← België

Arrest 251939 - Cultuur en schone kunsten - 26/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.939 Rolnummer: A. 234053/IX-9907 Zaak: Arrest 251939 - Cultuur en schone kunsten - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-11 14:03 Fiche Arrest nr 251.939 van 26 oktober 2021 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 251.939 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 234.053/IX-9907 In zake: de VZW THE BRUGES ART INSTITUTE woonplaats kiezend te 8000 Brugge Spinolarei 17 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van de negatieve beslissing van de Vlaamse minister van Cultuur van 26 april 2021 over de subsidieaanvraag van de vzw The Bruges Art Institute voor een bovenlokaal cultuurproject met als dossiernummer 61683 (eerste bestreden beslissing) en van het negatieve advies van de externe commissie hierover (tweede bestreden beslissing). II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. IX-9907-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Henri Olyslager, projectmanager, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lieselotte Schellekens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster dient een subsidieaanvraag in voor een bovenlokaal cultuurproject in het kader van het Bovenlokaal Cultuurdecreet van 15 juni 2018, met als dossiernummer
  6. De aanvraag wordt negatief beoordeeld door een externe commissie. De Vlaamse minister van Cultuur volgt het advies en beslist om geen subsidie toe te kennen. Met een e-mail van 29 april 2021 worden de beslissing en het advies aan verzoekster ter kennis gebracht. Dit e-mailbericht vermeldt ook de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, als volgt: IX-9907-2/5 “In overeenstemming met artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan je tegen deze beslissing beroep instellen bij de Raad van State. Een beroep dien je in met een gedagtekend verzoekschrift, binnen 60 dagen na de verzending van deze betekening. Dit verzoekschrift kan elektronisch worden ingediend via de beveiligde website van de Raad van State […] of aangetekend worden verzonden naar de Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 in 1040 Brussel.” IV. Toepassing kortedebattenprocedure
  7. Onder een opschrift ‘verzoekschrift tot nietigverklaring’ volgt een betoog van vier bladzijden, waarin verzoekster uiteenzet waarom zij het niet eens is met de argumenten waarmee de commissie een negatief advies verleent. Tot slot besluit verzoekster als volgt: “Wij zijn niet akkoord met deze beslissing en vragen de herziening in het voordeel van het project.”
  8. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. Hij is geen rechter die in hoger beroep kennisneemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met het bestuur, die de beslissing van dat bestuur mag “herzien” en die een eigen beslissing in de plaats mag stellen. Met dit verzoekschrift legt verzoekster een vordering voor aan de Raad van State die zijn rechtsmacht als wettigheidsrechter te buiten gaat. Noch voornoemd artikel 14, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling, verleent de Raad van State de bevoegdheid om de bestreden beslissingen te herzien.
  9. Weliswaar draagt het verzoekschrift het opschrift ‘verzoekschrift tot nietigverklaring’. Het kan echter onmogelijk anders worden opgevat dan zoals in fine wordt geschreven, namelijk als een – onontvankelijk IX-9907-3/5 – verzoek tot herziening. De gehele uiteenzetting is immers slechts te lezen als een uitnodiging aan de Raad van State om de subsidieaanvraag opnieuw te beoordelen en om het negatieve advies van de commissie niet te volgen. Zelfs met de ruimste welwillendheid is in het verzoekschrift geen uiteenzetting te bespeuren van een middel – dat wil zeggen de voldoende duidelijke omschrijving van een geschonden geachte rechtsregel én van de wijze waarop de bestreden beslissingen die rechtsregel schenden. Een verzoekschrift dat geen ontvankelijke middelen bevat is zelf onontvankelijk. Die onontvankelijkheid kan niet naderhand, buiten de beroepstermijn, worden goedgemaakt. Ook zo bekeken, dient het verzoekschrift te worden afgewezen.
  10. Op de terechtzitting argumenteert verzoekster dat de verwerende partij haar “een foutieve en misleidende informatie” heeft verstrekt over de wijze waarop haar beslissing kan worden aangevochten. De verwerende partij heeft, aldus verzoekster, de “voorziene mogelijkheid om tegen de beslissing […] in beroep te gaan vervangen door een misleidende procedure”. Dat argument faalt. Zoals hiervóór in het feitenrelaas is aangehaald, heeft de verwerende partij zoals het behoort erop gewezen dat een beroep tot nietigverklaring ingesteld kon worden bij de Raad van State. Het lag op de weg van verzoekster om zich er nader over te informeren hoe zo een beroep tot nietigverklaring moet worden opgesteld.
  11. Het beroep is onontvankelijk. Terecht heeft het auditoraat gemeend dat de afhandeling van de zaak slechts een kort debat vergt. IX-9907-4/5 V. Rechtsplegingsvergoeding
  12. De inbreng van de raadslieden van de verwerende partij is ertoe beperkt gebleven te verschijnen op de terechtzitting om zich aan te sluiten bij het auditoraatsverslag. Het past daarom, de door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding terug te brengen tot het minimumbedrag. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep.
  14. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9907-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.