← België

Arrest 251994 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 28/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.994 Rolnummer: A. 232561/VII-40985 Zaak: Arrest 251994 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 14:40 Fiche Arrest nr 251.994 van 28 oktober 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 251.994 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 232.561/VII-40.985 In zake : David RYCKEBOER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristiaan Vandenbussche en Stijn Van Lancker kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen van 6 november 2020 waarbij het visum van verzoeker wordt ingetrokken voor een periode van drie maanden, eventueel te verlengen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 250.857 van 10 juni 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.985-1/7 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Op 9 september 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Van Lancker, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is VII-40.985-2/7 binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep van de rol worden geschrapt. In het digitale bericht waarbij aan verzoeker de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. Verzoeker heeft de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen.
  6. In het verzoekschrift om gehoord te worden en ter terechtzitting verklaart verzoekers raadsman dat hij op 9 juli 2021 een betaling heeft uitgevoerd naar de bedoelde rekening, met vermelding van de voorgeschreven referentie. Op 9 augustus ontdekten de interne boekhouders dat de rekening van de Raad van State niet was gecrediteerd. Hij stelt dat hij onmiddellijk opnieuw is overgegaan tot betaling. De oorzaak van het niet doorgaan van de betaling is voor de raadsman van verzoeker nog steeds onbekend. Het is volgens verzoekers raadsman alleszins buiten zijn wil om gebeurd en kan worden beschouwd als een geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Een technische stoornis bij de bank valt niet uit te sluiten, maar dit valt uiteraard onmogelijk naderhand te bewijzen. Uit de feiten kan redelijkerwijze worden afgeleid dat verzoeker zeker de intentie had om de betaling onmiddellijk uit te voeren en dus de procedure te activeren en op geen enkel ogenblik wenste te verzaken aan de vernietigingsprocedure.
  7. De raadsman van verzoeker, die geacht moet worden zijn kantoor op een behoorlijke en efficiënte wijze te organiseren, geeft geen enkele aannemelijke verklaring voor het feit dat in de dertig dagen volgend op zijn VII-40.985-3/7 betaling niet is geverifieerd of deze effectief van de rekening is afgeschreven. Hij had dan nog ruimschoots de misgelopen betaling kunnen regulariseren of opnieuw laten uitvoeren, zoals hij het overigens ook gedaan heeft - maar dan buiten de gestelde termijn. De raadsman van verzoeker toont niet aan dat het onmogelijk was om zijn betalingsopdracht door te geven op een manier die wat nu is voorgevallen kon vermijden. Er zijn dan ook geen omstandigheden aanwezig die hebben verhinderd om tijdig gevolg te geven aan het verzoek tot het betalen van het verschuldigde rolrecht en de bijdrage.
  8. Verzoeker stelt eveneens, in ondergeschikte orde, voor om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag voor te leggen. Deze vraag betreft in wezen het systeem van de onmiddellijke betaling van het rolrecht bij de Raad van State, zoals dit voortvloeit uit artikel 71, vierde lid van het algemeen procedurereglement, en niet de schending van een aan de toetsing van het Grondwettelijk Hof voorbehouden wetsbepaling. Verzoeker verwijst naar de regeling voor de justitiële hoven en rechtbanken, waar het rolrecht pas na afloop van het proces dient te worden betaald.
  9. De procedure voor de Raad van State, die krachtens de wet een eigen regeling kent, kan niet zonder meer worden vergeleken met deze voor de justitiële hoven en rechtbanken.
  10. Verzoeker betoogt eveneens dat door de strenge sanctie van artikel 71 van de algemene procedureregeling zijn recht op toegang tot de rechter onevenredig wordt aangetast
  11. Het recht op toegang tot een rechter is niet absoluut. Het kan het voorwerp uitmaken van financiële beperkingen, voor zover die beperkingen VII-40.985-4/7 geen afbreuk doen aan de essentie zelf van dat recht. De beperkingen van dat recht moeten redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25). De reglementering dienaangaande moet de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag dus geen beperkingen opleveren die de rechtzoekende verhinderen de inhoud van zijn geschil voor de bevoegde rechter te brengen (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69). Die beperkingen moeten redelijkerwijze evenredig zijn met het gewettigde doel dat ze nastreven en ze mogen de rechtzoekende niet verhinderen de inhoud van zijn geschil voor de bevoegde rechter te brengen. De betaling van het recht van 200 euro of 150 euro waarin artikel 70 van het algemeen procedurereglement voorziet voor verzoekschriften tot schadevergoeding, tot nietigverklaring en tot schorsing, tot het instellen van cassatieberoep, herziening, verzet of derdenverzet, en tot voortzetting van de procedure na een arrest over een vordering tot schorsing, respectievelijk voor verzoekschriften tot tussenkomst, veroorzaakt geen buitensporige kosten - óók niet wanneer tevens rekening wordt gehouden met de rechtsplegingsvergoeding ingevoerd door artikel 11 van de wet van 20 januari
  12. Elke verzoeker die in het gelijk wordt gesteld krijgt immers de bedragen die hij bij het inleiden van de procedure heeft voorgeschoten in principe terugbetaald. Overeenkomstig artikel 83 van het algemeen procedurereglement worden, in voorkomend geval de financieel zwakkere rechtzoekenden die een beroep doen op het voordeel van de pro deo uitdrukkelijk van de betaling van de rolrechten vrijgesteld. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verplichting tot tijdige betaling van het rolrecht te dezen voor hem dermate onoverkomelijk was dat zijn recht op toegang tot de rechter in het gedrang werd gebracht. Overigens heeft verzoeker het rolrecht toch betaald, zij het te laat. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep van de rol dient te worden geschrapt.
  13. De te laat gekweten kosten dienen aan verzoeker te worden terugbetaald. VII-40.985-5/7 VII-40.985-6/7 BESLISSING
  14. Het beroep wordt van de rol geschrapt.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het laattijdig gekweten rolrecht dat verband houdt met het beroep tot nietigverklaring ten bedrage van 200 euro en de bijdrage van 20 euro dienen aan verzoeker te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.985-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.994 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.857 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.