id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.944 Rolnummer: A. 228110/XIV-38057 Zaak: Arrest 251944 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 26/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 14:06 Fiche Arrest nr 251.944 van 26 oktober 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.944 van 26 oktober 2021 in de zaak A. 228.110/XIV-38.057 In zake : Angelo PAVONCELLI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5341 ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181 bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van: “
- De beslissing van de selectiecommissie van 05.03.2019 en blijkbaar ondertekend op 19.12.2017 waarbij verzoeker voor de functie ‘Hoofdcommissaris-Directeur Onderzoek en Recherche’ in de PZ Zuid ongeschikt wordt verklaard;
- Addendum van het PV van de selectiecommissie van 05.03.2019 en ondertekend door de korpschef a.i. dd. 04.04.2019, waarbij de ongeschiktheid van verzoeker voor de te begeven functie wordt bevestigd.” XIV-38.057-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021, om 14u
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is (aangesteld) hoofdcommissaris van politie bij het Comité P. XIV-38.057-2/11 3.
- Op 21 december 2018 stelt verzoeker zich kandidaat voor de vacant verklaarde betrekking van hoofdcommissaris-directeur van de dienst Onderzoek en Recherche bij de politiezone. 3.
- Verzoeker wordt op 5 maart 2019 door de selectiecommissie gehoord, die hem ongeschikt bevindt. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Op 21 maart 2019 dient verzoeker een bezwaarschrift in tegen de eerste bestreden beslissing bij de selectiecommissie. 3.
- In antwoord op het bezwaarschrift van verzoeker ondertekent de voorzitter van de selectiecommissie op 4 april 2019 een “addendum” bij het proces-verbaal van de selectiecommissie van 5 maart 2019 waarin is gesteld dat “naar aanleiding van [verzoekers] schrijven van 21 maart 2019 aangaande het proces-verbaal van [verzoekers] onderhoud van 05 maart 2019”, verzoeker “antwoorden en bijkomende informatie” wil vinden van de “zone Zuid”, waarna verzoekers bezwaren worden behandeld en wordt besloten dat “in ieder geval, […] de commissie bij zijn finale beslissing [blijft], te weten, u ‘ongeschikt’ te verklaren voor de functie”. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep wat de tweede bestreden beslissing betreft
- De tweede bestreden beslissing wordt formeel benoemd als een “addendum” bij het proces-verbaal van de selectiecommissie van 5 maart 2019, i.e. de eerste bestreden beslissing. XIV-38.057-3/11 De verwerende partij stelt bij de uiteenzetting van de feiten in haar memorie van antwoord dat verzoeker tegen de eerste bestreden beslissing een bezwaarschrift indiende en dat “dit bezwaarschrift als willig beroep in aanmerking komt en geen antwoord behoefde”. Het auditoraat valt die visie niet bij en besluit ambtshalve dat kan worden aangenomen dat de tweede bestreden beslissing een “beslissing” is over het door verzoeker ingediend bezwaarschrift en dat ze moet worden beschouwd als de eindbeslissing over het al dan niet geschikt bevinden van verzoeker voor de geambieerde betrekking.
- De verwerende partij betwist deze beoordeling niet. Zij heeft na kennisneming van het verslag van het auditoraat, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven.
- In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat de tweede bestreden beslissing een “beslissing” in tweede administratieve aanleg is over het door verzoeker ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing van de plaatselijke selectiecommissie voor officieren van de lokale politie waarbij verzoeker, in eerste administratieve aanleg, ongeschikt werd bevonden. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ambtshalve exceptie betreffende de aard van de eerste bestreden beslissing
- Het auditoraat komt tot de ambtshalve vaststelling dat het beroep tegen de eerste beslissing niet ontvankelijk is omdat die, in het licht van hetgeen is bepaald in artikel VI.II.29, derde en vierde lid RPPol, geen in laatste aanleg XIV-38.057-4/11 genomen beslissing betreft over het al dan niet geschikt bevinden van verzoeker voor de geambieerde betrekking. Als verzoeker in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het tegen de eerste bestreden beslissing is gericht en hij daarin geen reden ziet om vervolgens in zijn laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat verzoeker zich niet tegen de niet-ontvankelijkheid van het beroep in die zin verzet. Het beroep is niet-ontvankelijk in zoverre het tegen de eerste bestreden beslissing is gericht.
- De tweede bestreden beslissing wordt in de verdere behandeling van het beroep aangeduid als “de bestreden beslissing”. B. Exceptie wegens gebrek aan belang bij het beroep tegen de bestreden beslissing Standpunt van de partijen
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens gebrek aan actueel belang. Zij voert aan dat de betrekking waarvoor verzoeker kandideerde inmiddels effectief werd ingevuld. Zij zet uiteen dat “na wijziging van de organisatie […] de functie van hoofdcommissaris-directeur Onderzoek en Recherche [werd] ondergebracht onder de functie van Gerechtelijk directeur”. Ook de functie werd gewijzigd. Verzoeker nam niet deel aan de nieuwe oproep die onderwijl is ingevuld. Volgens de verwerende partij dient men zich af te vragen welk voordeel verzoeker nog zou kunnen bekomen bij een eventuele nietigverklaring. Bovendien heeft de verwerende partij vernomen dat verzoeker inmiddels werd aangesteld als adjunct-directeur en diensthoofd bij de Scheepvaartpolitie. Volgens haar heeft een benoeming in dezelfde graad als die welke werd beoogd tot gevolg “dat men zich XIV-38.057-5/11 de vraag moet stellen of verzoeker met zijn annulatieberoep nog wel een voordeel nastreeft dat alsnog de vernietiging van de bestreden beslissing rechtvaardigt”.
- Verzoeker repliceert in zijn laatste memorie dat hij niet heeft deelgenomen aan de nieuwe oproep tot kandidaatstelling omdat die niet identiek was aan de oproep voor de vacante betrekking waarvoor hij kandideerde. Voorts bevestigt hij dat hij inderdaad is benoemd tot hoofdcommissaris van politie, adjunct-directeur van de Scheepvaartpolitie, maar hij zet uiteen dat hij niettemin minstens nog een moreel belang heeft bij de beoogde vernietiging, omdat bij een eventuele kandidaatstelling als directeur bij de Federale politie of als korpschef bij de lokale politie, de thans bestreden ongeschiktverklaring steeds een (niet-onaanzienlijke) rol zal (blijven) spelen bij de beoordeling van die kandidaatstelling aangezien die deel blijft uitmaken van het personeelsdossier. Hij verwijst ter zake naar de artikelen II.
- en volgende van het UBPol. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). XIV-38.057-6/11 Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
- Verzoeker verliest niet noodzakelijk zijn belang bij de nietigverklaring indien hij, zoals te dezen, niet kandideert voor een na de geambieerde betrekking opengevallen betrekking of indien hij onderwijl is aangewezen of benoemd in een andere betrekking doch, zoals hiervoor is gebleken, komt het hem dan wel toe daaromtrent opheldering te verschaffen.
- Wat het argument betreft dat verzoeker niet heeft gekandideerd voor een nadien vacant verklaarde betrekking, betwist verzoeker niet dat hij zich geen kandidaat heeft gesteld naar aanleiding van de oproep tot kandidaatstelling voor de betrekking van gerechtelijk directeur (binnen de politiezone). In zijn laatste memorie meent verzoeker evenwel dat zulks niet ter zake doet omdat die oproep tot kandidaatstelling niet identiek is aan de oproep voor de vacante plaats waarvoor hij kandideerde. Dit wordt bijgevallen. De verwerende partij geeft XIV-38.057-7/11 immers zelf in haar laatste memorie aan dat de betrekking waarvoor verzoeker kandideerde, na een wijziging van de interne structuur en organisatie van het lokale politiekorps, is “ondergebracht” onder de nieuwe functie van gerechtelijk directeur. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt inderdaad dat de politieraad op 17 februari 2020 besliste dat vijf betrekkingen van directeur waaronder die van gerechtelijk directeur, in de personeelsformatie worden gekwalificeerd als directeur in de zin van de artikel XI.II.3 en XI.III.12bis RPPol en dat de betrekking van gerechtelijk directeur nadien werd vacant verklaard, met een eigen functiebeschrijving. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat de oproep cq. die betrekking gelijk, minstens gelijkaardig is aan die waarvoor verzoeker kandideerde, zodat verzoeker kan worden bijgevallen als zouden beide vacatures niet identiek zijn. Nu blijkt dat beide vacatures niet eenzelfde of gelijkaardige betrekking beschrijven en geen gelijk profiel vooropstellen, kan om de enkele reden dat verzoeker niet deelnam aan de nieuwe oproep, aan verzoeker het vereiste actuele belang bij de vernietiging erga omnes van de thans bestreden beslissing niet worden ontzegd.
- Inzake het argument dat verzoeker thans het ambt van adjunct-directeur en diensthoofd van de Scheepvaartpolitie bekleedt, kan verzoeker worden bijgevallen in zijn in de laatste memorie ingenomen standpunt dat hij thans nog minstens een moreel belang geniet bij de vernietiging van de bestreden rechtshandeling, omdat bij een eventuele kandidaatstelling als directeur of korpschef de thans bestreden ongeschiktverklaring nog steeds een rol kan spelen. Uit het samen lezen van de artikelen II.I.12 en VI.II.13 RPPol, de artikelen 8 en 12 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 ‘tot vaststelling van de nadere regels inzake mobiliteit van het personeel van de politiediensten’, de artikelen II.3, II.6 UBPol en de bijlage 1 bij het UBPol, blijkt dat (minstens) het mobiliteitsdossier betreffende de kandidaatstelling die leidde tot de thans bestreden beslissing, deel uitmaakt van verzoekers persoonlijk dossier en dat dit dossier hem steeds volgt bij elke aanwijzing die een verandering van de bevoegde XIV-38.057-8/11 overheid belast met het bijwerken en bewaren tot gevolg heeft. Desgevraagd zal verzoeker bij een volgende kandidaatstelling over het daaraan verleende gevolg toelichting moeten verschaffen. Dit moreel belang volstaat om te doen blijken van het vereiste actuele belang bij de vernietiging erga omnes van de thans bestreden beslissing.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker nog een moreel belang, hoe miniem ook, behouden heeft bij de vernietiging erga omnes van de bestreden beslissing. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het ambtshalve middel Ambtshalve middel: onbevoegdheid van de steller van de akte Uiteenzetting van het door het auditoraat aangevoerde ambtshalve middel
- In het auditoraatsverslag voert het auditoraat ambtshalve het volgende middel aan: “Conform artikel VI.II.29, vierde lid RPPol komt het de selectiecommissie toe een beslissing te nemen over het ingediend bezwaarschrift. In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker bij de uiteenzetting van de feiten dat de tweede bestreden beslissing (‘addendum’) ‘enkel en alleen ondertekend werd door de heer [P.E.], de korpschef a.i., voorzitter van de selectiecommissie’. Bij de uiteenzetting van zijn eerste middel stelt de verzoeker onder meer: ‘De tweede bestreden beslissing is dan weer enkel en alleen beoordeeld door de voorzitter van de selectiecommissie. De selectiecommissie heeft geen nieuwe zitting gehouden om het bezwaarschrift van verzoeker te analyseren en dienaangaande te beraadslagen omtrent de geformuleerde opmerkingen(…)’. Deze voorstelling van de feiten wordt door de verwerende partij geenszins betwist in de memorie van antwoord. Hoewel de verzoeker bij zijn uiteenzetting van het eerste middel niet aanvoert dat de tweede bestreden beslissing genomen werd door een onbevoegde overheid, dient dit ambtshalve opgeworpen te worden aangezien de onbevoegdheid van de steller van de akte de openbare orde raakt (o.a. RvS, 5 juli 2007, nr. 173.203, OSSELAERE). Daar waar in de eerste bestreden beslissing nog de aanwezigen (leden van de XIV-38.057-9/11 selectiecommissie) worden vermeld, en tevens dat de beslissing genomen werd ‘na beraadslaging’, blijkt uit de tweede bestreden beslissing geenszins dat de leden van de selectiecommissie zijn samengekomen om over het bezwaarschrift van de verzoeker te beraadslagen en een beslissing te nemen. Uit de stelling in de memorie van antwoord dat het bezwaarschrift van verzoeker slechts een willig beroep was kan ook afgeleid worden dat de voorzitter een nieuwe bijeenkomst van de selectiecommissie niet nodig achtte. Hoe dan ook blijkt uit de tweede bestreden beslissing, noch uit enig ander stuk, niet dat zij genomen werd door de selectiecommissie, terwijl artikel VI.II.29, vierde lid RPPol dit voorschrijft. Bij gebreke aan dat bewijs moet aangenomen worden dat de tweede bestreden beslissing genomen werd door de voorzitter van de selectiecommissie die daartoe niet bevoegd was. Deze onwettigheid dient tot de nietigverklaring van het tweede bestreden besluit te leiden.” Beoordeling
- De verwerende partij beperkt zich in de laatste memorie tot de blote kritiek dat geenszins wordt aangetoond dat de bestreden beslissing niet collegiaal zou zijn genomen en dat het feit dat het addendum enkel door de voorzitter werd ondertekend, nog niet impliceert dat dit addendum niet collectief na beraadslaging van de selectiecommissie werd beslist. Dit mag al waar zijn, maar het belet niet vast te stellen dat zij verzuimt aannemelijk te maken aan de hand van enig stuk dat de bestreden beslissing is genomen door de selectiecommissie qualitate qua en niet door de voorzitter, minstens dat de door de voorzitter ondertekende beslissing met voldoende zekerheid aanduidt dat de beslissing is genomen door de selectiecommissie, als collegiaal orgaan.
- In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het ambtshalve opgeworpen middel in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het Addendum van het PV van de selectiecommissie van 5 maart 2019 en ondertekend door de korpschef a.i. XIV-38.057-10/11 van 4 april 2019, waarbij de ongeschiktheid van verzoeker voor de te begeven functie wordt bevestigd.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.057-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.