id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.988 Rolnummer: A. 229438/VII-40674 Zaak: Arrest 251988 - Natuurbehoud - Vergunningen - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-11 14:36 Fiche Arrest nr 251.988 van 28 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.988 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 229.438/VII-40.674 In zake: Bernard INDEKEU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Van Lommel en Yves Loix kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristien Vanderheiden en Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 2 september 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 28 mei 2019 houdende het opleggen van een bestuurlijke maatregel, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.674-1/5 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 11 juni 2021 een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan verzoeker ter kennis gebracht op 16 juni
- Op 5 augustus 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Van Lommel, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Jurgen Van Uffelen, die loco advocaten Kristien Vanderheiden en Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- VII-40.674-2/5 III. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van verzoeker een vermoeden van afstand van geding wanneer hij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Verzoeker heeft binnen voormelde termijn geen verzoek tot voortzetting van de procedure bij de Raad van State ingediend.
- Verzoeker voert aan dat hij op 13 juli 2021 een laatste memorie met verzoek tot voortzetting aangetekend heeft verzonden maar dat het stuk door een materiële vergissing werd verstuurd naar het departement Omgeving van de Vlaamse overheid. Vervolgens heeft hij op het ogenblik dat de begane misslag werd vastgesteld onmiddellijk de initiële zending van 13 juli 2021 overgemaakt aan de Raad van State. Tot slot benadrukt hij dat er geen sprake is van “enig bedrieglijk inzicht”.
- Het vermoeden van afstand van geding dat de wet verbindt aan een niet-tijdig verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, is een onweerlegbaar vermoeden dat enkel door het bewijs van overmacht of onoverkomelijke dwaling terzijde geschoven kan worden. De stukken van het dossier bevestigen dat verzoeker op 13 juli 2021 een laatste memorie met verzoek tot voortzetting aangetekend heeft verstuurd naar het adres: VII-40.674-3/5 “Departement Omgeving - afdeling Handhaving T.a.v. voorzitter T.a.v. griffier Anna Bijnsgebouw Lange Kievitstraat 111-113 2018 Antwerpen BE”. Aldus staat vast dat het verzoek tot voortzetting initieel niet werd verstuurd naar de griffie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het adres Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel. De vrije keuze om in rechte vertegenwoordigd te worden door een advocaat brengt mee dat verzoeker in beginsel de gevolgen draagt van de fouten of nalatigheden die gebeuren in de uitoefening van het gegeven mandaat. In dit geval brengt verzoeker geen omstandigheden bij die door overmacht of onoverkomelijke dwaling hebben verhinderd dat de betrokken procedurehandeling tijdig zou zijn verricht. De rechtstreekse oorzaak van het niet-tijdig indienen van de laatste memorie met verzoek tot voortzetting is immers dat het begeleidend schrijven, dat door een andere advocaat van het kantoor ondertekend werd in de plaats van de door verzoeker gekozen raadsman, gericht was tot het Departement Omgeving - afdeling Handhaving. Er moet worden aangenomen dat dergelijke misslag vermijdbaar is indien de normaal vereiste zorgvuldigheid in acht wordt genomen bij het versturen van een procedurestuk waaraan belangrijke wettelijke gevolgen verbonden zijn. Het bestaan van omstandigheden die hebben verhinderd om tijdig een verzoek tot voortzetting in te dienen, wordt dan ook niet aangetoond. Het feit dat verzoeker of zijn raadsman geen bedrieglijk inzicht kan worden verweten, spreekt deze conclusie niet tegen.
- Het wettelijk vermoeden van afstand van het geding moet te dezen onverkort worden toegepast. VII-40.674-4/5 BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.674-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div