id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.992 Rolnummer: A. 233147/VII-41047 Zaak: Arrest 251992 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-08 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 14:39 Fiche Arrest nr 251.992 van 28 oktober 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.992 van 28 oktober 2021 in de zaak A. é.147/VII-41.047 In zake:
- Alain VAN DEN BERGH
- Hilde HERMAN
- Inge VERJANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Knapen kantoor houdend te 1831 Diegem Pegasuslaan 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel, Anneleen Van De Meulebroucke en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 maart 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 8 januari 2021 tot uitvoering van artikel 34/1, tweede lid, en artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 2020 tot uitvoering van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.047-1/4 Eerste auditeur Anja Somers heeft op 2 september 2021 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carine Knapen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Elke Seghers en Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Ontvankelijkheid van de vordering
- Het verzoekschrift meldt in het opschrift dat het gaat om een “verzoekschrift tot gewone schorsing”. In de tekst zelf en in het dictum wordt ook duidelijk aangegeven dat de schorsing van het bestreden besluit wordt gevraagd. De verzoekende partijen hebben echter nagelaten om voorafgaandelijk of tegelijk een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te dienen. De vordering tot schorsing is uiteraard een accessorium van een annulatieberoep. Een alleenstaande vordering tot schorsing is niet ontvankelijk Uit de tekst van artikel 17, § 1, tweede lid van de Rvs-wet blijkt dat de vordering tot schorsing op elk ogenblik “van de procedure ten gronde” kan worden ingediend. Dit impliceert dat de procedure ten gronde reeds werd aanhangig gemaakt, of minstens dat het verzoek tot schorsing of voorlopige VII-41.047-2/4 maatregelen samen met het beroep tot nietigverklaring wordt ingediend. Het administratief kort geding is immers een accessorium van het beroep tot nietigverklaring. Alleen de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid vormt hierop een uitzondering, deze kan ook worden ingediend vóór de bodemprocedure. Artikel 17, § 4 van de RvS-wet bepaalt immers dat in geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen bedoeld in paragraaf 1, de schorsing of voorlopige maatregelen kunnen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend. In dat geval wordt de schorsing die aldus zou zijn bevolen, voor het indien van het verzoekschrift tot nietigverklaring, onmiddellijk opgeheven als blijkt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend waarin middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden. Zelfs in het geval waarin het huidige verzoekschrift tot schorsing ontvankelijk zou zijn geweest, zou een eventueel bevolen schorsing moeten worden opgeheven vermits de termijn om een beroep tot nietigverklaring in te dienen ruimschoots werd overschreden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.047-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.047-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.