale verordening inzake verharding moet worden nageleefd. […] De plan-MER-screening besluit op p. 65 dat de waterhuishouding binnen het plangebied overwegend positief is. Nieuwe ontwikkelingen in deelgebied 1 zullen aangesloten worden op de bestaande rioleringsinfrastructuur. Nieuwe ontwikkelingen in deelgebied 2 en 3 kunnen nog niet op de bestaande riolering worden aangesloten, maar voor deze zones is de aanleg van een collectieve rioleringsinfrastructuur op termijn wel gepland. Indien deze deelgebieden bij herontwikkeling nog niet voorzien zijn van riolering, dient een (gescheiden) aansluiting op termijn voorzien te worden. Het aantal IE dat er bij op de riolering wordt aangesloten is niet van dien aard dat er effecten kunnen optreden op de rioleringsinfrastructuur, gezien de beperkte grootte van het plangebied en het feit dat het vandaag reeds grotendeels ontwikkeld is. De plan-MER-screening voorziet in een aantal aanbevelingen zoals verhardingen in waterdoorlatend materiaal of voorzien in verankerende beplanting. De plan-MER-screening besluit dat er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn indien rekening wordt gehouden met de voorgestelde aanbevelingen in de screening. Er wordt voldaan aan de kwalitatieve doelstellingen en aan de beginselen van het decreet waterbeleid. Het algemeen voorschrift 0.5 garandeert dat steeds de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwater moet worden nageleefd. De aanbeveling inzake waterdoorlatende materialen is vertaald in voorschrift 0.8 dat voorziet dat de provinciale verordening inzake verharding moet worden nageleefd. Bijkomend wordt voorgesteld om de aanbevelingen van de plan-MER-screening p. 65 op dwingende wijze op te leggen in de stedenbouwkundige voorschriften. Vanuit de discipline Oppervlaktewater worden met betrekking tot het oppervlaktewater volgende aanbevelingen voorgesteld: - verharding dient zoveel mogelijk te gebeuren in waterdoorlatend materiaal uitgezonderd waar dit omwille van milieutechnische of praktische redenen niet haalbaar is; - de bebouwingsindex van de deelgebieden wordt beperkt en een minimale groenindex wordt opgelegd; - er dient te worden gestreefd naar een maximaal hergebruik en een maximale infiltratie van hemelwater; - onbebouwde en onverharde delen worden voorzien van een verankerende beplanting. Deze aanbevelingen moeten opgenomen worden in de stedenbouwkundige voorschriften.” X-17.308-9/26 De aandachtspunten inzake water zijn geïmplementeerd in de stedenbouwkundige voorschriften, onder meer in de artikelen 0.5 en 0.8 ervan en in de voorschriften voor de verschillende zones. 7.
- Het toepasselijke artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals te dezen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten” in de zin van artikel 3, § 2, 17°, DIWB doet ontstaan, en niet inhoudt dat ook moet worden onderzocht hoe het voorgenomen plan een reeds bestaande toestand kan remediëren. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen of goed te keuren plan en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17°. Als de uitgevoerde watertoets wordt betwist, moet concreet worden aangegeven op grond van welke elementen deze in twijfel wordt getrokken. Het louter in vraag stellen van de conclusie van de watertoets zonder aan te geven op grond van welke concrete elementen de watertoets in twijfel wordt getrokken, volstaat daartoe niet. Bij het doorvoeren van de watertoets kan de bevoegde overheid redelijkerwijze enkel rekening houden met elementen en omstandigheden die haar op dat ogenblik reeds bekend zijn of kunnen zijn. 7.
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State niet zijn beoordeling inzake de watertoets in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, namelijk of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. X-17.308-10/26 7.
- De mening van verzoeker dat de implementatie van de aanbevelingen vanuit de discipline ‘oppervlaktewater’ een lege doos is, volstaat gezien het voormelde niet om te besluiten tot een schending van de ingeroepen rechtsregels. Vastgesteld moet verder worden dat de plannende overheid met de grondwaterkwetsbaarheidskaart rekening heeft gehouden. Verzoeker overtuigt er niet van dat dit op een foutieve wijze zou zijn gebeurd. Waar verzoeker er in zijn bezwaarschrift op gewezen heeft dat op de site van het voormalig militair domein zeer grote ondergrondse watervergaarbakken zijn aangelegd wegens de wateroverlast, dient met de tussenkomende partij te worden vastgesteld dat hij geen enkel concreet feitelijk gegeven bijbrengt met betrekking tot deze ‘watervergaarbakken’ of hun doel. Voorts heeft de Gecoro erop gewezen dat volgens de plan-MER-screening de waterhuishouding binnen het plangebied overwegend positief is. 7.
- In zoverre verzoeker voor het eerst in zijn aanvullende memorie na heropening van het debat bekritiseert dat “op planniveau geen knopen doorgehakt werden met betrekking tot de locatie van inplanting van wadi’s en de gevolgen van een plaats met open water”, is zijn kritiek laattijdig en is het middel onontvankelijk. De kritiek had reeds in een eerder procedurestuk kunnen aangevoerd worden. Hetzelfde geldt voor verzoekers kritiek in deze aanvullende memorie met betrekking tot een beweerde “overschrijding van de richtwaarden in het grondwater”. Verzoekers bewering, in zijn laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag, dat hij “nooit een plan m.e.r. screening ontmoet heeft en zelfs een Gerechtsdeurwaarder heeft laten vaststellen dat in het kader van het openbaar onderzoek op de Stad LANDEN slechts een CD-rom werd aangetroffen”, doet niet anders besluiten, nu de papieren versie van het screeningsdossier alvast van het administratief dossier deel uitmaakt. Verzoekers kritiek, voor het eerst geuit in zijn laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag, dat voor het gemeentelijk RUP Sint-Norbertus geen plan-MER-screening of volwaardig plan-MER zou zijn opgesteld, en dat “de watertoets betreffende huidige deelgebieden [moet] kunnen ingepast worden” in het RUP Sint-Norbertus, is evenzeer laattijdig en X-17.308-11/26 onontvankelijk. Zijn betoog dat “deze oefening […] de openbare orde aan[gaat]”, kan geen bijval vinden. 7.
- Verzoeker toont gezien het voormelde geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 7.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.
- Verzoeker voert in zijn tweede middel de schending aan van de artikelen 1.1.3, 2.2.2, § 1, en 2.2.3, § 1, VCRO, alsook van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij bekritiseert dat het gemeentelijk RUP niet in concreto uitleg geeft over de precieze ligging en inrichting van de wegen in de nabijheid van zijn woning, noch over de hoogbouw. “Ofschoon voor 100 % negatief geadviseerd door de hogere overheid en zonder weerlegging van dit negatief advies door Gecoro of door de Gemeenteraad werd een ontsluiting geprojecteerd op de N 283 om de site van het deelplan 2 te ontsluiten”. Daar het gaat om een ontsluiting in geval van “evenementen”, zal de ontsluiting een permanent karakter hebben, nu niet duidelijk is wat onder het begrip “evenement” dient begrepen te worden. Verzoeker meent dat een en ander in de stedenbouwkundige voorschriften verordenend had dienen vastgelegd te worden. 8.
- Verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat het antwoord van de Gecoro niet terug te vinden is in het bestreden besluit en dus niet bestaat. Hij herneemt artikel 1 van het bestreden besluit en meent dat “[o]nverminderd de wettigheid van het advies van de Gecoro van 29 januari 2018 […] uit het administratief dossier niet opgemaakt [kan] worden dat het advies van de Gecoro geïncorporeerd werd in de besluitvorming van een reglementaire X-17.308-12/26 bestuurlijke akte”. Er bestaan ook geen officiële en goedgekeurde notulen van de vergadering van de Gecoro van 28 januari 2018, zodat hetgeen in het administratief dossier werd neergelegd als onbestaande dient beschouwd te worden. Verder stelt verzoeker dat de ontsluiting langs de Hannuitsesteenweg er enkel komt in geval van evenementen, maar dat die ontsluiting wel een permanent karakter zal hebben, zodat het probleem “via een ‘doorgeefluik’ naar het handhavingsbeleid” wordt verschoven. Daarnaast stelt verzoeker dat door de inplanting van het tracé vlak naast zijn eigendom de privacy in het gedrang wordt gebracht. 8.
- In zijn aanvullende memorie na heropening van het debat wijst verzoeker nog op de bijlagen bij de samenwerkingsovereenkomst, waaruit hij opmaakt dat de contracterende partijen “erkenden” dat er op planniveau geen keuze werd gemaakt tussen twee ontsluitingsscenario’s, en dat elke aansluiting op de Hannuitsesteenweg een conflictsituatie inhoudt tussen gemotoriseerd verkeer, enerzijds, en fietsers en voetgangers, anderzijds. Bovendien onderschrijven de contracterende partijen dat de voorkeur uitgaat naar een volledige ontsluiting van de gemeenschappelijke voorzieningen langs de Koningin Astridlaan, hetgeen in strijd is met het grafisch plan van het gemeentelijk RUP. Beoordeling 9.
- Luidens het te dezen toepasselijke artikel 2.2.2, § 1, VCRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan een grafisch plan en “de erbij behorende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer”. Het grafisch plan en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften hebben verordenende kracht. Volgens het beginsel van de rechtszekerheid moet de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Dit impliceert onder meer dat stedenbouwkundige voorschriften op voldoende duidelijke wijze moeten worden geformuleerd. X-17.308-13/26 Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de betrokken belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. De aangehaalde bepaling en beginselen impliceren evenwel niet dat de overheid die een ruimtelijk uitvoeringsplan vaststelt, alle aspecten van de betrokken regeling op een gedetailleerde wijze moet regelen. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat. 9.
- Het feit dat de aanduiding van een ontsluitingsweg op het grafische plan indicatief is, brengt nog niet met zich mee dat het bestreden gemeentelijk RUP met schending van de aangevoerde rechtsregels zou zijn vastgesteld. Uit de stedenbouwkundige inrichtingsvoorschriften die betrekking hebben op de ontsluitingen en het erbij horende grafisch plan blijkt voldoende duidelijk waar zij toepassing vinden en waar de ontsluitingen gerealiseerd dienen te worden. 9.
- De desbetreffende bezwaren werden door de Gecoro als volgt beantwoord: “De exacte inplanting van nieuwe ontsluitingswegen in de deelzone worden niet vastgelegd in het RUP om de nodige flexibiliteit te geven aan een eventuele toekomstige ontwikkeling. Enkel de aansluitingspunten met de bestaande ontsluitingswegen worden indicatief weergegeven. De mogelijkheid voor een achterontsluiting van de aangrenzende percelen werd in de SV van art. 2 expliciet opgenomen: ‘Ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer kunnen eveneens aangewend worden voor de ontsluiting van parkeergelegenheden op percelen grenzend aan het plangebied.’” 9.
- In de mate dat verzoeker de indicatieve aanduiding voor ‘Ontsluitingspunt gemotoriseerd verkeer enkelrichting’ (artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften) viseert, blijkt uit de inrichtingsvoorschriften X-17.308-14/26 dat de ontsluiting van de bestemmingszone voor gemotoriseerd verkeer dient gerealiseerd te worden via de omliggende gemeentewegen, met uitzondering van het inrichten van een enkele uitrit naar de Hannuitsesteenweg voor de ontsluiting van gemotoriseerd verkeer bij evenementen binnen de bestemmingszone. De ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer mag niet breder zijn dan 6 m. De aangewende verhardingsmaterialen dienen te kaderen in een coherente visie inzake materiaalgebruik en straatmeubilair voor de volledige zone. De effectieve realisatie op het terrein kan verschoven worden ten opzichte van de indicatieve aanduiding op het grafisch plan, maar sluit bij benadering aan op maximum 10 m van de op het grafisch plan aangeduide eindpunten binnen de desbetreffende deelzones. De ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer worden gebundeld ter hoogte van de op het grafisch plan indicatief aangeduide ontsluitingspunten. Het aantal ontsluitingspunten
(4)wordt beschouwd als het maximaal aantal ontsluitingspunten. Hiervan kan enkel worden afgeweken voor de realisatie van brandwegen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen dubbelrichting- en enkelrichtingontsluitingspunten. Het is verboden om de dubbelrichtingontsluitingspunten doorheen het plangebied functioneel met andere dubbelrichtingontsluitingspunten te verbinden voor gemotoriseerd verkeer. Bij de enkelrichtingontsluitingspunten worden de in- en/of uitrit apart gerealiseerd en functioneel met elkaar verbonden voor gemotoriseerd verkeer. Ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer kunnen eveneens aangewend worden voor de ontsluiting van parkeergelegenheden op percelen grenzend aan het plangebied. Wat deze ontsluiting betreft, overtuigt verzoeker er niet van dat er van rechtsonzekerheid sprake zou zijn. 9.
- Bij de uiteenzetting van zijn middel verwijst verzoeker naar het advies van het agentschap Wegen en Verkeer van 22 september 2015, waarin wordt gesteld dat voor het deelgebied 2 slechts één rechtstreekse ontsluiting naar de Hannuitsesteenweg kan worden toegestaan en dit enkel als ‘langzame verbinding’ zoals aangegeven op het grafisch plan. Deze ontsluitingsweg mag maximum 1,5 m breed zijn. X-17.308-15/26 De enkele verwijzing naar het voormelde advies, dat het agentschap Wegen en Verkeer naar aanleiding van de plenaire vergadering over het voorontwerp van RUP heeft uitgebracht, volstaat niet om de onwettigheid van het gemeentelijk RUP aan te tonen, nu dit advies deel uitmaakt van het administratieve voortraject van het plan, en de overheid die het plan definitief vaststelt niet verplicht is om op de inhoud ervan in te gaan. Voorts blijkt de Gecoro wel degelijk als volgt rekening te hebben gehouden met dit advies: “De Hannuitsesteenweg is een belangrijke ontsluitingsweg naar het hoofdwegennet. De genoemde handelsactiviteiten en diensten worden beschouwd als verenigbaar met de functie wonen. Uit de plan-MER screening is gebleken dat de effecten m.b.t. tot het aspect mens (functies, mobiliteit, woonkwaliteit,…) niet significant zijn. […] Om een veilige ontsluiting van de ontwikkelingen binnen de zone van art. 2 te garanderen is een ontsluiting langs de Koning Astridlaan onontbeerlijk. Het advies van AWV i.k.v. de plenaire vergadering stelde dat de ontsluiting via de aangrenzende gemeentewegen dient te gebeuren en niet direct langs de gewestweg. Voor de goede bereikbaarheid, doorwaadbaarheid voor langzaam verkeer, sociale controle en algemene integratie in het bestaande stedelijke weefsel is het afsluiten van een zone met publiek karakter niet wenselijk. […]” Blijkens de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP is het doel van de herziening van het gemeentelijk RUP Sint-Norbertus, wat deelplan 2 betreft, om de voormalige geïsoleerde site te verweven met het omliggende stadsweefsel door aantrekkende functies, een open parkkarakter, functionele doorsteken voor langzaam verkeer en doorgaand gemotoriseerd verkeer te vermijden met doodlopende in- en uitritten of beperkte eenrichtingslussen (veilige ontsluiting bij evenementen). In de toelichting bij de inrichtingsvoorschriften van artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften wordt vermeld dat de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer rechtstreeks naar de N283 niet is toegestaan, met uitzondering van het inrichten van een uitrit voor de veilige ontsluiting van het deelgebied bij evenementen. Om een veilige ontsluiting te garanderen bij eventuele evenementen wordt een aparte uitrit naar de Hannuitsesteenweg voorzien. X-17.308-16/26 Mede gelet op wat voorafgaat, toont verzoeker met zijn verwijzing naar het advies van het agentschap Wegen en Verkeer van 22 september 2015 geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.
- Het enkele feit dat de verordenende stedenbouwkundige voorschriften het begrip “evenement” niet nader omschrijven, houdt nog geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel in. Bij ontstentenis van een nadere omschrijving moet dit begrip in de spraakgebruikelijke betekenis van het woord begrepen worden. De online versie van het ‘Van Dale’ woordenboek vermeldt bij “evenement” een “georganiseerde, grootschalige gebeurtenis”. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het gebruik van de term “evenement” in de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP aanleiding zou geven tot enige rechtsonzekerheid. 9.
- Verzoeker verwijst in zijn aanvullende memorie nog naar de contractuele bijlagen bij de samenwerkingsovereenkomst (randnummer 8.3). Noch de erin vermelde standpunten van de contractanten met betrekking tot de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP, noch de vermeldingen met betrekking tot het projectniveau, zijn evenwel van aard om de onwettigheid van dit plan aan te tonen. 9.
- Het bezwaar in verband met de hoogbouw en privacy wordt door de Gecoro als volgt beantwoord: “De deelzones maken deel uit van het centrum van de stad Landen. De realisatie van kwalitatieve woonprojecten in het centrum en differentiatie van het woonaanbod zijn conform de bepalingen in het GRS, PRS en RSV. Bovendien zijn volgens het bestaande juridische kader in deze deelzones reeds woonprojecten tot 9 bouwlagen vergunbaar. In het RUP werden voldoende maatregelen genomen om het schaalverschil met de aangrenzende woonwijk te overbruggen (zie ook antwoord vorige alinea). Door de opgelegde 45°-regel en afbouw van aantal bouwlagen wordt de inkijk in de aangrenzende tuinen gereduceerd. Uit de plan-MER screening is gebleken dat de effecten op mobiliteit zowel voor gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer niet significant zijn. X-17.308-17/26 […] Volgens het bestaande juridische kader zijn in deze deelzones reeds woonprojecten tot 7 en 9 bouwlagen vergunbaar. Het RUP voorziet een grotere differentiatie in mogelijke invulling van deze gebouwen en verlaagt de maximale bouwhoogte tot 7 bouwlagen. Bovendien werden in het RUP maatregelen ingeschreven die de aandacht hebben voor de ruimtelijk[e] overgang tussen de deelzones met potentieel hoogbouw en de aangrenzende woonwijk: zoals een graduele afbouw van de bouwhoogte of afstandsregels (45°-regel) t.o.v. de perceelsgrens met de aanpalende woningen. Deze maatregelen en kwaliteitseisen zijn niet aanwezig in het huidige ruimtelijke kader. In de herziening van het RUP werden reeds meer maatregelen opgenomen om de potentiële impact op de aangrenzende woonwijk te verkleinen. De SV van art. 1 kunnen nog aangevuld worden met volgende elementen: Verordenend: De vorm en inplanting van de gebouwde constructies dient zo gekozen te worden dat de privacy zowel t.a.v. de nieuwe woningen als de aangrenzende bestaande woningen gegarandeerd is. Richtinggevend: figuur plusoffice toevoegen: […] De locatie van deelzone 1, 2 en 3 van art. 1 “Zone voor wonen, diensten en handel in park” is bestemd om een poortfunctie te creëren naar het centrum van Landen en heeft in deze zin een andere ruimtelijke logica dan de aangrenzende woonwijk. In de SV wordt maximaal rekening gehouden met overgang naar de aangrenzende villawijk: de maximale bouwhoogte van 7 bouwlagen (toegelaten in deelzone 2 en 3, niet in 1), is enkel toegelaten aan de zijde van de Postlaan, t.o.v. de aangrenzende villawijk dient het aantal bouwlagen gradueel af te bouwen. In deelzone 1 is een veel beperktere ontwikkeling mogelijk (max. V/T= 0,50) en wordt de 45°regel toegepast t.a.v. de perceelsgrens van de aangrenzende villa’s. Volgens het bestaande juridische kader zijn in deze deelzones reeds woonprojecten tot 7 deelzone 2) en 9 (deelzone 3) bouwlagen vergunbaar. Het RUP laat in deze zones m.a.w. geen grotere ontwikkeling toe, integendeel. Het RUP stelt tevens een aantal kwaliteitseisen die aangetoond dienen te worden bij de feitelijke aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning d.m.v. een inrichtingsschets. De vergunningverlenende overheid kan op deze manier waken over de kwaliteit van eventuele ontwikkelingen. Het is de wens van de stad om op deze zichtlocatie een kwaliteitsvol project te vergunnen. […] In de SV van art. 2 werd expliciet opgenomen: ‘De 45°-regel is steeds van toepassing ten aanzien van de zonegrens. Dit betekent 6m hoog – 6m afstand van de perceelsgrens. Nieuwe constructies dienen steeds een minimale afstand van 3m te behouden t.o.v. de zonegrenzen;’ Dit houdt in dat gebouwen minstens de afstand gelijk aan de bouwhoogte verwijderd moeten blijven van de perceelsgrens met de aanpalende woningen met een minimum van 3m. Bovendien zou de realisatie van een eventuele achterliggende ontsluiting de minimale afstand met de nieuwe gebouwen nog vergroten.” X-17.308-18/26 Verzoeker gaat in zijn verzoekschrift volledig aan dit antwoord voorbij. Hij toont in het licht daarvan niet aan dat zijn bezwaren niet afdoende beantwoord werden. Waar verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat het advies van de Gecoro “NIET bestaat” omdat het “nergens lokaliseerbaar is in de bestreden beslissing”, dient vastgesteld te worden dat hij deze kritiek reeds in zijn verzoekschrift kon aangevoerd hebben. Het middel is in zoverre laattijdig en onontvankelijk. Zijn betoog dat er “geen officiële en goedgekeurde notule” van de vergadering van de Gecoro van januari 2018 bestaat, “derwijze dat hetgeen in het administratief dossier […] werd neergelegd als onbestaande dient aanzien te worden”, kan niet tot vernietiging leiden. Het door de voorzitter ondertekende advies van de Gecoro van 29 januari 2018 bevindt zich in het administratief dossier. 9.
- Gelet op wat voorafgaat, toont verzoeker geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 1.2.1, 2.2.14, § 5, en 1.1.4 VCRO, alsook van het materiëlemotiverings-, vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij zet uiteen dat het verzoek tot raadpleging de mobiliteitsproblematiek in het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP banaliseert, omdat de verkeersleefbaarheid in al haar facetten (zoals de parkeerdruk, veiligheid en luchtvervuiling) niet onderzocht en beschreven werd voor het gehele gemeentelijk RUP. Verzoeker meent dat zijn bezwaren X-17.308-19/26 hieromtrent niet werden beantwoord en stelt dat de stad Landen beschikt over een mobiliteitsplan
(2011)dat totaal verouderd is, en niet beschikt over een verkeersveiligheidsplan en over een stedenbouwkundige verordening met betrekking tot het parkeren. Ook werd volgens verzoeker naar aanleiding van het verzoek tot raadpleging compleet verouderd cijfermateriaal geciteerd. Tenslotte wijst verzoeker erop dat het gebrek aan een afdoende studie op het vlak van mobiliteit geleid heeft tot de weigering van de milieuvergunningsaanvraag voor een fuifzaal op de site ‘Domein het Park’. De plannende overheid heeft verzuimd om bij de vaststelling van het gemeentelijk RUP de ordening en inrichting op hun ruimtelijke draagkracht te toetsen en om belangrijke aandachtspunten zoals verkeersafwikkeling en -doorstroming bij haar studie te betrekken. 10.
- Verzoeker stelt in zijn aanvullende memorie na heropening van het debat dat de samenwerkingsovereenkomst verborgen werd gehouden, zodat niet kon worden ingeschat hoe de projectsite ontwikkeld en bebouwd zou worden. Hij voegt eraan toe dat werd verzuimd om een afweging te maken tussen de verschillende componenten van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Verder wijst hij op de gekende asbestproblematiek en bodemverontreiniging, aspecten die niet aan bod gekomen zijn in de besluitvorming op planniveau. Beoordeling 11.
- In het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, bekritiseert verzoeker het onderzoek naar de mobiliteit in de plan-MER-screeningsnota. 11.
- De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een screeningsbeslissing van de dienst Mer geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan maken. Wel mag hij nagaan of deze dienst binnen de grenzen van de wettigheid, inbegrepen die van de redelijkheid, tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen, in het licht van de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd. X-17.308-20/26 11.
- De Gecoro heeft verzoekers bezwaren op het vlak van mobiliteit als volgt beantwoord: “De plan-MER screeningprocedure werd uitgevoerd conform de vigerende regelgeving. De plan-MER plicht werd gescreend door de ontwerper van het RUP en in de plan-MER screening werden de verschillende milieudisciplines behandeld, rekening houdend met de beoogde planologische voorschriften van het voorliggende plan. De nodige adviesinstanties brachten advies uit over het dossier. Op basis van deze adviezen en een analyse van het uitgevoerde onderzoek en motivatie stelt de dienst-Mer in haar beslissing dat alle instanties van meni[n]g zijn dat de effecten op het milieu correct en voldoende beschreven zijn en dat er geen elementen zijn die erop wijzen dat het uitgevoerde onderzoek onvolledig of onjuist is. Bijgevolg concludeert de dienst-Mer dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is (zie bijlage 2 en 4 van het dossier). De bezwaarindiener geeft weliswaar aan dat op bepaalde locaties de concrete plannen voor bepaalde projecten gewijzigd zouden zijn, maar geeft op geen enkele wijze aan op welke wijze dit een impact zou hebben op de beoordeling die werd uitgevoerd in het kader van de plan-MER-screening. De screening werd immers uitgevoerd op basis van de beoogde (en voorlopig vastgestelde) planologische voorschriften en niet op basis van de concrete projecten die op basis van die voorschriften kunnen worden gerealiseerd of al in uitvoering zouden zijn. Uit de plan-MER screening is gebleken dat de effecten op mobiliteit zowel voor gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer niet significant zijn. Het verkeer gegenereerd door de ontwikkelingen van deelzones 1/2/3 kan direct naar de Fabriekstraat ontsluiten zonder door de woonwijk te passeren. Huidig kinderdagverblijf gaat weg en heel wat verplaatsingen in de morgen- en avondspits gaan verdwijnen. In art. 0.6 Parkeren werd reeds gesteld dat een project steeds de eigen gegenereerde parkeerbehoefte dient op te vangen.” 11.
- Verzoeker gaat in zijn verzoekschrift niet in op de voormelde weerlegging van zijn bezwaar. Zijn kritiek dat “diverse bezwaren” geen concreet antwoord kregen, volstaat in het licht daarvan niet om de onwettigheid van het gemeentelijk RUP aan te tonen. 11.
- Verzoeker beweert voorts weliswaar dat het mobiliteitsplan van de stad Landen “totaal verouderd” is en dat “compleet verouderd cijfermateriaal” werd geciteerd in de screeningsnota, maar toont dit geenszins aan. X-17.308-21/26 11.
- Evenmin toont verzoeker aan op basis van welke bepalingen een geactualiseerde mobiliteitsstudie verplicht diende te worden opgemaakt. Het blijkt dat de vraag naar de mogelijke milieueffecten, waaronder de effecten inzake mobiliteit van het voorgenomen gemeentelijk RUP, het voorwerp heeft uitgemaakt van een plan-MERscreeningsdossier. Op basis van dat dossier heeft de dienst Mer beslist dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke milieugevolgen en dat derhalve de opmaak van een plan-MER niet nodig is. Verzoeker slaagt er niet in om aan te tonen dat de screening gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens of de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan. 11.
- Met de verwerende partij dient tenslotte vastgesteld te worden dat de aanvulling van het middel in verzoekers aanvullende memorie na heropening van het debat geen verband houdt met de stukken waarvan de vertrouwelijkheid is opgeheven. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 11.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 12.
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 2.2.2, § 1, VCRO en van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij bekritiseert dat de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP op verordenende wijze in de oprichting van een gemeentelijk parkeer- en mobiliteitsfonds voorzien, terwijl deze regeling niet aan het openbaar onderzoek werd onderworpen maar slechts onder de vorm van een amendement door de gemeenteraad werd aangenomen. 12.
- In de aanvullende memorie na heropening van het debat voegt verzoeker nog toe dat de Gecoro heeft geadviseerd om de stedenbouwkundige voorschriften betreffende de parkeernorm verordenend op te nemen in plaats van X-17.308-22/26 in het richtinggevend gedeelte van de voorschriften. Hij stelt dat dit verordenend stedenbouwkundig voorschrift nooit aan het openbaar onderzoek werd onderworpen. Beoordeling 13.
- Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt de oprichting van een gemeentelijk parkeer- en mobiliteitsfonds niet opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. Wel leest men in de niet-verordenende toelichting dat indien het vereiste aantal autoparkeerplaatsen volgens het gemeentelijk RUP niet kan worden aangelegd op eigen terrein om reden van de goede plaatselijke ordening of vanwege technische redenen of technische beperkingen, de gemeentelijke overheid de verplichting tot realisatie van autoparkeerplaatsen kan vervangen door de betaling van een gemeentelijke belasting ten behoeve van een parkeer- en mobiliteitsfonds. Verzoekers kritiek gaat van de verkeerde premisse uit. Deze vaststelling volstaat om het middel te verwerpen. 13.
- In de mate dat verzoeker in zijn toelichtende memorie na heropening van het debat het middel verder uitwerkt (zie randnummer 12.2), zij nog opgemerkt dat deze toelichting geen verband houdt met de gegevens die hij ingevolge de gedeeltelijke opheffing van de vertrouwelijkheid van de stukken kon vernemen. In zoverre is het middel onontvankelijk. 13.
- Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in zijn toelichtende memorie na heropening van het debat een nieuw, vijfde middel aan, genomen uit de schending van artikel 1.1.4 X-17.308-23/26 VCRO en van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij betoogt dat hij dit middel pas kon formuleren “doordat hij, dank zij het tussenarrest van 09 oktober 2020 […] inzage kon bekomen van de precieze data en van de draagwijdte van de contractuele plichten en modaliteiten welke verwerende partij en de [tussenkomende partij] met het oog op de Gebiedsontwikkeling van Deelplan 2 van het RUP stipuleerden”. Verzoeker zet uiteen dat het gemeentelijk RUP op 22 december 2015 voorlopig werd vastgesteld, en dat de verwerende en de tussenkomende partij op 18 april 2017 een contract hebben gesloten. Op 9 juni 2017 hebben zij een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin hun contract van 18 april 2017 geïncorporeerd werd. Op het ogenblik dat de verwerende partij uitspraak moest doen over de ingediende bezwaren, was zij contractueel verbonden. Er valt niet in te zien hoe zij in alle objectiviteit en onafhankelijkheid de verschillende op het spel staande belangen gelijktijdig heeft kunnen afwegen. Beoordeling 15.
- Vooreerst moet vastgesteld worden dat de kwestieuze samenwerkingsovereenkomst tussen de verwerende partij en Willemen Real Estate met betrekking tot de gebiedsontwikkeling “Domein ’t Park” op 9 juni 2017 werd gesloten, dit is nadat het gemeentelijk RUP op 31 mei 2016 een eerste keer definitief werd vastgesteld. De hernieuwde vaststelling bij het bestreden besluit gebeurde op grond van de onder randnummer 3.12 vermelde redenen. Met de verwerende en tussenkomende partij dient verder te worden vastgesteld dat in de samenwerkingsovereenkomst geen verplichting opgenomen is voor de stad Landen om een gemeentelijk RUP vast te stellen. Integendeel wordt er uitdrukkelijk in voorzien dat de ontwikkeling van de site dient te gebeuren overeenkomstig de randvoorwaarden die worden gesteld door de stad Landen (artikel 3), en dat de overeenkomst kan worden ontbonden in geval van het niet verkrijgen van de voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan of essentiële onderdelen daarvan vereiste vergunningen, goedkeuringen of toestemmingen van X-17.308-24/26 een hoger bestuur of rechterlijke beslissingen (artikel 8), in welk geval geen schadevergoeding verschuldigd is (artikel 9). Enige schending van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel wordt niet aangetoond. 15.
- In de mate dat verzoeker in dit verband ook artikel 1.1.4 VCRO geschonden acht, beperkt zij haar kritiek tot de algemene bewering dat niet “valt […] in te zien hoe de Stad Landen binnen de RUP-planningsprocedure in alle objectiviteit en in alle onafhankelijkheid, zonder vooringenomenheid en zonder ook gebonden te zijn door haar contracten met [de tussenkomende partij], de verschillende op het spel staande belangen (waaronder de op 01 december 2017 op zeer omstandige wijze beschreven belangen als door verzoekende partij in zijn kwaliteit van onmiddellijke nabuur en omwonende) gelijktijdig heeft kunnen afwegen”. Met deze vage en algemeen geformuleerde kritiek toont verzoeker niet aan dat de plannende overheid bij haar belangenafweging op grond van artikel 1.1.4 VCRO niet op afdoende wijze met zijn of andere “op het spel staande” belangen rekening zou hebben gehouden. 15.
- Het middel is hoe dan ook ongegrond. VI. Besluit
- Gelet op de verwerping van de middelen hiervoor, moet het beroep hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. VII. Kosten
- Gelet op de verwerping van het beroep dienen de kosten, met inbegrip van een basisrechtsplegingsvergoeding ten voordele van de verwerende partij, ten laste worden gelegd van verzoeker. X-17.308-25/26 De tussenkomende partij dient haar eigen kosten te dragen en kan, overeenkomstig artikel 30/1, § 2, laatste lid, RVS-wet, geen rechtsplegingsvergoeding genieten. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.308-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.937 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div