id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.968 Rolnummer: A. 228914/XIV-38131 Zaak: Arrest 251968 - Politie - 27/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-22 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-14 02:33 Fiche Arrest nr 251.968 van 27 oktober 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 251.968 van 27 oktober 2021 in de zaak A. 228.914/XIV-38.131 In zake :
- Tim LOWET
- Laurens POLLENTIER
- Lore VAN RANST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Liesens kantoor houdend te 3920 Lommel Heide 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Marie Van Den Langenbergh kantoor houdende te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 20 juni 2019 ‘tot wijziging van de geldelijke rechtspositie van het personeel van de politiediensten’, “meer in het bijzonder in de mate dat [de verzoekers] vanaf 1 juli 2019 geen aanspraak meer kunnen maken op de vergoeding voor de werkelijke onderzoekskosten en evenmin het recht op deze vergoeding kunnen openen voor 1 november 2022”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.13 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021, om 15u
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mieke Liesens, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Marie Van Den Langenbergh, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest 248.155 van 19 augustus
- Er wordt naar verwezen. XIV-38.13 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel
- De verzoekers stellen in de laatste memorie dat “gelet op de inhoud van het arrest nr. 248.155 van 19 augustus 2020”, zij niet langer het middel van onbevoegdheid aanvoeren. Ter terechtzitting doen de verzoekers afstand van het middel.
- De Raad van State verleent akte van de afstand van het middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekers voeren in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel. Het middel valt uiteen in twee onderdelen. In een eerste onderdeel zetten de verzoekers uiteen dat de regeling vervat in artikel 19 van het bestreden besluit de personeelsleden raakt die in dienst zijn vóór 1 juli 2019 en die via de externe wervingsprocedure zijn aangenomen, maar die op 1 juli 2019 nog in opleiding zijn en daarmee het statuut van aspirant bezitten, terwijl door de in de bestreden bepaling vervatte overgangsmaatregel de personeelsleden in dienst vóór 1 juli 2019 doch die nog niet de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten genoten, tot 1 november 2022 het recht hierop kunnen openen indien zij vóór die datum ingevolge mobiliteit dan wel sociale promotie een ambt bekleden dat het recht op vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten opent. Volgens de verzoekers zijn de bevordering via de externe werving of de interne werving in wezen niet van elkaar verschillend. Het gaat volgens de verzoekers om de verschillende behandeling van twee vergelijkbaar categorieën van personeelsleden die in dienst zijn vóór 1 juli 2019, waarbij de ene categorie wel nog de vergoeding voor de werkelijke XIV-38.13 onderzoekskosten zal toegekend krijgen en de andere categorie niet, louter omwille van het feit dat die op 1 juli 2019 het statuut van aspirant bezaten doordat zij het te begeven ambt via externe werving hebben nagestreefd en niet via sociale promotie. Volgens de verzoekers is dit geen objectief onderscheid. Het strijdt vooreerst met artikel 119 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998), alsook met het gelijkheidsbeginsel, nu voor het verschil in behandeling geen redelijke verantwoording bestaat, rekening houdend met het doel zoals opgenomen in het regeerakkoord van 9 oktober 2014, alsook met de gevolgen van de bestreden maatregel. Het ontbreken van enige verantwoording van het onderscheid maakt onmiddellijk ook een schending uit van de materiëlemotiveringsplicht, wat volgens de verzoekers ook als zodanig zou blijken uit het schrijven van de nationaal voorzitter van NSVP naar aanleiding van een interview met de minister van Binnenlandse Zaken in een radioprogramma op Radio 1 op 18 oktober
- In een tweede onderdeel beroepen de verzoekers zich op de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en meer in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel, doordat de verwerende partij bij de aanwerving van de verzoekers, de verwachting heeft gecreëerd dat de verzoekers bij het opnemen van het ambt, gerechtigd waren op de toekenning van de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten, waaraan de verwerende partij afbreuk doet.
- In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekers er wat het eerste onderdeel betreft, aan toe dat in artikel 19 van het bestreden besluit geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van aspiranten, zodat bijgevolg een verschil in behandeling tussen aspiranten krachtens die bepaling in geen geval is toegelaten. Wat het tweede onderdeel betreft, doen de verzoekers gelden dat op het ogenblik van hun beslissing om het plaatsaanbod te aanvaarden, geen van hen op de hoogte was gesteld van het feit dat zij in hun nieuw ambt geen vergoeding meer zouden ontvangen voor werkelijke onderzoekskosten. XIV-38.13 In de laatste memorie wijzen de verzoekers erop dat zij worden geconfronteerd met een interpretatie en toepassing door de verwerende partij van het bestreden besluit waarbij wel degelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen aspiranten in het kader van een externe werving en aspiranten in het kader van een interne werving (sociale promotie) waarbij deze laatste categorie wel het recht op vergoeding behouden. Ter adstructie van hun standpunt citeren zij uit de omzendbrief SSGPI-RIO/2021/671 van 26 juni
- Wat het tweede onderdeel betreft, gedragen de verzoekers zich naar de wijsheid.
- De verwerende partij licht in de memorie van antwoord inzonderheid de draagwijdte van artikel 19 van het bestreden besluit toe. Volgens haar moet een onderscheid worden gemaakt tussen aan de ene kant de personeelsleden die, op 1 juli 2019, aspirant zijn en nog niet vast benoemd zijn in een betrekking binnen de personeelsformatie van de politiediensten en de personen die extern worden aangeworven ná 1 juli
- Aan de andere kant betreft het de personeelsleden die op 1 juli 2019 al in dienst waren van de geïntegreerde politie en een betrekking bekleden binnen de personeelsformatie als vast benoemd personeelslid, en die desgevallend op die datum het voorwerp uitmaken van een interne bevorderingsprocedure (sociale promotie). Een aspirant die die hoedanigheid heeft verworven ingevolge een externe aanwerving, is met andere woorden een personeelslid in opleiding dat, na het slagen voor die opleiding, zal worden benoemd en aangewezen voor een betrekking in de personeelsformatie van een politiedienst. Hij is derhalve geen vast benoemd personeelslid. Ook in artikel 3 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002) wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds de personeelsleden die werkelijk een betrekking bekleden en anderzijds de personeelsleden die slechts aspirant zijn. De aspiranten die in het kader van een interne bevordering (sociale promotie) een basisopleiding volgen, zijn daarentegen wel al (vast) benoemd in hun vorige graad en bekleden in die hoedanigheid reeds een betrekking binnen de personeelsformatie. Vermits zij niet het voorwerp uitmaken van een externe aanwerving blijven zij tijdens de duur van de XIV-38.13 basisopleiding bovendien als benoemd personeelslid titularis van hun oorspronkelijke betrekking. Er kan ter zake trouwens worden verwezen naar het koninklijk besluit van 27 oktober 2015 ‘tot vaststelling van de personeelsformatie van de federale politie’ en het feit dat extern aangeworven aspiranten geen titularis zijn van een betrekking en dus niet zijn opgenomen in de personeelsformatie. In de laatste memorie herneemt de verwerende partij haar lezing van de bestreden bepaling en stelt dat de “enige juiste betekenis van de overgangsregeling in het gewijzigde artikel XI.IV.3 RPPol […] deze [is] zoals toegelicht in de nota aan de Ministerraad dd. 9 mei 2019 ([…] alsook een aantal andere toelichtende documenten¨…]).”. Volgens de verwerende partij bestaat er geen betwisting over deze interpretatie en blijkt ze immers uit de tekst zelf van artikel 19 van het bestreden besluit. Ten eerste blijkt uit de tekst zelf van artikel XI.IV.3 RPPol, zoals gewijzigd bij artikel 19 van het bestreden besluit, dat (enkel) aspiranten die het voorwerp uitmaken van externe werving op datum van 1 juli 2019, geen recht meer hebben op de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten. Dit kan worden afgeleid uit de nieuwe leden 2 en
- Voor zover dit al niet zou blijken uit de betekenis van “aspiranten”, blijkt volgens de verwerende partij uit het nieuwe derde lid van artikel XI.IV.3 RPPol duidelijk dat enkel aspiranten die het voorwerp uitmaken van een externe werving, van de vergoeding worden uitgesloten. Personeelsleden die het voorwerp uitmaken van interne bevordering (sociale promotie), worden hier niet uitdrukkelijk vermeld en kunnen dus niet zomaar worden begrepen onder “aspiranten” zoals vermeld in artikel XI.IV.3, tweede lid RPPol. Ook bevestigt zij haar standpunt dat de enige juiste betekenis van “aspirant” een personeelslid betreft dat extern wordt aangeworven en dus nog niet is benoemd. Ten tweede wordt dit standpunt duidelijk toegelicht in de documenten die gecommuniceerd werden bij de totstandkoming van het bestreden besluit, zijnde de nota aan de Ministerraad van 9 mei 2019, de nota van de Minister van Binnenlandse Zaken en van het Secretariaat van de Geïntegreerde Politie (SSGPI) van 26 juni 2019 en het nieuwsbericht FedNews nr. 53/2018 van 20 november 2018, waarbij de regelgeving niet enkel moet worden geïnterpreteerd volgens de letterlijke bewoordingen van de wet, maar ook volgens de doelstellingen ervan. Een omzendbrief, zoals de voornoemde nota XIV-38.13 van 26 juni 2019 er volgens de verwerende partij een is en waarin deze doelstelling duidelijk wordt uitgelegd, is dan - net als andere documenten die zijn uitgevaardigd bij de totstandkoming van de regelgeving - meer dan betekenisvol om de regelgeving correct te interpreteren en toe te passen. De verwerende partij besluit dat artikel 19 van het bestreden besluit dan ook dient te worden geïnterpreteerd in de zin dat enkel de nieuwe personeelsleden en de aspiranten in het kader van een externe werving zijn uitgesloten van de overgangsmaatregel. Beoordeling Eerste onderdeel
- In hun laatste memorie sluiten de verzoekers zich aan en herhalen het eerste onderdeel zoals dit is samengevat door het bevoegde lid van het auditoraat: “(Eerste onderdeel) Het bestreden besluit schendt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht doordat artikel 19 artikel XI.IV.3 RPPol in die zin wijzigt dat de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten afgeschaft wordt en in een overgangsregeling uitdooft, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de personeelsleden, in dienst vóór 1 juli 2019, en die vóór 1 november 2022 bevorderen via interne werving (sociale promotie) en een ambt bekleden dat het recht op de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten opent, dit recht behouden, terwijl de personeelsleden die nieuw worden aangeworven na 1 juli 2019, alsook degenen die op 1 juli 2019 reeds in dienst waren, maar die na die datum deelnemen aan een externe werving, geen recht kunnen laten gelden op die vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat een bevordering via interne werving en een bevordering via externe werving niet wezenlijk van elkaar verschillen zodat er geen objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende behandeling van beide categorieën bestaat. Zij zijn ook van oordeel dat dit strijdig is met artikel 119 WGP. Door het ontbreken van enige verantwoording wordt ook de materiële motiveringsplicht geschonden.” Het middelonderdeel wordt vanuit dit oogpunt onderzocht. XIV-38.13
- Artikel 19 van het bestreden besluit is aangehaald in het voornoemde tussenarrest en wordt voor een goed begrip hierna hernomen: Art.
- Artikel XI.IV.3 RPPol, wordt aangevuld met drie leden, luidende: “Deze bepaling is enkel nog van toepassing op de personeelsleden die in dienst zijn op 1 juli 2019, met uitzondering van de aspiranten, ook niet na hun basisopleiding en benoeming. De personeelsleden die na deze datum het voorwerp uitmaken van een externe werving hebben geen recht op deze vergoeding. Vanaf 1 november 2022 is deze bepaling niet meer van toepassing. De personeelsleden die de maandelijkse forfaitaire vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten genieten op die datum of dan zijn aangewezen voor een ambt dat het recht op deze vergoeding opent, behouden het voordeel van deze vergoeding zolang zij ononderbroken behoren tot een eenheid of dienst, ofwel een ambt uitoefenen dat de minister bepaalt. Bij een herplaatsing of mobiliteit naar een andere betrekking die niet het recht opent op de maandelijkse forfaitaire vergoeding, vervalt het recht op deze vergoeding definitief en te onherroepelijken titel. Een tijdelijke affectatie van minder dan één jaar, in voorkomend geval na een basisopleiding, doet het recht op deze vergoeding echter niet uitdoven.” Het artikel XI.IV.3 RPPol luidde vóór de inwerkingtreding op 1 juli 2019: “HOOFDSTUK II. - DE VERGOEDING VOOR WERKELIJKE ONDERZOEKSKOSTEN. Art. XI.IV.3.Aan de personeelsleden van het operationeel kader, met uitsluiting van deze bedoeld in artikel 29 van de wet van 27 december 2000, houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, die ofwel behoren tot een eenheid of dienst, ofwel een ambt uitoefenen dat de minister bepaalt, wordt een maandelijkse forfaitaire vergoeding van 4 950 frank (122,71 EUR) toegekend om geringe kosten te dekken die zij dragen in de uitoefening van hun ambt.” Deze bepaling maakt deel uit van deel XI “Het geldelijk statuut” van RPPol en meer bepaald van titel IV met als opschrift “De vergoedingen”. Artikel 19 van het bestreden besluit beperkt het oorspronkelijke toepassingsgebied van artikel XI.IV.3 RPPol tot de “personeelsleden die in dienst zijn op 1 juli 2019, met uitzondering van de aspiranten, ook niet na hun basisopleiding en benoeming”. Aspiranten die in dienst zijn op 1 juli 2019 maken XIV-38.13 bijgevolg geen aanspraak op die vergoeding, ook niet na het beëindigen van hun basisopleiding en benoeming. Noch het bestreden besluit – dat niet is vergezeld van een verslag aan de Koning hoewel zulks werd aangeraden door de Raad van State, in zijn advies bij het bestreden besluit (Adv. RvS, afdeling Wetgeving, nr. 66.173/2, 12 juni 2019, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/66173.pdf) - noch deel XI RPPol, noch titel IV ervan, bepalen wat dient te worden begrepen onder “aspirant”. Het begrip moet derhalve worden geïnterpreteerd in de zin zoals het thans is gedefinieerd in artikel 2, 7°, van de wet van 26 april 2002, die uitvoering geeft aan de overgangsbepaling vervat in artikel 184 van de Grondwet (Parl. St. Kamer, 2001-2002, nr. 50 1683/001, 4): “7° ‘aspirant’ : elk personeelslid van het operationeel kader dat toegelaten is tot een basisopleiding die toegang geeft tot een betrekking van één van de kaders bedoeld in artikel 117, eerste lid, van de wet;” Artikel I.I..1, 24° RPPol definieert het begrip “basisopleiding” als volgt: “24° ‘de basisopleiding’: de beroepsopleiding gegeven aan de aspirant met het oog op het uitoefenen van een eerste betrekking in één van de kaders bedoeld in artikel 117 van de wet en die noodzakelijk is voor het uitoefenen van deze betrekking;” Deze definitie van basisopleiding geldt luidens de inleidende zin van artikel I.I.1., voor de gehele toepassing van het RPPOL en dus ook voor de toepassing van artikel XI.IV.3 RPPol, zoals aangevuld door artikel 19 van het bestreden besluit. Voorts wordt luidens artikel 5 van de wet van 26 april 2002 de graad van aspirant verleend aan het personeelslid gedurende de basisopleiding. De “tot de basisopleiding toegelaten personen” worden op de dag van die toelating van rechtswege aangesteld in de graad van, te dezen, aspirant-hoofdinspecteur van politie (art. IV.II.47, eerste lid, RPPol). De aspirant-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie maakt tijdens zijn basisopleiding deel uit van de XIV-38.13 politiedienst voor dewelke hij werd aangeworven. De aspiranten die een basisopleiding volgen in het raam van de bevorderingsprocedure door overgang naar een hoger kader blijven tijdens die basisopleiding deel uitmaken van het operationeel kader van de politiedienst waartoe zij vóór hun toelating tot de basisopleiding behoorden (art. IV.II.47, vierde en vijfde lid RPPol). Luidens artikel 37, eerste lid, van de wet van 26 april 2002 tot slot, worden “de leden van het operationeel kader die slagen voor de basisopleiding van een hoger kader […] bevorderd door overgang naar het beoogde hoger kader.” Uit deze bepalingen volgt dat een aspirant elk personeelslid van het operationeel kader is dat is toegelaten tot een basisopleiding die toegang geeft tot een betrekking van één van de kaders bedoeld in artikel 117, eerste lid, van de wet van 7 december 1998, zijnde te dezen het middenkader. Voorts blijkt dat het begrip geen onderscheid maakt onder de aspiranten tussen enerzijds leden van het operationeel kader die toegelaten zijn tot een basisopleiding na een externe aanwerving - zoals de verzoekers - en anderzijds leden van het operationeel kader die toegelaten zijn tot een basisopleiding in het raam van een bevorderingsprocedure door overgang naar een hoger kader, de zogenaamde interne werving.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het begrip “aspirant” in artikel 19 van het bestreden besluit dat artikel XI.IV.
- RPPol aanvult met een tweede lid, evenzeer geldt voor de aspiranten toegelaten tot de basisopleiding na een externe aanwerving als voor de aspiranten toegelaten tot de basisopleiding in het raam van een interne bevordering tot een hoger kader. Ook zonder dat de bestreden bepaling zulks uitdrukkelijk moet vermelden - en anders dan hoe de verwerende partij het ziet -, zijn derhalve personeelsleden die het voorwerp uitmaken van een zogenoemde interne werving begrepen onder “aspiranten” in de zin van de geschonden geachte bepaling.
- Het derde lid van artikel XI.IV.
- RPPol zoals aangevuld door artikel 19 van het bestreden besluit leidt niet tot een ander besluit. Uit die bepaling blijkt enkel dat de personeelsleden die na die datum via externe werving in dienst XIV-38.131 treden en dus de hoedanigheid van aspirant verkrijgen, geen aanspraak maken op de vergoeding. Dit lid heeft derhalve geen betrekking op personeelsleden die, zoals de verzoekers, op 1 juli 2019 reeds in dienst zijn. Gelet op het feit dat het (nieuwe) tweede lid van artikel XI.IV.3 RPPol de aspiranten uitsluit, heeft het vierde lid van die bepaling, zoals aangevuld door artikel 19 van het bestreden besluit, nog alleen toepassing op diegenen die op 1 juli 2019 reeds de vergoeding genieten en dit recht behouden omwille van het behoren tot een bepaalde eenheid of dienst, of aanwijzing in een door de minister bepaald ambt. Het feit dat het in de nota aan de Ministerraad, in een interne nota van de minister van Binnenlandse Zaken en van het secretariaat van de Geïntegreerde politie en in een nieuwsbericht anders wordt gezien, overtuigt evenmin. De in die documenten gehuldigde interpretatie heeft immers hoogstens de waarde van een voorlopig standpunt van het bestuur ten aanzien van de betrokken voorwaarde van aspirant, waardoor de Raad van State als bestuursrechter uiteraard niet is gebonden. Er kan derhalve rechtsgeldig geen steun in worden gevonden voor een andere interpretatie dan die welke hiervoor is gegeven. De omstandigheid dat een regelgeving ook volgens de doelstellingen ervan moet worden geïnterpreteerd zoals die blijken uit die documenten, houdt voorts niet in dat zulks vermag te leiden tot een contra legem interpretatie. Ook het gegeven dat tussen partijen geen betwisting zou bestaan over de interpretatie die aan de bestreden bepaling zou zijn te verlenen, bindt de Raad van State niet bij zijn interpretatie ervan in het kader van de door hem uit te oefenen legaliteitstoets. In de mate dat de verwerende partij het anders ziet en meent dat artikel 19 van het bestreden besluit in die zin moet worden gelezen dat het een onderscheid maakt tussen enerzijds de personeelsleden die op 1 juli 2019 aspirant zijn en nog niet benoemd zijn in een betrekking binnen de personeelsformatie en anderzijds de personeelsleden die op de voornoemde datum al in dienst waren van de geïntegreerde politie en een betrekking bekleden binnen de personeelsformatie als vast benoemd personeelslid en die desgevallend op 1 juli 2019 het voorwerp uitmaken van een interne bevorderingsprocedure, voegt zij een voorwaarde toe aan XIV-38.131 de bepalingen van het bestreden besluit en gaat zij derhalve uit van een verkeerde rechtsopvatting.
- De hiervoor aangegeven lezing van artikel 19 van het bestreden besluit (supra, punt 11) leidt tot de vaststelling dat het eerste onderdeel feitelijke grondslag mist vermits het geschonden geachte artikel 19 de aspiranten in het kader van een externe werving en de aspiranten in het kader van een interne werving niet verschillend behandelt. De omstandigheid dat, naar de verzoekers in de laatste memorie stellen, de overheid die bepaling anders toepast, leidt niet tot een ander besluit vermits dit de uitvoering en niet de wettigheid van de bestreden reglementaire bepaling betreft.
- Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel van het auditoraatsverslag: “De vraag daargelaten of de verwerende partij bij de plaatsaanbieding als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie effectief zou ‘toegezegd’ hebben dat de verzoekers de forfaitaire vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten zouden krijgen, moet er op gewezen worden dat het invoeren van een nieuwe regeling onvermijdelijk gevolgen heeft voor degenen die voorheen onder de toepassing van de oude regelgeving vielen, maar dat zij daarbij niet kunnen steunen op verworven rechten of aanspraken op het behoud van de vroegere situatie (RvS, 26 april 2011, nr. 212.762; RvS, 23 maart 2006, nr. 156.753), gelet op het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst. In zoverre de verzoekers inroepen dat hun rechtmatige verwachtingen gefnuikt worden door het verlies van hun recht op de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten, en dat aldus het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel worden geschonden, heeft het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst tot gevolg dat uit het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geen aanspraak worden afgeleid op het ongewijzigd blijven van een bepaalde regeling (RvS, 31 januari 2012, nr. 217.610, DECKERS; RvS, 24 januari 2013, nr. 222.223, VERTE). XIV-38.131
- De verzoekers betwisten deze beoordeling niet. Zij hebben na kennisneming van het verslag van het auditoraat, verzuimd op het auditoraatsverslag te antwoorden en zodoende niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De verzoekers hebben er zich immers toe beperkt te stellen dat zij zich gedragen naar de wijsheid. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Conclusie
- Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op en rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Het teveel betaalde bedrag aan bijdrage dient te worden teruggestort aan de verzoekers. XIV-38.131 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.131 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.968 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div